← België

Arrest 139307 - - 13/01/2005

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 13 januari 2005 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.139.307 Rolnummer: A. 105417/XIV-4828 Zaak: Arrest 139307 - - 13/01/2005 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2005-02-15 Raadplegingen: 50 - laatst gezien 2026-07-02 06:19 Fiche Arrest nr 139.307 van 13 januari 2005 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 139.307 van 13 januari 2005 in de zaak A. 105.417/XIV-

  1. In zake : XXX, wonende te 2820 BONHEIDEN, tegen :
  2. de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen,
  3. de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de Minister van Binnenlandse Zaken. --------------------------------------------------------------------------------------------------------------- -- DE VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX, van Slowaakse nationaliteit, op 31 mei 2001 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van de beslissing van de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen van 18 mei 2001 tot bevestiging van de beslissing van de Minister van Binnenlandse Zaken van 22 november 2000 tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten; Gelet op de beschikking van 20 juni 2001 waarbij aan de verzoekende partij het voordeel van de kosteloze rechtspleging wordt verleend; Gezien de gewisselde memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door Eerste Auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST, op grond van artikel 23, van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan de partijen en gelet op het verzoek tot voortzetting teneinde te worden gehoord van de verzoekende partij; Gelet op de beschikking van 11 oktober 2004 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 22 december 2004; Gehoord het verslag van Kamervoorzitter A. BEIRLAEN; XIV-4828-1/6 Gehoord de opmerkingen van verzoekster, die persoonlijk verschijnt, van Attaché F. VEREEKEN, die verschijnt voor de eerste verwerende partij en van Advocaat E. MATTERNE, die verschijnt voor de tweede verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van Eerste Auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
  4. Over de gegevens van de zaak. Overwegende dat de gegevens van de zaak als volgt kunnen worden samengevat : 1.
  5. XXX, van Slowaakse nationaliteit, is op 4 november 2000 in België aangekomen en heeft zich vluchteling verklaard op 7 november
  6. 1.
  7. Op 22 november 2000 neemt de Minister van Binnenlandse Zaken de beslissing tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten. 1.
  8. Op 18 mei 2001 neemt de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen de beslissing tot bevestiging van de beslissing van de Minister van Binnenlandse Zaken van 22 november 2000 tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten. De motivering van deze beslissing luidt als volgt : “Betrokkene werd verhoord op 28 februari 2001 op de zetel van het Commissariaat- generaal, bijgestaan door een tolk, die de Slovaakse taal machtig is. Betrokkene, een etnische Roma zigeunerin afkomstig uit Slovakije, verklaart dat ze op 24 september 2000 in haar huis werd aangevallen. Er zouden drie á vier mannen op de deur hebben geklopt. Betrokkene verklaart dat zij de deur heeft opengedaan. Betrokkene zou hebben kunnen wegvluchten, net zoals haar moeder (G. M.en haar zoontje. Op straat zou betrokkene op de grond zijn gesmeten door één van de mannen die haar achtervolgden. Betrokkenes moeder en haar zoontje zijn verder gelopen naar het huis van een vriendin van betrokkenes moeder. Drie mannen hebben daarop betrokkene geslagen. Toen er een andere Roma-zigeuner tussenkwam hebben de mannen ook hem geslagen. Ondertussen had de vriendin van betrokkenes moeder de politie gebeld. Toen de politie aankwam zijn de aanvallers gevlucht. Later die avond zou ook het huis van betrokkene, die toen bij de vriendin van haar moeder was, in brand zijn gestoken. Hierop is de brandweer en nogmaals de politie naar huis gekomen. Betrokkene, haar moeder en haar zoontje zijn dan bij deze vriendin gebleven tot aan hun vertrek. Betrokkene is dan naar België vertrokken, waar ze op 4 november 2000 aankwam en op 7 november 2000 asiel aanvroeg. Er dient opgemerkt te worden dat betrokkenes vluchtrelaas voor het Commissariaat- generaal niet volledig overeenstemt met dat van haar moeder. Zo verklaarde betrokkene dat zij, haar moeder en haar zoontje eerst nog konden vluchten en dat zijzelf op straat op de grond werd geschopt, terwijl haar moeder kon verder lopen. Betrokkene verklaarde dat ze dan op straat werd geslagen en dat ook de andere Roma er werd geslagen (zie verhoor CGVS p 2, 3 en 4). Betrokkenes moeder verklaarde echter dat zij XIV-4828-2/6 en haar dochter in het huis geslagen werden en dat ook de andere Roma daar werd geslagen (zie verhoor G. M. CGVS p 3 en 4; CG 00/31407). Verder verklaarde betrokkene dat zij de deur opendeed bij de inval (zie verhoor CGVS p 2 en 3). Betrokkenes moeder verklaarde echter dat zij de deur had opengedaan (zie verhoor G. M. CGVS p 3). Bovendien verklaarde betrokkene dat de politie diezelfde avond tweemaal is gekomen, waarna ze nadien niet meer terug in contact zijn geweest met de politie. Volgens betrokkene is zij, samen met haar moeder, de volgende dag naar de dokter gegaan (zie verhoor CGVS p 4 en 5). Betrokkenes moeder verklaarde echter dat ze de volgende dag naar de dokter en de politie is gegaan samen met haar dochter, haar kleinzoon en de echtgenoot van haar vriendin (zie verhoor Grundzova Marta CGVS p 5). Betrokkene verklaarde bovendien dat hun huis dezelfde avond als de inval in brand werd gestoken (zie verhoor CGVS p 7), terwijl betrokkenes moeder verklaarde dat ze nu pas via een brief heeft vernomen dat haar huis is afgebrand (zie verhoor G. M. CGVS p 9). Tenslotte verklaarde betrokkene dat ze de hele tijd bij een vriendin overnacht heeft (zie verhoor CGVS p 6), in tegenstelling tot betrokkenes moeder die beweerde dat ze nadien nog verschillende malen samen met haar dochter buiten heeft moeten slapen (zie verhoor G. M. CGVS p 6). Gelet op bovenstaande vaststellingen kan er geen geloof meer gehecht worden aan betrokkenes vluchtrelaas. Uit wat voorafgaat blijkt dat de aanvraag van betrokkene bedrieglijk is. Wat er ook van zij, betrokkene heeft niet aangetoond dat de gemachtigde van de Minister zijn appreciatiebevoegdheid heeft overschreden door haar het verblijf op het grondgebied te weigeren. In elk geval, de Commissaris-generaal ontwaart geen ernstige en aantoonbare gronden die laten geloven in een risico van schending van de Conventie van Genève in geval van verwijdering van betrokkene. Bijgevolg bevestigt de Commissaris-generaal de verblijfsweigering besloten door de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse Zaken op 22 november
  9. De Commissaris-generaal meent dat de betrokken vreemdeling in de huidige omstandigheden mag worden teruggeleid naar de grens van het land dat hij ontvlucht is, en waar, volgens zijn verklaring, zijn leven, zijn fysieke integriteit of zijn vrijheid in gevaar zou verkeren.”.
  10. Over de ontvankelijkheid van het beroep. Overwegende dat in de memorie van antwoord de tweede verwerende partij stelt dat het verzoekschrift niet ontvankelijk is wegens gebrek aan een uiteenzetting van voldoende feiten; dat uit het verzoekschrift echter blijkt dat de feiten, zij het summier, worden uiteen gezet; dat de exceptie niet opgaat;
  11. Over de gegrondheid van het beroep. 3.1.
  12. Overwegende dat verzoekster als eerste middel aanvoert : “- Middel van machtsoverschrijding afgeleid uit de (de) schending van art. 62 van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen. Dat conform art. 62 van de vreemdelingenwet de administratieve beslissingen met redenen omkleed dienen te worden; Dat uit de rechtspraak van de Raad van State volgt dat het de wil van wetgever is geweest te eisen dat een individuele bestuurshandeling duidelijk, nauwkeurig en rechtsgeldig zou worden gemotiveerd; Dat geen rekening gehouden werd met al de grieven van verzoekster en hierop niet geantwoord werd; Dat hieruit zeer duidelijk blijkt dat de beslissing op onvoldoende wijze gemotiveerd is; Dat de feiten gewoon als onvoldoende zwaarwichtig beschouwd worden zonder echt rekening te houden met de problemen van verzoekster; XIV-4828-3/6 Dat voor wat betreft de tegenstrijdigheden, er rekening moet gehouden worden met de ongeschooldheid van verzoekster, die geen verbanden kan leggen en geen inzicht heeft in tijd en ruimte. Dat verschillende mensenrechtenrapporten het bestaan bevestigen van gevallen waarbij Roma-zigeuners het slachtoffer waren van gewelddadig optreden van de politie- of ordediensten of van racistische aanvallen, waarbij zij in menig geval niet konden rekenen op de autoriteiten om vervolging in te stellen tegen de verantwoordelijken van de racistische aanvallen of om bescherming te bekomen; Dat die rapporten tevens het bestaan bevestigen van discriminatie ten nadele van de Roma-zigeuners, waarbij in bepaalde situaties sprake kan zijn van een zeer ingrijpende discriminatoire behandeling.”; 3.1.2.
  13. Overwegende dat verzoekster aanvoert dat er door de Commissaris- generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen geen rekening werd gehouden met al haar grieven en dat hierop niet geantwoord werd; dat volgens verzoekster de feiten als onvoldoende zwaarwichtig worden beschouwd zonder echt rekening te houden met haar problemen; dat volgens verzoekster verschillende mensenrechtenrapporten het bestaan van discriminatie bevestigen ten nadele van Roma-zigeuners; dat verzoekster concludeert dat de bestreden beslissing onvoldoende gemotiveerd is; 3.1.2.
  14. Overwegende dat verzoeksters uiteenzetting vaag en summier is; dat verzoekster nergens met enig concreet element aangeeft hoe en in hoeverre de bestreden beslissing de motiveringsplicht schendt; dat verzoekster zich beperkt tot enkele algemene affirmaties die zij niet uitwerkt aan de hand van concrete gegevens; dat verzoekster zich beperkt tot de loutere bewering als zouden verschillende mensenrechtenrapporten het bestaan van discriminatie ten nadele van Roma-zigeuners bevestigen; dat verzoekster nergens weergeeft welke mensenrechtenrapporten het betreft; dat de vrees voor vervolging in concreto moet aangetoond worden; dat verzoekster evenmin weergeeft met welke grieven er door de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen geen rekening zouden zijn gehouden of op welke grieven niet zou zijn geantwoord; dat, gelet op het feit dat verzoekster zich beperkt tot loutere affirmaties, zij op deze wijze geen afbreuk kan doen aan de wettigheid van de bestreden beslissing; dat de bestreden beslissing is genomen in overeenstemming met de wetsbepalingen betreffende de motivering van de bestuurshandelingen, aangezien zij de feitelijke en juridische overwegingen vermeldt die eraan ten grondslag liggen; dat de motivering de beslissing kan dragen en afdoende en deugdelijk is; dat het eerste middel, indien het al ontvankelijk is, niet gegrond is; 3.2.
  15. Overwegende dat verzoekster als tweede middel aanvoert : “Middel van machtsafwending en de algemene beginselen van behoorlijk bestuur. Dat de rechtsleer van oordeel is dat de algemene beginselen van behoorlijk bestuur veronderstellen dat het Commissariaat-Generaal voor de Vluchtelingen en Staatlozen bij het uitoefenen van enige weigeringsbevoegdheid, zorgvuldig en redelijk te werk moet gaan; Deze zorgvuldigheidsplicht houdt in dat het bestuursorgaan alle rechtstreeks bij het besluit betrokken belangen moet afwegen; XIV-4828-4/6 Dat de voor een belanghebbende nadelige gevolgen van een besluit niet onevenredig mogen zijn in verhouding tot de met het besluit te dienen doelen;”; 3.2.
  16. Overwegende dat dient opgemerkt dat verzoeksters uiteenzetting wederom uiterst vaag en summier is; dat verzoekster zich beperkt tot een meer dan korte uiteenzetting van de betekenis van het zorgvuldigheids- en redelijkheidsbeginsel, zonder echter aan te geven op welke manier de bestreden beslissing deze beginselen schendt; dat het tweede middel niet ontvankelijk is; 3.3.
  17. Overwegende dat verzoekster als derde middel aanvoert : “Inbreuk op de Conventie van Genève: Het komt verzoekster voor dat zowel op grond van de omstandigheden waarvan de Commissaris-Generaal op het ogenblik van het nemen van de omstreden beslissing kennis had, als op grond van de overige omstandigheden die verzoekster thans laat gelden, tot de kennelijk en volkomen en kennelijke onredelijkheid minstens onwettigheid van de weigeringsbeslissing dient te worden besloten en dit wegens schending van de ingeroepen wetsartikelen en algemene rechtsbeginselen; Dat alle toepassingsvoorwaarden van art. 1 van het Verdrag van Genève vervuld zijn; Dat er een subjectieve vrees in hoofde van verzoekster aanwezig is voor haar leven en haar fysieke integriteit in het land van herkomst;”; 3.3.
  18. Overwegende dat artikel 1 van de Conventie van Genève geen directe werking heeft; dat het derde middel niet ontvankelijk is, BESLUIT: Artikel
  19. Het beroep wordt verworpen. Artikel
  20. De kosten van het beroep, bepaald op 173, 53 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. XIV-4828-5/6 Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op dertien januari tweeduizend en vijf, door : de HH. A. BEIRLAEN, kamervoorzitter, C. VERHAERT, griffier. De griffier, De voorzitter, C. VERHAERT. A. BEIRLAEN. XIV-4828-6/6 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.139.307 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.