id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 14 januari 2005 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.139.354 Rolnummer: A. 131182/XIV-13232 Zaak: Arrest 139354 - - 14/01/2005 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2005-02-04 Raadplegingen: 54 - laatst gezien 2026-07-02 06:21 Fiche Arrest nr 139.354 van 14 januari 2005 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 139.354 van 14 januari 2005 in de zaak A. 131.182/XIV-13.
- In zake : XXX die woonplaats kiest bij advocaat N. DIRICKX, kantoor houdende te 2000 ANTWERPEN, Italiëlei 213, bus 15 tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door : de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen. -------------------------------------------------------------------------------------------------------------- -- DE Wnd. VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX, van Iraanse nationaliteit, op 27 december 2002 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van de beslissing van de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen van 28 november 2002 tot bevestiging van de beslissing van de minister van Binnenlandse Zaken van 26 september 2002 tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten; Gezien het verzoekschrift dat de verzoekende partij op dezelfde dag heeft ingediend om de schorsing van de tenuitvoerlegging te vorderen van dezelfde beslissing; Gelet op de beschikking van 13 januari 2003 waarbij aan de verzoekende partij het voordeel van de kosteloze rechtspleging wordt verleend; Gelet op artikel 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; Gezien het verslag opgemaakt door eerste auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST, op grond van artikel 26 van voormeld koninklijk besluit; Gelet op de beschikking van 19 juli 2004 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 10 november 2004; Gehoord het verslag van staatsraad C. ADAMS; XIV-13.232-1/4 Gehoord de opmerkingen van advocaat N. DIRICKX, die verschijnt voor de verzoekende partij en van attaché E. SCHOUTEN, die verschijnt voor de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen. Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
- Overwegende dat de verzoekende partij België binnenkomt op 9 september 2002 en zich vluchteling verklaart op 10 september 2002; dat op 26 september 2002 de minister van Binnenlandse Zaken beslist tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten; dat op 28 november 2002 de commissaris- generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen deze beslissing bevestigt; dat dit de thans bestreden beslissing is: “U, die verklaart de Iraanse nationaliteit te bezitten, zou afkomstig zijn van Teheran. U bent minderjarig. Uw vader, K. A., zou politiek actief zijn. Hij zou meermaals zijn gearresteerd door de autoriteiten. In de eerste maand van 1380 (Perzische kalender, kom maart-april 2001 Gregoriaanse kalender) zouden uw ouders zijn opgepakt door de Nirou-ye Entezami. Na twee dagen zou uw moeder zijn vrijgelaten. Agenten van de autoriteiten zouden nog geregeld huiszoekingen hebben verricht. In de zevende maand van 1380 (september-oktober 2001) zouden u en uw moeder thuis zijn opgepakt en naar een onbekende locatie zijn gebracht. Daar zou u van uw moeder zijn gescheiden. Terwijl u hem kon zien, zou u zijn ondervraagd over uw vader. U zou geslagen zijn. De volgende dag zouden u en uw moeder zijn vrijgelaten. De autoriteiten zouden hun huiszoekingen op geregelde tijdstippen hebben voortgezet. Daarbij zouden ze vragen hebben gesteld over uw vader, u hebben geslagen en u documenten hebben laten tekenen waarvan u de inhoud niet kende. Ongeveer een maand nadat u zelf was opgepakt, zou u tijdens zo’n huiszoeking door een agent tegen een aquarium zijn geduwd. U en uw moeder zouden ook onder controle hebben gestaan van de autoriteiten. Enkele maanden voor uw effectieve vertrek uit Iran zou uw moeder hebben beslist dat u Iran moest verlaten. Begin zesde maand 1381 (eind augustus 2002) zou u Iran op illegale wijze hebben verlaten. Op 9 september 2002 zou u in België zijn aangekomen en op 10 september 2002 heeft u hier asiel aangevraagd. Er dient te worden opgemerkt dat u onvoldoende ernstige elementen aanbrengt om gewag te maken van een gegronde vrees voor vervolging in de zin van de Conventie van Genève. Uw vluchtmotieven zouden zijn gebaseerd op het vermoedelijke politiek activisme van uw vader. Ten eerste blijkt uit informatie waarover het commissariaat-generaal beschikt en waarvan een kopie bij het administratief dossier is gevoegd, dat familiale antecedenten niet noodzakelijk aanleiding geven tot een gegronde vrees voor vervolging. U bent zelf niet politiek actief en zou geen persoonlijke problemen hebben met de Iraanse autoriteiten (CG, p 9). U geeft onvoldoende zwaarwichtige aanwijzingen om gewag te maken van een persoonsgerichte vervolging. U zou weliswaar één maal zelf zijn opgepakt voor ondervraging en om uw vader, die zelf reeds is gearresteerd, onder druk te zetten (CG, p 18). Ook de huiszoekingen en controle waar u en uw moeder aan onderworpen zouden zijn, waren niet tegen u persoonlijk gericht. De autoriteiten zouden op zoek zijn geweest naar bewijzen tegen uw vader (CG, p 21). Bovendien moet worden opgemerkt dat u zeer vaag blijft over het activisme van uw vader. U weet niet of hij tot een partij behoorde of wat zijn activiteiten waren. U kan ook niet zeggen wat uw vaders politieke opvattingen waren, behalve, algemeen, dat hij tegen het regime van de mollahs was en dat er geen vrijheid is (CG, p 13-14). Wat dit betreft slaagt u er allerminst in voldoende gegevens aan te brengen die zouden kunnen wijzen op een gegronde vrees voor vervolging omwille van dit activisme. Verder dient te worden vastgesteld dat u nog lange tijd in Iran hebt verbleven vooraleer te vluchten. De huiszoekingen zouden al sinds de arrestatie van uw vader in de eerste maand van 1380 (maart-april 2001) aan de gang zijn. Uw eigen arrestatie zou dateren van de zevende maand van 1380 (september-oktober 2001). Pas op 2 of 3/6/1381 (24 of 25 augustus 2002), bijna een jaar later, zou u Iran hebben verlaten. Het feit dat u nog zo’n lange tijd in Iran bent XIV-13.232-2/4 gebleven wijst op een gebrek aan vrees voor persoonlijke vervolging door de Iraanse autoriteiten. Tot slot zijn de documenten die u voorlegt ter ondersteuning van uw asielaanvraag niet van die aard dat ze bovenstaande appreciatie van uw dossier wijzigen. Deze documenten zijn uw boekje burgerlijks stand en een medisch attest (België) over littekens aan uw linkerarm die als dusdanig niets toevoegen aan uw asielrelaas. Bijgevolg is uw asielaanvraag niet ontvankelijk.”; 2.
- Overwegende dat de verzoekende partij een enig middel aanvoert dat luidt als volgt: “Enig middel: schending van artikel 62, 1ste lid van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen, schending van de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen. Artikel 62, 1ste lid van de Vreemdelingenwet schrijft voor dat de administratieve beslissingen met redenen omkleed worden. De wet van 29 juli 1991 schrijft voor dat de overheid op straffe van onwettigheid van de beslissing in de akte die de beslissing zelf bevat ook de motivering voor deze beslissing meot openen. Deze motivering moet bestaan uit de juridische en feitelijke overwegingen die aan de beslissing ten grondslag liggen. Aan de motiveringsplicht is in casu niet voldaan. ‘... U, die verklaart de Iraanse nationaliteit te bezitten, zou afkomstig zijn uit Teheran... De bestreden beslissing maakt melding van het boekje van burgerlijke stand van verzoeker en wijst dit af als zijnde niet van die aard om de appreciatie van het dossier te wijzigen. Zou verzoeker geen identiteitsdocumenten hebben voorgelegd zou de motivering vermeld hebben dat verzoeker zijn identiteit niet kan staven met de nodige documenten. In casu staaft verzoeker zijn identiteit en nationaliteit wel en kan her niet zonder meer aan worden voorbijgegaan. ... U geeft onvoldoende zwaarwichtige aanwijzingen om gewag te maken van een persoonsgerichte vervolging. U zou weliswaar één maal zelf zijn opgepakt voor ondervraging ... Verzoeker benadrukt dat het een algemene praktijk is in Iran om de hele familie lastig te vallen en te vervolgen indien een familielid een probleem stelt voor de overheid. Dat minderjarige verzoeker nochtans opgepakt is en geslagen (littekens op arm zijn dan ook een begin van bewijs), voortdurend werd gevolgd, zijn leven werd gecontroleerd, op school werd gevolgd - daar vermeld de commissaris niets van in de beslissing - huiszoekingen werden gedaan op geregelde tijdstippen tot drie maal toe per week, documenten heeft moeten tekenen zonder de inhoud ervan te kennen, werd bedreigd met de dood als hij zou spreken over de huiszoekingen, zou worden vermoord omdat hij de zoon is van een tegenstander van het regime, telefoongesprekken werden gecontroleerd enz. Dat verzoeker niet zelf politiek actief was, is dan ook meer dan aannemelijk gezien zijn zeer jonge leeftijd en dat kan hem dan ook niet worden verweten. Al deze punten wijzen volgens verzoeker toch op een persoonsgerichte vervolging. Dat dit punt nader dient te worden onderzocht. De motivering moet afdoende zijn dit wil zeggen draagkrachtig en deugdelijk. Vage, duistere of niet ter zake dienende uitleg, onduidelijke, onnauwkeurige, ongeldige of niet plausibele motivering, stereotiepe, geijkte of gestandaardiseerde motiveringen zijn niet afdoende (Van Heule D. Vluchtelingen: een overzicht na de wet van 6 mei 1993, Gent, Mys & Breesch, 1993, 78).”; 2.
- Overwegende dat de door de verzoekende partij aangehaalde bepalingen betrekking hebben op de formele motiveringsplicht; dat uit het middel blijkt dat de verzoekende partij de motieven, waarop de bestreden beslissing is gesteund, kent en deze motieven inhoudelijk aanvecht; dat zij in wezen de schending van de materiële motiveringsplicht opwerpt en dat het middel enkel vanuit dit standpunt wordt onderzocht; Overwegende, vooreerst, dat de commissaris-generaal overweegt dat de documenten die de verzoekende partij heeft neergelegd “niet van aard zijn dat ze bovenstaande appreciatie van uw dossier wijzigen”; dat de verzoekende partij nalaat uiteen te zetten waarom deze vaststelling de onregelmatigheid van de bestreden beslissing met XIV-13.232-3/4 zich zou brengen; dat, voorts, de verzoekende partij met een loutere herhaling van verklaringen die zij reeds in het kader van de administratieve asielprocedure heeft afgelegd niet aannemelijk maakt dat de commissaris-generaal de bestreden beslissing op grond van onjuiste feitelijke gegevens of op kennelijk onredelijke wijze heeft genomen; dat het enige middel ongegrond is;
- Overwegende dat de verzoekende partij geen gegrond middel tot nietigverklaring heeft aangevoerd; dat er derhalve grond is om toepassing te maken van artikel 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; dat de vordering tot schorsing, als accessorium van de nietigverklaring, derhalve samen met het beroep tot nietigverklaring wordt verworpen, BESLUIT: Artikel
- De vordering tot schorsing en het beroep tot nietigverklaring worden verworpen. Artikel
- De kosten van het beroep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op veertien januari tweeduizend en vijf, door: de HH. C. ADAMS, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, M. MILOJKOWIC, griffier. De griffier, De voorzitter, M. MILOJKOWIC. C. ADAMS. XIV-13.232-4/4 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.139.354 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.