← België

Arrest 139432 - - 18/01/2005

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 18 januari 2005 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.139.432 Rolnummer: A. 152259/X-11913 Zaak: Arrest 139432 - - 18/01/2005 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2005-01-21 Raadplegingen: 61 - laatst gezien 2026-07-02 06:24 Fiche Arrest nr 139.432 van 18 januari 2005 - Beslissing : Bevolen Inwilliging tussenkomst Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 139.432 van 18 januari 2005 in de zaak A. 152.259/X-11.913 In zake : 1. Jean NAESSENS, 2. Daniel VAN NEVEL, die woonplaats kiezen bij Advocaten C. DE WOLF en K. ROELANDT, kantoor houdende te 9680 MAARKEDAL, Etikhovestraat 6 tegen : 1. de gemeente NEVELE, 2. het Vlaamse Gewest, dat woonplaats kiest bij Advocaat V. DE TOLLENAERE, kantoor houdende te 9000 GENT, Koning Albertlaan 128. Verzoekende partij in tussenkomst : de gemeente NEVELE, die woonplaats kiest bij Advocaat P. LACHAERT, kantoor houdende te 9820 MERELBEKE, Hundelgemsesteenweg 166, bus 5-6. --------------------------------------------------------------------------------------------------- DE RAAD VAN STATE, Xe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat Jean NAESSENS en Daniel VAN NEVEL op 28 mei 2004 hebben ingediend om de schorsing van de tenuitvoerlegging te vorderen van het bij besluit van 21 oktober 2003 van de gemeenteraad van de gemeente Nevele definitief vastgesteld en bij besluit van 5 maart 2004 van de Vlaamse minister van Financiën en Begroting, Ruimtelijke Ordening, Wetenschappen en Technologische Innovatie goedgekeurd gemeentelijk ruimtelijk uitvoeringsplan "Eeksken" van de gemeente Nevele, bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 31 maart 2004; Gezien de nota van de tweede verwerende partij; Gezien het verslag opgemaakt door Auditeur J. CLEMENT; X-11913-1/12 Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen; Gelet op de beschikking van 24 augustus 2004 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 15 oktober 2004; Gehoord het verslag van Staatsraad J. BOVIN; Gehoord de opmerkingen van Advocaten C. DE WOLF en K. ROELANDT, die verschijnen voor verzoekers, van Advocaat V. TOLLENAERE, die verschijnt voor het Vlaamse Gewest, en van Advocaat E. VAN BOOGAERT die, loco Advocaat P. LACHAERT verschijnt voor de gemeente NEVELE; Gehoord het eensluidend advies van Auditeur J. CLEMENT; Gelet op de artikelen 17 en 18 en titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; Gelet op het bij artikel 90, § 3, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State vereiste advies van de Auditeur-generaal; Overwegende dat de gemeente Nevele met een verzoekschrift van 25 augustus 2004 heeft gevraagd om in het administratief kort geding te mogen tussenkomen; Overwegende dat de gemeente Nevele door het met het onderzoek van de zaak gelaste lid van het Auditoraat als verwerende partij werd aangeduid; dat haar als zodanig op 16 juni 2004 een afschrift van de vordering tot schorsing werd betekend en haar werd gewezen op de bepalingen van artikel 11 van het koninklijk besluit van 5 december 1991 tot bepaling van de rechtspleging in kort geding voor de Raad van State; dat zij echter heeft verzuimd het administratief dossier en een nota met opmerkingen neer te leggen, niettegenstaande een aanmaning daartoe van het met het onderzoek van de zaak gelaste lid van het Auditoraat; dat de gemeente Nevele thans betracht haar eigen nalatigheid recht te zetten middels een verzoek- schrift tot vrijwillige tussenkomst; dat het verzoek tot tussenkomst geen middel kan zijn voor een verwerende partij om alsnog een verweer te voeren dat zij heeft nagelaten in haar hoedanigheid van verwerende partij te voeren met toepassing van X-11913-2/12 de door het procedurereglement vastgestelde bepalingen; dat het verzoek tot tussenkomst niet wordt ingewilligd; Overwegende dat de gemeenteraad van de gemeente Nevele bij besluit van 25 februari 2003 het gemeentelijk ruimtelijk uitvoeringsplan "Eeksken" voorlopig heeft vastgesteld; dat het plan onder meer de inrichting van een woonwijk met een zestigtal woningen voorziet in een gebied dat volgens de bestemmingsvoor- schriften van het bij koninklijk besluit van 14 september 1977 vastgesteld gewestplan Gentse en Kanaalzone is gelegen in woonuitbreidingsgebied; dat de woonwijk aansluit op de Landegemstraat, waar verzoekers wonen; dat het ontworpen gemeentelijk ruimtelijk uitvoeringsplan het woonperceel van eerste verzoeker als het ware omsingelt; dat van 28 maart 2003 tot 28 april 2003 een openbaar onderzoek wordt gehouden over het ontwerp-uitvoeringsplan; dat beide verzoekende partijen een bezwaarschrift hebben ingediend waarbij zij wijzen op de waterproblematiek; dat de gemeentelijke commissie voor ruimtelijke ordening op 21 augustus 2003 een voorwaardelijk gunstig advies heeft uitgebracht over het ontwerp-uitvoeringsplan; dat zij overweegt dat gelet op de laaggelegen situering van het woonuitbreidingsgebied een "watertoets" noodzakelijk is en dat deze "water- toets" voorafgaandelijk technische maatregelen dient voor te schrijven voor de specifieke afwatering van het gebied en dat het gemeentelijk ruimtelijk uitvoerings- plan zich dient aan te passen aan de resultaten van de "watertoets" en aan de voorgeschreven maatregelen; dat de gemeenteraad van de gemeente Nevele bij besluit van 31 oktober 2003 het gemeentelijk ruimtelijk uitvoeringsplan "Eeksken" definitief heeft vastgesteld; dat de Vlaamse minister van Financiën en Begroting, Ruimtelijke Ordening, Wetenschappen en Technologische Innovatie bij besluit van 5 maart 2004 het gemeentelijk ruimtelijk uitvoeringspan "Eeksken" van de gemeente Nevele heeft goedgekeurd, zonder dat het plan het voorwerp heeft uitgemaakt van een toetsing aan de doelstellingen en de beginselen van het integraal waterbeleid; Overwegende dat krachtens artikel 17, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State slechts tot schorsing van de tenuitvoerlegging kan worden besloten onder de dubbele voorwaarde dat ernstige middelen worden aangevoerd die de vernietiging van de aangevochten beslissing kunnen verantwoorden en dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen; X-11913-3/12 Overwegende dat verzoekers, wat de eerste voorwaarde betreft, in het enig middel de schending aanvoeren van artikel 8, § 1, van het decreet van 18 juli 2003 betreffende het integraal waterbeleid; dat verzoekers in de toelichting bij het middel aanvoeren dat dit decreet in werking trad op 24 november 2003, zodat de verwerende partij bij het nemen van het bestreden besluit op 5 maart 2004 onderworpen was aan de bepalingen ervan, dat uit de memorie van toelichting blijkt dat ook op het niveau van de planvorming een "watertoets" dient te worden uitgevoerd, dat uit het bezwaarschrift dat zij hebben ingediend blijkt dat zij de problematiek van de wateroverlast in het gebied dat het voorwerp uitmaakt van het ruimtelijk uitvoeringsplan "Eeksken" en de omliggende percelen, van bij het begin hebben benadrukt, dat de gemeentelijke commissie voor ruimtelijke ordening, hierna "GECORO", in haar advies uitdrukkelijk heeft gesteld dat gelet op de laaggelegen situering van dit woonuitbreidingsgebied een "watertoets" noodzakelijk is, en dat deze voorafgaandelijk technisch sluitende maatregelen dient neer te schrijven voor de specifieke afwatering van dit gebied en dat het gemeentelijk ruimtelijk uitvoeringsplan zich zal dienen aan te passen aan de resultaten van deze watertoets en de voorgeschreven maatregelen, dat zij in een schrijven van 26 september 2003 aan het college van burgemeester en schepenen nogmaals op deze problematiek heeft gewezen, dat het gemeentebestuur het bezwaar met betrekking tot de wateroverlast en het verzoek van de GECORO om een "watertoets" uit te voeren heeft beantwoord door te stellen dat het gemeentebestuur op de hoogte is van het bestaan van een periodieke wateroverlast ter hoogte van de dwarsing van de beek met Egelare, maar dat in overleg met Aquafin door het studiebureau een oplossing wordt uitgewerkt en binnenkort de nodige voorzieningen zullen worden getroffen o.a. inzake de aanleg van een aangepaste gracht met duiker, dat het hellend karakter van het terrein (een niveauverschil van ca. 3,5

  1. m)ruimschoots voldoende is voor een vlotte oppervlaktewaterafvoer van het deel van het gebied, en dat men bij het uitwerken van de verkavelings- en bouwdossiers hieraan vooral aandacht zal dienen te besteden, en er in elk geval eventueel aan de hand van een "watertoets" sluitende maatregelen zullen dienen te worden voorgelegd voor de afwatering van dit gebied, dat de conclusie van het Studiebureau Haegebaert n.v., d.d. 9 oktober 2003, volgens welke kan besloten worden dat ingevolge de berekeningen de woonuitbreiding geen gevaar is voor wateroverlast, geenszins steunt op de huidige bestaande toestand, aangezien in het schrijven slechts "eerste vaststellingen" werden gedaan in afwachting van een definitieve versie, en dat er in tegenstelling tot hetgeen in dit schrijven vermeld, er op heden helemaal geen BPA bestaat voor het gebied "Eeksken" en dus dient te worden aangenomen dat de berekeningen van voormeld X-11913-4/12 studiebureau helemaal geen betrekking hebben op het beheersingsgebied van het ruimtelijk uitvoeringsplan, dat bovendien een studie van URS Belgium b.v.b.a. van 19 mei 2004 aantoont dat uit de berekeningen van het studiebureau Haegebaert n.v. helemaal niet kan worden afgeleid dat de oprichting van 58 woningen in het gebied "Eeksken" geen overlast in het gebied en de omliggende percelen zal veroorzaken, aangezien deze studie niet handelt over de eventuele nadelige gevolgen van regenwateroverlast die de verkaveling van het gebied "Eeksken" met zich kan meebrengen, dat in het bestreden besluit zelf niet naar voormelde berekeningen van het Studiebureau Haegebaert n.v. wordt verwezen, maar integendeel wordt erkend dat er een gevaar voor wateroverlast bestaat waar wordt overwogen "dat uit de ingediende bezwaarschriften gebleken is dat het gebied gevoelig is voor waterover- last; dat het gemeentebestuur zich engageert deze problematiek op te lossen bij de verdere invulling van het gebied."; dat verzoekende partijen besluiten : "Door het ruimtelijk uitvoeringsplan 'Eeksken' goed te keuren op basis van de intentieverklaring van de gemeente Nevele, om op het niveau van de vergunningverlening de problematiek van wateroverlast te zullen oplossen, schendt Verwerende Partij de op haar rustende verplichting, bepaald in artikel 8, § 1 van het Decreet Integraal Waterbeleid, om preventief op te treden en de mogelijke schadelijk effecten zelf reeds te beoordelen op het niveau van de planning en, indien nodig, het plan te weigeren of voorwaarden op te leggen (bv. infiltratiesystemen of gering verhard oppervlak (Memorie van Toelichting, Parl.St., Vl. Parl. 2002-03, nr. 1730/1, p. 23), teneinde die schadelijke effecten te voorkomen. De noodzaak om preventief op te treden wordt bovendien bevestigd in het Bestreden Besluit zelf, aangezien Verwerende Partij stelt dat 'uit de ingediende bezwaarschriften gebleken is dat het gebied gevoelig is voor wateroverlast'"; Overwegende dat de tweede verwerende partij in haar nota antwoordt dat uit de bepaling van artikel 8, § 1, van het decreet van 18 juli 2003 betreffende het integraal waterbeleid enkel blijkt dat de overheid die over een plan moet beslissen er zorg voor moet dragen door goedkeuring te weigeren aan het plan dan wel door het opleggen van gepaste voorwaarden of aanpassingen aan het plan, dat geen schadelijk effect ontstaat of zoveel mogelijk wordt beperkt, dat indien dit niet mogelijk zou zijn, de overheid er voor zal moeten zorgen dat het schadelijk effect wordt hersteld of gecompenseerd, dat indien de overheid dus meent dat een schadelijk effect kan worden veroorzaakt, er voorwaarden kunnen worden opgelegd waardoor het ontstaan van elk schadelijk effect wordt vermeden, of zo beperkt mogelijk wordt gehouden, dat in casu een onderzoek werd gedaan door de n.v. Studiebureau Haegebaert, dat uitdrukkelijk stelt : "hieruit kan dus worden besloten dat de woonuitbreiding geen gevaar is voor wateroverlast volgens de berekeningen uitwijzen", dat uit het schrijven van 9 oktober 2003 niet blijkt dat de X-11913-5/12 studie, zoals de verzoekende partijen beweren, enkel zou handelen over de ontkoppeling van de riolering aan de Landegemstraat en Egelare, dat dit schrijven stelt dat de juiste gegevens van de nieuwe verkaveling zullen nodig zijn om een definitief standpunt in te nemen, dat de n.v. Studiebureau Haegebaert dus laat blijken dat de gegevens van de concrete realisatie van de percelen nodig zijn om de volledige toetsing uit te voeren, dat uit de beslissing van de gemeenteraad van 21 oktober 2003 blijkt dat de gemeente de waterproblematiek heeft onderzocht en dat zij er zorg voor draagt dat geen schadelijk effect ontstaat; dat enerzijds wordt vastgesteld dat er periodieke overlast kan zijn en dat daarvoor de nodige voorzie- ningen worden getroffen, nl. het aanleggen van een aangepaste gracht met duiker, dat de verzoekende partijen, alsook het door hen geraadpleegde bureau URS Belgium, aan deze concreet vermelde maatregel volledig voorbijgaan, dat het ruimtelijk uitvoeringsplan bovendien voorziet dat enkel technisch sluitende maatregelen voor de afwatering van het gebied de uitwerking van de bouw- en verkavelingsdossiers mogelijk zal maken, dat hierdoor voorwaarden worden opgelegd om een schadelijk effect te vermijden, dat dit gebeurde na een beoordeling van deze mogelijke effecten, nl. de periodieke wateroverlast ter hoogte van de dwarsing met Egelare, dat de vermelding dat "aan de hand van een 'watertoets' technisch sluitende maatregelen dienen te worden voorgelegd" meer is dan een loutere intentieverklaring, dat de bestreden beslissing deze maatregelen aanduidt als engagement van de gemeente, dat in tegenstelling tot wat de verzoekende partijen voorhouden uit het decreet betreffende het integraal waterbeleid en zeker niet uit artikel 8, §1 van dit decreet blijkt dat de "watertoets" inhoudt dat een aanbesteding zou worden georganiseerd en dus een opdracht zou worden gegund aan een bureau om een studie uit te voeren, dat het aan de overheid is om er zorg voor te dragen dat geen schadelijke effecten ontstaan of dat die zoveel mogelijk worden beperkt, dat de overheid dit in casu heeft gedaan, dat zelfs indien de beslissing van de gemeenteraad louter als een intentieverklaring zou kunnen worden gelezen -quod non- dan nog blijkt niet dat de verzoekende partijen belang hebben bij de schorsing, dat de "watertoets" immers bij het verlenen van een stedenbouwkundige en/of verkavelingsvergunning moet worden uitgevoerd, dat in dit geval het decreet betreffende het integraal waterbeleid voorziet dat de overheid zelfs advies kan vragen en bij twijfel zelfs moet vragen aan de door de Vlaamse regering aangewe- zen instantie, dat de gemeente in de beslissing van 21 oktober 2003 uitdrukkelijk voorziet dat aan de hand van een "watertoets" technisch sluitende maatregelen dienen te worden voorgelegd, dat de verzoekende partijen geen belang hebben bij X-11913-6/12 een middel dat uitsluitend is gebaseerd op artikel 8, § 1, van het decreet betreffende het integraal waterbeleid; Overwegende dat artikel 8, §§ 1 en 2, van het decreet van 18 juli 2003 betreffende het integraal waterbeleid, luidt als volgt : "§ 1. De overheid die over een vergunning, een plan of programma moet beslissen, draagt er zorg voor, door het weigeren van de vergunning of door goedkeuring te weigeren aan het plan of programma dan wel door het opleggen van gepaste voorwaarden of aanpassingen aan het plan of programma, dat geen schadelijk effect ontstaat of zoveel mogelijk wordt beperkt en, indien dit niet mogelijk is, dat het schadelijk effect wordt hersteld of, in de gevallen van de vermindering van de infiltratie van hemelwater of de vermindering van ruimte voor het watersysteem, gecompenseerd. Wanneer een vergunningsplichtige activiteit, een plan of programma, afzonderlijk of in combinatie met een of meerdere bestaande vergunde activiteiten, plannen of programma’s, een schadelijk effect veroorzaakt op de kwantitatieve toestand van het grondwater dat niet door het opleggen van gepaste voorwaarden of aanpassingen aan het plan of programma kan worden voorkomen, kan die vergunning slechts worden gegeven of kan dat plan of programma slechts worden goedgekeurd omwille van dwingende redenen van groot maatschappelijk belang. In dat geval legt de overheid gepaste voorwaar- den op om het schadelijke effect zoveel mogelijk te beperken, of indien dit niet mogelijk is te herstellen of te compenseren. § 2. De overheid houdt bij het nemen van die beslissing rekening met de relevante door de Vlaamse regering vastgestelde waterbeheerplannen, bedoeld in hoofdstuk VI, voorzover die bestaan. De beslissing die de overheid neemt in het kader van § 1 wordt gemoti- veerd, waarbij in elk geval de doelstellingen en de beginselen van het integraal waterbeleid worden getoetst."; Overwegende dat artikel 3, § 2, 17/ van het decreet van 18 juli 2003 betreffende het integraal waterbeleid, het begrip "schadelijk effect" definieert als volgt : "ieder betekenisvol nadelig effect op het milieu dat voortvloeit uit een verandering van de toestand van watersystemen of bestanddelen ervan die wordt teweeggebracht door een menselijke activiteit; die effecten omvatten mede effecten op de gezondheid van de mens en de veiligheid van de vergunde of vergund geachte woningen en bedrijfsgebouwen, gelegen buiten overstro- mingsgebieden, op het duurzaam gebruik van water door de mens, op de fauna, de flora, de bodem, de lucht, het water, het klimaat, het landschap en het onroerend erfgoed, alsmede de samenhang tussen een of meer van deze elementen"; Overwegende dat in de memorie van toelichting bij het ontwerp van het decreet over de aangehaalde bepaling het volgende wordt gesteld : X-11913-7/12 "Dit artikel geeft uitvoering aan het principe van de integratie van integraal waterbeleid bij de planvorming en vergunningverlening. Telkens wanneer er een beslissing wordt genomen op andere beleidsterreinen van het Vlaamse Gewest en van de overige besturen, moet er op basis van dit artikel rekening worden gehouden met het integraal waterbeleid. De betrokken overheid moet dan als het ware het dossier aan een 'watertoets' onderwerpen vooraleer een beslissing te nemen. Deze 'water-toets' kan in het algemeen worden opgevat als het proces van vroegtijdig informeren, adviseren, afwegen en uiteindelijk beoordelen van de mogelijke schadelijke effecten van plannen, programma's of vergunningsbesluiten op het watersysteem. De grootste winst ligt dus bij de vroegtijdige informatievoorziening en afweging. Daarmee fungeert de 'watertoets' ook als een belangrijk preventief instrument. (...)"; Overwegende dat de eerste verwerende partij geen administratief dossier en geen nota met opmerkingen heeft neergelegd; dat krachtens artikel 21, derde lid van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, de door de verzoeken- de partijen aangehaalde feiten -in casu met betrekking tot de wateroverlast- derhalve als bewezen worden geacht; dat deze op het eerste gezicht niet kennelijk onjuist zijn; dat de tweede verwerende partij evenmin blijkt te betwisten dat het gemeente- lijk ruimtelijk uitvoeringsplan een schadelijk effect kan hebben; Overwegende dat uit artikel 8 van het decreet van 18 juli 2003 betreffende het integraal waterbeleid en uit de memorie van toelichting omtrent dit artikel blijkt dat de overheid die over een plan moet beslissen, ingeval van een risico op een "schadelijk effect" dit plan aan een "watertoets" dient te onderwerpen vooraleer een beslissing te nemen; dat deze "watertoets" ervoor moet zorgen dat door het opleggen van gepaste voorwaarden of aanpassingen aan het plan geen schadelijk effect ontstaat of dit zoveel mogelijk wordt beperkt en, indien dit niet mogelijk is, het schadelijk effect wordt hersteld of gecompenseerd; Overwegende dat de gemeentelijke commissie voor ruimtelijke ordening in haar advies van 21 augustus 2003 omtrent de "waterbeheersproblema- tiek" heeft gesteld wat volgt : "waterbeheersproblematiek: gelet op de laaggelegen situering van dit woonuitbreidingsgebied is een watertoets noodzakelijk - deze watertoets dient de voorafgaandelijk technische sluitende maatregelen neer te schrijven voor de specifieke afwatering van dit gebied en het GRUP zal zich dienen aan te passen aan de resultaten van deze watertoets en de voorgeschreven maatregelen;" Overwegende dat het besluit van de Vlaamse minister van ruimtelijke ordening van 5 maart 2004 op het eerste gezicht geen rekening houdt X-11913-8/12 met het advies van de gemeentelijke commissie voor ruimtelijke ordening; dat het desaangaande enkel overweegt "dat uit de ingediende bezwaarschriften is gebleken dat het gebied gevoelig is voor wateroverlast; dat het gemeentebestuur zich engageert deze problematiek op te lossen bij de verdere invulling van het gebied"; dat het gemeenteraadsbesluit van 31 oktober 2003 van de gemeente Nevele houdende definitieve vaststelling van het gemeentelijk ruimtelijk uitvoeringsplan in het antwoord op de bezwaren en het advies van de GECORO wat betreft de "nood aan een 'waterbeheersplan' teneinde waterellende te voorkomen" stelt wat volgt : "Het gemeentebestuur is op de hoogte van het bestaan van een periodieke wateroverlast ter hoogte van de dwarsing van de beek met Egelare. In overleg met Aquafin wordt er door het studïebureau een oplossing uitgewerkt binnenkort zullen de nodige voorzieningen worden getroffen o.a. inzake de aanleg van een aangepaste gracht met duiker. Het hellend karakter van het terrein (een niveauverschil van a + 3,5
  2. m)is ruimschoots voldoende voor een vlotte oppervlaktewaterafvoer van het grootste deel van het gebied. Bij het uitwerken van de verkavelings- en bouwdossiers zal men hieraan vooral aandacht dienen te besteden. In elk geval zullen er eventueel a.d.h.v. een watertoets technisch sluitende maatregelen dienen te worden voorgelegd voor de afwatering van dit gebied."; Overwegende dat het bestreden besluit zelf aanneemt dat het betrokken gebied "gevoelig is voor wateroverlast"; dat evenwel niet blijkt, en overigens ook niet wordt beweerd, dat het betrokken plan aan een zgn. "watertoets" werd onderworpen in de zin van voormeld artikel 8, § 1, van het decreet betreffende het integraal waterbeleid; dat een "engagement" van de gemeente om deze problematiek "op te lossen bij de verdere invulling van het gebied" op het eerste gezicht niet volstaat om te voldoen aan de door dit artikel bepaalde verplichting "door het opleggen van gepaste voorwaarden of aanpassingen aan het plan" er zorg voor te dragen "dat geen schadelijk effect ontstaat of zoveel mogelijk wordt beperkt"; dat het middel in zoverre ernstig is; Overwegende dat, wat de tweede door artikel 17, § 2, opgelegde voorwaarde betreft, uit de gegevens van de zaak blijkt dat de door het betrokken gemeentelijk ruimtelijk uitvoeringsplan voorziene woonwijk ontsloten wordt langs de Landegemstraat, waar beide verzoekers wonen; dat de eigendom van eerste verzoeker als het ware omsingeld wordt door het beheersingsgebied van dit plan; dat de eigendom van tweede verzoeker zich aan de overzijde van de Landegemstraat bevindt, recht tegenover de eigendom van eerste verzoeker; dat, wat het aangevoer- de nadeel van dreigende wateroverlast betreft, het bestreden goedkeuringsbesluit X-11913-9/12 erkent "dat het gebied gevoelig is voor wateroverlast", maar dat "het gemeentebe- stuur zich engageert deze problematiek op te lossen bij de verdere invulling van het gebied"; dat ook in het besluit van de gemeenteraad houdende definitieve vaststelling van het betrokken plan dit probleem wordt erkend waar wordt gesteld dat "bij het uitwerken van de verkavelings- en bouwdossiers (...) men hieraan vooral aandacht (zal) dienen te besteden", en dat "in elk geval er eventueel a.d.h.v. een watertoets technisch sluitende maatregelen dienen te worden voorgelegd voor de afwatering van dit gebied"; dat anderzijds verzoekers een studie bijbrengen van URS Belgium b.v.b.a. waarin wordt gesteld dat, bij gebreke aan op wetenschappelij- ke manier onderzochte maatregelen om waterschade in het te verkavelen gebied zelf en in de omgeving te voorkomen, op basis van de berekende volumes regenwater die verwacht kunnen worden ter plaatse van het verkavelingsgebied en op basis van de berekende te verwachten lozingsvolumes, kan worden gesteld dat er een reële kans is voor het optreden van waterschade op het terrein zelf en in de omgeving van het terrein; dat de tweede verwerende partij de conclusie van deze studie niet tegenspreekt, maar enkel stelt dat deze studie is opgesteld op vraag van verzoekers, en de gemeente zich op het ogenblik van de definitieve vaststelling van het plan bewust was van deze problematiek, en verder verwijst naar haar verweer ten aanzien van het hiervoor ernstig bevonden middel; dat uit hetgeen voorafgaat kan worden besloten dat een reëel risico op wateroverlast niet denkbeeldig is; dat verzoekers hiermede alleen reeds voldoende concrete en precieze gegevens bijbrengen die aannemelijk maken dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van het bestreden gemeentelijk ruimtelijk uitvoeringsplan een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen in de zin van artikel 17, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State; Overwegende dat is voldaan aan de door voormeld artikel 17, § 2, opgelegde voorwaarden om de schorsing van de tenuitvoerlegging van het bestreden gemeentelijk ruimtelijk uitvoeringsplan te bevelen, BESLUIT: Artikel 1. Het verzoek tot tussenkomst van de gemeente Nevele wordt afgewezen. X-11913-10/12 X-11913-11/12 Artikel 2. Bevolen wordt de schorsing van de tenuitvoerlegging van het bij besluit van 31 oktober 2003 van de gemeenteraad van de gemeente Nevele definitief vastgesteld en bij besluit van 5 maart 2004 van de Vlaamse minister van Financiën en Begroting, Ruimtelijke Ordening, Wetenschappen en Technologische Innovatie goedgekeurd gemeentelijk ruimtelijk uitvoeringsplan "Eeksken" van de gemeente Nevele; Artikel 3. Dit arrest zal worden bekendgemaakt op dezelfde wijze als het geschorste besluit. Artikel 4. De uitspraak over de bijdrage in de betaling van de kosten van de vordering tot schorsing wordt uitgesteld. De kosten van het verzoek tot tussenkomst, bepaald op 125 euro, komen ten laste van de tussenkomende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op achttien januari 2005, door de Xe kamer, die was samengesteld uit : de HH. J. BOVIN, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, E. BREWAEYS, staatsraad, C. ADAMS, staatsraad, Mevr. A. TRUYENS, griffier. De griffier, De voorzitter, A. TRUYENS. J. BOVIN. X-11913-12/12 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.139.432 Gerelateerde publicatie(
  3. s)gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.159.401 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.