id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 14 januari 2005 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.139.376 Rolnummer: A. 159064/XIV-21550 Zaak: Arrest 139376 - - 14/01/2005 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2005-01-18 Raadplegingen: 55 - laatst gezien 2026-07-02 06:22 Fiche Arrest nr 139.376 van 14 januari 2005 - Beslissing : Verwerping Verwerping voorlopige maatregelen Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE nr. 139.376 van 14 januari 2005 in de zaak A. 159.064/XIV-21.
- In zake : XXX, die woonplaats kiest bij Advocaat A. NAVASARTIAN, kantoor houdende te 1030 BRUSSEL, Jenatzystraat 13 tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de Minister van Binnenlandse Zaken. ----------------------------------------------------------------------------------------------------------- DE Wnd. VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX, geboren op 26 december 1954 en van XXX nationaliteit, op 11 januari 2005 per fax heeft ingediend om bij uiterst dringende noodzakelijkheid de schorsing van de tenuitvoerlegging te vorderen van het bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten, met beslissing tot terugleiding naar de grens en beslissing tot vrijheidsberoving te dien einde van de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse Zaken van 6 januari 2005, aan de verzoekende partij ter kennis gebracht op dezelfde datum; Gezien het verzoekschrift ingediend op dezelfde datum dat strekt tot het bekomen van dringende en voorlopige maatregelen; Gelet op de beschikking van 12 januari 2005 waarbij aan de verzoekende partij het voordeel van de kosteloze rechtspleging wordt verleend; Gelet op de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, inzonderheid op de artikelen 17 en 18; Gelet op artikel 8 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; Gezien de nota van de verwerende partij; Gelet op de beschikking van 11 januari 2005 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op woensdag 12 januari 2005 om 15.00 uur; XIV-21.550-1/7 Gehoord het verslag van Staatsraad D. MOONS; Gehoord de opmerkingen van Advocaat A. NAVASARTIAN, die verschijnt voor de verzoekende partij, en van Advocaat E. MATTERNE, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van Eerste Auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
- Overwegende dat krachtens artikel 17, §§ 1 en 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State slechts tot schorsing van de tenuitvoerlegging bij uiterst dringende noodzakelijkheid kan worden besloten onder de drievoudige voorwaarde dat een uiterst dringende noodzakelijkheid voorhanden is, dat ernstige middelen worden aangevoerd die de vernietiging van de aangevochten akte of verordening kunnen verantwoorden en dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de bestreden akte of verordening een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen; 1.
- Overwegende dat, wat de eerste voorwaarde van voormeld artikel 17, §§ 1 en 2, betreft, uit het rechtsplegingsdossier blijkt dat verzoeker op 11 januari 2005 per fax een verzoekschrift bij uiterst dringende noodzakelijkheid indient tegen voornoemde bestreden beslissing van 6 januari 2005; dat hij bijgevolg alert en diligent heeft gehandeld; Overwegende dat uit de debatten blijkt dat de repatriëring van verzoeker is voorzien op 26 januari 2005 om 13.30 uur; dat uit voornoemde consideransen volgt dat is voldaan aan de eerste cumulatieve voorwaarde van voornoemd artikel 17, §§ 1 en 2; 1.
- Overwegende dat, wat de tweede voorwaarde van voormeld artikel 17, §§ 1 en 2, betreft, verzoeker een enig middel afleidt uit de “schending van de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende (de) uitdrukkelijke motivering van de bestuursbeslissingen (-handelingen)”; dat hij daaraan toevoegt dat het redelijkheidsbeginsel werd geschonden en dat de verwerende partij zich schuldig maakt aan machtsafwending; dat hij tenslotte aanvoert dat artikel 3 van het E.V.R.M. werd geschonden; XIV-21.550-2/7 1.2.
- Overwegende dat het bestreden bevel steunt op de volgende motieven: “1/ (verzoeker) verblijft in het Rijk zonder houder te zijn van de vereiste documenten; de betrokkene is niet in het bezit van een paspoort voorzien van een geldig visum [schending van artikel 7, alinea 1, 1/, van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen (Vreemdelingenwet)]; 2/ (verzoeker) beschikt niet over voldoende middelen van bestaan voor de terugreis naar het land van oorsprong (...) en is niet in staat die middelen wettelijk te verwerven (schending van artikel 7, alinea 1, 6/, van de Vreemdelingenwet); 3/ de terugleiding van verzoeker naar de grens is noodzakelijk, omdat hij “met zijn middelen niet wettelijk kan vertrekken” en omdat hij niet beschikt over de nodige financiële middelen om zich een reisticket aan te schaffen (schending van artikel 7, alinea 2 van voornoemde wet)”; Overwegende dat uit de lezing van het verzoekschrift blijkt dat verzoeker de schending van de materiële motiveringsplicht aanvoert, zodat het middel vanuit dit oogpunt wordt onderzocht; Overwegende dat uit stukken nummer 53 en 63 van het administratief dossier blijkt dat verzoeker op 12 oktober 1998 België binnenkomt zonder identiteitsdocumenten of paspoort; dat bijgevolg op het eerste gezicht, het eerste motief van het bestreden bevel pertinent, deugdelijk en draagkrachtig is; dat hetzelfde geldt voor het tweede motief van voornoemd bevel, aangezien verzoeker niet aantoont dat hij beschikt over voldoende bestaansmiddelen om de terugreis naar zijn land van herkomst te betalen en niet in staat is die middelen wettelijk te verwerven; dat het derde motief in verband met de terugleiding op het eerste gezicht pertinent, deugdelijk en draagkrachtig is; 1.2.
- Overwegende dat verzoeker op het eerste gezicht niet aantoont waarom en hoe de bestreden beslissing het redelijkheidsbeginsel schendt; dat dit onderdeel van het enig middel bijgevolg onontvankelijk is; dat minstens vaststaat dat dit onderdeel niet tot de schorsing van de bestreden beslissing bij uiterst dringende noodzakelijkheid kan leiden omdat punt b van het verzoekschrift uitgaat van onjuiste premissen, wat blijkt uit punt 1.2.
- en punt 1.2.
- van huidig arrest; 1.2.
- Overwegende dat hetzelfde geldt als sub 1.2.2., wat de aangevoerde machtsafwending betreft; XIV-21.550-3/7 1.2.
- Overwegende dat verzoeker tenslotte aanvoert dat het bestreden bevel artikel 3 van het E.V.R.M. schendt; Overwegende dat uit het administratief dossier blijkt dat verzoeker alle mogelijkheden die de Vreemdelingenwet biedt, heeft uitgeput; dat tevens blijkt dat de uitleveringsprocedure wettig is, wat werd vastgesteld door de bevoegde instanties die behoren tot de rechterlijke macht; 1.2.
- Overwegende dat verzoeker ten onrechte stelt dat de Raadkamer van de Rechtbank van Eerste Aanleg van Mechelen, en in beroep de Kamer Van Inbeschuldigingstelling van het Hof van Beroep te Antwerpen beslissen dat de uitlevering niet opportuun is; Overwegende dat verzoeker in zijn land van herkomst XXX, met name in E., ervan verdacht wordt de volgende misdrijven te hebben gepleegd: “valsheid in geschriften, gebruik van valse stukken, oplichting, fraude en verduistering van goederen”; dat vermits verzoeker zich op Belgisch grondgebied bevindt, Interpol E. op grond van een bestaand aanhoudingsmandaat afgeleverd op 2 november 1998 door de XXX autoriteiten, een verzoek tot rechtshulp richt naar de Belgische Autoriteiten; dat met het oog op een eventuele uitlevering de geadieerde Onderzoeksrechter te Mechelen op 2 december 2004 een bevel tot voorlopige aanhouding met het oog op uitlevering aflevert; dat dit de wettige titel is van de voorlopige aanhouding van verzoeker die wordt overgebracht naar het huis van arrest te Mechelen; dat uit de debatten niet blijkt dat verzoeker ernstig betwist dat hij ervan verdacht wordt voornoemde misdrijven te hebben gepleegd; Overwegende dat op 20 december 2004 verzoeker een verzoekschrift tot voorwaardelijke invrijheidstelling indient bij de Raadkamer van de Rechtbank van Eerste Aanleg te Mechelen; Overwegende dat de beschikking van voornoemde Raadkamer van 24 december 2004 die verzoeker in vrijheid stelt, steunt op de volgende overwegingen: “Overwegende dat blijkt uit de mondelinge debatten dat verzoeker op 2 december 2004 aangehouden is, althans van zijn vrijheid beroofd, daarover bestaat geen betwisting; Dat in het dossier nergens enig document of bewijs van vrijheidsberoving terug te vinden is; Dat ook conform artikel 16.4 van het Europees uitleveringsverdrag dd. 13 december 1957 binnen een termijn van 18 dagen na het begin van de aanhouding het uitleveringsverzoek en de in art. 12 genoemde stukken, dienen aanwezig te zijn bij gebreke waaraan de voorlopige aanhouding kan worden beëindigd. Dat nergens enig spoor van voornoemd uitleveringsverzoek aanwezig is; Dat het document ‘Red notice Interpol’ niet als dergelijk document kan beschouwd worden. Dat aldus bij gebreke aan alle noodzakelijke stukken - binnen de vereiste termijn - ter verificatie van de rechtbank - verzoeker dient vrijgelaten te worden; Gelet op de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken en gelet op artikel 16.4 van het Europees uitleveringsverdrag dd. 13 december 1957; XIV-21.550-4/7 (...).”; Overwegende dat uit de motieven van de beschikking van de Raadkamer blijkt dat zij enkel oordeelt over de al dan niet handhaving van de vrijheidsberovende maatregel bevolen door de bevoegde Onderzoeksrechter op 2 december 2004; dat zij hiertoe de exacte rechtsgronden aanhaalt; dat verzoeker ten onrechte aanvoert dat het Parket en de Onderzoeksrechter niet hebben gemeld aan de asielinstanties dat de XXX autoriteiten een uitleveringsverzoek indienden bij de Belgische autoriteiten; dat het uitsluitend aan verzoeker toekomt om de eventuele incidenties van de uitleveringsprocedure op de asielprocedure uit te leggen en toe te lichten; Overwegende dat bij arrest van 6 januari 2005 van de Kamer Van Inbeschuldigingstelling (K.I.) van het Hof van Beroep te Antwerpen voornoemde beschikking van de Raadkamer wordt bevestigd; Overwegende dat overeenkomstig artikel 16.
- van het Europees Verdrag van 13 december 1957 betreffende de uitlevering “de invrijheidstelling geen beletsel vormt voor een nieuwe aanhouding en voor uitlevering indien het uitleveringsverzoek alsnog wordt ontvangen.”; dat bijgevolg noch de Raadkamer noch de K.I. oordelen over de opportuniteit van de uitlevering, zoals verzoeker ten onrechte beweert; Overwegende dat uit het administratief dossier en uit de debatten blijkt dat verzoeker in zijn land van herkomst verdacht wordt voornoemde misdrijven te hebben gepleegd; dat het gaat om gemeenrechtelijke misdrijven die op het eerste gezicht niets te maken hebben met het Verdrag van Genève van 28 juli 1951 betreffende de status van vluchtelingen; dat dit op pertinente wijze wordt verwoord in de beslissing van de tweede kamer van de Franse Vaste Beroepscommissie van 15 juni 2004, waarin ondermeer werd onderzocht of artikel 3 van het E.V.R.M. al dan niet werd geschonden door de beslissing van de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen van 19 mei 2003; dat verzoeker deze schending aanvoert in punt c van zijn verzoekschrift ingediend bij uiterst dringende noodzakelijkheid; dat de tweede kamer van de Vaste Beroepscommissie in dit verband het volgende overweegt: “Qu'il convient dès lors uniquement d'apprécier si le requérant peut faire valoir des raisons de craindre de ne pas disposer d'un procès équitable ou de risquer une sanction disproportionnée pour l'un des motifs visés par la Convention de Genève; Qu'à cet égard, il y a lieu de rappeler que XXX a ratifié la Convention européenne de sauvegarde des droits de l'Homme et des libertés fondamentales le 26 avril 2002; que cette ratification implique notamment que ce pays a mis en place un système judiciaire garantissant aux justiciables le droit à un procès équitable devant un tribunal impartial et indépendant et que les personnes qui estiment avoir été privées de ce droit disposent d'une voie de recours auprès de la Cour européenne des droits de d'Homme; Que le requérant n'avance aucun argument susceptible de convaincre qu'il ne disposerait pas de la possibilité de faire valoir ses droits, pour autant qu'ils soient lésés, dans ce cadre juridique; XIV-21.550-5/7 Considérant que les craintes du requérant ne ressortissent pas au champ d'application de la Convention de Genève, dès lors que s'il craint des poursuites judiciaires, il n'établit nullement que celles-ci constitueraient dans son cas une persécution;” Overwegende dat bijgevolg artikel 3 van het E.V.R.M. op het eerste gezicht niet wordt geschonden; dat het enig middel niet ernstig is en dat niet is voldaan aan de tweede cumulatieve voorwaarde van voornoemd artikel 17 §§ 1 en 2; 1.
- Overwegende dat, wat de derde voorwaarde van voormeld artikel 17, §§ 1 e n 2, betreft, verzoeker het volgende aanvoert: “Verzoeker verblijft in de gevangenis met het oog om gedeporteerd te worden naar zijn land van herkomst. Uit de elementen van het dossier blijkt dat de verzoeker wordt gezocht door de XXX autoriteiten en dat hij bij zijn terugkeer in de gevangenis zal belanden. Dit is ontegensprekelijk een moeilijk te herstellen en ernstig nadeel.” Overwegende dat uit het administratief dossier, dat bestaat uit 213 stukken, blijkt dat verzoeker op de vlucht is geslagen om te ontsnappen aan eventuele of mogelijke gemeenrechtelijke vervolgingen in zijn land van herkomst en zich aldus onttrekt aan de gerechtelijke autoriteiten van XXX; dat het nadeel dat hij aanvoert bijgevolg niet voortvloeit uit het thans bestreden bevel, maar uit de omstandigheid dat verzoeker zelf heeft beslist om zich te onttrekken aan het normaal procesverloop in zijn land van herkomst; dat verzoeker gezocht wordt door de XXX autoriteiten, is aan zijn eigen toedoen te wijten en is vreemd aan de thans bestreden beslissing; dat een eventuele opsluiting van verzoeker in zijn land van herkomst op grond van strafrechtelijke feiten geen moeilijk te herstellen ernstig nadeel uitmaakt, omdat er in principe een eigen gedraging van verzoeker aan ten grondslag ligt; dat bijgevolg niet is voldaan aan de derde cumulatieve voorwaarde van voormeld artikel 17 §§ 1 en 2;
- Overwegende dat, gelet op wat voorafgaat, de vordering tot het bekomen van dringende en voorlopige maatregelen zonder voorwerp is, XIV-21.550-6/7 BESLUIT: Artikel
- De vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid wordt verworpen. Artikel
- De vordering tot het bekomen van dringende en voorlopige maatregelen wordt zonder voorwerp verklaard. Artikel
- De kosten van het beroep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. Aldus te Brussel, na beraad, uitgesproken in openbare terechtzitting, op veertien januari tweeduizend en vijf, door : de H. D. MOONS, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, Mevr. R. VAN DEN EECKHOUT, toegevoegd griffier. De griffier, De voorzitter, R. VAN DEN EECKHOUT. D. MOONS. XIV-21.550-7/7 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.139.376 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.