id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 17 januari 2005 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.139.382 Rolnummer: A. 71703/IX-2512 Zaak: Arrest 139382 - - 17/01/2005 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2005-01-31 Raadplegingen: 56 - laatst gezien 2026-07-02 06:22 Fiche Arrest nr 139.382 van 17 januari 2005 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 139.382 van 17 januari 2005 in de zaak A. 71.703/IX-
- In zake : Didier DESCHAUWER, die woonplaats kiest bij advocaat M. FORGES, kantoor houdende te BRUSSEL, Vossendreef 4/29 tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de minister van Binnenlandse Zaken, die woonplaats kiest bij de Federale Politie DGP/DPS, gevestigd te BRUSSEL, Fritz Toussaintstraat
- --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, IXe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat Didier DESCHAUWER op 21 oktober 1996 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van de beslissing van 19 augustus 1996 van de commandant van de Algemene Reserve van de rijkswacht waarbij hem de tuchtstraf van inhouding van bezoldiging ten belope van acht prestatie-uren wordt opgelegd; Gelet op het arrest nr. 95.629 van 21 mei 2001 waarbij de debatten worden heropend en aan het Arbitragehof de volgende vraag wordt gesteld : "Schendt artikel 24/25 van de wet van 27 december 1973 betreffende het statuut van het personeel van het actief kader van het operationeel korps van de rijkswacht niet de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in de mate dat het bepaalt dat de tuchtstraf van de inhouding van de wedde 'in eerste en laatste aanleg' wordt opgelegd terwijl alle andere ambtenaren, zoals de leden van het rijkspersoneel, de gemeenteambtenaren en inzonderheid de leden van de Krijgsmacht op grond van de op hen toepasselijke reglementering de mogelijk- heid hebben om administratief beroep in te stellen tegen een tuchtstraf die hen IX-2511-1/7 wordt opgelegd of tegen een voorstel van tuchtstraf dat tegen hen wordt geformuleerd;" Gelet op het arrest nr. 66/2002 van 28 maart 2002 van het Arbitragehof; Gezien het bijkomend verslag opgemaakt door eerste auditeur R. AERTGEERTS; Gelet op de beschikking van 10 september 2003 die de neerleg- ging ter griffie van het bijkomend verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen en gezien de regelmatig gewisselde laatste memories; Gelet op de beschikking van 2 december 2004 waarbij de terecht- zitting bepaald wordt op 10 januari 2005; Gehoord het verslag van staatsraad A. VANDENDRIESSCHE; Gehoord de opmerkingen van adviseur E. VAN ROSSEM, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur-afdelings- hoofd R. AERTGEERTS; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
- Overwegende dat de gegevens van de zaak samengevat zijn in het arrest nr. 95.629 van 21 mei 2001; IX-2511-2/7 1.
- Overwegende dat de Raad van State in het kader van het onderzoek van het eerste onderdeel van het eerste middel aan het Arbitragehof een prejudiciële vraag gesteld heeft betreffende de schending van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet door artikel 24/25 van de wet van 27 december 1973 betreffende het statuut van het personeel van het operationeel korps van de rijkswacht, in de mate dat die bepaling met betrekking tot de aan verzoeker opgelegde tuchtstraf in geen beroepsmogelijkheid voorziet; dat het Arbitragehof in zijn arrest nr. 66/2002 van 28 maart 2002 besloten heeft dat artikel 24/25, in zoverre het bepaalt dat de tuchtstraf van inhouding van wedde in eerste en laatste aanleg wordt opgelegd, de artikelen 10 en 11 van de Grondwet niet schendt; dat, voortbouwend op de in het arrest nr. 95.629 gemaakte overwegingen, thans besloten wordt dat ook het eerste onderdeel van het eerste middel niet gegrond is; 2.
- Overwegende dat verzoeker in het derde middel de schending aanvoert van het zorgvuldigheidsbeginsel, van de artikelen 10, 11 en 149 van de Grondwet en van de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen; dat hij betoogt dat er enkel een tuchtprocedure opgestart is tegen verzoeker en één collega, dat hij die discriminatie in het vervolgingsbeleid meerdere malen tijdens de administratieve procedure heeft aangekaart maar dat de onderzoeksraad daar niet op geantwoord heeft; dat hij van oordeel is dat de onderzoeksraad, als quasi-jurisdictioneel orgaan, artikel 149 van de Grondwet moest naleven terwijl hij geen antwoord gekregen heeft op zijn standpunten en conclusies die hij voor de onderzoeksraad heeft ingenomen, dat de “summiere motivering bij verwijzing” die in het bestreden besluit opgenomen is de beslissing niet wettig kan maken en dat hij het recht heeft te weten welke instanties in zijn tuchtzaak zijn tussengekomen en op welke wijze het vervolgings- beleid wordt gevoerd; 2.
- Overwegende dat de verwerende partij daarop antwoordt dat verzoeker zich niet tegelijkertijd kan beroepen op de schending van artikel 149 van de Grondwet -toepasselijk op rechtscolleges- en van de formele motiveringswet -toepasselijk op organen van actief bestuur-, dat bij de bespreking van het eerste IX-2511-3/7 middel aangetoond is dat het gelijkheidsbeginsel niet geschonden is en dat er van discriminatie in het vervolgingsbeleid geen sprake is aangezien op basis van de videobeelden niet uitgemaakt is kunnen worden welke andere rijkswachters bij het incident betrokken waren, terwijl verzoeker steeds geweigerd heeft terzake nadere inlichtingen aan het bestuur te verstrekken; dat zij besluit dat verzoeker niet aantoont dat er in dit geval een onzorgvuldige feitenvinding is gebeurd in de mate dat hij de feiten niet ontkent en die feiten door de onderzoeksraad ook voor bewezen gehouden zijn; 2.
- Overwegende dat verzoeker in zijn memorie van wederantwoord repliceert dat hij zich naar de wijsheid van de Raad van State gedraagt ten aanzien van de vraag of de motiveringsverplichting waartoe de onderzoeksraad gehouden is nu steunt op artikel 149 van de Grondwet of op de formele motiveringswet, dat de verwerende partij niet aannemelijk maakt waarom hij een mogelijke derde zou moeten aanklagen teneinde aldus tot een eenduidig vervolgingsbeleid te komen en dat hij de ten laste gelegde feiten niet erkend heeft; 2.
- Overwegende dat het middel opgebouwd is rond de door verzoeker gemaakte vaststelling dat de tuchtvervolging beperkt is geworden tot hemzelf en één collega, terwijl nog andere rijkswachters bij de feiten betrokken waren; dat hij van oordeel is dat daarmee het grondwettelijk gelijkheidsbeginsel geschonden is en dat de verwerende partij -de onderzoeksraad en de commandant van de Algemene Reserve- niet genoegzaam geantwoord heeft op de opmerkingen die hij bij herhaling terzake heeft gemaakt tijdens het verloop van de administratieve procedure; 2.4.
- Overwegende dat het grondwettelijk gelijkheidsbeginsel als zodanig geen toepassing vindt in tuchtzaken; dat immers de ambtenaren van een dienst, wanneer het om tuchtaangelegenheden gaat, zich tegenover elkaar in een andere verhouding bevinden dan het geval is voor bijvoorbeeld benoemingen, waarbij zij als concurrenten met betrekking tot één te treffen beslissing voor het bestuur verschijnen; dat wanneer vastgesteld wordt dat het bestuur terecht aan een IX-2511-4/7 ambtenaar een tuchtstraf opgelegd heeft, dat terecht blijft, ook al worden andere ambtenaren anders behandeld en al lijkt die andere behandeling eerder ten onrechte; Overwegende dat, aangezien uit de ontstentenis van tucht- vervolging tegen andere rijkswachters die bij de feiten betrokken waren niet afgeleid mag worden dat de bestreden beslissing onregelmatig is, verzoeker niet relevant kan verwijzen naar de omstandigheid dat het bestuur hem nooit heeft uiteengezet op welke wijze de tuchtvervolging die enkel tegen hemzelf en één collega is opgezet kadert in het tuchtvorderingsbeleid van de verwerende partij; dat immers de enige vraag is of verzoeker een tuchtfout heeft begaan en hoe die moet worden bestraft; 2.4.
- Overwegende dat artikel 149 van de Grondwet van toepassing is op jurisdictionele beslissingen; dat de tuchtstrafbeslissing die aan verzoeker opgelegd is geen jurisdictioneel karakter heeft; dat ook de onderzoeksraad, wiens opdracht erin bestaat de tuchtoverheid te adviseren, geen beslissingen neemt met een jurisdictioneel karakter; dat verzoeker ten onrechte de schending aanvoert van artikel 149 van de Grondwet; 2.4.
- Overwegende dat verzoeker de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen geschonden acht doordat hij geen antwoord gekregen heeft op de argumenten die hij in de loop van de tucht- procedure tegen de verschillende behandeling van hemzelf en een aantal collega’s naar voren heeft gebracht, terwijl ook de summiere motivering bij verwijzing niet van aard is om de bestreden beslissing te onderbouwen; Overwegende dat de formele motiveringsverplichting, ingesteld door de wet van 29 juli 1991, niet inhoudt dat het bestuur elk argument dat hem wordt voorgelegd beantwoordt; dat, om te voldoen aan de bepalingen van die wet, de beslissingen enkel de redenen moet vermelden die het bestuur tot het bestreden besluit hebben gebracht; dat de betrokkene in die motieven dan de reden vindt waarom zijn argumenten niet werden aanvaard; dat voorts wordt aanvaard dat de formele motivering van een besluit blijkt uit de verwijzing naar een advies waarbij IX-2511-5/7 de beslissingnemende overheid zich aansluit, voor zover het stuk waarnaar verwezen wordt ter kennis van de bestuurde is, dat dit stuk zelf gemotiveerd is en het bestreden besluit kan schragen, zonder dat het tegengesproken wordt door andere stukken van het dossier dat bij de overheid voorligt; Overwegende dat het bestreden besluit vermeldt dat de comman- dant van de Algemene Reserve zich aansluit bij het advies van de onderzoeksraad; dat dit advies ter kennis gebracht is op 20 augustus 1996; dat het terdege gemoti- veerd is; dat, om de sub 2.4.
- vermelde reden, de omstandigheid dat een ambtenaar zich in tuchtaangelegenheden niet kan beroepen op de ontstentenis van tucht- vervolging tegen een collega, de onderzoeksraad en de verwerende partij de opmerkingen die verzoeker te dien aanzien in zijn verdediging heeft naar voren gebracht onbesproken kon laten; dat zij zich in de tuchtzaak tegen verzoeker niet moesten rechtvaardigen over het uitblijven van een tuchtvervolging tegen andere ambtenaren; dat geen schending van de wet van 29 juli 1991 wordt vastgesteld; 2.4.
- Overwegende dat verzoeker niet aantoont op welke wijze de verwerende partij bij het treffen van het bestreden besluit onzorgvuldig tewerk zou zijn gegaan; 2.
- Overwegende dat het derde middel, in al zijn aspecten, niet gegrond is, BESLUIT: Artikel
- Het beroep wordt verworpen. IX-2511-6/7 Artikel
- De kosten van het beroep, bepaald op 99,16 euro, komen ten laste van verzoeker. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op zeventien januari 2000 en vijf, door de IXe kamer, die was samengesteld uit : de HH. J. DE BRABANDERE, kamervoorzitter, L. HELLIN, staatsraad, A. VANDENDRIESSCHE, staatsraad, Mevr. V. WAUTERS, griffier. De griffier, De voorzitter, V. WAUTERS. J. DE BRABANDERE. IX-2511-7/7 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.139.382 Gerelateerde publicatie(s) voorafgegaan door: ECLI:BE:RVSCE:2001:ARR.95.629 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.