← België

Arrest 139304 - - 13/01/2005

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 13 januari 2005 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.139.304 Rolnummer: A. 105114/XIV-4756 Zaak: Arrest 139304 - - 13/01/2005 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2005-02-15 Raadplegingen: 51 - laatst gezien 2026-07-02 06:19 Fiche Arrest nr 139.304 van 13 januari 2005 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 139.304 van 13 januari 2005 in de zaak A. 105.114/XIV-

  1. In zake :
  2. XXX
  3. XXX, wonende te 2640 MORTSEL, tegen :
  4. de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen,
  5. de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de Minister van Binnenlandse Zaken. --------------------------------------------------------------------------------------------------------------- -- DE VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX en XXX, beide van Kazachse nationaliteit, op 23 mei 2001 hebben ingediend om de vernietiging te vorderen van de beslissingen van de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen van 25 april 2001 tot bevestiging van de beslissingen van de gemachtigde van de Minister van de Minister van Binnenlandse Zaken van 4 december 2000 tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten; Gelet op de beschikking van 18 juni 2001 waarbij aan de verzoekende partijen het voordeel van de kosteloze rechtspleging wordt verleend; Gezien de regelmatig gewisselde memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door Eerste Auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST, op grond van artikel 23, van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan de partijen en gelet op het verzoek tot voortzetting teneinde te worden gehoord van de verzoekende partij; Gelet op de beschikking van 11 oktober 2004 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 22 december 2004; Gehoord het verslag van Kamervoorzitter A. BEIRLAEN; XIV-4756-1/9 Gehoord de opmerkingen van Advocaat I. SAELEN, die verschijnt voor de verzoekende partijen, van Attaché F. VEREEKEN, die verschijnt voor de eerste verwerende partij en van Advocaat E. MATTERNE, die verschijnt voor de tweede verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van Eerste Auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
  6. Over de gegevens van de zaak. Overwegende dat de gegevens van de zaak als volgt kunnen worden samengevat : 1.
  7. XXX en zijn echtgenote XXX, beide van Kazachse nationaliteit, zijn in België binnengekomen op 7 november 2000 en hebben zich dezelfde dag vluchteling verklaard. 1.
  8. Op 4 december 2000 neemt de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse Zaken de beslissingen tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten. 1.
  9. Op 25 april 2001 neemt de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen de beslissingen tot bevestiging van de beslissingen van de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse Zaken van 4 december 2000 tot weigering van verblijf. Dit zijn de bestreden beslissingen, die als volgt zijn gemotiveerd : Wat verzoeker betreft : “(...) Betrokkene werd verhoord op 8 maart 2001 op de zetel van het Commissariaat- generaal, bijgestaan door een tolk, die de Russische taal machtig is. Betrokkene, een Kazachs staatsburger van Russische origine verklaarde op het Commissariaat-generaal omwille van de volgende redenen Kazachstan te hebben verlaten. In de winter 1998 werd betrokkene op straat aangevallen en overvallen door 7 Kazachen. Betrokkenes dochter, XXX, raakte op 1 juni 2000 gewond toen een Kazachse jongen haar aanviel. De jongen schold betrokkenes echtgenote, XXX uit omwille van haar Russische origine en wierp stenen naar betrokkenes echtgenote. Op 3 augustus 2000 was betrokkenes schoonmoeder, XXX er getuige van dat de Kazachse bovenburen afval naar beneden wierpen. Betrokkenes schoonmoeder, die hierover een opmerking maakte, werd door de buurvrouw aan de haren getrokken en bedreigd. Op 7 augustus 2000 kreeg betrokkenes schoonmoeder een dreigtelefoon van een onbekende Kazach. Op 11 augustus 2000 werden betrokkene, zijn echtgenote en zijn XIV-4756-2/9 schoonmoeder overvallen door 5 Kazachse burgers die zich voordeden als politieagenten. Ze stormden de flat binnen, sloegen betrokkene en zijn schoonmoeder, en dwongen betrokkenes schoonmoeder, onder bedreiging van een mes en verkrachting van betrokkenes echtgenote, twee documenten te ondertekenen. Nadat betrokkenes schoonmoeder tweemaal de politie had gebeld, kwam deze naar de flat. De politie ondernam echter niet de nodige stappen. In de namiddag diende betrokkenes schoonmoeder klacht in bij de stadspolitie. Daar werd een onderzoek beloofd, maar zij werden nooit op de hoogte gebracht dat dit enig resultaat heeft opgeleverd. Hierna werd alles rustiger. Op 25 oktober 2000 kregen ze opnieuw een dreigtelefoon waarin gerefereerd werd naar de klacht die door betrokkenes schoonmoeder werd ingediend. Op 28 oktober 2000 werden ze opnieuw telefonisch bedreigd en werd hen gezegd dat ze de flat en Kazachstan moesten verlaten. Zij maakten geen melding van deze dreigtelefoons bij de politie. Betrokkene heeft op 29 oktober 2000 Kazachstan per trein verlaten. Hij reisde samen met zijn schoonmoeder, zijn echtgenote, haar minderjarige zus, Kvochkina Anastassiya, en hun dochter. Op 7 november 2000 kwamen zij in België aan waar zij diezelfde dag een asielaanvraag indienden bij de Belgische autoriteiten. Betrokkene is in het bezit van een huwelijksakte, een identiteitskaart, een geboorteakte van zichzelf en van zijn dochter en een politiebrief. Betrokkene baseert zijn asielrelaas in de eerste plaats op diverse aanvallen door Kazachen waarvan hij (aanval in de winter van 1998) en zijn gezin (aanval op betrokkenes echtgenote en dochter 1 juni 2000) slachtoffer werden omwille van hun Russische origine. Wat deze aanval op betrokkene betreft, dient te worden opgemerkt dat betrokkene en zijn echtgenote dit feit op verschillende ogenblikken in de tijd situeerden. Betrokkene verklaarde dat hij slachtoffer werd van deze aanval in de winter van 1998, dus vóór het huwelijk met zijn echtgenote (CGVS, p.10). Zijn echtgenote daarentegen beschreef hetzelfde feit maar situeerde het vorig jaar, meer bepaald in januari-februari 2000 (CGVS, p.5). Zij verklaarde eveneens dat dergelijk feit zich daarvoor niet voordeed. Wat beide aanvallen betreft, dient eveneens te worden vermeld dat noch betrokkene, noch zijn echtgenote hieromtrent ooit klacht indienden bij de bevoegde instanties. Derhalve maakt betrokkene er geen melding van naar aanleiding van deze feiten enige bescherming in zijn land van herkomst te hebben gezocht. Op de tweede plaats baseert betrokkene zijn asielaanvraag op de problemen die hij en zijn gezin kenden met de buren, op de aanval op 11 augustus 2000 en de gevolgen hiervan. In deze context is het belangrijk erop te wijzen dat, ondanks het feit dat zowel betrokkene, zijn echtgenote als zijn schoonmoeder tijdens de opeenvolgende uiteenzettingen van hun asielrelaas grotendeels dezelfde feiten vermeldden (dreigtelefoon, aanval, klacht bij de politie, dreigtelefoons) diverse tegenstrijdigheden en nuanceverschillen werden opgemerkt, van zodra tijdens het verhoor op het Commissariaat-generaal dieper werd ingegaan op deze feiten. Indicatief hiervoor zijn enerzijds diverse tegenstrijdigheden tussen betrokkenes opeenvolgende verklaringen op de Dienst Vreemdelingenzaken en op het Commissariaat-generaal. Betrokkene verklaarde op het Commissariaat-generaal dat na 11 augustus 2000 en dit tot 25 oktober 2000 alles rustig was en zij geen dreigtelefoons ontvingen (CGVS, p.9). Op de Dienst Vreemdelingenzaken daarentegen vermeldde hij dat aanvankelijk de dreigtelefoons aanhielden (DVZ, p.7). Dergelijke nuanceverschillen doen enigszins twijfelen aan betrokkenes geloofwaardigheid. Bijkomende twijfel i.v.m.betrokkenes verklaringen wordt opgewekt door de volgende tegenstrijdigheden tussen betrokkenes verklaringen, deze van zijn echtgenote en van zijn schoonmoeder. Betrokkene verklaarde dat de politieagenten die op 11 augustus 2000 bij hen thuis kwamen een blauw of zwart uniform droegen (CGVS, p.11), daar waar zijn echtgenote zei dat de agenten een donkergroen uniform aanhadden (CGVS, p.9) en betrokkenes schoonmoeder verklaarde dat ze een donkerblauw uniform aanhadden (CGVS, p.6). Ook i.v.m.de duur van de aanval legden zij tegenstrijdige verklaringen af: betrokkenes echtgenote verklaarde dat de aanvallers 40 minuten tot een uur in de flat bleven (CGVS, p.9), betrokkene zei dat ze een uur tot anderhalf uur bleven (CGVS, p.7), zijn schoonmoeder verklaarde dat ze twee uur bleven (CGVS, p.7). Betrokkene verklaarde dat de aanvallers behalve een mes geen andere wapens bij zich hadden (CGVS, p.6 en 8), zijn schoonmoeder verklaarde dat ze wel degelijk zag dat de aanvallers wapens bij zich hadden (CGVS, p.8). Dergelijke nuanceverschillen doen in XIV-4756-3/9 ernstige mate twijfelen aan het feit of deze gebeurtenis zich wel ooit heeft voorgedaan in het leven van betrokkene en zijn familie. Betrokkene verklaarde enerzijds omwille van zijn Russische origine het slachtoffer te zijn van afpersing door Kazachse burgers (CGVS, p.3-9). Anderzijds maakte betrokkene eveneens melding van het feit dat in Kazachstan een algemene rassendiscriminatie zou heersen tegen de Russen door de Kazachse bevolking (CGVS, p.3, p.10-11). Betrokkene verklaart dat fysisch geweld tegen Russen vaak voorkomt en dat etnische Kazachen dergelijke praktijken gebruiken opdat Russen Kazachstan zouden verlaten (CGVS, p.10). Deze door betrokkene aangehaalde vervolging door de etnischKazachse bevolking van de Russischssprekende bevolkingsgroep stemt echter niet overeen met de documentatie waarover het Commissariaat-generaal beschikt. In deze documentatie (Missierapport Kazachstan van de Immigratieambtenaar Ministerie van Binnenlandse Zaken 14 september - 10 oktober 2000, 13 november -19december 2000, 6 januari - 23 januari 2001 en Informatie Kazachstan Cedoca, februari 2001; De Standaard en La Libre Belgique 31 oktober 2000, Le Soir 20 december 2000 en De Standaard Online, 3 februari 2001) wordt nergens melding gemaakt van dergelijke systematische (fysieke) vervolging. Hieraan kan worden toegevoegd dat betrokkene, noch andere leden van zijn gezin er melding van maken in de periode na de aanval op 11 augustus 2000 tot aan hun vertrek op 29 oktober 2000 ooit navraag te hebben gedaan bij de stadspolitie i.v.m. het verloop van hun onderzoek (CGVS, p.8), evenmin van enige bijkomende melding aan de stadspolitie van de dreigtelefoons die zij op 25 en 28 oktober 2000 ontvingen (CGVS, p.9). Betrokkene haalt geen argumenten aan die rechtvaardigen dat hij niet alle juridische middelen in zijn land van herkomst heeft uitgeput. Uit voormelde informatie blijkt eveneens dat de hogere Kazachse autoriteiten gevoelig zijn voor elke vorm van etnisch geweld en spanning, waardoor het op dit niveau voor personen van Russische origine mogelijk is bescherming te krijgen. Bijgevolg kan niet worden gesteld dat mogelijke slachtoffers van dergelijke vervolging op geen bescherming kunnen rekenen van de Kazachse autoriteiten. Gezien het voorafgaande kan in hoofde van betrokkene geen vermoeden van gegronde vrees voor vervolging in de zin van de Vluchtelingenconventie van Genève worden weerhouden. Er dient tenslotte te worden vermeld dat ook in het kader van de asielaanvraag van betrokkenes echtgenote en schoonmoeder een bevestigende beslissing werd genomen. Uit wat voorafgaat blijkt dat de aanvraag van betrokkene bedrieglijk en kennelijk ongegrond is, omdat de vreemdeling geen gegevens heeft aangebracht dat er, wat hem betreft, ernstige aanwijzingen bestaan van een gegronde vrees voor vervolging in de zin van de Conventie van Genève. Wat er ook van zij, betrokkene heeft niet aangetoond dat de gemachtigde van de Minister zijn appreciatiebevoegdheid heeft overschreden door hem het verblijf op het grondgebied te weigeren. In elk geval, de Commissaris-generaal ontwaart geen ernstige en aantoonbare gronden die laten geloven in een risico van schending van de Conventie van Genève in geval van verwijdering van betrokkene. Bijgevolg bevestigt de Commissaris-generaal de verblijfsweigering besloten door de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse Zaken op 4 december
  10. De Commissaris-generaal meent dat de betrokken vreemdeling in de huidige omstandigheden mag worden teruggeleid naar de grens van het land dat hij ontvlucht is, en waar, volgens zijn verklaring, zijn leven, zijn fysieke integriteit of zijn vrijheid in gevaar zou verkeren. (...).”. Wat verzoekster betreft : “(...) Betrokkene werd verhoord op 8 maart 2001 op de zetel van het Commissariaat- generaal, bijgestaan door een tolk, die de Russische taal machtig is. Betrokkene, een Kazachs staatsburger van Russische origine verklaarde op het Commissariaat-generaal omwille van de volgende redenen Kazachstan te hebben verlaten. In januari-februari 2000 werd betrokkenes echtgenoot, XXX,op straat aangevallen en overvallen door 7 Kazachen. Betrokkenes dochter, K. M., raakte op 1 juni 2000 gewond XIV-4756-4/9 toen een Kazachse jongen haar aanviel. De jongen schold betrokkene uit omwille van haar Russische origine en wierp stenen naar betrokkene. Op 3 augustus 2000 was betrokkenes moeder, K. N. er getuige van dat de Kazachse bovenburen afval naar beneden wierpen. Betrokkenes moeder, die hierover een opmerking maakte, werd door de buurvrouw aan de haren getrokken en bedreigd. Op 7 augustus 2000 kreeg betrokkenes moeder een dreigtelefoon van een onbekende Kazach. Op 11 augustus 2000 werden betrokkene, haar echtgenoot en haar moeder overvallen door 5 Kazachse burgers die zich voordeden als politieagenten. Ze stormden de flat binnen, sloegen betrokkenes echtgenoot en moeder, en'dwongen betrokkenes moeder, onder bedreiging van een mes en verkrachting van betrokkene, twee documenten te ondertekenen. Nadat betrokkenes moeder tweemaal de politie had gebeld, kwam deze naar de flat. De politie ondernam echter niet de nodige stappen. In de namiddag diende betrokkenes moeder klacht in bij de stadspolitie. Daar werd een onderzoek beloofd, maar zij werden nooit op de hoogte gebracht dat dit enig resultaat heeft opgeleverd. Hierna werd alles rustiger. Op 25 oktober 2000 kregen ze opnieuw een dreigtelefoon waarin gerefereerd werd naar de klacht die door betrokkenes moeder werd ingediend. Op 28 oktober 2000 werden betrokkenes moeder opnieuw telefonisch bedreigd en werd haar gezegd dat zij en haar gezin de flat en Kazachstan moesten verlaten. Zij maakten geen melding van deze dreigtelefoons bij de politie. Betrokkene heeft op 29 oktober 2000 Kazachstan per trein verlaten. Zij reisde samen met haar moeder en haar minderjarige zus, K. A., haar echtgenoot en hun dochter. Op 7 november 2000 kwamen zij in België aan waar zij diezelfde dag een asielaanvraag indienden bij de Belgische autoriteiten. Betrokkene is in het bezit van een huwelijksakte, een identiteitskaart, een geboorteakte van zichzelf en van haar dochter en een politiebrief. Betrokkene baseert haar asielrelaas in de eerste plaats op diverse aanvallen door Kazachen waarvan haar echtgenoot (januari-fébruari 2000) en betrokkene en haar dochter (op 1 juni 2000) slachtoffer werden omwille van hun Russische origine. Wat de aanval op betrokkenes echtgenoot betreft, dient te worden opgemerkt dat betrokkene en haar echtgenote dit feit op een verschillend(e) moment in de tijd situeerden. Betrokkenes echtgenoot verklaarde dat hij slachtoffer werd van deze aanval in de winter van 1998, dus vóór het huwelijk met betrokkene (CGVS, p.10). Betrokkene daarentegen beschreef hetzelfde feit maar situeerde het vorig jaar, meer bepaald in januari-februari 2000 (CGVS, p.5). Zij verklaarde eveneens dat dergelijk feit zich daarvoor niet voordeed. Wat het tweede feit betreft, meer bepaald de aanval op betrokkene en haar dochter door een Kazachse jongen op 1 juni 2000, dient te worden opgemerkt dat enkele nuanceverschillen tussen betrokkenes opeenvolgde verklaringen eveneens twijfel doen rijzen i.v.m. het feit of deze gebeurtenis zich wel degelijk in het leven van betrokkene heeft voorgedaan. Op de vraag of betrokkene ooit op straat slachtoffer werd van fysisch geweld door Kazachen, vermeldde ze dat op 1 juni 2000 de Kazachse jongen stenen naar haar zou hebben gegooid (CGVS, p.3). Vooreerst is het opmerkelijk dat betrokkene, die deze aanval op haar dochtertje eveneens vermeldde op de Dienst Vreemdelingenzaken, toen echter niet vermeldde dat de jongen eveneens naar haar stenen zou hebben gegooid (DVZ, p.8). Zij verklaarde op de Dienst Vreemdelingenzaken daarentegen dat niet de Kazachse jongen maar de buurvrouw een steen naar haar zou hebben gegooid (DVZ, p.7). De waarachtigheid van betrokkenes uitspraken dient derhalve opnieuw in twijfel te worden getrokken aangezien betrokkene op het Commissariaat-generaal geen melding maakte van deze aanval door haar buurvrouw en expliciet verklaarde dat de aanval door de Kazachse jongen de enige aanval was op straat waarvan zij slachtoffer werd (CGVS, p.6). Wat beide aanvallen betreft, dient eveneens te worden vermeld dat noch betrokkene, noch haar echtgenoot hieromtrent ooit klacht indienden bij de bevoegde instanties. Derhalve maakt betrokkene er geen melding van naar aanleiding van deze feiten enige bescherming in haar land van herkomst te hebben gezocht. Op de tweede plaats baseert betrokkene haar asielaanvraag op de problemen die zij en haar gezin kende met de buren, op de aanval op 11 augustus 2000 en de gevolgen hiervan. In deze context is het belangrijk erop te wijzen dat, ondanks het feit dat zowel betrokkene, haar echtgenoot als haar moeder tijdens de opeenvolgende uiteenzettingen van hun asielrelaas grotendeels dezelfde feiten vermeldden (dreigtelefoon, aanval, klacht bij de politie, dreigtelefoons) diverse tegenstrijdigheden en nuanceverschillen werden opgemerkt, van zodra tijdens het verhoor op het Commissariaat-generaal dieper XIV-4756-5/9 werd ingegaan op deze feiten. Indicatief hiervoor zijn enerzijds diverse tegenstrijdigheden tussen betrokkenes opeenvolgende verklaringen op de Dienst Vreemdelingenzaken en op het Commissariaat-generaal. Betrokkene verklaarde dat haar moeder na de overval op 11 augustus 2000 wel degelijk de politie zou hebben opgebeld, waarna twee agenten bij hen thuis kwamen en zelfs met de buren gingen praten (CGVS, p.9). Aan deze verklaring dient echter omwille van de volgende redenen te worden getwijfeld: betrokkene verklaarde immers op de Dienst Vreemdelingenzaken dat de politie nooit zou gereageerd hebben op de telefoon van haar moeder en derhalve niet naar de flat is gekomen (DVZ, p.8). Op de Dienst Vreemdelingenzaken verklaarde betrokkene tijdens de overval op 11 augustus 2000 te zijn geslagen (DVZ, p.8), op het Commisariaat-generaal daarentegen vermeldde ze uitdrukkelijk niet te zijn geslagen (CGVS, p.8). Dergelijk nuanceverschil komt betrokkenes geloofwaardigheid niet ten goede. Bijkomende twijfel i.v.m. betrokkenes verklaringen wordt opgewekt door de volgende tegenstrijdigheden tussen betrokkenes verklaringen, deze van haar echtgenoot en van haar moeder. Betrokkene verklaarde dat de politieagenten die op 11 augustus 2000 bij hen thuis kwamen een donkergroen uniform droegen (CGVS, p.9), daar waar haar echtgenoot zei dat de agenten een blauw of zwart uniform aanhadden (CGVS, p.11) en haar moeder verklaarde dat ze een donkerblauw uniform aanhadden (CGVS, p.6). Ook i.v.m. de duur van de aanval legden zij tegenstrijdige verklaringen af: betrokkene verklaarde dat de aanvallers 40 minuten tot een uur in de flat bleven (CGVS, p.9), haar echtgenoot zei dat ze een uur tot anderhalf uur bleven (CGVS, p.7), haar moeder verklaarde dat ze twee uur bleven (CGVS, p.7). Dergelijke nuanceverschillen doen in ernstige mate twijfelen aan het feit of deze gebeurtenis zich wel ooit heeft voorgedaan in het leven van betrokkene en haar familie. Betrokkene verklaarde enerzijds omwille van haar Russische origine het slachtoffer te zijn van afpersing door Kazachse burgers. Anderzijds maakte betrokkene eveneens melding van het feit dat in Kazachstan een algemene rassendiscriminatie heerst van Russen door de Kazachse bevolking en dat fysisch geweld tegen Russen zeer regelmatig voorkomt (CGVS, p.4). Deze door betrokkene aangehaalde vervolging door de etnisch-Kazachse bevolking van de Russischssprekende bevolkingsgroep stemt echter niet overeen met de documentatie waarover het Commissariaat-generaal beschikt. In deze documentatie (Missierapport Kazachstan van de Immigratieambtenaar Ministerie van Binnenlandse Zaken 14 september - 10 oktober 2000, 13 november - 19 december 2000, 6 januari -23 januari 2001 en Informatie Kazachstan Cedoca, februari 2001; De Standaard en La Libre Belgique 31 oktober 2000, Le Soir 20 december 2000 en De Standaard Online, 3 februari 2001) wordt nergens melding gemaakt van dergelijke systematische (fysieke) vervolging. Hieraan kan worden toegevoegd dat betrokkene, noch andere leden van haar gezin er melding van maken in de periode na de aanval op 11 augustus 2000 tot aan hun vertrek op 29 oktober 2000 ooit navraag te hebben gedaan bij de stadspolitie i.v.m. het verloop van hun onderzoek (CGVS, p. 10), evenmin van enige bijkomende melding aan de stadspolitie van de dreigtelefoons die zij op 25 en 28 oktober 2000 ontvingen (CGVS, p. 11). Betrokkene haalt geen argumenten aan die rechtvaardigen dat zij niet alle juridische middelen in haar land van herkomst heeft uitgeput. Uit voormelde informatie blijkt eveneens dat de hogere Kazachse autoriteiten gevoelig zijn voor elke vorm van etnisch geweld en spanning, waardoor het op dit niveau voor personen van Russische origine mogelijk is bescherming te krijgen. Bijgevolg kan niet worden gesteld dat mogelijke slachtoffers van dergelijke vervolging op geen bescherming kunnen rekenen van de Kazachse autoriteiten. Gezien het voorafgaande kan in hoofde van betrokkene geen vermoeden van gegronde vrees voor vervolging in de zin van de Vluchtelingenconventie van Genève worden weerhouden. Er dient tenslotte te worden vermeld dat ook in het kader van de asielaanvraag van betrokkenes echtgenoot en moeder een bevestigende beslissing werd genomen. Uit wat voorafgaat blijkt dat de aanvraag van betrokkene bedrieglijk en kennelijk ongegrond is, omdat de vreemdeling geen gegevens heeft aangebracht dat er, wat hem betreft, ernstige aanwijzingen bestaan van een gegronde vrees voor vervolging in de zin van de Conventie van Genève. Wat er ook van zij, betrokkene heeft niet aangetoond dat de gemachtigde van de Minister zijn appreciatiebevoegdheid heeft overschreden door haar het verblijf op het grondgebied te weigeren. In elk geval, de Commissaris-generaal XIV-4756-6/9 ontwaart geen ernstige en aantoonbare gronden die laten geloven in een risico van schending van de Conventie van Genève in geval van verwijdering van betrokkene. Bijgevolg bevestigt de Commissaris-generaal de verblijfsweigering besloten door de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse Zaken op 4 december
  11. De Commissaris-generaal meent dat de betrokken vreemdeling in de huidige omstandigheden mag worden teruggeleid naar de grens van het land dat hij ontvlucht is, en waar, volgens zijn verklaring, zijn leven, zijn fysieke integriteit of zijn vrijheid in gevaar zou verkeren. (...)”.
  12. Over de ontvankelijkheid van het beroep. 2.
  13. Overwegende dat verzoekers als enig middel aanvoeren : “Middel: Schending van artikel 1 van de Conventie van Genève van
  14. Het motief luid als volgt: “... dient eveneens te worden vermeld dat noch betrokkene, noch zijn echtgenote hieromtrent ooit klacht indienden bij de bevoegde instanties...” “... Bijkomende twijfel wordt opgeroepen door de volgende nuanceverschillen tussen betrokkenes verklaringen, deze van haar dochter en van haar schoonzoon...” “...Dergelijke nuanceverschillen doen enigzins twijfelen aan betrokkenes geloofwaardigheid...” “Betrokkene verklaarde enerzijds omwille van zijn Russische origine het slachtoffer te zijn vann afpersong (van afpersing) door Kazachse burgers. Anderzijds maakte betrokkene eveneens melding van het feit dat in Kazachstan een algemene rassendiscriminatie zou heersten (heersen) tegen de Russen door de Kazachse bevolking...” “... Betrokkene verklaart dat fysisch geweld tegen Russen vaak voorkomst (voorkomt) en dat etnische Kazachen dergelijke praktijken gebruiken om Russen Kazachstan te doen verlaten. Deze door betrokkene aangehaalde vervolging door de etnisch-Kazachse bevolking van de Russischsprekende bevolkingsgroep stemt echter niet overeen met de documentatie waarover het Commissariaat-Generaal beschikt. In deze documentatie wordt nergens melding gemaakt van dergelijke systematische (fysieke) vervolging (Missierapport Kazachstan van de Immigratieambtenaar Ministerie van Binnenlandse Zaken 14 september - 10 oktober 2000, 13 november - 19 december 2000, 6 januari- 23 januari 2001 en Informatie Kazachstan Cedoca, februari 2001; De Standaard en La Libre Belgique 31 oktober 2000, Le Soir 20 december 2000 en De Standaard Online 3 februari 2001).” “... Betrokkene haalt geen argumenten aan die rechtvaardigen dat zij niet alle juridische middelen in haar land van herkomst heeft uitgeput.” “... Uit voormelde informatie blijkt eveneens dat de hogere Kazachse autoriteiten gevoelig zijn voor elke vorm van etnisch geweld en spanning, waardoor het op dit niveau voor personen van Russische origine mogelijk is bescherming te krijgen. Bijgevolg kan niet worden gesteld dat mogelijke slachtoffers van dergelijke vervolging op geen bescherming kunnen rekenen van de Kazachse autoriteiten...” Bij dit verzoekschrift leg ik de nodige documenten voor welke bewijzen dat mijn leven en dat van mijn familie wel degelijk in gevaar is bij terugkeer naar ons thuisland en te meer daar de Kazachse autoriteiten aktief een politiek van genocide en verdrijven van het russische volkeren leidt (stuk 6 t.e.m. 14). De gegronde vrees voor vervolging gepreciseert in artikel 1 van de Conventie van Genève dient niet alleen rechtstreeks voor te vloeien uit vervolging door de overheid maar kan eveneens onrechtstreeks uitgaan van particulieren en aangemoedigd of getolereerd door de overheid die daartegen niet wil of kan optreden, wat er gebeurd is in casu. Verschillende documenten, dewelke ik in bijlage toevoeg (stuk 6 t.e.m. 14) weerleggen de documentatie waarover het Commissariaat-Generaal beschikt. Sedert de onafhankelijkheid van Kazachstan zijn de levensomstandigheden niet uit te houden voor de russische bevolking. Het is voor iemand van Kazachstanse nationaliteit praktisch onmogelijk zijn rechten voor het gerecht te verdedigen. Volgens de laatste XIV-4756-7/9 gegevens van het Internationaal Bureau voor de rechten van de mens bevindt de rechterlijke macht zich in Kazachstan volledig in verval. Wij hebben angst voor het gerecht omdat de rechters niet competent zijn, een lage kwalificatie hebben en volledig corrupt zijn. In Kazachstan hebben het ontbreken van een verenigde ideologie voor een multi-etnische gemeenschap en een hoge concentratie van politieke en economische macht in de handen van de president van Kazachstan geleid tot een machtsmonopolie. Deze ideologie geeft als gevolg, een verslechtering van de moraalpsychologische omstandigheden met een voortdurende spanning tussen de nationaliteiten ten gunste van de heersende elite. De nuanceverschillen mbt de kleuren van de uniformen die de zogenaamde politieagenten aanhadden bij het binnenvallen van het appartement van schoonmoeder- moeder zijn het gevolg van de kleurenblindheid van Yelena. Zij kan geen kleuren onderscheiden. Ik breng aldus bewijzen voor van de feiten die ik aanhaal en bewijs op voldoende wijze mijn hoedanigheid als vluchteling vermits uit de documenten blijkt dat mijn verhaal plausibel en oprecht is en er werkelijk subjectieve vrees aanwezig is. Bijgevolg werd de artikel 1 van de Conventie van Genève geschonden.”; 2.
  15. Overwegende dat artikel 1 van de Conventie van Genève geen directe werking heeft; dat het enig middel niet ontvankelijk is; 2.
  16. Overwegende dat, aangezien het beroep geen ontvankelijk middel bevat, het zelf niet ontvankelijk is, BESLUIT: Artikel
  17. Het beroep wordt verworpen. Artikel
  18. De kosten van het beroep, bepaald op 347,05 euro, komen ten laste van de verzoekende partijen, elk voor de helft. XIV-4756-8/9 Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op dertien januari tweeduizend en vijf, door : de HH. A. BEIRLAEN, kamervoorzitter, C. VERHAERT, griffier. De griffier, De voorzitter, C. VERHAERT. A. BEIRLAEN. XIV-4756-9/9 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.139.304 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.