id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 12 januari 2005 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.139.141 Rolnummer: A. 127715/XIV-12024 Zaak: Arrest 139141 - - 12/01/2005 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2005-02-04 Raadplegingen: 58 - laatst gezien 2026-07-02 06:10 Fiche Arrest nr 139.141 van 12 januari 2005 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 139.141 van 12 januari 2005 in de zaak A. 127.715/XIV-12.
- In zake : XXX, wonende te A. tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door : de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen. -------------------------------------------------------------------------------------------------------------- --- DE Wnd. VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX, van Iraanse nationaliteit, op 4 oktober 2002 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van de beslissing van de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen van 4 september 2002 tot bevestiging van de beslissing van de minister van Binnenlandse Zaken van 24 april 2001 tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten, aan de verzoekende partij ter kennis gebracht op 4 september 2002; Gezien het verzoekschrift dat de verzoekende partij op dezelfde dag heeft ingediend om de schorsing van de tenuitvoerlegging te vorderen van dezelfde beslissing; Gelet op artikel 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; Gezien het verslag opgemaakt door eerste auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST, op grond van artikel 26 van voormeld koninklijk besluit; Gelet op de beschikking van 22 december 2003 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 4 februari 2004; Gehoord het verslag van staatsraad C. ADAMS; Gehoord de opmerkingen van advocaat V. LIBERT, die loco advocaat I. DOUWEN, verschijnt voor de verzoekende partij en van attaché V. HOEFNAGELS, die verschijnt voor de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen; XIV-12.024-1/6 Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
- Overwegende dat de verzoekende partij België binnenkomt op 29 november 2000 en zich vluchteling verklaart op 1 december 2000; dat op 24 april 2001 de minister van Binnenlandse Zaken beslist tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten; dat op 4 september 2002 de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen deze beslissing bevestigt; dat dit de thans bestreden beslissing is, die als volgt is gemotiveerd: “U verklaart een Iraans staatsburger afkomstig van Shiraz te zijn. U was sinds 1357 (Perzische kalender: komt overeen met 1978 in de Gregoriaanse kalender) sympathisant van een monarchistische organisatie Jonbesh Sevom van Reza Pahlavi. U verzamelde en verspreidde informatie. In de winter van 1376
(1997)had u met collega’s een discussie over politiek. Enkele dagen later werd u door Hefazat van Ettelaat (geheime dienst) geconvoceerd. U werd voor de belediging van het regime 18 dagen opgesloten, van 10/12/1376 tot 29/12/1376 (1 maart 1998 tot 18 maart 1998). U werd van 23/2/1377 tot 30/06/1377 (13 mei 1988 tot 21 september 1988) in de gevangenis van Adelabad in Shiraz opgesloten. Voor uw vrijlating verscheen u voor de rechtbank van Ettelaat en kreeg u 1,5 jaar gevangenisstraf voor de belediging van het regime. U ging in beroep en kreeg strafvermindering tot 1 jaar. U werd opgesloten van 16/5/1378 tot 14/12/1378 (7 augustus 1999 tot 5 maart 2000). Op het einde van de vierde maand van 1379 (juli 2000) werd u ontslagen. In de eerste helft van de achtste maand van 1379 (eind oktober - begin november 2000) deden 4 agenten van Ettelaat een huiszoeking. De agenten namen een antenne, video en cassettes in beslag en namen u mee. De volgende morgen kwam uw vrouw naar uw detentieplaats en u werd vrijgelaten mits het betalen van een boete. De avond van 9 november 2000 kreeg u vrienden op bezoek. De vriendin vergat har zak bij u thuis. De volgende dag belde uw vrouw naar de vriendin, haar dochter antwoordde en zei dat agenten van Ettelaat haar hadden meegenomen. De dochter vroeg uw vrouw de zak te laten verdwijnen aangezien het een copy van de Duivelsverzen bevatte. Uw vrouw reed naar huis en zag dat er auto’s van de ordediensten voor uw huis stonden. Dezelfde dag verliet u Shiraz. U heeft in de achtste maand, op 12 november 2000 Iran verlaten en u heeft op 1 december 2000 in België asiel gevraagd. Er dienen ernstige tegenstrijdigheden te worden opgemerkt, enerzijds tussen uw opeenvolgende verklaringen (dienst Vreemdelingenzaken, commissariaat-generaal, vragenlijst) en anderzijds tussen uw verklaringen en die van uw vrouw XXX (ov 5.042.383). Wat betreft beschuldigingen en opsluitingen, verklaart u op de dienst Vreemdelingenzaken geen beschuldiging te hebben gekend (DVZ, punt 43) en u vermeldt enkel één nacht vastgehouden te zijn in de rechtbank in Shiraz (DVZ, punt 44). Op het commissariaat-generaal verklaart u echter te zijn beschuldigd voor de belediging van het regime (CGVS, p 15-16). U verklaart meerdere keren te zijn opgesloten geweest van 10/12/1376 tot 29/12/1376 (1 maart 1998 tot 18 maart 1998) (CGVS, p 15). U werd van 23/2/1377 tot 30/6/1377 (13 mei 1988 tot 21 september 1988) in de gevangenis van Adelabad in Shiraz opgesloten (CGVS, p 16). Nadien werd u opgesloten van 16/5/1378 tot 14/12/1378 (7 augustus 1999 tot 5 maart 2000) (CGVS, p 17). Verder dient wat betreft uw detentie als gevolg van de huiszoeking in 1379
(2000)gewezen te worden op het feit dat u tijdens het interview op het commissariaat-generaal verklaart dat uw vrouw in de achtste maand van 1379 naar het gevangeniscomplex kwam, waar u opgesloten zat en u haar terugzag in het bureau van de rechter. U voegde hier aan toe dat uw vrouw de boete heeft betaald (CGVS, man p 12, 13). Uw vrouw poneert op het commissariaat- generaal daarentegen dat uw broer naar het bureau van de rechter is gegaan en dat zij niet op het bureau is geweest (CGVS, vrouw, p 8,9). U verklaart in de vragenlijst (p 8) en op het commissariaat-generaal dat u na uw vertrek uit Iran bij verstek tot de dood bent veroordeeld (CGVS, p 19). Volgens de informatie waarover het commissariaat-generaal beschikt, blijkt dat er geen doodstraf kan worden uitgesproken bij verstek (zie CEDOCA, IR2002-108w). Al deze elementen tasten de geloofwaardigheid van uw verklaringen op fundamentele wijze aan. XIV-12.024-2/6 Bovendien kan te worden opgemerkt dat, zelfs indien uw verklaringen geloofwaardig zouden zijn, quod non, de door u ingeroepen problemen onvoldoende zwaarwichtig zijn om te kunnen spreken van een systematische vervolging in de zin van de Conventie van Genève. U verklaart te zijn gevlucht omwille van het bezitten van een verboden boek Duivelsverzen. (CGVS, p 18). Er dient te worden opgemerkt dat uit informatie waarover het commissariaat- generaal beschikt, blijkt dat het louter beschikken of verspreiden van verboden materiaal, waaronder literatuur die beledigend wordt geacht voor de Islam in de praktijk hooguit leidt tot de oplegging van een geldboete. Er is in deze gevallen dan ook geen sprake van vervolging in de zin van de Conventie van Genève (zie Nederlandse ministerie van Buitenlandse Zaken, Situatie in Iran, 1998). Gelet op het voorgaande kan in uw hoofde geen vermoeden van het bestaan van een gegronde vrees voor vervolging, zoals bedoeld in de Conventie van Genève van 28 juli 1951, worden vastgesteld. De door u in het kader van uw asielaanvraag neergelegde documenten (brief secretariaat Reza Pahlavi, kopie identiteitsboekje, kopie identiteitsboekje dochter en zoon, getuigschrift Nederlands, rijbewijs, attesten informaticacursus) wijzigen hetgeen hiervoor werd uiteengezet niet. Ze bevatten identiteitsgegevens waar niet aan wordt getwijfeld. Wat betreft de brief van het secretariaat van Reza Pahlavi kan worden gesteld dat deze dateert van 17 juni 2002 en dus werd aangevraagd na uw aankomst in België.”; 2.1.
- Overwegende dat de verzoekende partij een eerste middel aanvoert dat luidt als volgt: “Eerste middel: schending van de rechten van de verdediging. Verzoeker en zijn echtgenote werden zowel bij het eerste interview bij dienst Vreemdelingenzaken als bij het tweede interview bij het commissariaat-generaal bijgestaan door een Perzische tolk. Zowel verzoeker als zijn echtgenote hadden bij het eerste interview uitdrukkelijk verklaard aan de tolk hoeveel arrestaties hadden plaatsgevonden, doch de tolk vertelde hen alsdan dat het aangewezen was deze arrestaties niet mee te delen vermits hiervan geen bewijsstukken konden voorgelegd worden en hierdoor hun vluchtverhaal niet voor waarheid zou worden genomen. De tolk adviseerde verzoeker en zijn echtgenote om voor het tweede interview bij het commissariaat-generaal de nodige bewijsstukken te verzamelen. Omwille van dit advies van de tolk werd verzoeker en zijn echtgenote niets verteld over de arrestaties bij het eerste interview en zijn de tegenstrijdigheden in de betrokken verhalen hierdoor te verklaren. Tijdens het tweede interview voor het CGVS wenste de Perzische tolk dat verzoeker en zijn echtgenote alle data volgens de Perzische kalender weergaven. Door verzoeker werd nog aan de tolk meegedeeld dat zij na het eerste interview, op aanraden van vrienden en kennissen, alle data van aanhoudingen, alsook de vluchtdata, volgens de kalender gehanteerd in Europa hadden ingeprent. Het was dan ook bijzonder moeilijk voor verzoeker en zijn echtgenote om tijdens het tweede interview voor het CGVS opnieuw de data volgens de Perzische kalender weer te geven. Gelet op het voormelde kan gesteld worden dat verzoeker zijn rechten van verdediging geschonden werden.”; 2.1.
- Overwegende dat de bestreden beslissing geen jurisdictionele, doch een administratieve beslissing is, die niet is genomen in het kader van een tuchtrechtelijke procedure; dat de rechten van verdediging er daarom niet op van toepassing zijn; dat het eerste middel onontvankelijk is; 2.2.
- Overwegende dat de verzoekende partij een tweede middel aanvoert dat luidt als volgt: “Tweede middel: Schending van art. 2 en 3 van de wet van 29.07.1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van bestuurshandelingen en de schending van de motiveringsplicht als algemeen beginsel van behoorlijk bestuur. Het CGVS motiveert haar beslissing tot weigering onder meer als volgt: XIV-12.024-3/6 ‘... Wat betreft de brief van het Secretariaat van Reza Pahlavi kan worden gesteld dat deze dateert van 11 augustus 2001 en dus werd aangevraagd na uw aankomst in België’. Verzoeker wenst op te merken dat de brief van het secretariaat van Reza Pahlavi (de voormalige Koning van Iran) door hem en zijn echtgenote werden aangevraagd na hun aankomst in België, vermits zij na hun eerste interview bij dienst Vreemdelingenzaken beseften dat zij zoveel mogelijk bewijsstukken dienden voor te leggen. Deze brief met de bevestiging dat verzoeker en zijn gezin gevaar lopen in Iran dateert uiteraard van na hun aankomst in België, vermits in hun land van herkomst verzoeker een dergelijk document niet nodig had. In Iran zou het levensgevaarlijk geweest zijn om een dergelijke verklaring in het bezit te hebben. Volledigheidshalve wenst verzoeker er nog aan toe te voegen dat de documenten die de identiteitsgegevens aantonen (kopie identiteitsboekje, rijbewijs, attest Nederlands, attest kinderen) bij het CGVS werden neergelegd en aan deze documenten door het CGVS niet getwijfeld wordt.”; 2.2.
- Overwegende dat de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen vereist dat de rechtsonderhorige in de hem aanbelangende beslissing kan lezen op welke gronden die beslissing is gesteund, zodat hij met kennis van zaken kan oordelen of het zinvol is gebruik te maken van de rechtsmiddelen waarover hij in rechte beschikt; dat die gronden op eenvoudige wijze in de bestreden beslissing kunnen worden gelezen, namelijk het feit dat de verklaringen van de verzoekende partij en haar echtgenote ernstige tegenstrijdigheden bevatten en dat de door de verzoekende partij ingeroepen problemen onvoldoende zwaarwichtig zijn om te kunnen spreken van een systematische vervolging in de zin van het Internationaal verdrag betreffende de status van vluchtelingen, ondertekend te Genève op 28 juli 1951; dat daarmee aan de voornaamste vereiste van de formele motiveringsplicht is voldaan en dat het tweede middel in die mate ongegrond is; Overwegende dat het bij de beoordeling van de materiële motiveringsplicht niet tot de bevoegdheid van de Raad van State behoort zijn beoordeling van de gegrondheid van het dringend beroep in de plaats te stellen van die van de administratieve overheid; dat de Raad van State in de uitoefening van zijn wettelijk toezicht enkel bevoegd is na te gaan of deze overheid bij de beoordeling van het dringend beroep is uitgegaan van de juiste feitelijke gegevens, of zij die correct heeft beoordeeld en of zij op grond daarvan niet in onredelijkheid tot haar besluit is kunnen komen; Overwegende dat de verzoekende partij volledig voorbijgaat aan de diverse concreet uitgewerkte tegenstrijdigheden en het onvoldoende zwaarwichtig karakter van de ingeroepen problemen, waarop de bestreden beslissing is gesteund; dat deze motieven de bestreden beslissing kunnen dragen; dat de verzoekende partij zich beperkt tot de herhaling van haar standpunt betreffende de brief van het secretariaat van Reza Pahlavi, zonder daarmee de redenen te weerleggen waarom deze brief volgens de bestreden beslissing geen afbreuk doet aan de in aanmerking genomen weigeringsmotieven; dat de verzoekende partij derhalve niet aannemelijk maakt dat de commissaris-generaal de bestreden beslissing op grond van onjuiste feitelijke gegevens, op kennelijk onredelijke of XIV-12.024-4/6 met overschrijding van zijn ruime appreciatiebevoegdheid heeft genomen; dat het tweede middel ook in die mate ongegrond is; 2.3.
- Overwegende dat de verzoekende partij een derde middel aanvoert dat luidt als volgt: “Derde middel: schending van behandeling van de asielaanvraag binnen een redelijke termijn. Verzoeker en zijn gezin zijn op 29 november 2000 in België aangekomen. Op 24 april 2001 werd een eerste negatieve beslissing genomen door dienst Vreemdelingenzaken. Het tweede interview bij het CGVS had pas plaats op 17 juli 2002 met een beslissing die dateert van 4 september 2002, ca 16 maanden later. Ondertussen heeft verzoeker en zijn gezin zich volledig geïntegreerd in onze samenleving en volgt hij en zijn echtgenote Nederlandse taalcursus. Eveneens zijn hun twee kinderen schoolgaand in de Nederlandse taal en volgt meer bepaald de zoon middelbaar onderwijs handel en de dochter een opleiding als pharmaceutisch technisch assistente. Gelet op hun integratie en de langdurige periode dat het gezin reeds in België verblijft zou een gedwongen terugkeer inhumaan zijn.”; 2.3.
- Overwegende dat artikel 63/3, § 1, derde lid, van de wet 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen een termijn van 30 werkdagen bepaalt waarbinnen de beslissingen van de commissaris-generaal in dringend beroep moeten worden genomen; dat bij overschrijding van deze termijn geen sanctie is voorzien, zodat het een termijn van orde betreft; dat dergelijke beslissingen niettemin binnen een redelijke termijn moeten worden genomen, bij gebreke waaraan de overheid haar bevoegdheid verliest om uitspraak te doen; dat een overschrijding van de redelijke termijn aldus tot gevolg zou hebben dat de in eerste aanleg genomen beslissing definitief wordt; Overwegende dat de in eerste aanleg genomen beslissing van de minister van Binnenlandse Zaken van 24 april 2001 een weigering van verblijf inhoudt; dat, bij vernietiging van de thans bestreden beslissing wegens overschrijding van de redelijke termijn om in beroep uitspraak te doen, de in eerste aanleg genomen beslissing definitief zou worden; dat de verzoekende partij uit het derde middel geen voordeel kan halen, zodat het onontvankelijk is bij gebrek aan belang;
- Overwegende dat de verzoekende partij geen gegrond middel tot nietigverklaring heeft aangevoerd; dat er derhalve grond is om toepassing te maken van artikel 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; dat de vordering tot schorsing, als accessorium van de nietigverklaring, derhalve samen met het beroep tot nietigverklaring wordt verworpen, XIV-12.024-5/6 BESLUIT: Artikel
- De vordering tot schorsing en het beroep tot nietigverklaring worden verworpen. Artikel
- De kosten van het beroep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op twaalf januari tweeduizend en vijf, door : de HH. C. ADAMS, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, M. MILOJKOWIC, griffier. De griffier, De voorzitter, M. MILOJKOWIC. C. ADAMS. XIV-12.024-6/6 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.139.141 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div