← België

Arrest 139357 - - 14/01/2005

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 14 januari 2005 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.139.357 Rolnummer: A. 128711/XIV-12369 Zaak: Arrest 139357 - - 14/01/2005 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2005-02-04 Raadplegingen: 53 - laatst gezien 2026-07-02 06:21 Fiche Arrest nr 139.357 van 14 januari 2005 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 139.357 van 14 januari 2005 in de zaak A. 128.711/XIV-12.

  1. In zake : XXX, die woonplaats kiest bij advocaat N. BOGAERTS, kantoor houdende te 2018 ANTWERPEN Sanderusstraat 25 tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door : de minister van Binnenlandse Zaken, ---------------------------------------------------------------------------------------------------------- ----- DE Wnd. VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX, van Mauritaanse nationaliteit, op 23 oktober 2002 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen de beslissing van 19 september 2002 van de minister van Binnenlandse Zaken waarbij de aanvraag om machtiging tot verblijf met toepassing van artikel 9, derde lid, van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen onontvankelijk wordt verklaard, met bevel om het grondgebied te verlaten, aan de verzoekende partij ter kennis gebracht op 11 oktober 2002; Gezien het verzoekschrift dat de verzoekende partij op dezelfde dag heeft ingediend om de schorsing van de tenuitvoerlegging te vorderen van dezelfde beslissing; Gelet op de beschikking van 18 november 2002 waarbij aan de verzoekende partij het voordeel van de kosteloze rechtspleging wordt verleend; Gelet op artikel 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; Gezien het verslag opgemaakt door eerste auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST, op grond van artikel 26 van voormeld koninklijk besluit; XIV-12.369-1/5 Gelet op de beschikking van 19 juli 2004 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 10 november 2004; Gehoord het verslag van staatsraad C. ADAMS; Gehoord de opmerkingen van advocaat N. BOGAERTS, die verschijnt voor de verzoekende partij en van advocaat C. DECORDIER, die loco advocaat E. MATTERNE verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
  2. Overwegende dat de verzoekende partij op 8 juli 2002 een aanvraag om machtiging tot verblijf indient op grond van artikel 9, derde lid, van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen (Vreemdelingenwet); dat op 19 september 2002 de minister van Binnenlandse Zaken de aanvraag onontvankelijk verklaard; dat dit de thans bestreden beslissing is, die luidt als volgt: “In toepassing van art. 9, alinea 3, van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen, deel ik u mede dat dit verzoek onontvankelijk is. Reden(en) Er werden geen uitzonderlijke omstandigheden aangehaald waarom betrokkene de aanvraag om machtiging tot verblijf niet kan indienen via de gewone procedure namelijk via de diplomatieke of consultaire post bevoegd voor de verblijfplaats of de plaats van oponthoud in het buitenland. Het feit dat betrokkene drie jaar in België verblijft, een bijzondere band heeft met België, zeer lovende verklaringen krijgt van verschillende werkgevers, in eigen onderhoud voorziet, al het nodige doet om zijn werk te houden, een opleiding volgde bij de VDAB en al het nodige doet om de Nederalndse taal volledig machtig te worden, is op zich niet uitzonderlijk en verantwoordt niet dat de aanvraag op grond van art. 9 van de wet van 1980 in België wordt ingediend. Betrokkene wist dat zijn verblijf slechts voorlopig werd toegestaan in het kader van de asielprocedure en dat hij bij een negatieve beslissing het land zou dienen te verlaten. De duur van de procedure (2 jaar en 9 maanden) was ook niet van die aard dat ze als onredelijk lang kan beschouwd worden. Wat betreft het in de aanvraag aangehaalde argument dat betrokkene een weigering van erkenning kreeg van het commissariaat-generaal voor vluchtelingen en staatlozen omdat de uitnodiging om zich aan te melden op deze dienst naar het verkeerde adres zou gestuurd zijn en hij hier dus niet op ingegaan is, dient opgemerkt te worden dat dit niet als motief kan gebruikt worden om een aanvraag tot regularisatie in te dienen op grond van art 9.3 van de wet van
  3. Een aanvraag tot regularisatie op grond van art. 9.3 kan immers niet gebruikt worden als beroepsmogelikheid op de asielprocedure. De Raad van State is verantwoordelijk voor de behandeling van een dergelijke beroep tegen de bevestigende negatieve beslissing van de Vaste Beroepscommissie en betrokkene diende reeds op 29.07.2002 een dergelijk ‘verzoekschrift tot nietigverklaring’ in bij de Raad van State. Tot slot hebben de problemen in zijn land reeds het voorwerp uitgemaakt van een diepgaand onderzoek in het kader van de asielaanvraag. Deze aanvraag werd afgewezen, hoger genoemde problemen kunnen derhalve niet meer worden aanvaard als buitengewone XIV-12.369-2/5 omstandigheden om de aanvraag in toepassing van art. 9 van de wet in België in te dienen.”; 2.
  4. Overwegende dat de verzoekende partij een enig middel aanvoert dat luidt als volgt: “Dat de minister van Binnenlandse Zaken, de heer Antoine Ducquesne, tot de beslissing komt dat verzoeker geen uitzonderlijke omstandigheden aanhaalt om de regularisatieaanvraag in België in te dienen. Verblijf in België sinds 13 september 1999 Verzoeker levert het bewijs van ononderbroken in België te zijn verbleven vanaf zijn aankomst dd 13 september. Uit de verklaringen van vrienden, voormalige werkgevers, collega’s en vele anderen blijkt overduidelijk dat verzoeker hier op een duurzame wijze geïntegreerd is. Verzoeker heeft ook steeds zijn verblijfplaats in Antwerpen gehad. Verzoeker is de Nederlandse taal volop aan het leren, doch begrijpt de taal al. Uit de talrijke verklaringen blijkt duidelijk dat verzoeker een gans sociaal netwerk heeft uitgebouwd. Het bewijs van dit sociaal netwerk kan worden aangetoond door de éénduidige en bewijskrachtige stukken van zowel allochtone als autochtone landgenoten. Het ministerie aanvaardt deze duurzame integratie in onze maatschappij. De onmogelijkheid om terug te keren De negatieve beslissing is dan ook gesteund op het feit dat verzoeker geen uitzonderlijke omstandigheden aanhaalt of bewijst. Verzoeker legt het bewijs voor dat hij nog steeds gezocht wordt in zijn land van herkomst, Mauretanië, dat de mensenrechten schaadt. Het is bijgevolg onmogelijk voor verzoeker om, zonder gevaar voor zijn veiligheid, naar zijn land van herkomst terug te keren en aldaar de nodige documenten aan te vragen. Verzoeker vreest terecht voor zijn veiligheid zodat er wel degelijk uitzonderlijke omstandigheden worden aangehaald. Uit de voorgelegde stukken blijkt dat verzoeker nog steeds gezocht wordt voor opruiïng en indien ze hem kunnen arresteren zal dit ook gebeuren. Dat verzoeker bovendien een voldoende duidelijke argumentatie naar voor brengt waaruit de duurzame sociale bindingen, humanitaire redenen en uitzonderlijke omstandigheden blijken zoals in het Regularisatiewet, op basis waarvan de regularisatieaanvraag van verzoeker positief had dienen bevonden te worden. Dat het middel ernstig is. Dat het middel gegrond is.”; 2.
  5. Overwegende dat artikel 9, tweede lid, van de Vreemdelingenwet als algemene regel bepaalt dat een machtiging om langer dan drie maanden in het Rijk te verblijven door een vreemdeling moet worden aangevraagd bij de Belgische diplomatieke of consulaire post die bevoegd is voor zijn verblijfplaats of zijn plaats van oponthoud in het buitenland; dat luidens het derde lid van deze bepaling, in buitengewone omstandigheden het hem evenwel wordt toegestaan die aanvraag te richten tot de burgemeester van zijn verblijfplaats in België; dat hieruit volgt dat enkel wanneer er buitengewone omstandigheden voorhanden zijn om het niet afhalen van de machtiging bij de Belgische diplomatieke of consulaire vertegenwoordigers in het buitenland te rechtvaardigen, de verblijfsmachtiging in België kan worden aangevraagd; dat deze buitengewone omstandigheden niet mogen worden verward met de argumenten ten gronde die worden ingeroepen om een verblijfsmachtiging te bekomen; dat de toepassing van artikel 9, derde lid, met andere woorden een dubbel onderzoek inhoudt : XIV-12.369-3/5 - wat de regelmatigheid of de ontvankelijkheid van de aanvraag betreft : of er buitengewone omstandigheden worden ingeroepen om het niet aanvragen van de machtiging in het buitenland te rechtvaardigen en, zo ja, of deze aanvaardbaar zijn; dat, indien dergelijke buitengewone omstandigheden niet voorhanden blijken te zijn, de aanvraag tot het bekomen van een verblijfsmachtiging niet in aanmerking kan worden genomen; - wat de gegrondheid van de aanvraag betreft : of er reden is om de vreemdeling te machtigen langer dan drie maanden in het Rijk te verblijven; dat de bevoegde minister daaromtrent over een ruime appreciatiebevoegdheid beschikt; Overwegende dat de verzoekende partij in haar aanvraag als buitengewone omstandigheden aanvoert dat zij problemen heeft in haar land van herkomst, dat zij geïntegreerd is en werkt in België en dat zij Nederlandse taallessen volgt; dat de verzoekende partij met een loutere herhaling van haar standpunt niet aannemelijk maakt dat de minister van Binnenlandse Zaken zijn ruime appreciatiebevoegdheid heeft overschreden; dat uit de bestreden beslissing blijkt dat de minister van Binnenlandse Zaken deze elementen heeft onderzocht en op afdoende wijze motiveert waarom deze niet als buitengewone omstandigheden worden aanvaard; dat het enige middel ongegrond is;
  6. Overwegende dat de verzoekende partij geen gegrond middel tot nietigverklaring heeft aangevoerd; dat er derhalve grond is om toepassing te maken van artikel 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; dat de vordering tot schorsing, als accessorium van de nietigverklaring, derhalve samen met het beroep tot nietigverklaring wordt verworpen, BESLUIT: Artikel
  7. De vordering tot schorsing en het beroep tot nietigverklaring worden verworpen. Artikel
  8. De kosten van het beroep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. XIV-12.369-4/5 Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op veertien januari tweeduizend en vijf, door : de HH. C. ADAMS, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, M. MILOJKOWIC, griffier. De griffier, De voorzitter, M. MILOJKOWIC. C. ADAMS. XIV-12.369-5/5 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.139.357 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.