← België

Arrest 139348 - - 14/01/2005

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 14 januari 2005 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.139.348 Rolnummer: A. 136783/XIV-15152 Zaak: Arrest 139348 - - 14/01/2005 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2005-02-04 Raadplegingen: 51 - laatst gezien 2026-07-02 06:21 Fiche Arrest nr 139.348 van 14 januari 2005 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 139.348 van 14 januari 2005 in de zaak A. 136.783/XIV-15.

  1. In zake : XXX, die woonplaats kiest bij advocaat T. SOETAERT en M. KIWAKANA, kantoor houdende te 1082 BRUSSEL, Selliers de Moranvillelaan 84 tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door : de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen. -------------------------------------------------------------------------------------------------------------- --- DE Wnd. VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX, van Afghaanse nationaliteit, op 24 april 2003 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van de beslissing van de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen van 21 maart 2003 tot bevestiging van de beslissing van de minister van Binnenlandse Zaken van 24 februari 2003 tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten, aan de verzoekende partij ter kennis gebracht op 25 maart 2003; Gezien het verzoekschrift dat de verzoekende partij op dezelfde dag heeft ingediend om de schorsing van de tenuitvoerlegging te vorderen van dezelfde beslissing; Gelet op de beschikking van 22 mei 2003 waarbij aan de verzoekende partij het voordeel van de kosteloze rechtspleging wordt verleend; Gelet op artikel 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; Gezien het verslag opgemaakt door eerste auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST, op grond van artikel 26 van voormeld koninklijk besluit; Gelet op de beschikking van 22 december 2003 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 4 februari 2004; XIV-15.152-1/6 Gehoord het verslag van staatsraad C. ADAMS; Gehoord de opmerkingen van advocaat T. SOETAERT en M. KIWAKANA, die verschijnen voor de verzoekende partij en van attaché V. HOEFNAGELS, die verschijnt voor de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
  2. Overwegende dat de verzoekende partij België binnenkomt op 12 januari 2003 en zich vluchteling verklaart op 13 januari 2003; dat op 24 februari 2003 de minister van Binnenlandse Zaken beslist tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten; dat op 21 maart 2003 de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen deze beslissing bevestigt; dat dit de thans bestreden beslissing is, die als volgt is gemotiveerd: “A. Vluchtrelaas U verklaart de Afghaanse nationaliteit te bezitten en van origine Pashtu te zijn. U beweert afkomstig te zijn uit Palwata, district Mihtariam, provincie Laghman. U verklaart dat uw vader door een onbekende is vermoord toen u tien jaar oud was. U hebt zich daarop samen met uw familie gevestigd in Mardan Skandaria, Peshawar in Pakistan. U bent samen met hen in september 2002 opnieuw naar uw geboortedorp verhuisd. Na twee maanden verblijf bent u samen met uw broer door vijf onbekende gewapende mannen thuis opgepakt. Ze hebben u per minibus overgebracht naar een gebouw nabij een berg op 30 minuten rijden. U werd er drie dagen opgesloten in een kamer samen met 20 personen. Niemand van hen wist waarom ze precies gearresteerd waren. Het was u ook niet duidelijk wie de gewapende mannen waren. Na drie dagen is er een gevangene door de bewakers doodgeschoten. Daarop hebben verschillende gevangenen geprobeerd twee bewakers die de kamer binnenkwamen te overmeesteren. Van de verwarring hebben u en verschillende anderen gebruik gemaakt om te vluchten. De bewakers hebben op jullie geschoten. Uw broer is daarbij in het achterhoofd geraakt en overleden. U hebt onmiddellijk besloten Afghanistan te verlaten en hebt op 25 november 2002 de grens met Pakistan overgestoken. Via Karachi bent u per vliegtuig naar Europa gereisd en hebt op 12 januari 2003 in België asiel aangevraagd. B. Motivering Aan uw identiteit en nationaliteit kan echter geen geloof worden gehecht: niet alleen beschikt u over geen enkel identiteitsdocument, ook uw verklaringen doen sterk twijfelen aan uw beweerde Afghaanse nationaliteit. De informatie waarop het commissariaat-generaal zich beroept, is bij het administratief dossier gevoegd. Zo blijkt uw kennis wat betreft uw geografische omgeving, ondermaats. U stelt dat uw geboortedorp Palwata op 20 minuten te voet ligt van de districthoofdplaats Mihtariam. Tussen beiden in liggen de dorpen Qasadan, Wardak en Ziared (gehoorverslag CGVS, p 7). Palwata, Qasadan en Ziared bevinden zich echter niet op de nochtans eer gedetailleerde AIMS-kaart van Afhanistan. U stelt dat u vanuit Palwatta het dorp Maskura kunt zien liggen aan de overzijde van de Alishang-rivier (gehoorverslag CGVS, p 7-8). In werkelijkheid ligt het betreffende dorp zo’n tien kilometer stroomopwaarts in noordwestelijke richting (AIMS-kaart, sheet P142-48). Gevraagd naar de buurprovincies van Laghman antwoordt u Kabul en Jalalabad (gehoorverslag CGVS, p 8). Op de vraag van welke provincie Jalalabad de hoofdstad is blijkt u het antwoord schuldig. Vermits u er herhaaldelijk door heen zou zijn gereisd is het merkwaardig dat u de naam Nangarhar niet kent. U vermeldt de andere buurprovincies Kunar en Kapisa niet (Times World Atlas, p 31). XIV-15.152-2/6 U bent noch vertrouwd met de Afghaanse maanden, noch met de seizoenen. U weet immers niet in welke Afghaanse maand u Afghanistan verlaten hebt. U weet niet welke Afghaanse maand overeen komt met de huidige maand (gehoorverslag CGVS, p 4). U situeert het Afghaanse nieuwjaar, Newroz, op drie weken van de datum van het interview (18 maart 2003; gehoorverslag CGVS, p 11). De datum van het Afghaanse nieuwjaar is 21 maart. U weet de Afhaanse seizoenen op te sommen maar op de vraag in welk seizoen we momenteel zijn blijft u het antwoord schuldig. U weet ook niet in welk seizoen u uit Afghanistan bent vertrokken (gehoorverslag CGVS, p 4-5). U weet niet wie de huidige gouverneur is van uw thuisprovincie Laghman. Gevraagd naar Abdul Rachid Dostum antwoordt u dat het een militair commandant is, maar u weet verder geen gegevens over hem te verstrekken (gehoorverslag CGVS, p 8). Het betreft de belangrijkste krijgsheer van de Oezbeken, een aanzienlijke etnische groep in Afganistan. U weet niet wie Younes Khales is, de leider van de in oost-Afghaanistan zeer invloedrijke Hizb-i- Islami partij (gehoorverslag CGVS, p 10). U kent Haji Abdul Qadir niet (gehoorverslag CGVS, ) 8), een van de belangrijkste krijgsheren van uw buurprovincie Nangarhar en tot tweemaal toe gouverneur van deze provincie. Tot zijn gewelddadige dood in juli 2002 was hij vice-president van Afghanistan. U zegt het onderscheid tussen Durrani en Ghilzai niet te kennen (gehoorverslag CGVS, p 10). Het betreft hier nochtans de twee belangrijkste etnische groepen binnen de Afghaanse Pashtu, een bevolkingsgroep waar u zegt toe te behoren. Bovenvermelde lacunes in de essentiële basiskennis van het land waaruit u beweert afkomstig te zijn, stellen uw relaas in een bedrieglijk daglicht en maken dat er geen geloof kan gehecht worden aan uw beweerde Afghaanse nationaliteit. Deze conclusie wordt nog versterkt door het feit dat u geen enkel document voorlegt die uw verhaal of identiteit kan staven. Voorts dient aangestipt dat er zich een opvallende tegenstrijdigheid voordoet in uw verklaringen tegenover de dienst Vreemdelingenzaken en die tegenover het commissariaat- generaal. U hebt voor de dienst Vreemdelingenzaken verklaart dat bij uw ontsnappingspoging uw broer weliswaar gewond is geraakt maar toch nog met u mee naar huis is gevlucht (gehoorverslag DVZ, p 12). Op het commissariaat-generaal stelt u daarentegen dat uw broer tijdens de uitbraakpoging geraakt is door een kogel in het achterhoofd en vrijwel op slag is gedood (gehoorverslag CGVS, p 14). C. Conclusie Op basis van de elementen uit uw dossier, bevestig ik de beslissing van de gemachtigde van de minister van Binnenlandse Zaken waarbij u het verblijf op het grondgebied werd geweigerd. Steunend op artikel 52 van de vreemdelingenwet meen ik dat uw asielaanvraag bedrieglijk is. Ik meen bovendien dat u in de huidige omstandigheden mag worden teruggeleid naar de grens van het land dat u ontvlucht bent, en waar volgens uw verklaring, uw leven, uw fysieke integriteit of uw vrijheid in gevaar zou verkeren. Behoudens een andere beslissing van de minister van Binnenlandse Zaken of zijn gemachtigde dient u binnen de 5 dag(en), ingaand op de datum van de kennisgeving van deze beslissing het grondgebied te verlaten (koninklijk besluit van 19/05/1993; artikel 17, par. 2, al. 2).”; 2.1.
  3. Overwegende dat de verzoekende partij in een eerste middel de schending opwerpt van artikel 52, § 2, 2/, van de wet 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen (Vreemdelingenwet) en van artikel 1, A, 2), van het Internationaal verdrag betreffende de status van vluchtelingen, ondertekend te Genève op 28 juli 1951 (Vluchtelingenconventie); dat de verzoekende partij betoogt dat de wetgever in de ontvankelijkheidsfase enkel vereist dat een asielrelaas coherent is, dat de commissaris- generaal zich heeft vergist door te poneren dat haar asielaanvraag bedrieglijk is en dat er wel degelijk aanwijzingen zijn van een gegronde vrees voor vervolging; 2.1.
  4. Overwegende dat de artikelen 63 en 63/3 juncto 52 van de Vreemdelingenwet de commissaris-generaal de mogelijkheid bieden om een bevestigende beslissing te nemen inzake de onontvankelijkheid van een asielaanvraag op basis van de XIV-15.152-3/6 bedrieglijkheid of de kennelijke ongegrondheid ervan; dat een onderzoek in de ontvankelijkheidsfase door de commissaris-generaal, waarbij wordt besloten tot de bedrieglijkheid en/of de kennelijke ongegrondheid van een asielaanvraag ondermeer een toetsing inhoudt van de verklaringen van de betrokkene aan de beschikbare objectieve informatie, en een vergelijking tussen zijn opeenvolgende verklaringen bij de onderscheiden asielinstanties; dat daarbij dient te worden onderzocht of er redelijkerwijze van uit mag worden gegaan dat de feiten die de asielaanvrager naar voren brengt tijdens zijn asielaanvraag, waarachtig zijn en beantwoorden aan de criteria van de Vluchtelingenconventie; dat indien uit dit onderzoek blijkt dat de verstrekte gegevens niet waarachtig zijn of niet redelijkerwijze onder de criteria van de Vluchtelingenconventie zijn te brengen, kan worden besloten tot de kennelijke ongegrondheid van de asielaanvraag; Overwegende dat in casu de commissaris-generaal een ernstige tegenstrijdigheid in de verklaringen van de verzoekende partij en lacunes in de essentiële basiskennis van het land van herkomst van de verzoekende partij vaststelt en daaruit besluit dat haar asielaanvraag ongeloofwaardig is; dat met een dergelijk besluit de commissaris- generaal enkel vaststelt dat de asielaanvraag van de verzoekende partij niet verder onderzocht dient te worden; dat de verzoekende partij de vastgestelde tegenstrijdigheid niet weerlegt, doch zich beperkt tot de bevestiging van haar eigen standpunt dat zij wel vrees koestert om te worden vervolgd in de zin van de Vluchtelingenconventie; dat de verzoekende partij aldus niet aannemelijk maakt dat de commissaris-generaal een onderzoek naar de gegrondheid heeft verricht; dat het eerste middel ongegrond is; 2.2.
  5. Overwegende dat de verzoekende partij in een tweede middel de schending opwerpt van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen, van het algemeen beginsel van behoorlijk bestuur, inzonderheid de zorgvuldigheidsplicht en de rechten van de verdediging, en van het beginsel van tegensprekelijke procedure; dat de verzoekende partij een theoretische uiteenzetting geeft van het begrip “Justice naturelle”, zoals omschreven door het Canadese Hooggerechtshof, dat de Belgische wetgever in de ontvankelijkheidsfase enkel vereist dat een asielrelaas coherent is, dat de elementen waarnaar de bestreden beslissing verwijst ongegrond en gering te schatten zijn, dat de commissaris-generaal zich heeft vergist door te poneren dat haar asielaanvraag bedrieglijk is omdat zij geen identiteitsdocumenten bij zich had, dat de commissaris-generaal uit het oog heeft verloren dat zij op 10-jarige leeftijd Afghanistan had verlaten, zodat het niet abnormaal is dat haar geografische, politieke en culturele kennis van dat land te wensen overlaat, dat haar verklaringen op het commissariaat-generaal aangaande de incidenten rond de ontsnappingspoging echt zijn en dat de kwestieuze tegenstrijdigheid berust op een kennelijk misverstand tijdens het verhoor op de dienst Vreemdelingenzaken, gelet op de summiere aard van de verhoren aldaar; XIV-15.152-4/6 2.2.
  6. Overwegende, wat de aangevoerde schending van de rechten van verdediging betreft, dat de bestreden beslissing geen jurisdictionele, doch een administratieve beslissing is, die niet genomen is in het kader van een tuchtrechtelijke procedure; dat de rechten van verdediging er daarom niet op van toepassing zijn; dat het tweede middel in die mate onontvankelijk is; Overwegende dat de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen vereist dat de rechtsonderhorige in de hem aanbelangende beslissing kan lezen op welke gronden die beslissing is gesteund, zodat hij met kennis van zaken kan oordelen of het zinvol is gebruik te maken van de rechtsmiddelen waarover hij in rechte beschikt; dat die gronden op eenvoudige wijze in de bestreden beslissing kunnen worden gelezen, namelijk de ernstige twijfels over de identiteit en nationaliteit van de verzoekende partij, afgeleid uit de lacunes in de essentiële basiskennis van haar beweerde land van herkomst en de opvallende tegenstrijdigheid betreffende het incident bij de ontsnappingspoging van haar broer; dat daarmee aan de voornaamste vereiste van de formele motiveringsplicht is voldaan en dat het tweede middel in die mate ongegrond is; Overwegende, in de mate dat de verzoekende partij de schending van de materiële motiveringsplicht aanvoert, dat het bij de beoordeling van de materiële motiveringsplicht niet tot de bevoegdheid van de Raad van State behoort zijn beoordeling van de gegrondheid van het dringend beroep in de plaats te stellen van die van de administratieve overheid; dat de Raad van State in de uitoefening van zijn wettelijk toezicht enkel bevoegd is na te gaan of deze overheid bij de beoordeling van het dringend beroep is uitgegaan van de juiste feitelijke gegevens, of zij die correct heeft beoordeeld en of zij op grond daarvan niet in onredelijkheid tot haar besluit is kunnen komen; Overwegende dat de verzoekende partij niet op concrete wijze weerlegt dat de lacunes in de essentiële basiskennis van het land waaruit zij beweert afkomstig te zijn, haar asielrelaas in een bedrieglijk daglicht stellen en ervoor zorgen dat er geen geloof kan worden gehecht aan haar beweerde nationaliteit; dat het feit dat de verzoekende partij lange tijd afwezig was uit haar geboorteland, haar redelijkerwijze niet kan beletten een aantal vragen correct te beantwoorden, zoals deze over haar bevolkingsgroep, de Afghaanse Pashtu; dat voorts de verzoekende partij voor het eerst bij de Raad van State aanvoert dat er een vertalingsprobleem was tijdens haar verhoor op de dienst Vreemdelingenzaken, terwijl zij eerder in de asielprocedure, waar zij bijstand heeft gekregen van een tolk die de Pashtu-taal machtig was, de mogelijkheid heeft gekregen om daarover opmerkingen te formuleren; dat zij derhalve niet aannemelijk maakt dat de commissaris-generaal de bestreden beslissing op grond van onjuiste feitelijke gegevens, op kennelijk onredelijke of onzorgvuldige wijze of met overschrijding van de ruime appreciatiebevoegdheid, die hem door de artikelen 63 en 63/3 juncto 52 van de XIV-15.152-5/6 Vreemdelingenwet is gegeven, heeft genomen; dat het tweede middel ook in die mate ongegrond is;
  7. Overwegende dat de verzoekende partij geen gegrond middel tot nietigverklaring heeft aangevoerd; dat er derhalve grond is om toepassing te maken van artikel 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; dat de vordering tot schorsing, als accessorium van de nietigverklaring, derhalve samen met het beroep tot nietigverklaring wordt verworpen, BESLUIT: Artikel
  8. De vordering tot schorsing en het beroep tot nietigverklaring worden verworpen. Artikel
  9. De kosten van het beroep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op veertien januari tweeduizend en vijf, door : de HH. C. ADAMS, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, M. MILOJKOWIC, griffier. De griffier, De voorzitter, M. MILOJKOWIC. C. ADAMS. XIV-15.152-6/6 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.139.348 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.