← België

Arrest 139350 - - 14/01/2005

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 14 januari 2005 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.139.350 Rolnummer: A. 126941/XIV-11761 Zaak: Arrest 139350 - - 14/01/2005 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2005-02-04 Raadplegingen: 51 - laatst gezien 2026-07-02 06:21 Fiche Arrest nr 139.350 van 14 januari 2005 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 139.350 van 14 januari 2005 in de zaak A. 126.941/XIV-11.

  1. In zake : XXX, die woonplaats kiest bij advocaat S. POTIER, kantoor houdende te 4020 LUIK, Rue du Parc 79 tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door : de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen. -------------------------------------------------------------------------------------------------------------- --- DE Wnd. VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX, van Joegoslavische nationaliteit, op 18 september 2002 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van de beslissing van de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen van 19 augustus 2002 tot bevestiging van de beslissing van de minister van Binnenlandse Zaken van 2 augustus 2000 tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten, aan de verzoekende partij ter kennis gebracht op 19 augustus 2002; Gezien het verzoekschrift dat de verzoekende partij op dezelfde dag heeft ingediend om de schorsing van de tenuitvoerlegging te vorderen van dezelfde beslissing; Gelet op de beschikking van 24 september 2002 waarbij aan de verzoekende partij het voordeel van de kosteloze rechtspleging wordt verleend; Gelet op artikel 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; Gezien het verslag opgemaakt door eerste auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST, op grond van artikel 26 van voormeld koninklijk besluit; Gelet op de beschikking van 22 april 2004 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 9 juni 2004; XIV-11.761-1/4 Gehoord het verslag van staatsraad C. ADAMS; Gehoord de opmerkingen van advocaat T. SOETE, die loco advocaat S. POTIER verschijnt voor de verzoekende partij en van attaché G. DESNYDER, die verschijnt voor de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
  2. Overwegende dat de verzoekende partij België binnenkomt op 6 februari 2000 en zich vluchteling verklaart op 7 februari 2000; dat op 2 augustus 2000 de minister van Binnenlandse Zaken beslist tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten; dat op 19 augustus 2002 de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen deze beslissing bevestigt; dat dit de thans bestreden beslissing is, die als volgt is gemotiveerd: “Volgens uw verklaringen zou u een etnisch Albanese zijn afkomstig uit Kosovo, meer bepaald uit Mitrovica. Tijdens de oorlog in Kosovo zou uw echtgenoot verdwenen zijn. Op 6 mei 1999 zou u omwille van de oorlog Mitrovica hebben verlaten en zou u samen met uw zoon Agron (ov 4.920.534) naar Prishtina zijn gevlucht. Daar zou u samen 3 à 4 dagen hebben verbleven bij uw schoonbroer. Vervolgens zou u samen met uw zoon en uw neef XXX (ov 4.920.518), die u in Prishtina zou zijn tegengekomen, te voet naar Macedonië zijn getrokken. Daar zou u gedurende zes maanden bij een Albanees hebben gelogeerd. Omdat u in Macedonië niemand kende, vluchtte u via Albanië naar België. U kwam België binnen op 6 februari 2000 en u diende hier op 7 februari 2000 een asielaanvraag in. U wil niet naar Kosovo terugkeren omwille van een gebrek aan werk en voedsel. Er dient te worden gewezen op een aantal tegenstrijdigheden tussen uw verklaringen afgelegd in dringend beroep en deze aldaar afgelegd door uw zoon XXX (ov 4.920.534) en door uw neef XXX (ov 4.820.518). Zo verklaarden zowel uw zoon als uw neef dat jullie zes maanden in Prishtina verbleven na jullie vlucht uit Mitrovica (verhoorverslag CGVS, p 3 en 4), terwijl u beweerde dat jullie slechts 3 à 4 dagen in Prishtina verbleven (verhoorverslag CGVS, p 7). Verder beweerde u dat u in Macedonië verbleef bij een Albanees en dat jullie er geen tent of andere humanitaire hulp ontvingen (verhoorverslag CGVS, p 7). Uw neef beweerde echter dat jullie in Macedonië leefden in een tentenkamp en dat jullie er waren ingeschreven als vluchteling (verhoorverslag CGVS, p 5). Gelet op bovenstaande vaststellingen kan geen geloof gehecht worden aan uw vluchtrelaas. Wat er ook van zij u hebt geen feiten of elementen aangebracht waaruit blijkt dat u momenteel bij een eventuele terugkeer naar Kosovo nog het risico loopt op een vervolging in de zin van de Vluchtelingenconventie. Op het moment dat u Macedonië verliet was de toestand in Kosovo immers reeds grondig gewijzigd. Overeenkomstig resolutie 1244 aangenomen door de Veiligheidsraad van de Verenigde Naties op 10 juni 1999 hebben de Servische troepen en autoriteiten zich in juni 1999 namelijk uit Kosovo teruggetrokken en werd de regio onder internationaal toezicht en bestuur geplaatst. Het door u aangehaalde gebrek aan werk en voedsel in Kosovo is een probleem van socio-economische aard dat als dusdanig niet onder het toepassingsgebied van de Vluchtelingenconventie ressorteert.”; 2.
  3. Overwegende dat de verzoekende partij in een enig middel de schending opwerpt van artikel 62 van de wet 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen XIV-11.761-2/4 (Vreemdelingenwet) en van de artikelen 1, 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen; dat de verzoekende partij aanvoert dat de vastgestelde tegenstrijdigheden niet van aard zijn om de coherentie van haar asielrelaas aan te tasten, dat uit haar verklaringen blijkt dat haar leven in gevaar is en dat haar vrees om in Kosovo te worden vervolgd objectief is, dat haar echtgenoot is omgekomen tijdens de oorlog, dat haar zoon zich tegen de rebellen keerde en dat zij daardoor vreest voor represailles, dat, ondanks de actuele gunstige evolutie in Kosovo, de politie nog steeds hardhandig optreedt tegen de burgers en dat haar asielaanvraag daarom onder het toepassingsgebied valt van het Internationaal Verdrag betreffende de status van vluchtelingen, ondertekend te Genève op 28 juli 1951; 2.
  4. Overwegende dat de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen en artikel 62 van de Vreemdelingenwet betrekking hebben op de formele motiveringsplicht; dat uit het middel blijkt dat de verzoekende partij de motieven van de bestreden beslissing kent en die motieven inhoudelijk aanvecht; dat zij in wezen de schending van de materiële motiveringsplicht opwerpt en dat het middel enkel vanuit dit standpunt wordt onderzocht; dat het bij de beoordeling van de materiële motivering niet tot de bevoegdheid van de Raad van State behoort zijn beoordeling van de gegrondheid van het dringend beroep in de plaats te stellen van die van de administratieve overheid; dat de Raad van State in de uitoefening van zijn wettelijk toezicht enkel bevoegd is na te gaan of deze overheid bij de beoordeling van het dringend beroep is uitgegaan van de juiste feitelijke gegevens, of zij die correct heeft beoordeeld en of zij op grond daarvan niet in onredelijkheid tot haar besluit is kunnen komen; Overwegende dat de verzoekende partij de door de commissaris- generaal vastgestelde tegenstrijdigheden tussen haar eigen verklaringen op de dienst Vreemdelingenzaken en deze aldaar afgelegd door haar zoon XXX en haar neef XXX betreffende de duur van haar verblijf in Prishthina en de omstandigheden van haar verblijf in Macedonië, niet weerlegt, doch op algemene wijze betoogt dat deze tegenstrijdigheden niet van die aard zijn om de geloofwaardigheid van haar asielrelaas aan te tasten; dat de verzoekende partij met een algemene verwijzing naar minder gezaghebbende bronnen a posteriori niet aantoont dat de commissaris-generaal op het ogenblik dat hij de eerste bestreden beslissing nam, op kennelijk onredelijke wijze of op grond van onjuiste feitelijke gegevens tot zijn vaststelling van de actuele toestand in Kosovo kon komen op grond van resolutie 1244 van de Veiligheidsraad van de Verenigde Naties; dat de verzoekende partij de vaststelling van de commissaris-generaal, dat het door haar aangehaalde gebrek aan werk en voedsel in Kosovo een probleem is van socio-economische aard, niet weerlegt, noch betwist; dat de verzoekende partij aldus niet aantoont dat de bestreden beslissing is genomen op grond van onjuiste feitelijke gegevens, op kennelijk onredelijke wijze of met overschrijding van de ruime appreciatiebevoegdheid die door de artikelen 63 en 63/3 juncto XIV-11.761-3/4 52 van de Vreemdelingenwet aan de commissaris-generaal is gegeven; dat het enige middel ongegrond is;
  5. Overwegende dat de verzoekende partij geen gegrond middel tot nietigverklaring heeft aangevoerd; dat er derhalve grond is om toepassing te maken van artikel 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; dat de vordering tot schorsing, als accessorium van de nietigverklaring, derhalve samen met het beroep tot nietigverklaring wordt verworpen, BESLUIT: Artikel
  6. De vordering tot schorsing en het beroep tot nietigverklaring worden verworpen. Artikel
  7. De kosten van het beroep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op veertien januari tweeduizend en vijf, door : de HH. C. ADAMS, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, M. MILOJKOWIC, griffier. De griffier, De voorzitter, M. MILOJKOWIC. C. ADAMS. XIV-11.761-4/4 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.139.350 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.