← België

Arrest 139270 - - 13/01/2005

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 13 januari 2005 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.139.270 Rolnummer: A. 124357/XIV-10972 Zaak: Arrest 139270 - - 13/01/2005 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2005-02-15 Raadplegingen: 57 - laatst gezien 2026-07-02 06:18 Fiche Arrest nr 139.270 van 13 januari 2005 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 139.270 van 13 januari 2005 in de zaak A. 124.357/XIV-10.

  1. In zake : XXX, verblijvende te 2180 EKEREN, Opvangcentrum te Ekeren, Laar 140 tegen : de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen. ---------------------------------------------------------------------------------------------------------------- -- DE VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX, van Russische nationaliteit, op 24 juli 2002 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van de beslissing van de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen van 9 juli 2002 tot bevestiging van de beslissing van de Minister van Binnenlandse Zaken van 21 maart 2002 tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten; Gezien het verzoekschrift dat de verzoekende partij op dezelfde dag heeft ingediend om de schorsing van de tenuitvoerlegging te vorderen van dezelfde beslissing; Gelet op de beschikking van 29 juli 2002 waarbij aan de verzoekende partij het voordeel van de kosteloze rechtspleging wordt verleend; Gelet op artikel 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; Gezien de nota van de verwerende partij; Gezien het verslag opgemaakt door Eerste Auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST, op grond van artikel 26 van voormeld koninklijk besluit; Gelet op de kennisgeving van dat verslag aan de partijen; Gelet op de beschikking van 12 oktober 2004 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 8 december 2004; XIV-10.972-1/6 Gehoord het verslag van Kamervoorzitter A. BEIRLAEN; Gehoord de opmerkingen van Advocaat K. VAN BELLINGEN die, loco Advocaat Ph. JANSSENS verschijnt voor de verzoekende partij en van Attaché M. HUYGHE, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van Eerste Auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
  2. Over de gegevens van de zaak. Overwegende dat de gegevens van de zaak als volgt kunnen worden samengevat: 1.
  3. XXX, van Russische nationaliteit, is België binnengekomen op 11 maart 2002 en heeft zich op dezelfde dag vluchteling verklaard. 1.
  4. Op 21 maart 2002 neemt de Minister van Binnenlandse Zaken een beslissing tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten. 1.
  5. Op 9 juli 2002 neemt de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen de bevestiging van deze beslissing van de Minister van Binnenlandse Zaken. De motivering van deze beslissing luidt als volgt: “(...) Mijn beslissing is gebaseerd op de volgende motieven: U, een Russisch staatsburger van Russische origine, verklaarde dat u problemen kende met de ex-president van de autonome republiek Marij EI, Viatsjeslav Kislitsin. Omdat u kwaad was omdat u in de loop der jaren veel geld had verloren en uiteindelijk in 1998 failliet ging, kocht u documenten van de secretaresse van de toenmalige president van de autonome republiek, Kislitsin, waaruit bleek dat hij overheidsgeld voor persoonlijke doeleinden aanwendde. Een bevriende journaliste publiceerde op basis van deze documenten een artikel in de krant Moskovski Komsomolets en in oktober 1998 besloot u bij de stadsrechtbank van Yoskar-Ola een klacht in te dienen tegen Kislitsin omwille van zijn corrupte praktijken. De aanklacht werd echter verworpen omdat de documenten die u aanbracht als niet echt beoordeeld werden, aangezien u enkel kopies had aangebracht. Kislitsin diende daarop tegen u een klacht in dat u uw klacht met valse documenten had gestaafd. U werd veroordeeld tot 10 maanden cel en 8 maanden in een psychiatrische instelling. U ging hiertegen in beroep. Een dag voor u naar de psychiatrische instelling werd overgebracht, werd er in beroep beslist dat u in die psychiatrische instelling moest verblijven. In de gevangenis werd u geslagen en in de psychiatrische instelling kreeg u inspuitingen. In mei 2000 werd u vrijgelaten en ging u weer aan het werk. Op 17 september 2001 werd u beschoten door een gemaskerde man, nadat u reeds telefonisch verwittigd was. U vermoedde dat Kislitsin u trachtte te vermoorden, omdat u geen andere mogelijke daders kon bedenken. U liet zich XIV-10.972-2/6 verzorgen in een privé-kliniek, maar diende geen klacht in bij de politie. Na uw ontslag uit het ziekenhuis kreeg u opnieuw een dreigtelefoon, waarna uw vrienden u aanraadden om Rusland te verlaten. U nam zich voor Kislitsin te laten veroordelen voor een internationale rechtbank en verliet de Russische Federatie begin maart 2002 en kwam naar België, waar u op 11 maart 2002 asiel aanvroeg. U bent in het bezit van een intern paspoort, een militair boekje, een werkboekje, een attest van de belastingsinspectie, een rijbewijs, attest van opsluiting, een medisch attest en een attest van de sportschool. Uit uw verklaringen moet vooreerst worden opgemerkt dat u de mogelijkheden om in uw land van herkomst bescherming te krijgen niet volledig heeft uitgeput. Zo ondernam u in verband met uw veroordeling in december 1998 geen verdere stappen meer nadat op het plaatselijk niveau uw beroep behandeld was. U verklaarde vrede te hebben genomen met die uitspraak en het daarom niet nodig gevonden te hebben om verder te procederen (zie CGVS p. 9). Wat betreft de bedreigingen en de aanslag op u, die nadien plaats hadden, liet u na om een klacht in te dienen. U motiveerde dit door te zeggen dat u geen vertrouwen had in de politie, onder andere omdat ze u tijdens uw opsluiting geslagen hadden (zie CGVS p. 13). Er is echter niets dat er op wijst dat de autoriteiten in Sint-Petersburg u ook op dezelfde wijze zouden behandelen, als in de autonome republiek Marij El het geval was, waar ze onder invloed stonden van Kislitsin. Bovendien verklaart u dat er sinds Poetin aan de macht is, meer aan de corruptie wordt gedaan (zie CGVS p. 12-13). Ondanks het naar uw aanvoelen veranderde klimaat en ondanks het feit dat Kislitsin geen president meer is van de autonome republiek, heeft u geen enkele stap ondernomen om de bescherming van de Russische autoriteiten in te roepen tegen de aanval en bedreigingen. Bovendien moet worden opgemerkt dat er ook ernstig kan getwijfeld worden aan de geloofwaardigheid van uw asielrelaas. Zo verklaarde u op de Dienst Vreemdelingenzaken dat u in september 2000 werd beschoten en dat u na het verlaten van het hospitaal gedurende een jaar geen problemen meer kende tot het dreigement in februari 2002 (zie DVZ vraag 42), terwijl u op het Commissariaat-generaal beweerde dat u in september 2001 werd beschoten en dat u kort nadat u het hospitaal verliet het dreigement ontving waarna u nagenoeg onmiddellijk vertrok (zie CGVS p. 5 en 11). Gezien de ernst van het incident en gezien het de aanleiding was om uw land te verlaten, is het onaannemelijk dat u de gebeurtenissen niet juist weet te situeren. Gelet op het voorgaande kan in uw hoofde geen vermoeden van een gegronde vrees voor vervolging, zoals bedoeld in de Conventie van Genève van 28 juli 1951, worden vastgesteld. De door u in het kader van uw asielprocedure neergelegde documenten (een intern paspoort, een militair boekje, een werkboekje, een attest van de belastingsinspectie, een rijbewijs, attest van opsluiting, een medisch attest en een attest van de sportschool) wijzigen hetgeen hiervoor gezegd niet. Het attest van opsluiting geeft enkel weer dat u gedurende een bepaalde periode opgesloten bent, maar geeft geen verdere informatie over de redenen of omstandigheden. Het medisch attest geeft enkel weer dat u geschikt bent gevonden om met een auto te rijden. De andere documenten kunnen enkel uw identiteit aantonen. (...).”.
  6. Over de gegrondheid van het beroep. 2.
  7. Overwegende dat verzoeker als enig middel aanvoert: “2.
  8. Eerste en enige middel: Schending van de artikelen 2 en 3 van de Wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van administratieve bestuurshandelingen. evenals van artikel 57/6 en 62 van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen. ("B.S.", 31 december 1980 en verder in het verzoekschrift afgekort als: Vreemdelingenwet); 2.1.
  9. Algemeen. Dat de bestreden beslissing van het Commissariaat-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen een bestuurshandeling uitmaakt overeenkomstig de wet op de uitdrukkelijke motivering van de administratieve bestuurshandelingen; XIV-10.972-3/6 Dat bijgevolg het Commissariaat Generaal voor de Vluchtelingen en de Staatlozen zijn beslissingen op gemotiveerde wijze dient te nemen en dat zulks niet geschied is; Dat dit niet geschied is, minstens op een zeer gebrekkige wijze, moge ondermeer blijken uit de hierna (2.1.2.) opgesomde vergissingen en fouten in de bestreden beslissing van het Commissariaat Generaal voor de Vluchtelingen en de Staatlozen; Dat meer in het bijzonder de verplichting tot motivering van zijn beslissingen door het Commissariaat Generaal voor de Vluchtelingen en de Staatlozen bepaald werd in artikel 57/6 van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen, "B.S.", 31 december 1980.; Dat het betreffende artikel in punt 4, tweede lid bepaalt dat: “De beslissingen tot weigering van de erkenning of van de bevestiging van de hoedanigheid van vluchteling, zomede deze tot intrekking van die hoedanigheid worden met redenen omkleed met vermelding van de omstandigheden van de zaak.” Dat de bestreden beslissing dit principe schendt, niet alleen voor wat betreft de voorwaarden dat de beslissing met redenen omkleed moet zijn, maar eveneens voor wat betreft de voorwaarde dat de omstandigheden van de zaak dienen vermeld te worden. Dat het Hof van Cassatie geoordeeld heeft naar aanleiding van schending van het grondwettelijk principe inzake de motivering van rechtelijke beslissingen (art. 149 Gecoördineerde Grondwet) dat de motivering een wezenlijke waarborg tegen willekeur is en geldt als bewijs dat de voorgelegde middelen zorgvuldig onderzocht werden en de uitspraak beredeneerd werd; (Cass. 12 mei 1932, "Pas.", 1932, I, 166); Dat kan besloten worden dat indien een bestuurshandeling niet degelijk gemotiveerd werd, zulks leidt tot het gemis van een wezenlijke waarborg tegen willekeur en zulks geldt als bewijs dat het Commissariaat Generaal voor de Vluchtelingen en de Staatlozen de hem voorgelegde middelen niet zorgvuldig heeft onderzocht en h(z)ijn uitspraak niet beredeneerd heeft; Dat er in casu enerzijds sprake is van een onjuiste en anderzijds een manifest gebrek aan motivering in de beslissing, wat ertoe leidt te besluiten dat de aan het Commissariaat Generaal voor de Vluchtelingen en de Staatlozen voorgelegde middelen niet zorgvuldig onderzocht werden; 2.1.
  10. Betreffende de motieven in de bestreden beslissing van verzoeker. 2.1.2.
  11. Betreffende de vermeende tegenstellingen tussen de onderscheiden interviews. Dat het Commissariaat Generaal voor de Vluchtelingen en de Staatlozen meent dat er een aantal verschillen bestaan tussen het interview naar aanleiding van het dringend beroep enerzijds en het interview voor de Dienst Vreemdelingenzaken anderzijds. De situatie in Rusland is van die aard dat verdere stappen ondernemen en verder klacht indienen bijzonder gevaarlijk zou zijn geweest. Er was immers reeds een aanslag op verzoeker gepleegd en dit omwille van de stappen welke verzoeker reeds genomen had en de klacht die verzoeker reeds ingediend had. Verzoeker weet dat nog verdere stappen ondernemen gegarandeerd zijn dood zou betekend hebben. Zelfs indien verzoeker naar de autoriteiten in Sint-Petersburg zou stappen, zouden de vijanden van verzoeker dit snel ontdekken en hem opnieuw proberen om te brengen. Een klacht neerleggen tegen Kislitsin is niet niks en anderen zijn voor heel wat minder vermoord. Het feit dat de aanslag gebeurd is terwijl Kislitsin geen president meer was, bewijst hoeveel macht en invlo(e)d hij nog heeft achter de schermen. Verzoeker liep te veel gevaar indien hij nog verdere stappen zou ondernomen hebben. Dat verzoeker niet inziet wat de tegenstelling is in onderhavige verklaringen; Verzoeker heeft wel degelijk in het eerste interview bij DVZ "september 2001" gezegd en niet
  12. Verzoeker begrijpt niet waar deze fout vandaan komt. Verzoeker wil erop wijzen dat het interview bij DVZ plaatsvond in de periode voro (voor) zijn opname in de psychiatrie en dat verzoeker in deze periode verward was. Het is mogelijk dat hij door zijn psychiatrische toestand een aantal zaken verward heeft uitgelegd en het bijgevolgd niet onaannemelijk is dat verzoeker de gebeurtenissen niet juist wist te situeren. Dat er dan ook geen tegenstellingen h(z)ijn in de verschillende interviews en de beslissing de artikelen 2 en 3 van de Wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van administratieve bestuurshandelingen, evenals van artikel 57/6 en 62 van de wet van 15 december 1980, schendt; 2.
  13. Besluit. XIV-10.972-4/6 Dat de bestreden beslissing van het Commissariaat Generaal voor de Vluchtelingen en de Staatlozen dan ook ten gronde dient vernietigd te worden wegens het feit dat hij niet met reden omkleed en de omstandigheden van de zaak niet, minstens gebrekkig werden weergegeven overeenkomstig de artikelen 2 en 3 van de Wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de administratieve bestuurshandelingen en art. 57/6, /4, tweede lid en art 62 van de wet van 15 december 1980 (Vreemdelingenwet, voornoemd); Dat immers de opgeworpen argumenten door het Commissariaat Generaal voor de Vluchtelingen en de Staatlozen getuigen van een niet grondig onderzocht hebben van de gegevens van het dossier alsmede de verklaringen en voorgebrachte stukken door verzoeker; Dat om deze redenen dan ook de bestreden beslissing ten gronde dient vernietigd te worden zodat uit het grondige onderzoek ten gronde duidelijk zou kunnen blijken dat verzoeker wel degelijk redenen heeft om politiek asiel aan te vragen overeenkomstig de Conventie van Genève en dat verzoeker thans om de nietigverklaring verzoekt wegens het aanwezig zijn van een moeilijk te herstellen ernstig nadeel;”; 2.2.
  14. Overwegende dat dient opgemerkt dat het door verzoeker ingeroepen artikel 57/6 van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen (Vreemdelingenwet) niet van toepassing is; dat dit artikel de gegrondheidsfase van een asielaanvraag behandelt, namelijk het al dan niet erkennen van de hoedanigheid van vluchteling; dat ten aanzien van verzoeker echter een beslissing werd genomen tot bevestiging van een beslissing tot weigering van verblijf, op basis van artikel 63/3 van de Vreemdelingenwet; dat dit onderdeel in het enig middel niet ontvankelijk is; 2.2.
  15. Overwegende dat, overeenkomstig de artikelen 52, § 2, 2/ en 52, § 1, 2/, a) van de Vreemdelingenwet de vreemdeling niet kan toegelaten worden tot een verblijf in het Rijk in de hoedanigheid van vluchteling wanneer zijn aanvraag klaarblijkelijk steunt op motieven die totaal vreemd zijn aan het asiel, inzonderheid omdat ze bedrieglijk is of omdat ze geen verband houdt met de criteria bepaald bij artikel 1, (A), 2, van de Conventie van Genève; dat in casu de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen oordeelde dat de asielaanvraag van verzoekende partij kennelijk ongegrond en bedrieglijk is; dat de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen zich bij het nemen van zijn beslissing gebaseerd heeft op het feit dat verzoeker geen beroep heeft gedaan op de hogere autoriteiten van zijn land om bescherming te bekomen en daarnaast een niet onbelangrijke tegenstrijdige verklaring heeft afgelegd; dat verzoeker geen overtuigende verklaring heeft voor deze vaststellingen zodat het niet kennelijk onredelijk is dat de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen twijfels had bij het asielrelaas van verzoeker; dat verzoeker eraan dient herinnerd te worden dat de bepalingen, vervat in de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van bestuurshandelingen, tot doel hebben de burger in kennis te stellen van de redenen waarom de administratieve overheid ze heeft genomen, zodat kan worden beoordeeld of er aanleiding toe bestaat de beroepen in te stellen waarover hij beschikt; dat uit het verzoekschrift ontegensprekelijk blijkt dat de verzoekende partij kritiek uitbrengt op de inhoud van de motivering; XIV-10.972-5/6 2.2.
  16. Overwegende dat het enig middel, in de mate dat het ontvankelijk is, niet gegrond is;
  17. Overwegende dat de verzoekende partij geen gegrond middel tot nietigverklaring heeft aangevoerd; dat er derhalve grond is om toepassing te maken van artikel 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; dat de vordering tot schorsing, als accessorium van de nietigverklaring, derhalve samen met het beroep tot nietigverklaring wordt verworpen, BESLUIT: Artikel
  18. De vordering tot schorsing en het beroep tot nietigverklaring worden verworpen. Artikel
  19. De kosten van het beroep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op dertien januari tweeduizend en vijf, door : de HH. A. BEIRLAEN, kamervoorzitter, C. VERHAERT, griffier. De griffier, De voorzitter, C. VERHAERT. A. BEIRLAEN. XIV-10.972-6/6 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.139.270 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.