id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 13 januari 2005 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.139.186 Rolnummer: A. 149616/IX-4379 Zaak: Arrest 139186 - - 13/01/2005 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2005-02-14 Raadplegingen: 64 - laatst gezien 2026-07-02 06:12 Fiche Arrest nr 139.186 van 13 januari 2005 - Beslissing : Vernietiging bekendmaking Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 139.186 van 13 januari 2005 in de zaak A. 149.616/IX-
- In zake : Johan DE PILLECYN, wonende te OOSTAKKER, Oostakkerdorp 21 tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de minister van Binnenlandse Zaken, die woonplaats kiest bij de Federale Politie DGP/DPS, gevestigd te BRUSSEL, Fritz Toussaintstraat
- --------------------------------------------------------------------------------------------------- DE Wnd. VOORZITTER VAN DE IXe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat Johan DE PILLECYN op 22 maart 2004 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van “het ministerieel besluit van 14 november 2001 ‘tot aanwijzing van bepaalde personeelsleden van het Ministerie van Binnenlandse Zaken die naar het administratief en logistiek kader van de federale politie overgaan en houdende de graad- en loonschaaltoewijzing aan bepaalde personeelsleden van de federale politie’ en de bijlage, in de mate dat dit ministerieel besluit verzoekende partij tot de graad van ‘hoofdinspecteur’ van de nieuwe politie benoemt, ministerieel besluit dat werd bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad op 24 november 2001, eerste editie, bladzijden 39.857 en volgenden”; Gelet op de memorie van antwoord; Gezien het verslag opgesteld door adjunct-auditeur St. DE TAEYE, op grond van artikel 94 van het besluit van de Regent van 23 augustus 1948 tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling administratie van de Raad van State; Gelet op de “memorie van wederantwoord”; IX-4379-1/7 Gelet op de beschikking van 8 oktober 2004, houdende bevel tot neerlegging van het verslag en waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 29 november 2004; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen; Gehoord het verslag van staatsraad A. VANDENDRIESSCHE; Gehoord de opmerkingen van adviseur P. VERHEYDEN, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur-afdelings- hoofd W. VAN NOTEN; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
- Overwegende dat de gegevens van de zaak kunnen worden samengevat als volgt : 1.
- De verzoekende partij was afdelingsinspecteur bij de gerechtelijke politie. 1.
- Artikel 184 van de Grondwet bepaalt : "De organisatie en de bevoegdheid van de geïntegreerde politiedienst, gestructureerd op twee niveaus, worden bij de wet geregeld. De essentiële elementen van het statuut van de personeelsleden van de geïntegreerde politiedienst, gestructureerd op twee niveaus, worden bij de wet geregeld”. Artikel 184 van de Grondwet bevat tevens een overgangsbepaling, die luidt als volgt : “De Koning kan echter de essentiële elementen van het statuut van de personeelsleden van de geïntegreerde politiedienst, gestructureerd op twee niveaus, vaststellen en uitvoeren, voor zover het besluit, met betrekking tot die elementen, bekrachtigd wordt bij wet vóór 30 april 2002”. 1.
- Bij koninklijk besluit van 30 maart 2001 wordt de rechtspositie van het personeel van de politiediensten geregeld. IX-4379-2/7 Luidens artikel XII.II.1, tweede lid, van het besluit, dient de graadverandering en loonschaaltoewijzing voor ieder actueel personeelslid te worden vastgelegd bij een geïndividualiseerd besluit, genomen door de benoemende overheid. Artikel XII.II.18, eerste lid, van dit besluit luidt als volgt : “De actuele personeelsleden bedoeld in tabel C, derde kolom, van bijlage 11, worden opgenomen in het middenkader en worden, naar gelang van het geval, benoemd of aangesteld in de overeenstemmende graad bedoeld in de eerste kolom van diezelfde tabel C”. Tabel C van de voormelde bijlage 11 bepaalt -nr. 3.21 en nr. 3.23- dat de gerechtelijke inspecteurs en de gerechtelijke afdelingsinspecteurs naar de nieuwe politie worden overgeplaatst, in de graad van hoofdinspecteur van politie. 1.
- Bij ministerieel besluit van 14 november 2001 wordt de verzoekende partij met ingang van 1 april 2001 benoemd in de graad van hoofd- inspecteur van politie, en wordt haar de weddeschaal m 7bis toegekend. Dit is de bestreden beslissing. Zij is bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 24 november
- 1.
- Bij artikel 131 van de programmawet van 30 december 2001 wordt deel XII van het koninklijk besluit van 30 maart 2001 tot regeling van de rechtspositie van het personeel van de politiediensten (hierna : RPPol) bekrachtigd. 1.
- Met zijn arrest nr. 102/2003 van 22 juli 2003 vernietigt het Arbitragehof artikel XII.II.18 van het RPPol, “inzoverre het de inspecteurs en de afdelingsinspecteurs van de voormalige gerechtelijke politie integreert in de graad van hoofdinspecteur van de nieuwe politie”. De vernietiging geschiedt op grond van volgende motieven (overwegingen B.20.4, B.20.5.2 en B 20.6) : “Doordat het bekrachtigde artikel XII.II.18 van het koninklijk besluit van 30 maart 2001 de inspecteurs en de afdelingsinspecteurs van de voormalige gerechtelijke politie integreert in de graad van hoofdinspecteur, stelt het ambtenaren die houder waren van een diploma van hoger onderwijs van het korte type gelijk met ambtenaren die houder zijn van een diploma van niveau 2, zijnde het diploma dat overeenstemt met hoger secundair onderwijs. Aldus ontzegt het de verzoekers de mogelijkheid om het diploma te valoriseren waarvan zij houder zijn, ook al blijven zij in een loonschaal die rekening houdt met dat diploma. IX-4379-3/7 (...) Noch de argumenten die de minister van Binnenlandse Zaken heeft aangevoerd tijdens de parlementaire besprekingen die zijn voorafgegaan aan de aanneming van de wet van 26 april 2002, noch de inschaling in een loonschaal die overeenstemt met niveau 2+ maken het mogelijk het feit te verantwoorden of te compenseren dat de bekritiseerde maatregel op onevenredige wijze afbreuk doet aan de rechten van de verzoekers betreffende de mobiliteit bij de overheid die zij wegens hun diploma konden genieten. Het koninklijk besluit van 30 maart 2001 voorziet in een bijzondere graad van inspecteur van politie met bijzondere specialisatie of met specialiteit van politieassistent, waardoor de houders van een diploma van niveau 2+ dat diploma kunnen valoriseren wanneer ze worden aangeworven bij de nieuwe politie. De door de minister van Binnenlandse Zaken gegeven verklaring volgens welke de functionele hiërarchie moet worden verkozen boven een hiërarchie die wordt vastgesteld op basis van de graad is des te minder afdoend daar in de nieuwe politie een graad in het leven is geroepen waarvoor het diploma van niveau 2+ is vereist”. 1.
- Op 25 september 2003 wordt het arrest nr. 102/2003 van 22 juli 2003 van het Arbitragehof bij uittreksel in het Belgisch Staatsblad gepubliceerd. 1.
- Op 22 maart 2004 vordert de verzoekende partij de nietig- verklaring van de bestreden beslissing voor de Raad van State; 2.
- Overwegende dat de verwerende partij opwerpt dat de verzoekende partij geen belang heeft bij het onderhavige beroep, aangezien het bestreden besluit haar geen rechtstreeks nadeel berokkent en een vernietiging haar ook geen voordeel kan opleveren; dat zij de ontstentenis van een rechtstreeks nadeel afleidt uit het feit dat de verwerende partij bij het treffen van het bestreden besluit een gebonden bevoegdheid uitgeoefend heeft; dat volgens haar een vernietiging aan de verzoekende partij ook geen voordeel kan opleveren, aangezien die vernietiging enkel tot gevolg kan hebben dat zij de graad van hoofdinspecteur verliest, zonder dat zij daarmee benoemd wordt in een andere graad; 2.
- Overwegende dat het Arbitragehof met zijn arrest nr. 102/2003 van 22 juli 2003 artikel XII.II.18 van het RPPol vernietigd heeft “in zoverre het de inspecteurs en de afdelingsinspecteurs van de voormalige gerechtelijke politie integreert in de graad van hoofdinspecteur van de nieuwe politie”; dat het dragend motief voor die vernietiging is dat de verwerende partij de gerechtelijke inspecteurs en afdelingsinspecteurs, ambtenaren die houder zijn van het diploma van hoger onderwijs van het korte type, gelijkstelt met ambtenaren die houder zijn van het diploma van hoger secundair onderwijs, waardoor de eerstgenoemden de mogelijk- heid verliezen om hun diploma te valoriseren; IX-4379-4/7 Overwegende dat het bestreden besluit een noodzakelijke stap vormt in de inwerkingstelling van de nieuwe politiestructuur; dat immers artikel XII.II.1, tweede lid, van het RPPol bepaalt dat de graadverandering voor ieder personeelslid vastgelegd wordt bij een geïndividualiseerd besluit van de benoemen- de overheid; dat in die zin het individueel benoemingsbesluit het reglementair voorgeschreven eindpunt van de politiehervorming vormt waarmee de situatie van de verzoekende partij in de nieuwe structuur definitief vastgelegd wordt en haar individuele situatie geregeld wordt overeenkomstig de voorschriften van het RPPol; Overwegende gewis, dat blijkens de bepalingen van het RPPol de minister van Binnenlandse Zaken bij de inpassing van de politieambtenaren in de nieuwe politiestructuur over een gebonden bevoegdheid beschikte; dat, zo zulks tot gevolg zou moeten hebben dat een vernietiging van het bestreden benoemingsbesluit aan de verzoekende partij geen voordeel kan opleveren, in dit bijzonder geval vastgesteld dient te worden dat het Arbitragehof de bepaling waarin die gebonden bevoegdheid was vastgelegd, vernietigd heeft; Overwegende dat, zo het bestreden besluit aldus, bij gebrek aan reglementaire grondslag, op zich reeds materiële rechtskracht ontbeert, de verzoekende partij met haar beroep toch kan verkrijgen dat erga omnes wordt vastgesteld dat haar statutaire situatie niet geregeld wordt door het bestreden besluit, terwijl -wat reeds volgt uit het vernietigingsarrest van het Arbitragehof- een nieuw individueel besluit slechts getroffen zal kunnen worden nadat daarvoor een nieuwe, deugdelijke, rechtsgrond uitgewerkt is; dat de verzoekende partij daarin een actueel belang vindt om het bestreden besluit vernietigd te zien; dat de exceptie niet gegrond is; 3.
- Overwegende dat de verwerende partij ter terechtzitting benadrukt dat de verzoekende partij enkel de vernietiging vordert van het ministerieel besluit van 14 november 2001 in de mate dat zij ermee tot hoofdinspecteur wordt benoemd en dat bijgevolg de aanwijzing van haar nieuwe loonschaal buiten de vernietiging dient te blijven; 3.
- Overwegende dat het verzoekschrift inderdaad enkel gewag maakt van de benoeming van de verzoekende partij door het ministerieel besluit van 14 november 2001; dat evenwel, in het kader van de vaststelling van haar nieuwe rechtstoestand, de benoeming en de toewijzing aan de verzoekende partij van een nieuwe weddeschaal volgens vooraf bepaalde regels, een geheel vormen; dat de IX-4379-5/7 vernietiging van de benoeming impliceert dat de daaraan ondergeschikte beslissing betreffende de inschaling van de betrokkene in een bepaalde weddeschaal, niet meer op zichzelf kan bestaan; dat, zo aldus het toekennen van een nieuwe weddeschaal toch geen materiële rechtskracht meer kan hebben, niets de Raad van State belet het beroep tegen de toewijzing van een weddeschaal te betrekken bij het beroep tegen het benoemingsbesluit; 4.
- Overwegende dat de verzoekende partij in een enig middel onder meer aanvoert dat het bestreden besluit zijn grondslag vindt in artikel XII.II.18 RPPol maar dat die bepaling, zoals zij bekrachtigd was door artikel 131 van de programmawet van 30 december 2001, door het Arbitragehof vernietigd is in de mate dat zij de gerechtelijke inspecteurs en de gerechtelijke afdelingsinspecteurs integreert in de graad van hoofdinspecteur van politie, zodat het bestreden besluit wat haar inschaling betreft, geen wettelijke grondslag heeft; dat zij te dien aanzien onder meer refereert aan artikel 33, 159 en 184 van de Grondwet; 4.
- Overwegende dat de verwerende partij in haar memorie van antwoord geen antwoord geeft op de hierboven aangehaalde aspecten van het door de verzoekende partij uiteengezette middel; 4.
- Overwegende dat het Arbitragehof met zijn arrest nr. 102/2003 van 22 juli 2003, artikel XII.II.18 van het RPPol, bekrachtigd door artikel 131 van de programmawet van 30 december 2001, vernietigd heeft in zoverre het de inspecteurs en de afdelingsinspecteurs van de voormalige gerechtelijke politie integreert in de graad van hoofdinspecteur van de nieuwe politie; dat die bepaling nochtans de noodzakelijke en determinerende rechtsgrond vormt voor de inpassing van de verzoekende partij in de nieuwe politiestructuur; dat, binnen het kader dat het RPPol uitgetekend heeft om de integratie het politiepersoneel in de nieuwe structuur te realiseren, de verzoekende partij zonder die bepaling niet in de graad van hoofdinspecteur benoemd kon worden; dat bij gebrek aan deugdelijke rechtsgrond het benoemingsbesluit van de verzoekende partij onwettig is; dat het middel kennelijk gegrond is, IX-4379-6/7 BESLUIT: Artikel
- Vernietigd wordt het ministerieel besluit van 14 november 2001 tot aanwijzing van bepaalde personeelsleden van het ministerie van Binnenlandse Zaken die naar het administratief en logistiek kader van de federale politie overgaan en houdende de graad- en loonschaaltoewijzing aan bepaalde personeelsleden van de federale politie, in zoverre met dat besluit Johan DE PILLECYN tot hoofd- inspecteur van politie wordt benoemd en zijn nieuwe weddeschaal wordt vastge- steld. Artikel
- Dit arrest zal bij uittreksel in het Belgisch Staatsblad worden bekendgemaakt op dezelfde wijze als het vernietigde besluit. Artikel
- De kosten van het beroep tot nietigverklaring, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verwerende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op dertien januari 2000 en vijf, door : de H. A. VANDENDRIESSCHE, staatsraad, wnd. kamervoorzitter, Mevr. V. WAUTERS, griffier. De griffier, De voorzitter, V. WAUTERS. A. VANDENDRIESSCHE. IX-4379-7/7 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.139.186 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.