id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 13 januari 2005 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.139.233 Rolnummer: A. 148951/VII-31839 Zaak: Arrest 139233 - - 13/01/2005 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2005-01-18 Raadplegingen: 60 - laatst gezien 2026-07-02 06:18 Fiche Arrest nr 139.233 van 13 januari 2005 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 139.é van 13 januari 2005 in de zaak A. 148.951/VII-31.
- In zake : de v.z.w. VIVRE CHEZ SOI, die woonplaats kiest bij advocaat J. BOURTEMBOURG, kantoor houdende te BRUSSEL, Zwitserlandstraat 24 tegen : de Vlaamse Gemeenschap, vertegenwoordigd door de Vlaamse regering, die woonplaats kiest bij advocaat B. STAELENS, kantoor houdende te BRUGGE, Bevrijdingslaan 4, bus
- ----------------------------------------------------------------------------------------------------- -- DE Wnd. VOORZITTER VAN DE VIIe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat de v.z.w. VIVRE CHEZ SOI op 16 maart 2004 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van het besluit van de Vlaamse regering van 14 november 2003 houdende gelijkstelling van voorzieningen, gevestigd in het tweetalige gebied Brussel-Hoofdstad, met de in het kader van de zorgverzekering van rechtswege erkende voorzieningen (Belgisch Staatsblad van 16 januari 2004); Gelet op de kennisgeving van de memorie van antwoord aan de verzoekende partij op 6 juli 2004; Gelet op de kennisgeving aan de partijen, op grond van artikel 14bis, § 1, van het besluit van de Regent van 23 augustus 1948 tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling administratie van de Raad van State, dat de kamer uitspraak zal doen onder aanvoering van het ontbreken van het vereiste belang, tenzij een van de partijen binnen een termijn van vijftien dagen vraagt om te worden gehoord; VII-31.839-1/6 Gelet op het aangetekend schrijven van de verzoekende partij van 12 oktober 2004, waarbij zij vraagt om te worden gehoord; Gelet op de beschikking van 18 oktober 2004, houdende oproeping van de partijen om te verschijnen op 4 november 2004; Gehoord het verslag van Staatsraad R. STEVENS; Gehoord de opmerkingen van advocaat L. HOSTE die, loco advocaat J. BOURTEMBOURG verschijnt voor de verzoekende partij, en van advocaat N. DE CLERCQ die, loco advocaat B. STAELENS verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van Eerste Auditeur E. LANCKSWEERDT; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; Overwegende dat bij het versturen van een kopie van de memorie van antwoord aan de verzoekende partij de hoofdgriffier melding heeft gemaakt van artikel 21, tweede lid, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, en van artikel 14bis, § 1, van voornoemd besluit van de Regent; Overwegende dat de verzoekende partij binnen de termijn van zestig dagen, gesteld in artikel 7 van voormeld besluit van de Regent, geen memorie van wederantwoord aan de griffie heeft toegestuurd; dat krachtens voornoemd artikel 21, tweede lid, in principe dient te worden vastgesteld dat het vereiste belang om de gevorderde vernietiging te verkrijgen ontbreekt; Overwegende dat de verzoekende partij in haar verzoek om gehoord te worden aanvoert dat de memorie van antwoord, op grond van artikel 66, tweede lid, van de Raad van State-wet, ten hare behoeve, op kosten van de Belgische Staat, had moeten worden vertaald, hetgeen door de Raad van State, volgens haar ten onrechte, geweigerd werd; dat zij hieruit afleidt dat de haar toegemeten termijn om de memorie van wederantwoord in te dienen geschorst was; VII-31.839-2/6 Overwegende dat die wet geen bepaling bevat die de schorsing van de termijn voor het neerleggen van de memorie van wederantwoord om redenen zoals door de verzoekende partij aangevoerd, inhoudt ; dat het vermoeden ingesteld door artikel 21, tweede lid, van de Raad van State-wet, enkel buiten toepassing kan worden gesteld in geval van bewezen overmacht; dat een en ander blijkt uit de parlementaire voorbereiding van die regeling die hierna wordt uiteengezet : Het huidige artikel 21 werd in de gecoördineerde wetten op de Raad van State ingevoegd bij artikel 1 van de onder meer die wetten wijzigende wet van 17 oktober
- De bedoeling was "stringente gevolgen" te verbinden aan het niet respecteren van de termijnen, "met name" (à savoir) het verlies van belang voor de verzoekende partij (Gedr. St., Senaat, 984-1 (1989-1990), 2, memorie van toelichting; ibid. 984-2 (1989-1990), 2, Senaatsverslag, verklaring van de bevoegde minister). In die strengheid is zo ver gegaan dat de bevoegde minister uitdrukkelijk is ingegaan tegen het advies van de afdeling wetgeving van de Raad van State waarin wordt gesteld dat de ontworpen wet "de aard van het vermoeden" nopens het ontbreken van het belang zou moeten verduidelijken en dat "de beste oplossing erin (zou) bestaan de verzoekende partij het recht te verlenen om de redenen van haar verzuim of van het niet tijdig indienen van haar memorie toe te lichten, in het bijzonder de omstandigheden waaruit de Raad van State het bestaan van een onoverkomelijke dwaling of van overmacht zou kunnen afleiden". De minister wees dit voorstel af als volgt : "Dit voorstel kan niet gevolgd worden. Het zou de doeltreffendheid van de instelling van de vervaltermijnen beperken waardoor het gehele opzet in het gedrang dreigt te komen. De wet is terzake duidelijk genoeg. Overigens, de partijen die hun annulatieverzoek te laat naar de Raad van State toesturen, hebben ook geen recht op een 'herkansing'" (memorie van toelichting voormeld, p. 4). Voorts verklaarde de bevoegde minister : "Het niet respecteren van de termijnen voor het toesturen van de memories zal van rechtswege geacht worden gelijk te staan met het niet meer doen blijken van het in artikel 19 vereiste belang" (memorie van toelichting voormeld, p. 3). Senator CEREXHE drukte zich in dezelfde zin uit toen hij verklaarde : "le non respect des délais pour l'envoi des mémoires sera assimilé d'office à l'absence de justification de l'intérêt requis par l'article 19" (Hand., Senaat, 12 juli 1990, 2643). VII-31.839-3/6 Een amendement van Senator AELVOET, om in het ontworpen artikel 21 de woorden "waarbij het ontbreken van het vereiste belang wordt vastgesteld" te doen vervallen, werd verworpen (ibid., 2651), hoewel de Senator voor haar amendement had geargumenteerd : "Er is immers het verzoekschrift zelf dat binnen de gestelde termijn werd ingediend en op grond waarvan moet worden uitgemaakt of de betrokkene al dan niet van het vereiste belang doet blijken. Als dat belang eenmaal werd aanvaard, kan het toch niet zomaar verdwijnen door een fout of nalatigheid in de procedure ... Het initieel ingediende verzoekschrift kan zodanig geargumen- teerd zijn, dat de memories heel wat van hun nut verliezen" (ibid., 2646); Overwegende dat uit het vorenstaande geconcludeerd moet worden dat de wetgever heeft gewild dat onder geen beding een excuus voor het niet of het niet tijdig insturen van een memorie aanvaard zou worden; dat de argumenten van de verzoekende partij daaraan geen afbreuk doen; dat ten deze immers helemaal geen sprake is van overmacht in hoofde van de verzoekende partij; dat het gaat om een v.z.w., die blijkens haar statuten voornamelijk hulp wil verschaffen aan families en ouderlingen, ongeacht hun politieke, filosofische of religieuze overtuiging, van de gemeente Watermaal-Bosvoorde; dat die statuten daarbij geen onderscheid maken tussen Franstalige en Nederlandstalige inwoners van de gemeente; dat de v.z.w. is samengesteld uit minstens twaalf leden aangeduid door de gemeenteraad van Watermaal-Bosvoorde, die de verschillende politieke fracties in de gemeenteraad van die Brusselse gemeente vertegenwoordigen, het lid van het college van burgemeester en schepenen van die gemeente dat de sociale zaken tot zijn bevoegdheid heeft, en de voorzitter van het O.C.M.W. van die gemeente; dat in die omstandigheden in redelijkheid niet kan worden aangenomen dat de bestuursorganen van de verzoekende partij in de onmogelijkheid zijn een in het Nederlands gestelde memorie van antwoord te begrijpen; dat bovendien, om te vermijden dat het wettelijk vermoeden van gebrek aan belang zou worden toegepast, het zelfs volstond de bij de memorie van antwoord gevoegde brief van de griffie, waarin naar de desbetreffende bepalingen van de Raad van State-wet en het algemeen procedurere- glement werd verwezen, te begrijpen; dat immers om de toepassing van de sanctie te ontlopen het voldoende was een memorie van wederantwoord in te dienen, waarin kon worden gesteld dat het onmogelijk was te repliceren op de memorie van antwoord gelet op de beweerde taalonkundigheid, en waarin nogmaals een vertaling op kosten van de Staat kon worden gevorderd; dat niet valt in te zien dat de verzoekende partij niet de hier bedoelde brief van de griffie kon begrijpen, daar waar ze wél -getuige haar vraag om te worden gehoord- de vergelijkbare brief heeft begrepen, waarin de griffie haar, eveneens in het Nederlands, ervan in kennis had VII-31.839-4/6 gesteld dat de kamer desgevallend uitspraak zou doen onder aanvoering van het ontbreken van het vereiste belang, tenzij zij binnen een termijn van vijftien dagen vroeg om te worden gehoord; dat hoe dan ook niets haar belette zelf tijdig te zorgen voor een vertaling van de memorie van antwoord en/of de begeleidende brief, en dat zij die onmogelijkheid ook niet inroept; dat de prejudiciële vraag die de verzoekende partij in hoofdorde aan het Arbitragehof wil gesteld zien m.b.t. de grondwettigheid van artikel 21, tweede lid, van de Raad van State-wet, dan ook vertrekt van de verkeerde premisse dat die partij niet op de hoogte kon zijn van het bestaan van de termijn waarover zij beschikte voor het neerleggen van de memorie van wederant- woord; dat de prejudiciële vraag die zij ten subsidiaire titel gesteld wil zien, in wezen betrekking heeft, niet op de grondwettigheid van die bepaling, maar op de grondwettigheid van artikel 66, tweede lid, van diezelfde wet; dat, om de hierboven vermelde redenen, de toepassing van die wetsbepaling hier niet aan de orde is; dat bijgevolg geen der in het verzoek om te worden gehoord gesuggereerde prejudiciële vragen aan het Arbitragehof moet worden voorgelegd; dat het wettelijk vermoeden van gebrek aan belang ten deze onverkort moet worden toegepast, BESLUIT: Artikel
- Het beroep wordt verworpen. Artikel
- De kosten van het beroep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op dertien januari tweeduizend en vijf, door : de H.. R. STEVENS, wnd. kamervoorzitter, staatsraad Mevr. A. WIJNANTS, griffier. De griffier, De voorzitter, VII-31.839-5/6 A. WIJNANTS. R. STEVENS. VII-31.839-6/6 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.139.233 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.