← België

Arrest 139511 - - 19/01/2005

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 19 januari 2005 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.139.511 Rolnummer: A. 106002/XIV-5014 Zaak: Arrest 139511 - - 19/01/2005 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2005-02-15 Raadplegingen: 55 - laatst gezien 2026-07-02 06:28 Fiche Arrest nr 139.511 van 19 januari 2005 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 139.511 van 19 januari 2005 in de zaak A. 106.002/XIV-

  1. In zake : XXX, die woonplaats kiest bij Advocaten Fr. en R. COEL, kantoor houdende te 2800 MECHELEN, Kardinaal Mercierplein 8 tegen :
  2. de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen,
  3. de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de Minister van Binnenlandse Zaken. --------------------------------------------------------------------------------------------------------------- -- DE VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX, van Armeense nationaliteit, op 28 mei 2001 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van de beslissing van de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen van 26 april 2001 tot bevestiging van de beslissing van de Minister van Binnenlandse Zaken van 26 maart 1999 tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten; Gelet op de beschikking van 9 juli 2001 waarbij aan de verzoekende partij het voordeel van de kosteloze rechtspleging wordt verleend; Gezien de gewisselde memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door Eerste Auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST, op grond van artikel 23, van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan de partijen en gelet op het verzoek tot voortzetting teneinde te worden gehoord van de verzoekende partij; Gelet op de beschikking van 11 oktober 2004 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 22 december 2004; Gehoord het verslag van Kamervoorzitter A. BEIRLAEN; XIV-5014-1/9 Gehoord de opmerkingen van Advocaat A. HAEGEMAN die, loco Advocaten Fr. en R. COEL verschijnt voor de verzoekende partij, van Attaché F. VEREEKEN, die verschijnt voor de eerste verwerende partij en van Advocaat E. MATTERNE, die verschijnt voor de tweede verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van Eerste Auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
  4. Over de gegevens van de zaak. Overwegende dat de gegevens van de zaak als volgt kunnen worden samengevat: 1.
  5. XXX, van Armeense nationaliteit, is op 28 december 1998 in België aangekomen en heeft zich vluchteling verklaard op 29 december
  6. 1.
  7. Op 26 maart 1999 neemt de Minister van Binnenlandse Zaken de beslissing tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten. 1.
  8. Op 26 april 2001 neemt de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen de beslissing tot bevestiging van de beslissing van de Minister van Binnenlandse Zaken van 26 maart 1999 tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten. De motivering van deze beslissing luidt als volgt: “Betrokkene werd verhoord op 16 juli 1999 en 1 augustus 2000 op de zetel van het Commissariaat-generaal, bijgestaan door een tolk, die de Armeense taal machtig is, en in aanwezigheid van zijn advocaat, Mr. Lamrabet, op 16 juli
  9. Betrokkene, een Armeens staatsburger van Assyrische origine, zou omwille van problemen met zijn origine op 26 december 1998 gevlucht zijn naar België waar hij op 28 december 1998 zou zijn aangekomen en waar hij op 29 december 1998 een asielaanvraag indiende. Op 10 juni 1994 zou betrokkenes zus omgekomen zijn in een auto-ongeluk. Een politieagent zou het ongeluk hebben veroorzaakt. Toen betrokkene een klacht ging neerleggen zou hij vernederd en uit het politiekantoor zijn gesmeten. Hij zou ook geslagen en beledigd zijn geweest omwille van zijn origine. Hierdoor zou betrokkene zijn linkervoet en rechterhand hebben gebroken. Betrokkene zou het bewustzijn hebben verloren en vervolgens ontwaakt zijn op het binnenkoertje van zijn appartement. Buren zouden hem naar het ziekenhuis hebben gebracht. Toen betrokkene het ziekenhuis verliet zou hij schriftelijk klacht zijn gaan neerleggen bij de chef van politie. Twee dagen later zouden twee politiemannen betrokkene zijn komen bedreigen de klacht in te trekken. Betrokkene zou dit uit vrees hebben gedaan. Op 7 december 1998 zou betrokkene naar de begrafenis zijn gegaan van een buur die in Karabach was gesneuveld. Betrokkene zou omwille van de origine van zijn vrouw, een Azerische het huis uit zijn gegooid. De volgende dag zouden vijf Fedaïns bij betrokkene zijn langsgekomen die hem begonnen te vernederen. Er zou een gevecht zijn ontstaan waardoor betrokkenes vrouw de politie zou hebben gebeld. De politiemannen zouden XIV-5014-2/9 betrokkene hebben herkend en hem hebben geslagen. Ze zouden de Fedaïns bovendien hebben aangemoedigd. Toen betrokkene bijkwam zou hij vastgesteld hebben dat zijn kinderen waren vastgebonden en dat zijn vrouw door de Fedaïns verkracht was geweest. Betrokkene zou vervolgens een Fedaïn hebben neergeslagen en met zijn vrouw en kinderen uit het huis zijn gevlucht naar de grootvader van zijn vrouw. Betrokkene zou twee dagen later naar de leider van de Assyrische gemeenschap die zei dat hij betrokkene niet kon helpen met zijn problemen gezien de kleine omvang van de gemeenschap. Wel zou hij betrokkene hebben geholpen het land te ontvluchten. Vooreerst dient te worden opgemerkt dat aan de echtheid van documenten (het afschrift van betrokkenes geboorteakte en de brief van de Assyrische gemeenschap) voorgelegd door betrokkene op het CG geen geloof kan worden gehecht. Betrokkene verklaarde immers dat het afschrift van de geboorteakte door een overheidsinstantie werd afgeleverd. Op beide documenten verscheen echter dezelfde stempel. Om deze reden kan bijgevolg geen rekening worden gehouden met deze documenten en kan aan de waarachtigheid van betrokkenes beweringen sterk worden getwijfeld, gezien hij zich op valse documenten beroept. Verder dient te worden opgemerkt dat betrokkene verklaart omwille van zijn Assyrische origine problemen te hebben gekend in Armenië. Uit de informatie waarover het CG betreft wordt echter nergens melding gemaakt van enige vervolging waar de Assyrische gemeenschap het slachtoffer van is in Armenië (Council of the Euriopean Union, 1/9/2000, Report on roving attaché mission to Azerbaijan, Armenia and Russia, p. 23- 24; Armenia, Country Reports on Human Rights Practices 2000, Februari 2001, p. 16). Bijgevolg kan sterk getwijfeld worden aan de vrees voor vervolging in hoofde van betrokkene en zijn onmogelijkheid om bescherming te vinden. Tenslotte dient te worden opgemerkt dat betrokkene verklaarde omwille van de Azerische origine van zijn vrouw problemen te hebben gekend. Hierrond moet allereerst worden opgeworpen dat betrokkenes vrouw, XXX, zich niet heeft aangeboden op het CG en dat bijgevolg aan haar problemen kan worden getwijfeld aangezien ze van de mogelijkheid haar problemen aan te kaarten op het CG geen gebruik heeft gemaakt. Ten tweede dient op basis van de informatie waarover het Commissariaat-generaal beschikt besloten te worden dat er geen geloof gehecht kan worden aan de problemen omwille van de Azerische origine van betrokkenes vrouw (Cedoca, Gemengde koppels in Armenië, 28 oktober 1999). Hierbij aansluitend is het zeer merkwaardig dat betrokkenes vrouw pas in 1998 problemen zou hebben gekend. Bijgevolg kan betrokkenes vrees voor vervolging omwille van de problemen van zijn vrouw geen geloof worden gehecht. Betrokkene was in het bezit van de volgende documenten: een afschrift van zijn geboorteakte, een lidkaart van de groep van de Aramenen en een brief van de voorzitter van de Assyrische gemeenschap. Het afschrift en de brief werden hoger reeds besproken en konden niet in aanmerking worden genomen. De lidkaart werd hoger niet in vraag gesteld en wijzigt bijgevolg niets aan de beslissing vermits zij geen verdere elementen aanbrengt bij de vervolging die betrokkene stelt ondergaan te hebben. Uit wat voorafgaat blijkt dat de aanvraag van betrokkene bedrieglijk is. Wat er ook van zij, betrokkene heeft niet aangetoond dat de gemachtigde van de Minister zijn appreciatiebevoegdheid heeft overschreden door hem het verblijf op het grondgebied te weigeren. In elk geval, de Commissaris-generaal ontwaart geen ernstige en aantoonbare gronden die laten geloven in een risico van schending van de Conventie van Genève in geval van verwijdering van betrokkene. Bijgevolg bevestigt de Commissaris-generaal de verblijfsweigering besloten door de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse Zaken op 26 maart
  10. De Commissaris-generaal meent dat de betrokken vreemdeling in de huidige omstandigheden mag worden teruggeleid naar de grens van het land dat hij ontvlucht is, en waar, volgens zijn verklaring, zijn leven, zijn fysieke integriteit of zijn vrijheid in gevaar zou verkeren.”.
  11. Over de gegrondheid van het beroep. XIV-5014-3/9 2.1.
  12. Overwegende dat verzoeker als eerste middel aanvoert: “
  13. Eerste ernstig Middel: Schending van de wettelijke opdracht van verweerders Overwegende dat de Commissaris Generaal iedere anomalie in het vluchtelingenverhaal van vertoger afdoet als bedrog en zich uitslooft in 3 (drie) pagina's om aan te wijzen waarom het verzoek manifest niet ontvankelijk want bedrieglijk zou kunnen worden verklaard; Dat dit "diepteonderzoek" niet hoort tot de opdracht van de Commissaris Generaal in de fase van de ontvankelijkheid; Dat overeenkomstig de geldende regels van het Belgisch administratief recht de Dienst vreemdelingenzaken, en in geval van dringend beroep de Commissaris Generaal, moeten bewijzen dat er een grond voor niet-ontvankelijkheid bestaat; (zie: M. Bossuyt, “Uiteenzetting over de voorgestelde wijzigingen in de VreemdelingenWet voor de Senaatscommissie voor de Binnenlandse aangelegenheden”, Parl.St. 1992-93, nr. 555/2,

(54)55, nr. 4) Dat in de fase van de ontvankelijkheid de autoriteiten genoegen moeten nemen met een aannemelijk, dit wil zeggen samenhangend, niet tegenstrijdig en waarschijnlijk vluchtverhaal; (zie D. Vanheule, “Vluchtelingen: een overzicht”, Mys en Breesch, Gent, tweede uitgave, 1998, nr. 348) Dat bovendien de term "kennelijk" in artikel 52 § 1, 7/ Vr.W. de beslissingsbevoegdheid van de administraties nog verder beknot tot gevallen waarin het ontbreken van elke ernstige aanwijzing van gegronde vrees voor vervolging duidelijk herkenbaar is; Dat van zodra er ook maar enig ernstig element is aangebracht of er twijfel bestaat of de gevreesde vervolging al dan niet bestaat moet de kandidaat vluchteling het voordeel van de twijfel worden gegeven en moet hij worden toegelaten tot het onderzoek ten gronde; (zie D. Vanheule "Vluchtelingen: een overzicht", Mys en Breesch, Gent, tweede uitgave, 1998, nr. 349 ev.) Dat evenwel de Commissaris Generaal voor de Vluchtelingen en de Staatloze(
  1. n)meent een beslissing te moeten nemen louter op grond van een vergelijking van de onderscheiden verklaringen in de procedure van vertoger met die van de rest van de familie, zelfs zich beroept op de technische beslissing getroffen lastens de echtgenote van vertoger, mevrouw Azarian; Dat de Commissaris Generaal nog verder gaat en in het dossier van de broer van vertoger aangeeft na diens verhoor geen andere beslissing te kunnen nemen dan een bevestigende beslissing van weigering verblijf "aangezien het asielverzoek van betrokkenes broer (vertoger) door het C.G. als bedrieglijk werd beschouwd"... alsof de asielverklaring van de broer de eerder afgelegde verklaringen niet zou kunnen onderschrijven, verduidelijken of objectiveren; Dat de C.G. zich hier achter formalismen verschuilt om het ene asielverzoek af te kunnen wijzen omdat een identiek verhaal eerder niet werd geloofd door zijn diensten, wat niet direct getuigt van zorgvuldig bestuur; Dat in plaats van de verklaringen te toetsen aan objectieve gegevens die de Commissaris Generaal kent, de Commissaris Generaal louter op zoek gaat naar irrelevante tegenstrijdigheden die de geloofwaardigheid van vertoger zou kunnen aantasten; Dat om tot een rechtmatig besluit te komen de betrokken administratie volledig op de hoogte moet zijn van de feiten die haar besluitvorming kunnen beïnvloeden en zo nodig zich moet laten bijstaan door deskundigen in plaats van gewoonweg onderscheiden verklaringen tot op de letter te vergelijken; Dat uit het dossier duidelijk blijkt dat de Commissaris Generaal voor de Vluchteling(
  2. en)en de Staatlozen in het dossier slechts op zoek is gegaan naar tegenstrijdigheden om vertogers verzoek af te wijzen in plaats van een antwoord te vinden op eventuele vermoede tegenstrijdigheden; Dat het verwijzen naar twee rapporten gesteld in algemene bewoordingen op zich geen bewijs leveren van het tegendeel van de beweringen van vertoger die overigens nauwkeurig aansluiten bij de historische gebeurtenissen in de Kaukasus; (zie om.: de problematiek van de etnische verplaatsingen in de voormalige Sovjet-Unie en het opflakkerend etnisch nationalisme na het uiteenvallen van deze Sovjet-Unie gevolgd door diverse burgeroorlogen zoals deze gevoerd tussen Armenië en Azerbeidzjan met XIV-5014-4/9 diverse etnische verplaatsingen tot gevolg waardoor geen Armeniërs meer wonen in Azerbeidzjan en omgekeerd, uiteraard met gevolgen voor etnisch gemende huwelijken. Dit sluit naadloos aan op de verklaringen van vertoger die verwijst naar een aanval ter gelegenheid van een begrafenis van een buurman die sneuvelde in Azerbeidzjan.) Dat de Commissaris Generaal hier in dezelfde zin zijn opdracht te buiten is gegaan zodat de beslissing aangetast is door machtsafwending, waarover eveneens infra meer; Dat de Raad van State dan ook niet zal aarzelen de materiële juistheid van de ingeroepen feiten te verifiëren en daarvoor haar toevlucht zal nemen tot alle middelen die zij nodig acht; (zie De Wijngaert, M., 'De feitencontrole door de Belgische en de Franse Raad van State', T.B.P., 1955, 199-211, 287-295) Dat zeer concreet de redenen om te besluiten tot manifeste ongegrondheid berusten op tegenstrijdigheden die geen afbreuk doen aan de consistentie van het vluchtelingenverhaal van vertoger, waarover infra meer; Dat de bestreden beslissing dan ook werd getroffen in strijd met de wettelijke opdracht van verweerders en op basis van bijzonder mank samengesteld en onvolkomen dossier zodat de beslissing ten gronde moet worden vernietigd;”; 2.1.2. Overwegende dat artikel 52 van de wet 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen (Vreemdelingenwet) het mogelijk maakt een asielaanvraag onontvankelijk te verklaren omdat ze bedrieglijk is; dat in casu de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen heeft vastgesteld dat de asielaanvraag bedrieglijk is omdat aan de echtheid van bepaalde documenten geen geloof kan worden gehecht, omdat verzoeker verklaart omwille van zijn Assyrische origine problemen te hebben gekend terwijl uit informatie van het Commissariaat-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen blijkt dat er nergens melding gemaakt wordt van vervolging van de Assyrische gemeenschap in Armenië, en omdat hij verklaarde omwille van de Azerische origine van zijn echtgenote problemen te hebben gekend, terwijl uit informatie waarover het Commissariaat-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen beschikt, blijkt dat gemengde koppels geen problemen hebben; dat deze vaststellingen konden worden gemaakt na een summier onderzoek, waardoor zij reeds in de fase van de ontvankelijkheid als determinerend voor de verdere behandeling van de asielaanvraag konden worden beschouwd; dat door de asielaanvraag als onontvankelijk te beschouwen de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen geenszins zijn wettelijke opdracht heeft miskend of geschonden; dat dient opgemerkt dat verzoeker geen inhoudelijke kritiek geeft op de motieven van de bestreden beslissing; dat het wel degelijk van behoorlijk bestuur getuigt (in tegenstelling tot wat verzoeker in het middel stelt), dat er in een gelijkaardig asieldossier (dat van verzoeker en dat van zijn broer), gelijkluidende beslissingen worden genomen; dat het eerste middel niet gegrond is; XIV-5014-5/9 2.2.1. Overwegende dat verzoeker als tweede middel aanvoert: “2. Tweede ernstig Middel: schending van de beginselen van behoorlijk bestuur Overwegende dat het tweede ernstig middel van vertoger de schending van de beginselen van behoorlijk bestuur betreft, meerbepaald de hoorplicht en de verplichting tot zorgvuldigheid; Dat het Commissariaat Generaal voor de Vluchtelingen en de Staatlozen een bestuurlijke overheid is gebonden aan de beginselen van behoorlijk bestuur; (zie: I., Opdeheek, "Het Recht op verdediging en het recht om hijn standpunt naar voor te brengen" in Opdebeek. (ed.) Algemene beginselen van behoorlijk bestuur, Antwerpen, Kluwer rechtswetenschappen, 1993, 51) Dat het eerste deel van het tweede ernstig middel de schending van de hoorplicht betreft; Dat de Commissaris Generaal voor de Vluchteling(
  3. en)en de Staatloze(
  4. n)meent een beslissing te moeten nemen op grond van een vergelijking van de verklaringen van vertoger met het dossier van zijn echtgenote zonder evenwel zelfs haar te hebben gehoord; Dat de Commissaris Generaal meent deze beslissing te moeten motiveren als zou mevrouw XXX geen interesse betonen in de procedure want enerzijds zou zij schriftelijk haar asielverzoek niet hebben toegelicht en anderzijds zou zij zich niet hebben aangeboden voor verhoor; Dat mevrouw XXX ontkent de oproep voor verhoor te hebben ontvangen, documenten ongetwijfeld verzonden naar het vorige adres; Dat de Commissaris Generaal, geconfronteerd met lacunes (geen schriftelijke motivatie, geen verhoor) hierover geen uitleg vraagt aan vertoger (het betreft tenslotte zijn echtgenote met wie hij samenwoont) wat toch het minste is wat mag worden verwacht van een onafhankelijke administratie die behoorlijk zou moeten functioneren, evenmin wordt grondig nagekeken of überhaupt mevrouw XXX de nuttige bescheiden wel heeft ontvangen of kon ontvangen; Dat de C.G. integendeel verkiest een technische beslissing te treffen lastens mevrouw XXX die hij vervolgens gebruikt tegen vertoger; (“omdat er geen schriftelijke motivering is en omdat mevrouw XXX niet opdaagt betoont zij geen interesse en moet worden afgewezen, omdat het verzoek van vertoger middelen aanwendt die hebben aanleiding gegeven tot een negatieve beslissing moet zijn verzoek ook maar worden afgewezen”...) Dat juist door het niet verhoren van mevrouw XXX en het niet peilen naar de reden van eventuele lacunes de Commissaris Generaal voor de Vluchteling een inbreuk heeft gemaakt op de zorgvuldigheidsplicht en de Rechten heeft geschonden van vertoger; Dat inderdaad mevrouw XXX steeds zorgvuldig heeft gehandeld en zich hoegenaamd niet heeft onttrokken aan de meldingsplicht voorzien in de artt. 52 § 2,5/ 52 § 3,3/ en 52 § 4,3/ Vreemdelingenwet noch zich heeft ontrokken aan de procedure overeenkomstig art. 52 § 2,3/ en 52 § 2,4/ Vreemdelingenwet; Dat zij zich regelmatig bij de administratie aanbood en haar adreswijzigingen mededeelde aan de administratieve overheid die onder meer immatriculatieattesten afleverde op 21 januari 2000, 25 mei 2000 en deze evenzeer geldig van de nodige verlengingen voorzag; (zie stukken nr. 1 en 2) Dat evenwel zij niet op de hoogte was van de verplichting bij aangetekend schrijven mede te delen aan de C.G. dat zij van woonst veranderde; Dat deze onzorgvuldigheid evenwel alleen tot een beslissing van niet ontvankelijkheid moet leiden wanneer de onttrekking bewust geschiedt en wanneer de asielzoeker blijk geeft van een manifest gebrek aan belangstelling wat zeker in casu niet het geval is; Dat de Commissaris Generaal blijkbaar mevrouw XXX niet kan vinden voor het afleveren van de vragenlijst en de oproep voor verhoor maar wel voor het betekenen van de bestreden technische beslissing (?) waaruit ten volle moge blijken dat zij in volkomen openbaarheid leeft en gekend is bij de administratie die haar wel degelijk had kunnen horen indien mevrouw XXX ware opgeroepen op het precieze adres in de woonst die zij deelt met haar echtgenoot; XIV-5014-6/9 Dat de Commissaris Generaal dan ook feitelijk verplicht was vertoger om inlichtingen te vragen aangezien hij wel degelijk op de hoogte is van de gezinstoestand, wat ten volle moge blijken uit het administratief dossier; Dat de hoorplicht dan ook manifest werd geschonden; Dat de vaste Rechtspraak van de Raad van State deze schending van de hoorplicht en de verplichting tot zorgvuldigheid sanctioneert door de administratieve beslissing te vernietigen; Dat zeker in asielaanvragen van ganse families het essentieel is dat alle leden van de familie worden gehoord en alle verklaringen worden getoetst op hun geloofwaardigheid wat in casu niet het geval is; Dat de bestreden beslissing dan ook werd getroffen op basis van een onvolkomen dossier en in strijd met de hoorplicht en zorgvuldigheidsplicht zodat de beslissing ten gronde moet worden vernietigd; Dat terzake de goede rechtsbedeling in asielrecht helemaal niet geschonden wordt indien de Commissaris Generaal vertoger, na het afleggen van een coherent vluchtelingenverhaal, had toegelaten tot de procedure ten gronde (zeker na verloop van meer dan 28 maanden tussen het asielverzoek en de bestreden beslissing 29 december 1998 - 26 april 2001) maar dat de C.G. terzake verkoos dit niet te doen en zonder kennis van zaken een Bevestigende beslissing van weigering verblijf afleverde waardoor hij meteen vertoger uitsloot van de feiten en verplichtte tot het aantekenen van een procedure voor de Raad van State waar hij machtsafwending moet aantonen om enig succes te halen (overschrijding van de appreciatiebevoegdheid); Overwegende dat het tweede deel van het tweede ernstig middel van vertoger de schending van de zorgvuldigheidverplichting betreft; Dat de Commissaris Generaal voor de Vluchtelingen en de Staatlozen meent een beslissing te moeten nemen en incidenten als bedrieglijk meent te moeten omschrijven louter op grond van het feit dat de vrouw van vertoger geen schriftelijke verklaring zou hebben afgelegd en niet zou zijn verschenen op het verhoor; Dat wat evenwel essentieel is in het dossier buiten beschouwing wordt gelaten namelijk het feit dat vertogers leven gevaar loopt omdat wars van wat de C.G. ook moge beweren sedert de oorlog tussen Azerbeidzjaan en Armenië en de daaropvolgende burgeroorlog tussen de door de Sovjets verplaatste en etnisch gemengde volkeren tot heden etnisch gemengde koppels en kinderen van gemengde etnie worden geviseerd; Dat deze vaststelling niet zo onvoorstelbaar is als de C.G. wil laten geloven daar waar de staten in de Kaukasus getroffen zijn door een zware economische depressie met herleving van nationalisme waarbij iedere staat voorrang geeft aan zijn eigen etnie op elk vlak van het maatschappelijk leven; Dat het bovendien ronduit belachelijk zou zijn aan te nemen dat er geen kwaad bloed meer zou bestaan tussen etnische Azeri en Armeniërs na verloop van minder dan vijf jaar volgend op een gruwelijke burgeroorlog die op zijn beurt binnen de vijf jaar plaats greep na het uiteenvallen van de Sovjet-Unie waarin de jaren verdrongen etnische disputen werden beslecht die het communistische bewind van de U.S.S.R. had verdrongen; Dat het Commissariaat Generaal voor de Vluchteling(
  5. en)en de Staatlozen bijzonder onzorgvuldig is te werk gegaan daar waar hij de beweringen niet heeft onderzocht en getoetst aan algemeen bekende informatie; Dat zeer concreet de administratie weet dat tot heden de rekening van de Sovjet Unie wordt vereffend en dat in Azerbeidzjan geen Armeniër meer woont net zoals in Armenië er geen Azeri meer verblijft en mensen van gemengde etnie het kind van de rekening zijn, wat de onderscheiden staten ook moge beweren om zich positief te profileren naar Europa toe; Dat de vaste Rechtspraak van de Raad van State deze schending van de verplichting tot zorgvuldigheid sanctioneert door de administratieve beslissing te vernietigen; Dat de bestreden beslissing dan ook werd getroffen op basis van een onvolkomen dossier en in strijd met de zorgvuldigheidsplicht zodat de beslissing ten gronde moet worden vernietigd;”; XIV-5014-7/9 2.2.2. Overwegende dat de kritiek op het verloop van de asielprocedure van de echtgenote van verzoeker, en op de beslissing die inzake haar asielaanvraag werd genomen niet gericht is tegen de bestreden beslissing en bijgevolg niet ter zake doet; dat het zorgvuldigheidsbeginsel de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen oplegt zijn beslissingen zorgvuldig voor te bereiden en te stoelen op een correcte feitenvinding; dat uit het administratief dossier blijkt dat verzoeker werd gehoord bij de Dienst Vreemdelingenzaken en tweemaal bij het Commissariaat-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen; dat hij de vragenlijst heeft kunnen invullen en alle informatie die hij nodig achtte kunnen indienen; dat er niet kan aangenomen worden dat de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen het zorgvuldigheidsbeginsel heeft geschonden; dat de verwijzing in het middel naar de algemene toestand in Armenië en Azerbeidzjan geen afbreuk aan de bestreden beslissing doet, waarin de persoonlijke toestand van verzoeker aan de orde is; dat het tweede middel, in de mate dat het ontvankelijk is, niet gegrond is; 2.3.1. Overwegende dat verzoeker als derde middel aanvoert “3. Derde ernstig middel: Afwending van macht: miskenning van feitelijkheden Overwegende dat vertoger wil laten gelden dat verweerders steeds in dezelfde zin op flagrante wijze de feitelijkheden miskennen en hierdoor hun macht afwenden; Dat de Minister van Binnenlandse Zaken en de Commissaris Generaal voor de Vluchteling(
  6. en)en de Staatlozen perfect op de hoogte zijn (of zouden moeten zijn) van de toestand in de Kaukasus in het algemeen en in Armenië in het bijzonder; (zie ten overvloede supra); Dat vertoger zich dan ook niet onder bescherming kan stellen van welke overheid dan ook en diende de vlucht te nemen; Dat daar waar deze aanslagen tegen zijn persoon zich richten tot personen van gemengde etnie vertoger geheel beantwoordt aan de definitie van het woord "Vluchteling"; Dat de vrees van vertoger zelf nog te worden onderworpen aan verdere schendingen concreet is en het verzoek strekkende tot erkenning zowel ontvankelijk is als gegrond; Dat het manifest miskennen van deze feiten, die overigens van algemene bekendheid zijn, een afwending van macht inhoudt zodat eveneens op deze grond de vernietiging van de bestreden beslissing zich opdringt; Dat vertoger dan ook het verder verblijf in België niet mag worden ontzegd;”; 2.3.2. Overwegende dat, met betrekking tot de feitenbeoordeling, kan verwezen worden naar de bespreking van de twee voorafgaande middelen; dat van machtsafwending slecht sprake kan zijn indien een bestuursoverheid de bevoegdheid die haar bij de wet tot het bereiken van een bepaald oogmerk van algemeen belang is gegeven, gebruikt tot het nastreven van een ander doel, én dit ongeoorloofde oogmerk het enige doel van de betrokken handeling is; dat verzoeker op geen enkel ogenblik duidelijk maakt dat de beslissingnemende overheid haar bevoegdheid afwendt van het doel waarvoor deze macht is gegeven, zijnde de controle van een asielrelaas op geloofwaardigheid in de ontvankelijkheidsfase van de asielprocedure; dat bovendien uit de bespreking van de twee vorige middelen is gebleken dat de verklaringen van verzoeker in concreto en op zorgvuldige wijze werden onderzocht; dat het derde middel niet gegrond is, XIV-5014-8/9 BESLUIT: Artikel 1. Het beroep wordt verworpen. Artikel 2. De kosten van het beroep, bepaald op 173, 53 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op negentien januari tweeduizend en vijf, door : de HH. A. BEIRLAEN, kamervoorzitter, C. VERHAERT, griffier. De griffier, De voorzitter, C. VERHAERT. A. BEIRLAEN. XIV-5014-9/9 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.139.511 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.