← België

Arrest 139164 - - 13/01/2005

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 13 januari 2005 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.139.164 Rolnummer: A. 68081/XII-2507 Zaak: Arrest 139164 - - 13/01/2005 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2005-01-19 Raadplegingen: 57 - laatst gezien 2026-07-02 06:11 Fiche Arrest nr 139.164 van 13 januari 2005 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 139.164 van 13 januari 2005 in de zaak A. 68.081/XII-

  1. In zake : Paul HOPMANS, die woonplaats kiest bij advocaat M. Hermans, kantoor houdende te Mechelen, Frans Halsvest 33, bus 1 tegen : de BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Binnenlandse Zaken. --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, XIIe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat Paul Hopmans op 14 maart 1996 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van de beslissing van 8 januari 1996 van de minister van Binnenlandse Zaken tot weigering van de machtiging om het beroep van privé-detective uit te oefenen; Gelet op het arrest nr. 60.773 van 4 juli 1996 waarbij de vordering tot schorsing en de vordering tot het bevelen van voorlopige maatregelen worden verworpen; Gezien de memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgesteld door auditeur J. Stevens; Gelet op de beschikking van 7 januari 1997 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen en gezien de laatste memories; Gelet op de beschikking van 8 maart 2004 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 8 juni 2004; XII-2507-1/7 Gehoord het verslag van staatsraad J. Lust; Gehoord de opmerkingen van advocaat M. Hermans, die verschijnt voor verzoeker, en van adjunct-adviseur P. Cornette, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur- afdelingshoofd F. De Buel; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
  2. Overwegende dat verzoeker, die reeds sinds 26 januari 1978 het beroep van privé-detective uitoefent, bij arrest van 5 januari 1995 van de kamer van inbeschuldigingstelling van het hof van beroep te Antwerpen herstel in eer en rechten verkrijgt met betrekking tot onder meer een veroordeling van 16 februari 1989 door de correctionele rechtbank te Leuven tot een gevangenisstraf van zes maanden, met uitstel gedurende vijf jaar, en 300 frank, wegens valsheid in geschrifte, misbruik van vertrouwen en cheques zonder dekking; dat hij op 20 januari 1995 aan de minister van Binnenlandse Zaken vraagt hem overeenkomstig de wet van 19 juli 1991 tot regeling van het beroep van privé- detective de vergunning te verlenen om het beroep van privé-detective uit te oefenen; dat op 19 juni 1995 de minister van Justitie de aanvraag ongunstig adviseert; dat hij zich daarvoor steunt op het negatief advies van 19 mei 1995 van de procureur-generaal bij het hof van beroep te Antwerpen, die op grond van drie dossiers ten laste van verzoeker besluit dat hij niet over de vereiste persoonlijke hoedanigheden beschikt om het beroep van privé-detective uit te oefenen; dat de minister van Binnenlandse Zaken op 6 januari 1996 weigert de machtiging te verlenen, in essentie om de volgende redenen : “Dat de Minister van Binnenlandse Zaken in deze materie over een beoordelingsmogelijkheid beschikt om de vergunning te weigeren, niettegenstaande de voorwaarden van artikel 3 alinea 1, 1/ van de voornoemde wet, vervuld zijn; Dat uit het advies van de Minister van Justitie blijkt [dat] de aanvrager, ondanks zijn herstel in eer en rechten, niet de voldoende garanties biedt inzake morele en professionele betrouwbaarheid; Dat naast de feiten waarvoor hij veroordeeld en in eer hersteld werd, hij ook verdacht werd van diefstal, bedreigingen, geweldpleging en de verkoop van inbeslaggenomen goederen; XII-2507-2/7 Dat de feiten omwille van opportuniteitsredenen door het parket werden geseponeerd. Dat de beslissing van het parket gebaseerd is op beoordelingselementen eigen aan de toepassing van het strafrecht. Dat het parket, oordelende dat de feiten niet van die aard waren om een strafrechtelijke sanctie te rechtvaardigen, nochtans melding maakt van feiten die, gelet op de beroepsdeontologie en beroepsbetrouwbaarheid, als ernstig te beschouwen zijn. Dat, voor een privé-detective, het feit misbruik te maken van valse hoedanigheden of bedreigingen te uiten, en bijgevolg gebruik te maken van ongeoorloofde methodes teneinde zich inlichtingen te verschaffen, een beroepsfout uitmaakt die duidelijk aantoont dat de betrokkene niet de garanties biedt van betrouwbaarheid en eerbaarheid, waarvan de wet de naleving beoogt te verzekeren. Overwegende bijgevolg dat de heer Paul Hopmans niet voldoet aan de vereisten om toegang te krijgen tot het beroep van privé-detective”; 2.
  3. Overwegende dat verzoeker in een eerste middel aanvoert dat “geen extra-legale voorwaarden” toegelaten zijn om de vergunning te weigeren, dat hij, gelet op zijn herstel in eer en rechten, geen veroordelingen “heeft” als bedoeld in artikel 3, eerste lid, 1/, van de wet van 19 juli 1991 tot regeling van het beroep van privé-detective, dat uitsluitend met de in de wet gestelde voorwaarden rekening mag worden gehouden en dat de wetgever, indien hij in de mogelijkheid had willen voorzien om de vergunning ook te weigeren in geval van eerherstel of van seponering van bepaalde bezwaarlijke processen-verbaal, zulks in de wet moest hebben vermeld; Overwegende dat de verwerende partij, zich steunend op het ongunstig advies van 19 mei 1999 van de minister van Justitie, weigert verzoeker de gevraagde machtiging te geven, “niettegenstaande de voorwaarden van artikel 3 alinea 1, 1/ van de [wet van 19 juli 1991], vervuld zijn”, omdat hij niet de vereiste garanties biedt van betrouwbaarheid en eerbaarheid, zoals “duidelijk” wordt aangetoond door “het feit misbruik te maken van valse hoedanigheden of bedreigingen te uiten”; dat die feiten volgens verzoeker niet in aanmerking mogen worden genomen omdat zij niet in de wet worden vermeld en derhalve “extra- legaal” zijn; 2.
  4. Overwegende dat overeenkomstig het artikel 3, eerste lid, van de wet van 19 juli 1991 tot regeling van het beroep van privé-detective, zoals het ten tijde van de bestreden beslissing luidde, de vergunning voor het uitoefenen van het beroep van privé-detective slechts wordt verleend indien de aanvrager voldoet aan zeven voorwaarden, waaronder, onder het 1/, niet veroordeeld zijn, zelfs niet met XII-2507-3/7 uitstel, tot een gevangenisstraf van ten minste zes maanden wegens enig misdrijf, of tot een lagere correctionele straf wegens huisvredebreuk, schending van het briefgeheim, opzettelijk toebrengen van slagen of verwondingen, diefstal, afpersing, misbruik van vertrouwen, oplichting, valsheid in geschrifte, aanranding van de eerbaarheid, verkrachting, de misdrijven bepaald bij de wapenwetgeving en de wetgeving op de verdovende middelen, de misdrijven bepaald bij de artikelen 379 tot 386ter van het Strafwetboek, omkoping van ambtenaren, gebruikmaking van valse namen, heling, uitgifte van ongedekte cheques, schending van het telefoongeheim, meineed, valsmunterij; Overwegende dat hieruit niet kan worden afgeleid dat de vergunning moét worden verleend indien de voorwaarden vervuld blijken; dat het artikel, mede gelet op de voorbereidende werken van de tekst, alleen in minimumvoorwaarden voorziet waaraan in elk geval voldaan moet zijn om de vergunning te kunnen verkrijgen; dat het evenwel de minister, discretionair oordelend, niet belet om de vergunning eventueel ook om andere redenen te weigeren; dat aldus de memorie van toelichting doet kennen dat een weigering van vergunning zijn grond kan vinden, niet alleen in het niet voldoen aan de voorwaarden van het artikel 3 van de wet, maar bijvoorbeeld ook in een negatief advies van de minister van Justitie (Parl. St. Senaat, 1990-1991, nr. 1259-1, p. 6); Overwegende dat dit nog eens uitdrukkelijk bevestigd is geworden tijdens de voorbereiding van, én door, de wet van 30 december 1996 tot wijziging van de wet van 19 juli 1991 tot regeling van het beroep van privé-detective; dat ten gevolge van die wijziging het artikel 3 van de wet, in § 4, thans expliciet vermeldt dat de minister van Binnenlandse Zaken, onafhankelijk van de verificatie van de opgesomde voorwaarden, beschikt “over een appreciatiebevoegdheid betreffende de door de detective of de kandidaat detective gepleegde feiten die, zelfs als ze niet het voorwerp hebben uitgemaakt van een strafrechtelijke veroordeling, een ernstige tekortkoming van de beroepsdeontologie uitmaken en daarom raken aan het vertrouwen in de betrokkene”; dat, blijkens de verantwoording van het amendement dat tot de wijziging aanleiding heeft gegeven, de tekst geen nieuwigheid invoert, maar alleen duidelijkheid en uniformiteit beoogt, waar immers “de wetgever het advies van Justitie steeds heeft beschouwd als een belangrijk element in de beslissing van de minister van Binnenlandse Zaken” en “hij steeds aan deze laatste een appreciatiebevoegdheid [heeft] toegekend” (Parl. St. Kamer, 1995-1996, nr. 557/3, pp. 2-3); XII-2507-4/7 Overwegende dat het de verwerende partij niet verboden was zich voor de bestreden weigering te steunen op het negatief advies van de minister van Justitie en de feiten waarop het berust; dat het middel ongegrond is; 3.
  5. Overwegende dat volgens een tweede middel de minister zijn macht te buiten gaat “door toch nog rekening te gaan houden met feiten waarvoor eerherstel verleend is [...] en meerbepaald de andere feiten zoals ze strafrechterlijk omschreven werden, onverminderd de seponering, voor waarheid te houden”, dat enerzijds door het eerherstel al de gevolgen van de veroordelingen ophouden en anderzijds de minister niet aantoont dat de andere feiten voor verzoeker bezwaarlijk zijn; Overwegende dat verzoeker daar in de memorie van wederantwoord en de laatste memorie nog aan toevoegt dat, wat het misbruik van valse hoedanigheden betreft, het ene Adrianus Plaat is die hem als architect heeft voorgesteld, dat, wat de bedreigingen aan de vrederechter betreft, de betrokkene voor hem onbekend was, arrogant en niet nuchter, dat bovendien de feiten uitsluitend de uitoefening van zijn beroep betreffen, dat hij ook reeds uitmuntend werk heeft gepresteerd, en dat hij niet beweert perfect te zijn, maar evenmin onbetrouwbaar of oneerbaar is; 3.
  6. Overwegende dat, zoals hoger al vastgesteld, de verwerende partij verzoeker de gevraagde machtiging weigert omdat hij niet de vereiste garanties biedt van betrouwbaarheid en eerbaarheid, zoals “duidelijk” wordt aangetoond door “het feit misbruik te maken van valse hoedanigheden of bedreigingen te uiten”; dat hiermee de verwerende partij verwijst naar het eerste van de drie dossiers waaruit de minister van Justitie, in navolging van de procureur-generaal bij het hof van beroep te Antwerpen, besluit dat verzoeker niet de vereiste waarborgen biedt om het beroep van privé-detective naar behoren uit te oefenen; Overwegende dat uit de door verzoeker zelf bijgebrachte stukken van dat dossier blijkt dat hij door Adrianus Plaat was verzocht om het eigendom van laatstgenoemde te beveiligen, dat het om een pas gekocht pand ging dat nog bewoond was, dat om toegang te krijgen Adrianus Plaat verzoeker als zijn architect voorstelde, dat na een discussie de bewoners vertrokken zijn, dat later op de dag de vrederechter ter plaatse is gekomen met het oog op een verzoening, dat verzoeker XII-2507-5/7 zich agressief betoonde en weigerde hem binnen te laten, zeggende “Als ge binnenkomt sla ik op uw gezicht”; Overwegende dat de verwerende partij hieruit terecht heeft kunnen concluderen dat verzoeker zich van valse hoedanigheden heeft bediend en bedreigingen heeft geuit; dat verzoeker zich wetens en willens heeft laten aanzien als de architect die hij volgens Adrianus Plaat was; dat hij nochtans niet die hoedanigheid bezit; dat hij ook effectief de vrederechter heeft bedreigd; dat de bedreigingen door zijn spijtbetuiging achteraf alleen maar bevestigd worden; dat de rijkswachters die de vrederechter vergezelden, verklaarden dat verzoeker “wel degelijk [wist] met wie hij te doen had daar hij zowel de burgerlijke als gerechtelijke identiteitskaart [van de vrederechter] had gelezen” en dat de bedreigingen niet werden uitgelokt; Overwegende dat de wet van 19 juli 1991, vanwege het gevaar voor inbreuk op het privé-leven van de burgers dat verbonden is aan de activiteit van een privé-detective en omdat “de problematiek van de detectives heel nauw samenhangt met de problematiek van de openbare orde en veiligheid”, de toegang tot het beroep van privé-detective heeft willen beperken tot “betrouwbare personen die geen ongeoorloofde methodes gebruiken” (Memorie van toelichting, Parl. St., Senaat, 1990-1991, nr. 1259-1, pp. 1 en 2); dat de besproken feiten te dien aanzien niet zonder relevantie kunnen worden geacht; dat zij des te minder relevantie missen waar ze niet verzoekers privé-leven betreffen, maar precies in de uitoefening van het beroep van privé-detective gesteld zijn; dat de verwerende partij niet de grenzen van de redelijkheid is te buiten gegaan door, niettegenstaande de “goede punten” die verzoeker zegt te verdienen, op grond van die feiten te hebben geconcludeerd dat hij niet de nodige waarborgen biedt inzake de door de wetgever gewilde betrouwbaarheid; Overwegende dat ook het tweede middel ongegrond is, BESLUIT: Artikel
  7. Het beroep wordt verworpen. XII-2507-6/7 Artikel
  8. De kosten van het beroep, bepaald op 99,16 euro, komen ten laste van verzoeker. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op dertien januari 2005, door de XIIe kamer, die was samengesteld uit : de HH. D. VERBIEST, kamervoorzitter, J. LUST, staatsraad, G. VAN HAEGENDOREN, staatsraad, Mevr. S. DOMS, griffier. De griffier, De voorzitter, S. DOMS. D. VERBIEST. XII-2507-7/7 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.139.164 Gerelateerde publicatie(s) voorafgegaan door: ECLI:BE:RVSCE:1996:ARR.60.773 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.