id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 13 januari 2005 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.139.305 Rolnummer: A. 92159/XIV-4116 Zaak: Arrest 139305 - - 13/01/2005 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2005-02-15 Raadplegingen: 50 - laatst gezien 2026-07-02 06:19 Fiche Arrest nr 139.305 van 13 januari 2005 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 139.305 van 13 januari 2005 in de zaak A. 92.159/XIV-
- In zake : XXX die woonplaats kiest bij Advocaat B. VRIJENS, kantoor houdende te 9000 GENT, Kortrijksesteenweg 551 tegen :
- de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen,
- de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de Minister van Binnenlandse Zaken. --------------------------------------------------------------------------------------------------------------- -- DE VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX, van Joegoslavische nationaliteit, op 26 mei 2000 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van de beslissing van de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen van 26 april 2000 tot bevestiging van de beslissing van de Minister van Binnenlandse Zaken van 7 maart 2000 tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten; Gelet op het arrest nr. 98.667 van 4 september 2001 waarbij de schorsing van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing wordt verworpen; Gezien het verzoek tot voortzetting van de procedure van de verzoekende partij; Gelet op de beschikking van 29 november 2001 waarbij aan de verzoekende partij het voordeel van de kosteloze rechtspleging wordt verleend; Gezien de regelmatig gewisselde memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door Eerste Auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST, op grond van artikel 23, van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; XIV-4116-1/6 Gelet op de kennisgeving van het verslag aan de partijen en gelet op het verzoek tot voortzetting teneinde te worden gehoord van de verzoekende partij; Gelet op de beschikking van 11 oktober 2004 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 22 december 2004; Gehoord het verslag van Kamervoorzitter A. BEIRLAEN; Gehoord de opmerkingen van Advocaat A. HAEGEMAN die, loco Advocaat B. VRIJENS verschijnt voor de verzoekende partij, van Attaché F. VEREEKEN, die verschijnt voor de eerste verwerende partij en van Advocaat E. MATTERNE, die verschijnt voor de tweede verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van Eerste Auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
- Over de gegevens van de zaak. Overwegende dat de gegevens van de zaak als volgt kunnen worden samengevat: 1.
- XXX, van Joegoslavische nationaliteit, is België binnengekomen op 25 januari 1999 en heeft zich op 28 januari 2000 vluchteling verklaard. 1.
- Op 7 maart 2000 neemt de Minister van Binnenlandse Zaken een beslissing tot weigering van verblijf met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten. 1.
- De beslissing van de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen van 26 april 2000 luidt als volgt: "(...) Volgens zijn verklaringen zou betrokkene, die niet in het bezit is van enige identiteitsdocumenten, een etnische Albanees uit Kosovo, meerbepaald uit Gjakovë, zijn. Sinds februari 1996 zou betrokkene actief lid zijn geweest van de “Democratische Liga van Kosovo” (L.D.K.). In maart 1996 zou betrokkene deelgenomen hebben aan een betoging van het L.D.K.. Sindsdien zou hij door de Servische politie gezocht worden. Toen de Servische politie voor een eerste maal bij betrokkene thuis zou zijn langsgeweest, zou betrokkene niet aanwezig geweest zijn. Hierop zou betrokkenes vader meegenomen zijn naar het politiekantoor van Ibrakovc, waar hij gedurende 24 uur vastgehouden, ondervraagd en geslagen zou zijn. In november 1998 zou de Servische politie voor een tweede maal bij betrokkene zijn langsgeweest. Betrokkene, die op dat moment thuis was, zou kunnen vluchten zijn via het venster op de eerste XIV-4116-2/6 verdieping, doch zou hierbij in het rechterbeen geschoten zijn. Nadien zou hij twee weken ondergedoken geleefd hebben bij een vriend in Brekovc, die zijn verwondingen zou hebben verzorgd. Daarna zou betrokkene gedurende een maand bij een kennis in Gjakovë verbleven hebben die ondertussen zijn reis naar België georganiseerd zou hebben. Via Frankrijk zou betrokkene per vrachtwagen naar België gevlucht zijn, waar hij op 25 januari 1999 aankwam en op 28 januari 1999 asiel aanvroeg. Betrokkenes beide ouders, twee broers en zus zouden op dit moment nog steeds in Kosovo verblijven. Er dient te worden opgemerkt dat betrokkene geen feiten of elementen heeft aangehaald waaruit zou blijken dat hij bij een eventuele terugkeer naar Kosovo, waar zijn familie verblijft, risico loopt op een systematische vervolging in de zin van de Vluchtelingenconventie. Sinds betrokkenes vertrek is de situatie in Kosovo immers gevoelig gewijzigd. De ingeroepen vrees van betrokkene, met name de algemene repressie ten aanzien van de Albanese gemeenschap in Kosovo is niet meer actueel. Overeenkomstig resolutie 1244, aangenomen door de Veiligheidsraad van de Verenigde Naties op 10 juni 1999 hebben de Servische troepen en autoriteiten zich immers uit Kosovo teruggetrokken en werd de regio onder internationaal toezicht en bestuur geplaatst. Uit wat voorafgaat blijkt dat de aanvraag van betrokkene kennelijk ongegrond is, omdat de vreemdeling geen gegevens heeft aangebracht dat er, wat hem betreft, ernstige aanwijzingen bestaan van een gegronde vrees voor vervolging in de zin van de Conventie van Genève. Wat er ook van zij, betrokkene heeft niet aangetoond dat de gemachtigde van de Minister zijn appreciatiebevoegdheid heeft overschreden door hem het verblijf op het grondgebied te weigeren. In elk geval, de Commissaris-generaal ontwaart geen ernstige en aantoonbare gronden die laten geloven in een risico van schending van de Conventie van Genève in geval van verwijdering van betrokkene. Bijgevolg bevestigt de Commissaris-generaal de verblijfsweigering besloten door de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse Zaken op 7 maart
- De Commissaris-generaal meent dat de betrokken vreemdeling in de huidige omstandigheden mag worden teruggeleid naar de grens van het land dat hij ontvlucht is, en waar, volgens zijn verklaring, zijn leven, zijn fysieke integriteit of zijn vrijheid in gevaar zou verkeren. (...).".
- Over de gegrondheid van het beroep. 2.1.
- Overwegende dat verzoeker als eerste middel aanvoert: “
- Eerste middel: Schending van de algemene rechtsbeginselen en beginselen van behoorlijk bestuur, meer bepaald de hoorplicht en de rechten van verdediging. Dat verzoeker dd. 13 maart 2000 bij de Commissaris-generaal voor de Vluchtelingen en de Staatlozen een dringend beroep indiende tegen de beslissing van weigering van verblijf hem dd. 7 maart 2000 door de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse Zaken betekend. Dat verzoeker bij de behandeling van zijn dringend beroep door de Commissaris-generaal voor de Vluchtelingen en de Staatlozen niet mondeling werd gehoord. Dat door de Commissaris-generaal voor de Vluchtelingen en Staatlozen de hoorplicht en de rechten van verdediging van verzoeker geschonden worden, wanneer hij een bevestigende beslissing van weigering van verblijf neemt ten aanzien van verzoeker zonder deze uit te nodigen voor een verhoor waarin hij zijn relaas en standpunt kan doen kennen. Dat nochtans de Raad van State van oordeel is dan (dat) tegen niemand een ernstige maatregel kan worden getroffen die steunt op zijn persoonlijk gedrag en die van aard is om zijn belangen zwaar aan te tasten zonder dat hem de gelegenheid wordt geboden om zijn standpunt op nuttige wijze te doen kennen. Dat de bevestigende beslissing tot gevolg heeft dat verzoeker België dient te verlaten. Dat niet kan ontkend worden dat door voormelde beslissing, gesteund op verzoekers XIV-4116-3/6 persoonlijke gedragingen en dito motieven, verzoekers belangen, meer zelfs verzoekers vrijheid en leven, zwaar bedreigd en/of aangetast worden. Dat ook VAN HEULE in “Vluchtelingen. Een overzicht van de wet van 6 mei 1953" meent dat gezien de bijzonderde persoonlijke aard van de (on)ontvankelijkheidsbeslissingen een mondeling interview door de Commissaris-generaal zich opdringt. Dat de Commissaris-generaal bij de behandeling van het dringend beroep moet nagaan of verzoeker naar zijn land van herkomst kan worden teruggeleid. Dat enkel in een mondeling verhoor verzoekers uitgedrukte persoonlijke vrees kan worden geëvalueerd. Dat verzoeker derhalve bij de behandeling van zijn dringend beroep door de Commissaris-generaal mondeling dient te worden geïnterviewd. Dat verzoekers rechten van verdediging geschonden werden doordat hij niet de kans kreeg tijdens een mondeling verhoor op het Commissariaat-generaal zijn relaas uiteen te zetten.”. 2.1.
- Overwegende dat de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen niet verplicht was om verzoeker mondeling te horen aangezien het dringend beroep bij de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen geen jurisdictionele maar een administratieve procedure is; dat de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen elk geval individueel beoordeelt of een verhoor dienstig en onmisbaar is voor het nemen van een beslissing; dat uit het administratief dossier blijkt dat verzoeker de mogelijkheid heeft benut om een vragenlijst van de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen in te vullen; dat het eerste middel niet gegrond is; 2.2.
- Overwegende dat verzoeker als tweede middel aanvoert: “
- Tweede middel: schending van het artikel 1,A
(2)en artikel 33 (non-refoulement- beginsel) van het Internationaal Verdrag betreffende de status van Vluchtelingen, ondertekend te Genève op 28 juli 1951; van de artikelen 52 en 62 van de Wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen en van de artikelen 2 en 3 van de Wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen. Dat de beslissing de artikelen 1, A
(2)en 33 (non-refoulementbeginsel) van het Internationaal Verdrag betreffende de status van Vluchtelingen; de artikelen 52 en 62 van de Wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen en de artikelen 2 en 3 van de Wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen schendt, wanneer deze stelt dat verzoeker geen gewag maakt van feiten of elementen van aard om te besluiten tot een gegronde vrees voor vervolging in de zin van de Vluchtelingenconventie. Dat verweerder naliet rekening te houden met het feit dat verzoeker van Albanese origine is en afkomstig is uit Kosovo. Dat verzoeker problemen kende met de Servische autoriteiten waardoor hij genoodzaakt was zijn land te ontvluchten. Dat sinds 1989 door de Servische autoriteiten een repressiecampagne ten aanzien van de etnische Albanezen in Kosovo werd gevoerd. Dat sinds maart 1999 in Kosovo de grootste humanitaire catastrofe plaatsvond sinds WOII. Dat de Joegoslavische autoriteiten in gans Kosovo een grootschalige etnische zuivering doorvoerden. Dat elke etnische Albanees, indien niet vermoord, het land werd uitgedreven. Dat evenwel het subjectieve element van verzoekers vrees voor vervolging bij een terugkeer door verweerder verwaarloosd werd. XIV-4116-4/6 Dat de «Guide des procédures et critères à appliquer pour déterminer le statut de réfugié, Genève, UNHCR, januari 1992» in tal van paragrafen (de) het subjectieve element van de vrees van de vluchteling benadrukt. Par 38: «Les mots craignant avec raison recouvrent donc à la fois un élément subjectif et un élément objectif et pour déterminer l‘existence d‘une crainte raisonnable les deux éléments doivent être pris en considération.» Par. 40: «La prise en considération de 1‘élément subjectif implique nécessairement une appréciation de la personnalité du demandeur» en par. 52.: «Le carctère subjectif de la crainte d‘être persécuté implique une appréciation des opinions et des sentiments de l‘intéressé.» Dat verzoeker angst heeft en vreest bij een terugkeer naar zijn land opnieuw wegens zijn origine het slachtoffer te worden van repressie vanwege het in de Federale Joegoslavische Republiek aan de macht blijvende regime van President Milosevic. Dat immers dient vastgesteld te worden dat de regio in geen geval als politiek stabiel kan beschouwd worden, daar in eerste instantie President Milosevic, die verantwoordelijk wordt gesteld voor de massamoorden in Kosovo, nog steeds in de Federale Joegoslavische Republiek aan de macht is en blijft. Dat een nieuwe inval van Servische troepen in Kosovo niet uitgesloten is (cfr. artikel uit “De Morgen” dd. 24.02.2000 “Navo bezorgd over Servische troepenopbouw nabij Kosovo”, stuk 2). Dat desondanks de aanwezigheid van een internationale troepenmacht het etnisch geweld in Kosovo opnieuw oplaait (cfr. artikel uit “De Morgen” dd. 14.02.2000 “Etnisch geweld laait weer op in Mitrovica” stuk 2). Dat uit het rapport van Amnesty International “Federal Republic of Yugoslavia (Kosovo). Update from the field”, dd. januari 2000 blijkt dat de toestand in Kosovo momenteel verre van optimaal te noemen is (cfr. stuk 3). Het rapport stelt in Kosovo een “disturbing increase in human rights abuses (p. 1) vast, verder “there is been little progress towards the full deployment of an international civilian police force in Kosovo” (p. 2) en “there has been a marked increase in criminalitu in Kosovo and the administration has been unable to establish a functioning judicial system” (p. 4) Dat verzoeker, gezien de onzekere politieke situatie, gezien hij er persoonlijk door de Servische autoriteiten geviseerd werd (zij schoten hem in zijn rechterbeen met een kogel) en gezien de bloedige uitroeiingsoorlog die er plaatsvond, angst heeft en vreest bij een terugkeer naar zijn land opnieuw wegens zijn origine het slachtoffer te worden van repressie vanwege het in de Federale Joegoslavische Republiek aan de macht blijvende regime van President Milosevic. Dat verweerder onvoldoende rekening hield met alle gegevens van verzoekers asielrelaas, meer bepaald met het subjectieve element van verzoekers vrees en met de feitelijke actuele toestand in Kosovo. Dat derhalve de beslissing niet afdoende gemotiveerd is en de artikelen 1, A
(2)en 33 (non-refoulementbeginsel) van het Internationaal Verdrag betreffende de status van Vluchtelingen schendt.”; 2.2.
- Overwegende dat de artikelen 1 en 33 van de Conventie van Genève geen directe werking hebben; dat de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen als determinerend motief doet gelden dat verzoeker geen elementen heeft aangehaald waaruit blijkt dat hij een gegronde vrees voor vervolging dient te koesteren bij een eventuele terugkeer naar Kosovo; dat hij daartoe de volgende elementen aanvoert: de algemene Servische repressie ten aanzien van de Albanese gemeenschap in Kosovo is niet meer actueel daar overeenkomstig resolutie 1244 aangenomen door de Veiligheidsraad van de Verenigde Naties op 10 juni 1999 de Servische troepen en Autoriteiten zich uit Kosovo hebben terug getrokken en de regio onder internationaal bestuur en toezicht werd geplaatst; in geval van moeilijkheden kan betrokkene zich wenden tot die internationale gemeenschap; dat aldus de bestreden beslissing de afdoende feitelijke en juridische overwegingen bevat die eraan ten grondslag liggen; dat verzoeker niet specifieert waarin de schending van XIV-4116-5/6 artikel 52 in de Vreemdelingenwet precies bestaat; dat verzoeker de persartikels en het vermelde rapport niet op zichzelf betrekt; dat het tweede middel, in de mate dat het ontvankelijk is, niet gegrond is, BESLUIT: Artikel
- Het beroep wordt verworpen. Artikel
- De kosten van het beroep, bepaald op 347,05 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op dertien januari tweeduizend en vijf, door : de HH. A. BEIRLAEN, kamervoorzitter, C. VERHAERT, griffier. De griffier, De voorzitter, C. VERHAERT. A. BEIRLAEN. XIV-4116-6/6 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.139.305 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div