id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 13 januari 2005 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.139.234 Rolnummer: A. 144259/VII-31087 Zaak: Arrest 139234 - - 13/01/2005 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2005-01-20 Raadplegingen: 60 - laatst gezien 2026-07-02 06:18 Fiche Arrest nr 139.234 van 13 januari 2005 - Beslissing : Vernietiging bekendmaking Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 139.234 van 13 januari 2005 in de zaak A. 144.259/VII-31.
- In zake : Olivier RUYSSCHAERT, wonende te GERAARDSBERGEN (VIANE), Embeke 29 tegen : het Vlaamse Gewest, vertegenwoordigd door de Vlaamse regering, dat woonplaats kiest bij Advocaten G. MARTYN, P. DEJONCKHEERE, J. COLPAERT en I. DE TANDT, kantoor houdende te AVELGEM, Doorniksesteenweg
- tussenkomende partij : de b.v.b.a. BRANDSTOFFEN VRANCX, die woonplaats kiest bij Advocaat M. VAN PASSEL, kantoor houdende te ANTWERPEN, Frankrijklei 146 --------------------------------------------------------------------------------------------------- DE RAAD VAN STATE, VIIe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat Olivier RUYSSCHAERT op 21 november 2003 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van het besluit van de Vlaamse minister van Leefmilieu, Landbouw en Ontwikkelings- samenwerking van 24 september 2003 “houdende uitspraak over de beroepen aangetekend tegen de beslissing van 27 maart 2003 van de bestendige deputatie van de provincieraad van Oost-Vlaanderen, houdende het verlenen van een milieuver- gunning aan de b.v.b.a. BRANDSTOFFEN VRANCX om een brandstoffenhandel op het adres Embeke 30, 9500 Geraardsbergen, verder te exploiteren en te veranderen”; Gelet op het arrest nr. 128.580 van 27 februari 2004 waarbij de schorsing van de tenuitvoerlegging van het bestreden besluit wordt bevolen; Gezien het verzoekschrift tot voortzetting van de procedure, ingediend door de b.v.b.a. BRANDSTOFFEN VRANCX; VII-31.087-1/11 Gelet op de beschikking van 2 april 2004 waarin wordt overwogen dat het verzoek tot voortzetting voor het verder verloop van de procedure kan gezien worden als een verzoek tot tussenkomst en waarbij de b.v.b.a. BRANDSTOFFEN VRANCX wordt toegelaten om tussen te komen in de procedure; Gezien de regelmatig gewisselde memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door Auditeur P. PROVOOST; Gelet op de beschikking van 27 juli 2004 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan de partijen en gezien de regelmatig gewisselde laatste memories; Gelet op de beschikking van 16 november 2004 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 16 december 2004; Gehoord het verslag van Staatsraad E. BREWAEYS; Gehoord de opmerkingen van verzoeker, die verschijnt in persoon, van Advocaat I. DE TANDT, die verschijnt voor de verwerende partij, en van Advocaat I. CUYPERS die, loco Advocaat M. VAN PASSEL verschijnt voor de tussenkomende partij; Gehoord het eensluidend advies van Auditeur P. PROVOOST; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
- De feiten Overwegende dat de feitelijke gegevens van de zaak als volgt kunnen worden samengevat : VII-31.087-2/11 1.
- De tussenkomende partij exploiteert een brandstoffenhandel en benzinestation in Geraardsbergen (Embeke 30). Op 8 december 1972 werd door de bestendige deputatie van de provincie van Oost-Vlaanderen een exploitatievergunning verleend voor een termijn tot 7 december
- Deze inrichting werd meermaals uitgebreid. De inrichting ligt volgens het bij koninklijk besluit van 30 mei 1978 vastgestelde gewestplan Aalst-Ninove-Geraardsbergen-Zottegem grotendeels in een zone voor ambachtelijke bedrijven en KMO’s en voor de rest in land- schappelijk waardevol agrarisch gebied. Volgens een op 17 mei 2000 goedgekeurd bijzonder plan van aanleg zonevreemde bedrijven ligt de inrichting in een zone voor ambachtelijke bedrijven/kantoren en in een zone voor ambachtelijke bedrijven/technische bedrijfsinfrastructuur. Er bevindt zich een woongebied met landelijk karakter op 20 meter. Verzoeker zet uiteen dat zijn woning zich in dat gebied bevindt, op 50 meter van de inrichting. De andere omgeving is landschappelijk waardevol agrarisch gebied. 1.
- Op 15 oktober 2002 vraagt de exploitant een milieuvergunning ter hernieuwing van de exploitatie, en tegelijk voor de verandering ervan, door uitbreiding, wijziging en toevoeging. Tijdens het openbaar onderzoek worden negen bezwaarschriften ingediend, waaronder één door verzoeker en een collectief door 49 buurtbewoners. 1.
- Op 27 maart 2003 verleent de bestendige deputatie de gevraagde vergunning. Er worden bijzondere vergunningsvoorwaarden opgelegd, onder meer om hinder voor de buurt te beperken. 1.
- Verzoeker en nog enkele andere buurtbewoners tekenen administratief beroep aan. In het kader van de voorafgaande adviesprocedure verleent de afdeling Stedenbouwkundige Vergunningen een gunstig advies, waarin het volgende wordt gesteld : VII-31.087-3/11 "(...) De gevraagde inrichting is verenigbaar met de voor het terrein geldende planologische ordeningsvoorschriften, zodat terzake een gunstig advies wordt gegeven. Ik wens er uw aandacht op te vestigen dat in het beroepsschrift van de heer Ruysschaert wordt gesteld dat het vernieuwde bedrijf geen ambachtelijk bedrijf is en dat de exploitatie zelf milieubelastend is. De aard van de bedrijvigheid moet uiteraard in overeenstemming zijn met de bestemming van het sectoraal BPA, opgemaakt in functie van de ambachtelijke activiteiten ter plaatse. (...)"; De afdeling Monumenten en Landschappen, de afdeling Milieuvergunningen en de Gewestelijke Milieuvergunningscommissie adviseren voorwaardelijk gunstig. 1.
- Op 24 september 2003 wordt de bestreden beslissing genomen : de beroepen worden gedeeltelijk gegrond verklaard. De gevraagde vergunning wordt verleend voor een termijn van twintig jaar, met dien verstande dat een beperking wordt vastgelegd van de jaarlijkse LPG-omzet. Vergunning wordt verleend voor : - de lozing van maximaal 96 m³/jaar bedrijfsafvalwater afkomstig van het servicestation in de gracht langs Embeke; - de lozing van maximaal 60 m³/jaar bedrijfsafvalwater via een helofytenfilter en een citerne van 20 m³ in een gracht langs Embeke; - het stallen van 15 vrachtwagens en/of aanhangwagens; - een herstel- en onderhoudswerkplaats met gebruik van één schouwput; - een wasplaats voor het reinigen van maximaal 10 voertuigen per week; - 2 luchtcompressoren van respectievelijk 1,13 kW en 4,13 kW, 3 koelkasten van 0,2 kW elk en een airconditioningsinstallatie van 7,5 kW; - een LPG-station met één verdeelpomp en één verdeelslang; - de opslag van 78.400 l diverse gassen in verplaatsbare recipiënten, waarvan 66.400 l propaan en butaan, 2.000 l acetyleen en 10.000 l oxiderende en inerte gassen; - de opslag van 10.000 l LPG in een ondergrondse houder en van 3.500 l propaan in 2 bovengrondse houders van respectievelijk 1.000 l en 2.500 l; - de opslag van 400 kg reinigingsproduct en 5.000 kg antivries en koelvloeistof in verplaatsbare recipiënten; VII-31.087-4/11 - de opslag van 28.000 l benzine in twee compartimenten van respectievelijk 8.000 l en 20.000 l van een dubbelwandige ondergrondse gecompartimenteerde houder van 60.000 l; - de opslag van 400 l thinner in verplaatsbare recipiënten; - de opslag van 305.000 l P3-vloeistoffen, waarvan : - 25.000 l petroleum waarvan 5.000 l in een dubbelwandige ondergrondse gecompartimenteerde houder van 60.000 l en 20.000 l in een compartiment van een dubbelwandige bovengrondse gecompartimen-teerde houder van 60.000 l; - 209.000 l gasolie waarvan : - 3.000 l in een compartiment van een dubbelwandige ondergrondse gecompartimenteerde houder van 60.000 l; - 6.000 l in 2 dubbelwandige bovengrondse houders van 3.000 l elk; - 200.000 l in 2 dubbelwandige bovengrondse houders; - 64.000 l diesel waarvan 24.000 l in een compartiment van een dubbelwandige ondergrondse gecompartimenteerde houder van 60.000 l en 20.000 l in een compartiment van een dubbelwandige bovengrondse gecompartimenteerde houder van 60.000 l; - 7.000 l afvalolie waarvan 2.000 l in een dubbelwandige boven-grondse houder en 5.000 l in verplaatsbare recipiënten; - de opslag van 90.000 l diverse P4-vloeistoffen (smeermiddelen, vetten, additieven en onderhoudsproducten), waarvan 18.000 l in 9 dubbelwandige bovengrondse houders van 2.000 l elk en 72.000 l in verplaatsbare recipiënten; - 10 brandstofverdeelslangen verbonden met de dubbelwandige ondergrondse gecompartimenteerde houder van 60.000 l; - de opslag van 5.000 l diverse gevaarlijke stoffen in kleine verpakkingen; - diverse metaalbewerkingstoestellen met een gezamenlijk vermogen van 6,9 kW. 1.
- De motivering met betrekking tot de ruimtelijke aspecten van de inrichting luidt als volgt : "(...) Gelet op de ligging van de inrichting grotendeels in een gebied voor ambachtelijke bedrijven en KMO’s, deels in een landschappelijk waardevol agrarisch gebied, volgens het gewestplan Aalst-Ninove-Zottegem, goed- gekeurd bij koninklijk besluit van 30 mei 1978; Gelet op het feit dat de inrichting gelegen is op een afstand van circa 20 m van een woongebied met landelijk karakter; Gelet op de ligging van de inrichting in een zone voor ambachtelijke activiteiten/kantoren en een zone voor ambachtelijke activiteiten/technische VII-31.087-5/11 bedrijfsinfrastructuur, omgeven door een bufferzone volgens een sectoraal Bijzonder Plan van Aanleg zonevreemde bedrijven, goedgekeurd bij ministerieel besluit van 17 mei 2000; Overwegende dat vanuit oogpunt van de stedenbouwkundige en ruimtelijke aspecten gesteld kan worden dat de exploitatie van de inrichting die het voorwerp van de voormelde milieuvergunningsaanvraag uitmaakt, verenigbaar is met de toepasselijke ruimtelijke en stedenbouwkundige voorschriften;". Verder wordt in de bestreden beslissing het volgende gesteld : "Overwegende dat de beroepen gericht zijn tegen het verlenen van de vergunning voor het verder exploiteren en veranderen van een opslag- en verdeelcentrum voor gasflessen, vloeibare brandstoffen en LPG; Overwegende dat de verandering vrijwel de volledige vernieuwing van de inrichting inhoudt; dat deze vernieuwing in verschillende fases zal plaatsvinden gespreid over 3 jaar; Overwegende dat de inrichting volledig omheind is en voorzien is van een bufferzone; dat deze bufferzone zal beplant worden; dat zich in een straal van 100 m een 10-tal woningen bevinden; Overwegende dat in opdracht van Febupro studies werden uitgevoerd voor de bepaling van de veiligheidsafstanden voor LPG-stations met ondergrondse en bovengrondse opslagtanks; dat uit deze studies blijkt dat de veiligheids- afstand inzonderheid afhangt van de grootte van de opslagtank en van de jaarlijkse LPG-omzet; dat uit deze studies verder de in acht te nemen veiligheidsafstanden kunnen worden afgeleid voor vulstations die beantwoor- den aan de gestelde standaardcriteria, (...) (...) Overwegende dat de opslag van gassen in verplaatsbare recipiënten gelegen is op 25 m afstand van de perceelsgrens en dus voldoet aan de veiligheids- afstanden van bijlage 5.16.1 van titel II van het Vlarem; Overwegende dat alle ondergrondse houders dubbelwandig zijn en voorzien van lekdetectie, kathodische bescherming en overvulbeveiliging; dat de bovengrondse houders eveneens dubbelwandig zijn en voorzien van lekdetectie; Overwegende dat het niet-verontreinigde hemelwater afkomstig van de daken en de verharde oppervlakken dient opgevangen en hergebruikt te worden; dat het huishoudelijk afvalwater eerst een voorzuivering ondergaat en dan naar een rietveld gaat; dat het bedrijfsafvalwater eerst door een KWS-afscheider passeert en vervolgens eveneens naar het rietveld gaat; dat dit gezuiverde afvalwater tenslotte in de opslagtank terechtkomt waar ook het hemelwater van de daken in wordt opgevangen; dat dit water hergebruikt zal worden; Overwegende dat de verwachte geluidshinder beperkt zal zijn, vermits de laad- en losactiviteiten enkel overdag gebeuren; Overwegende dat de aanspraken en bezwaren aangehaald door de beroepin- dieners in de voorgaande overwegingen werden geëvalueerd; (...)";
- Beoordeling 2.1.
- Overwegende dat verzoeker in een eerste middel de schending inroept van artikel 2 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen; dat hij aanvoert dat de bestreden beslissing VII-31.087-6/11 niet op afdoende wijze antwoordt op de aanspraken en bezwaren uit zijn beroepschrift, inzonderheid over de notie "ambachtelijk bedrijf"; dat verzoeker in zijn administratief beroepschrift terzake deed gelden wat volgt : "dat 'het om een belangrijke onderneming gaat (...) (die) bestempeld wordt als een 'ambachtelijk bedrijf', waarbij de aard van de bedrijvigheid moet nagegaan worden, en terzake het niet volstaat te stellen dat het bedrijf in een zone voor ambachtelijke bedrijven ligt; dat verwezen werd naar een arrest nr. 20681 van 4 november 1980, dat een opslagplaats van flessen butaan, met een waterinhoud van 20.000 l, van flessen propaan met een waterinhoud van 10.000 l gasolie, niet kan aangezien worden als een klein bedrijf', dat bij vergelijking het bedrijf Vrancx - groothandel in brandstoffen met 60.000 l benzines, diesel, gasolie en petroleum, de opslagplaats van honderden gasflessen, 260.000 l petroleum en gasolie, onderhoudswerkplaats, 15 vrachtwagens, enz. (...), met 15 personeelsleden niet kan aangezien worden als een ambachtelijk bedrijf; dat een omweg langs de regeling van ruimtelijke ordening gemaakt wordt, maar dat dan ook het bedrijf niet als ambachtelijk kan bestempeld worden, nu luidens artikel 8.2.1.3 van het K.B. van 28 december 1972 gebieden voor ambachtelijke en KMO (bedrijven) 'mede bestemd (worden) voor kleine opslagplaatsen van goederen' wat ter deze zeker niet het geval is als gekeken wordt naar het geheel van het bedrijf (...)"; dat hij stelt dat de in de bestreden beslissing voorkomende algemene formule "dat de aanspraken en bezwaren aangehaald door de beroepindieners in de voorgaande overwegingen worden geëvalueerd" niet kan worden beschouwd als een antwoord op zijn precieze en duidelijke grieven; 2.1.
- Overwegende dat de verwerende partij in haar memorie van antwoord de motivering van de bestreden beslissing aanhaalt, dat zij voorhoudt dat aldus de juridische en feitelijke overwegingen worden vermeld die aan de beslissing ten grondslag liggen, dat zij stelt dat zij rekening heeft gehouden met de voorge- schreven adviezen van overheidsorganen en met de proefondervindelijke gegevens en dat deze motivering duidelijk is; dat zij het volgende uiteenzet: “(...) de bestemde zones vermeld in het sectoraal BPA zonevreemde bedrijven (werden) specifiek voor deze exploitatie (...) ingericht met volledige kennis van zaken met betrekking tot de exploitatie én de geplande uitbreiding. Voormelde bestemming is immers een gevolg van de exploitatie, met name de geplande uitbreiding op ruimtelijk vlak. Bovendien wordt in de bestreden beslissing uitdrukkelijk verwezen naar dit sectoraal BPA zonevreemde bedrijven en naar de specifieke bestemmingen die daarin voor het bedrijf van de tussenkomende partij werden vastgelegd. Dit sectoraal BPA werd goedgekeurd bij Ministerieel Besluit van 17 mei 2000, doch dit sectoraal BPA omvat tevens een memorie van toelichting, een motivatienota, alsook de stedenbouwkundige voorschriften met betrekking tot dit sectoraal BPA zonevreemde bedrijven, dewelke integraal deel uitmaken van voormeld MB. VII-31.087-7/11 De juridische en feitelijke motieven worden niet met de voeten getreden wanneer in de bestreden beslissing verwezen wordt naar een sectoraal BPA zonevreemde bedrijven MET expliciete vermelding van de goedkeuring bij Ministerieel Besluit.”; 2.1.
- Overwegende dat de tussenkomende partij stelt dat deze beslissing voldoende relevante motieven bevat met betrekking tot de aard van het bedrijf en de planologische verenigbaarheid ervan met de plaatselijke ruimtelijke ordening; dat zij dan het volgende laat gelden: “De motivering van de verenigbaarheid met de toepasselijke ruimtelijke en stedenbouwkundige voorschriften is duidelijk gebaseerd op het specifieke sectoraal BPA zonevreemde bedrijven, waarin de inrichting in kwestie was opgenomen (goedgekeurd bij MB dd. 17 mei 2000). Een sectoraal BPA zonevreemde bedrijven is vanuit zijn aard rechtstreeks gerelateerd aan de uitbreiding van de bedrijven waarop het van toepassing is. Het spreekt bijgevolg voor zich dat niet alleen de stedenbouwkundige en planologische elementen onderzocht dienden te worden n.a.v. de opmaak van het sectoraal BPA, doch tevens de aard en de activiteiten van de betrokken bedrijven en de haalbaarheid van hun uitbreiding binnen de bestaande plaatselijke ordening (waarbij dus wel degelijk rekening dient gehouden te worden met omwonenden). Van groot belang in casu zijn de memorie van toelichting, de motivatienota, en de stedenbouwkundige voorschriften bij het sectoraal BPA, specifiek m.b.t. het bedrijf VRANCX. Deze documenten maken vanzelfsprekend integraal deel uit van het ministerieel besluit dat het sectoraal BPA heeft goedgekeurd (dd. 17 mei 2000), en waarnaar expliciet verwezen wordt in de bestreden beslissing. Tussenkomende partij begrijpt hoegenaamd niet hoe de discussie omtrent de aard van het bedrijf en de planologische verenigbaarheid met de goede plaatselijke ruimtelijke ordening ernstig gevoerd kan worden terwijl in de bestreden beslissing expliciet verwezen wordt naar het integrale sectoraal BPA zonevreemde bedrijven (ministerieel besluit van 17 mei 2000), en daaruit onmiddellijk duidelijk blijkt dat vanuit de stedenbouwkundige en ruimtelijke aspecten de exploitatie van de inrichting, voorwerp van de aanvraag, inderdaad volledig verenigbaar is met de stedenbouwkundige en ruimtelijke voorschriften van het sectoraal BPA.”; dat zij vervolgens uitvoerig citeert uit de documenten van het bijzonder plan van aanleg en erop wijst dat dit BPA zonder opmerkingen werd goedgekeurd; dat zij uit dit alles afleidt dat de bestreden beslissing naar behoren is gemotiveerd, en het volgende besluit: “In de bestreden beslissing wordt uitdrukkelijk verwezen naar het sectoraal BPA zonevreemde bedrijven en de specifieke bestemmingen die daarin voor het bedrijf VRANCX werden vastgelegd. Er wordt uitdrukkelijk vermeld dat dit sectoraal BPA werd goedgekeurd bij Ministerieel besluit van 17 mei
- Het ganse dossier waaruit wij in punt 13 VII-31.087-8/11 uitgebreid geciteerd hebben maakt integraal deel uit van dit Ministerieel besluit. Indien dan vervolgens gemotiveerd wordt dat vanuit oogpunt van de stedenbouwkundige en ruimtelijke aspecten gesteld kan worden dat de exploitatie van de inrichting die het voorwerp uitmaakt van de milieuvergun- ningsaanvraag verenigbaar is met de toepasselijke ruimtelijke en stedenbouw- kundige voorschriften, wordt zeker en vast afdoende voldaan aan de formele motiveringsplicht!!! Men kan van een overheid toch niet verwachten de ganse procedure van drie jaren die voorafgegaan is aan de uiteindelijke goedkeuring van het BPA over te doen in de beslissing zelf, noch de inhoud van een ministerieel besluit (en de documenten die daaraan gehecht zijn) letterlijk en integraal in een vergunningsbesluit op te nemen, met name niet wanneer dit besluit voldoende geïdentificeerd wordt en publiek toegankelijk is.”; 2.1.
- Overwegende dat verzoeker in zijn memorie van wederantwoord herhaalt dat de inrichting van de tussenkomende partij geen ambachtelijk bedrijf is dat in een zone voor ambachtelijke bedrijven of KMO-zone thuishoort, dat luidens artikel 8.2.1.
- van het koninklijk besluit van 28 december 1972 gebieden voor ambachtelijke ondernemingen en KMO’s "gebieden zijn die mede bestemd worden voor kleine opslagplaatsen van goederen", terwijl uit het bij de aanvraag gevoegde situatieplan duidelijk blijkt dat de betrokken inrichting geen kleine onderneming is met kleine opslagplaatsen voor goederen en dat het hier gaat om het enige bedrijf dat in de betrokken zone is gevestigd en dat het bijzonder plan van aanleg speciaal voor dit bedrijf alleen werd aangepast; 2.1.
- Overwegende dat de verwerende partij in haar laatste memorie nog het volgende naar voor brengt: “(...) ÷de juridische en feitelijke overwegingen die aan de beslissing ten grondslag liggen worden vermeld: In het gunstig advies van de Afdeling Stedenbouwkundige vergunningen bijvoorbeeld, wordt uitdrukkelijk gesteld dat de inrichting van de tussenk- omende partij verenigbaar is met de voor het terrein geldende planologische ordeningsvoorschriften, hetgeen niet kan ontkend worden gelet op het goedgekeurde sectoraal BPA zonevreemde bedrijven. (...) ÷De bestemde zones vermeld in het sectoraal BPA zonevreemde bedrijven werden specifiek voor deze exploitatie ingericht met volledige kennis van zaken met betrekking tot de exploitatie én de geplande uitbreiding; Voormelde bestemming is immers een gevolg van de exploitatie, met name de geplande uitbreiding op ruimtelijk vlak. Bovendien wordt in de bestreden beslissing uitdrukkelijk verwezen naar dit sectoraal BPA zonevreemde bedrijven en naar de specifieke bestemmingen die daarin voor het bedrijf van de tussenkomende partij werden vastgelegd. VII-31.087-9/11 De verwerende partij heeft niet alleen de stedenbouwkundige en planologi- sche elementen onderzocht, doch ook de aard en de activiteiten van de verscheidene bedrijven en de haalbaarheid van hun uitbreiding binnen de bestaande plaatselijke ordening, rekening houdende met de omwonenden. Tenslotte wenst verwerende partij tevens te verduidelijken dat er geenszins van werd uitgegaan dat door de goedkeuring van het bijzonder plan van aanleg definitief kwam vast te staan dat de inrichting van de tussenkomende partij een ambachtelijk bedrijf is geworden. (...) “; 2.
- Overwegende dat de vergunningverlenende overheid er toe gehouden is na te gaan of de exploitatie waarvoor vergunning wordt gevraagd verenigbaar is met de dwingende bestemmingsvoorschriften; dat zij ook in de beslissing zelf formeel dient te motiveren op grond van welke overwegingen zij tot haar conclusie terzake komt en dat zij ook moet antwoorden op de bezwaren die desbetreffende naar voor werden gebracht; dat de bestreden beslissing er zich, wat betreft de overeenstemming met de bestemmingsvoorschriften van het gewestplan en van het bijzonder plan van aanleg, toe beperkt te stellen dat "de exploitatie van de inrichting (...) verenigbaar is met de toepasselijke ruimtelijke en stedenbouwkun- dige voorschriften"; dat het nochtans niet evident is om de exploitatie, gelet op het voorwerp van de litigieuze aanvraag, te beschouwen als een "ambachtelijke activiteit"; dat de bestreden beslissing niet de minste aanwijzing bevat van de motieven die de verwerende partij ertoe gebracht hebben de inrichting toch als dusdanig te beschouwen; dat de loutere verwijzing naar een gunstig stedenbouw- kundig advies dit gebrek niet kan goedmaken, vooral nu dit stedenbouwkundig advies de vraag naar de verenigbaarheid met het bijzonder plan van aanleg gewoon open heeft gelaten; dat een loutere verwijzing in de beslissing naar het bijzonder plan van aanleg te dezen niet volstaat; dat een dergelijk plan wel de bestemming bepaalt van een gebied, maar niet ipso facto tot gevolg heeft dat de in dat gebied gelegen inrichtingen geacht worden overeen te komen met die bestemming; dat het feit dat het huidige bijzonder plan van aanleg is tot stand gekomen met het oog op de vestiging van het bedrijf van de tussenkomende partij de verwerende partij niet ontslaat van de verplichting de planologische verenigbaarheid van de inrichting te beoordelen; dat uit de bestreden beslissing blijkt dat deze aanvraag de volledige vernieuwing inhoudt van de nu aanwezige installaties, zodat een loutere verwijzing naar het bijzonder plan van aanleg in dit geval zeker niet volstond, vermits het vaststaat dat het bedrijf, door de voorliggende aanvraag, aanzienlijk zal worden veranderd; dat het middel gegrond is, VII-31.087-10/11 BESLUIT: Artikel
- Vernietigd wordt het besluit van de Vlaamse minister van Leefmilieu, Landbouw en Ontwikkelingssamenwerking van 24 september 2003 houdende uitspraak over de beroepen aangetekend tegen de beslissing van 27 maart 2003 van de bestendige deputatie van de provincieraad van Oost-Vlaanderen, houdende het verlenen van een milieuvergunning aan de b.v.b.a. BRANDSTOFFEN VRANCX om een brandstoffenhandel op het adres Embeke 30, 9500 Geraardsber- gen, verder te exploiteren en te veranderen. Artikel
- Dit arrest zal worden bekendgemaakt op dezelfde wijze als het vernietigde besluit. Artikel
- De kosten van de vordering tot schorsing, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verwerende partij De kosten van het annulatieberoep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verwerende partij. De kosten van de tussenkomst, bepaald op 125 euro, komen ten laste van de tussenkomende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op dertien januari tweeduizend en vijf, door de VIIe kamer, die was samengesteld uit : Mevr. M.-R. BRACKE, kamervoorzitter, de HH. R. STEVENS, staatsraad, E. BREWAEYS, staatsraad, Mevr. A. WIJNANTS, griffier. De griffier, De voorzitter, A. WIJNANTS. M.-R. BRACKE. VII-31.087-11/11 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.139.234 Gerelateerde publicatie(s) voorafgegaan door: ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.128.580 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.