id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 19 januari 2005 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.139.514 Rolnummer: A. 92097/XIV-4115 Zaak: Arrest 139514 - - 19/01/2005 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2005-02-15 Raadplegingen: 54 - laatst gezien 2026-07-02 06:28 Fiche Arrest nr 139.514 van 19 januari 2005 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 139.514 van 19 januari 2005 in de zaak A. 92.097/XIV-4115. In zake : XXX, die woonplaats kiest bij Advocaat M. MANDELBLAT, kantoor houdende te 1030 BRUSSEL, A. Reyerslaan 41, bus 8 tegen : 1. de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen, 2. de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de Minister van Binnenlandse Zaken. --------------------------------------------------------------------------------------------------------------- -- DE VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX, van Bengalese nationaliteit, op 25 mei 2000 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van de beslissing van de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen van 24 maart 2000 tot bevestiging van de beslissing van de Minister van Binnenlandse Zaken van 5 januari 2000 tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten; Gelet op het arrest nr. 98.674 van 4 september 2001 waarbij de schorsing van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing wordt verworpen; Gezien het verzoek tot voortzetting van de procedure van de verzoekende partij; Gezien de regelmatig gewisselde memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door Eerste Auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST, op grond van artikel 23, van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan de partijen en gelet op het verzoek tot voortzetting teneinde te worden gehoord van de verzoekende partij; XIV-4115-1/10 Gelet op de beschikking van 11 oktober 204 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 22 december 2004; Gehoord het verslag van Kamervoorzitter A. BEIRLAEN; Gehoord de opmerkingen van Advocaat M. DELGOUFFRE die, loco Advocaat M. MANDELBLAT verschijnt voor de verzoekende partij, van Attaché F. VEREEKEN, die verschijnt voor de eerste verwerende partij en van Advocaat E. MATTERNE, die verschijnt voor de tweede verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van Eerste Auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; 1. Over de gegevens van de zaak. Overwegende dat de gegevens van de zaak als volgt kunnen worden samengevat: 1.1. XXX, van Bengalese nationaliteit, komt op 17 december 1999 in België binnen waar hij zich op 22 december 1999 vluchteling verklaart. 1.2. Op 5 januari 2000 neemt de Minister van Binnenlandse Zaken een beslissing tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten. 1.3. Op 24 maart 2000 bevestigt de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen de beslissing van de Minister van Binnenlandse Zaken van 5 januari 2000 tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten. Dit is de bestreden beslissing waarvan de motivering luidt als volgt: “(...) Betrokkene werd verhoord op 29 februari 2000 op de zetel van het Commissariaat-generaal, bijgestaan door een tolk, die de Bengaalse taal machtig is, en in aanwezigheid van zijn advocaat, Mr. De Vulder. Betrokkene, die verklaart de Bengaalse nationaliteit te bezitten, zou problemen gehad hebben met de autoriteiten omwille van zijn lidmaatschap bij de Freedom Party (FP). Betrokkene verklaart actief te zijn binnen de “FP” sinds 1990. Hij zou van 1993 tot zijn vertrek uit Bangladesh de functie van 'publicity secretary' voor zijn regio hebben uitgeoefend. Op 1 november 1997 zou er een grote bijeenkomst zijn geweest van de “Awami League” (AL) om een “committee” op te richten. Ze zouden posters van de “FP” hebben vernield. Enkele leden van de “FP” waren in het geheim aanwezig en er zou een gevecht zijn ontstaan. Betrokkene zou hierbij niet aanwezig zijn geweest. Daags nadien zou de politie naar zijn huis zijn geweest rond vijf uur 's morgens. Betrokkene zou bij een vriend zijn geweest omdat hij had vernomen dat de politie leden XIV-4115-2/10 van de “FP” lastig zou komen vallen. Op 30 december 1997 zou de politie opnieuw zijn 1angsgeweest, maar ze zouden “geen papier hebben afgegeven”. Betrokkene zou sindsdien op diverse plaatsen hebben verbleven. Betrokkene zou zich echter nooit veilig hebben gevoeld en daarom besloot betrokkene uiteindelijk om zijn land te verlaten. Hij ontvluchtte Bangladesh begin augustus 1999 en hij kwam in België aan op 17 december 1999. Betrokken(
- e)vroeg in België asiel aan op 22 december 1999. Vooreerst dient er opgemerkt te worden dat betrokkene in de loop van zijn asielaanvraag een aantal onsamenhangende verklaringen aflegde. Zo dient er opgemerkt te worden dat betrokkene op de Dienst Vreemdelingenzaken stelt dat de “FP” verboden zou zijn geweest, doch uit de informatie waarover het Commissariaat-generaal beschikt (ambassaderapporten), blijkt dat de partij weliswaar veel aan belang heeft ingeboet, doch niet is verboden. Zijn eigen activiteit dient bovendien geminimaliseerd te worden. Betrokkene stelt dan wel een verantwoordelijke functie te bekleden, doch hij zou slechts éénmaal per maand echt actief zijn geweest. Bovendien stelt betrokkene op de Dienst Vreemdelingenzaken dat hij per maand 100 Thaka als bijdrage aan de partij gaf, terwijl hij in zijn dringend beroep stelt dat hij slechts 30 Thaka per maand gaf. Ook wat betreft het door betrokkene aangehaalde probleem, is zijn relaas niet helemaal coherent. Zo stelt betrokkene in zijn dringend beroep dat de politie op 30 december 1997 was langsgeweest met een arrestatiebevel, terwijl hij in zijn dringend beroep stelt dat de politie tijdens de politiebezoeken geen papieren toonde. Wat er ook van zij, zelfs al zou nog enig geloof worden gehecht aan zijn verklaringen, dan nog dient er opgemerkt te worden dat uit informatie waarover het Commissariaat-generaal beschikt (landrapporten), blijkt dat gewone leden van de “FP” niet worden vervolgd. Verder blijkt bovendien uit informatie van het Commissariaat-generaal (onder andere rechtspraak Vaste Beroepscommissie en “Bangladesh Country Assessment; Coutry Information and Policy Unit; Versie 3.0, februari 1999) blijkt immers dat het rechtssysteem in Bangladesh goed functioneert. Betrokkene kon zich verweren tegen de valse beschuldiging die tegen hem zou zijn geuit. Bovendien beschikt betrokkene over een alibi. Tenslotte dient er nog opgemerkt te worden dat betrokkene gedurende meer dan twee jaren zonder problemen in andere delen van Bangladesh leefde, wat er toch niet meteen op wijst dat hij intensief werd gezocht door de Bengaalse autoriteiten. Uit wat voorafgaat blijkt dat de aanvraag van betrokkene bedrieglijk is en kennelijk ongegrond is; omdat de vreemdeling geen gegevens heeft aangebracht dat er, wat hem betreft, ernstige aanwijzingen bestaan van een gegronde vrees voor vervolging in de zin van de Conventie van Genève. Wat er ook van zij, betrokkene heeft niet aangetoond dat de gemachtigde van de Minister zijn appreciatiebevoegdheid heeft overschreden door hem het verblijf op het grondgebied te weigeren. In elk geval, de Commissaris-generaal ontwaart geen ernstige en aantoonbare gronden die laten geloven in een risico van schending van de Conventie van Genève in geval van verwijdering van betrokkene. Bijgevolg bevestigt de Commissaris-generaal de verblijfsweigering besloten door de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse Zaken op 5 januari 2000. De Commissaris-generaal meent dat de betrokken vreemdeling in de huidige omstandigheden mag worden teruggeleid naar de grens van het land dat hij ontvlucht is, en waar, volgens zijn verklaring, zijn leven, zijn fysieke integriteit of zijn vrijheid in gevaar zou verkeren.”. XIV-4115-3/10 2. Over de ontvankelijkheid van het beroep. 2.1. Overwegende dat de tweede verwerende partij een exceptie van niet- ontvankelijkheid ratione temporis opwerpt; 2.2. Overwegende dat uit de stukken van het administratief dossier blijkt dat de bestreden beslissing bij een op 24 maart 2000 aangetekende brief werd betekend aan verzoeker; dat het op 25 mei 2000 aangetekend verzonden verzoekschrift tot nietigverklaring tijdig is ingediend; dat de exceptie niet kan worden aangenomen; 3. Over de gegrondheid van het beroep. 3.1.1. Overwegende dat verzoeker als eerste middel aanvoert: “A. Schending van het algemeen beginsel van behoorlijk bestuur en van artikel 52 § 1, 2/
- b)van de wet van 15.12.1980. Overwegende dat, om een behoorlijke beslissing te kunnen nemen vrij van vergissingen naar recht en feiten, moet het bestuur de informatie op een volledige wijze inzamelen, zorgvuldig, oprecht en wezenlijk - de formele elementen zijn desaangaande ontoereikend - op tijd en tegensprekelijk. Het C.G.V.S. steunt zijn weigering echter ten onrechte op het volgende. 1. «Vooreerst dient er opgemerkt te worden dat betrokkene in de loop van zijn asielaanvraag een aantal onsamenhangende verklaringen aflegde. Zo dient er opgemerkt te worden dat betrokkene op de Dienst Vreemdelingenzaken stelt dat de «FP» verboden zou zijn geweest, doch uit de informatie waarover het Commissariaat-generaal beschikt (ambassaderapporten), blijkt dat de partij weliswaar veel aan belang heeft ingeboet, doch niet is verboden.” Tegenpartij stoelt haar bewering dat de FP-partij niet verboden is op informatie waarover hij zegt te beschikken (ambassaderapporten), hoewel deze informatie zich niet in het administratief dossier bevindt, zodat het de Raad van State onmogelijk is zijn censuur-taak behoorlijk te vervullen. Wat het ook zij, het administratief dossier laat niet toe te besluiten dat de bewering van verzoeker «sinds 1996 activiteiten zijn illegaal» niet met de werkelijkheid overeenstemt. 2. “Zijn eigen activiteit dient bovendien geminimaliseerd te worden. Betrokkene stelt dan wel een verantwoordelijke functie te bekleden, doch hij zou slechts éénmaal per maand echt actief zijn geweest.” Tegenpartij meent verkeerdelijk een tegenstrijdigheid te vinden tussen het bekleden van een verantwoordelijke functie enerzijds, en het feit «slechts éénmaal per maand echt actief geweest te zijn» anderzijds. Tegenpartij verlies echter het merendeel van de verklaringen van verzoeker uit het oog betreffende zijn andere concrete activiteiten, zoals mensen helpen in sociaal werk, en mensen helpen in kwaliteit van leven verhogen, enz. ... 3. «Bovendien stelt betrokkene op de Dienst Vreemdelingenzaken dat hij per maand 100 Thaka als bijdrage aan de partij gaf, terwijl hij in zijn dringend beroep stelt dat hij slechts 30 Thaka per maand gaf.» Het is louter uit een materiële vergissing dat verzoeker in zijn dringend verzoek 30 Thaka als bijdrage aan de partij vermeld heeft, terwijl hij korrekt op de Dienst Vreemdelingenzaken gemeld heeft dat hij 100 Thaka per maand aan de partij gaf. Zulke detailvergissingen kunnen hoegenaamd niet in aanmerking komen om te besluiten dat er geen ernstige aanwijzingen bestaan voor een gegronde vrees voor vervolging. 4. «Ook wat betreft het door betrokkene aangehaalde probleem, is zijn relaas niet helemaal coherent. Zo stelt betrokkene in zijn dringend beroep dat de politie op 30 december 1997 was langsgeweest met een arrestatiebevel, terwijl hij in zijn XIV-4115-4/10 dringend beroep stelt dat de politie tijdens de politiebezoeken geen papieren toonde.» Door te zeggen dat de politie tijdens de politiebezoeken geen papieren toonde, bedoelde verzoeker dat de politie geen papieren toonde van de werkelijke hoedanigheid van de politieagenten, zoals bijvoorbeeld een politiekaart. Hiermede bedoelde hij dus niet een dokument zoals een arrestatiebevel. 5. Verder blijkt bovendien uit informatie van het Commissariaat-generaal (onder andere rechtspraak Vaste Beroepscommissie en «Bangladesh Country Assessment; Country Information and Policy Unit; Versie 3.0, februari 1999) blijkt immers dat het rechtssysteem in Bangladesh goed functioneert In tegenstelling met wat tegenpartij beweert, valt er niet af te leiden uit het landrapport Bangladesh dat gewone leden van de FP niet vervolgd worden. Tegenpartij blijft immers in gebreke de juiste passage desaangaande te preciseren van dat rapport met 28 blz.. Verder stelt tegenpartij eveneens ten onrechte dat uit dat verslag zou blijken dat het rechtssysteem in Bangladesh goed funktion(n)e(e)rt. Integendeel, men zal hierna de zinvolle passages van dat verslag vinden, waaruit blijkt dat de politie misbruik pleegde van een aantal serieuse mensenrechten, en buitengerechtelijke moorden in 1998. Bovendien bleven de meeste misbruiken onbestraft, en het klimaat van zulke straffeloosheid betekende een voorname hinderpaal om een einde te maken aan de misbruiken en herhaalde moorden door de politie. Eveneens zijn er verschillende aanwijzingen dat de politie overgaat tot slagen en folteringen van mensen in voorhechtenis tijdens arrestaties en verhoren. De regering vervolgt of straft heel zelden de verantwoordelijken van deze folteringen, zodat de straffeloosheid ervoor zorgt dat politiemisbruiken verder doorgaan. Er valt eveneens op te merken dat de gewone rechtbanken deel uitmaken van de administratieve tak van de regering, zodat er geen scheiding is tussen gerechtelijke en executieve machten. Men kan dus hier bezwaarlijk spreken over het goed functioneren van zulk een rechtssysteem. Het verslag geeft dit trouwens toe door te stellen dat de regering onlangs aanbevelingen voorgesteld heeft strekkende tot de scheiding van gerechtelijke en executieve machten enerzijds, en dat de onderzoeken door de gerechtelijke macht zouden worden uitgevoerd en niet meer door de politie (blz. 14, 5.1.3). Bovendien beperkt tegenpartij haar informatie louter op beweerde ambassaderapporten, zonder zich echter de moeite te getroosten haar informatie uit te breiden tot andere beschikbare bronnen zoals die van AMNESTY INTERNATIONAL (zie bundel) waar het tegenovergestelde blijkt van de aangehaalde informatie. Aldus heeft tegenpartij blijk gegeven van partijdigheid. 6. «Wat er ook van zij, zelfs al zou nog enig geloof worden gehecht aan zijn verklaringen, dan nog dient er opgemerkt te worden dat uit informatie waarover het Commissariaat-generaal beschikt (landrapporten), blijkt dat gewone leden van de «FP» niet worden vervolgd.» Deze eenzijdige stelling van tegenpartij berust op geen enkel element uit het administratief dossier. De Raad van State kan dus desaangaande zijn censure opdracht niet degelijk vervullen. Inderdaad, door de informatie waarop tegenpartij zich uitdrukkelijk baseert niet bij het administratief dossier te voegen, laat tegenpartij de Raad van State niet toe zijn toetsing uit te oefenen. 7. Tenslotte dient er nog opgemerkt te worden dat betrokkene gedurende meer dan twee jaren zonder problemen in andere delen van Bangladesh leefde, wat er toch niet meteen op wijst dat hij intensief werd gezocht door de Bengaalse autoriteiten Verzoeker geeft immers aan dat hij zich onveilig voelde en dat hij schrik had door de politie vermoord te worden indien hij in hun klauwen zou vallen, reden waarom hij zelfs na een relatief lange termijn naar Europa vluchtte. In casu kan het C.G.V.S. dus niet zo maar beweren dat het asielaanvraag kennelijk ongegrond is. XIV-4115-5/10 Luidens de konstante rechtspraak terzake mag van een asielaanvrager geen bewijs opgeëisd worden. Het volstaat dat hij ernstige aanwijzingen aangeeft van een gegronde vrees van vervolging in de zin van de Conventie van Genève. Het middel blijkt aldus gegrond te zijn.”; 3.1.2.1. Overwegende dat verzoeker in het middel stelt dat de Commissaris- generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen op een zorgvuldige wijze de nodige informatie moet inzamelen om een behoorlijke beslissing te kunnen nemen; dat volgens verzoeker dit niet is gebeurd; 3.1.2.2.1 Overwegende dat verzoeker vaststelt dat de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen steunt op ambassaderapporten om te stellen dat de “FP” niet verboden is; dat deze informatie zich echter niet in het administratief dossier bevindt, zodanig dat de Raad van State dit niet kan nakijken; dat de eerste verwerende partij bij haar nota verschillende documenten voegt op grond waarvan de bestreden beslissing is gebaseerd, waaronder de ambassaderapporten waarvan sprake in de bestreden beslissing; dat de Raad van State derhalve wel degelijk deze stukken kan beoordelen; dat uit de stukken van het dossier blijkt dat verzoeker tijdens het verhoor op de Dienst Vreemdelingenzaken verklaarde dat in 1993 de Awami-partij aan de macht was die het verdere bestaan van de Freedom Party verbood; dat tengevolge daarvan er niet meer openbaar kon gewerkt worden en het werk clandestien werd voortgezet; dat hieruit de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen in alle redelijkheid kon afleiden dat de FP niet verboden is, doch veel aan belang heeft ingeboet, terwijl volgens verzoekers verklaringen de FP wel verboden zou zijn geweest; dat verzoeker deze vaststelling niet weerlegt met concrete elementen; 3.1.2.2.2. Overwegende dat volgens verzoeker de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen verkeerdelijk meent een tegenstrijdigheid te vinden tussen het bekleden van een verantwoordelijke functie, enerzijds, en het feit “slechts éénmaal per maand echt actief geweest te zijn”, anderzijds; dat volgens verzoeker het merendeel van zijn verklaringen betreffende zijn andere concrete activiteiten uit het oog wordt verloren; dat de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen in de bestreden beslissing vaststelt dat de activiteit van verzoeker (in de partij) dient geminimaliseerd te worden waar verzoeker stelt een verantwoordelijke functie te bekleden, doch slechts éénmaal per maand echt actief is geweest; dat uit de stukken van het dossier blijkt dat verzoeker op de Dienst Vreemdelingenzaken verklaarde dat hij in 1993 verantwoordelijk werd voor de regionale afdeling publiciteit van de partij en dat hij een actief lid was van de partij; dat tijdens het verhoor in dringend beroep verzoeker verklaarde dat hij sinds 1990 actief was binnen de FP en dat zijn laatste functie die van “publicity secretary” was; dat hij van 1993 tot 1999 pamfletten verspreidde als er daarvoor instructies kwamen van de districtverantwoordelijke; dat hij ongeveer éénmaal per maand werkte voor de partij; dat op grond van deze verklaringen de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen in alle XIV-4115-6/10 redelijkheid tot de betrokken vaststelling kon komen; dat verzoeker het tegendeel niet aantoont met concrete elementen; 3.1.2.2.3. Overwegende dat verzoeker verwijst naar de vaststelling van de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen dat verzoeker op de Dienst Vreemdelingenzaken verklaarde per maand 100 Thaka als bijdrage aan de partij te geven, terwijl hij in dringend beroep stelt dat hij per maand 30 Thaka gaf; dat verzoeker stelt dat het om een materiële vergissing van zijnentwege gaat die echter niet in aanmerking kan komen om als basis te dienen om te besluiten dat geen ernstige vervolgingsvrees aanwezig is; dat verzoeker de verklaringen niet weerlegt op grond waarvan de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen tot de betrokken vaststelling kwam; dat niet valt in te zien waarom deze vaststelling, die overeenstemt met verzoekers verklaringen tijdens zijn verhoren, elke redelijkheid zou missen; 3.1.2.2.4. Overwegende dat met betrekking tot de vaststelling van de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen dat verzoeker op de Dienst Vreemdelingenzaken stelde dat de politie op 30 december 1997 was langsgeweest met een arrestatiebevel, terwijl hij in zijn dringend beroep stelde dat de politie tijdens de politiebezoeken geen papieren toonde, verzoeker in het middel stelt dat hij hiermee bedoelde dat de politie tijdens de politiebezoeken geen papieren toonde van de werkelijke hoedanigheid van de politieagenten, zoals bijvoorbeeld een politiekaart, en dat hij dus niet een arrestatiebevel bedoelde; dat verzoeker de betrokken vaststelling tracht te verklaren, doch hiermee niet aantoont dat de betrokken vaststelling van de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen alle redelijkheid mist; 3.1.2.2.5. Overwegende dat verzoeker verwijst naar de overweging van de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen dat uit informatie waarover het Commissariaat-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen beschikt, blijkt dat het rechtssysteem in Bangladesh goed functioneert; dat verzoeker hier niet mee akkoord gaat en van mening is dat men bezwaarlijk kan spreken van een goed functionerend rechtssysteem en hij de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen partijdigheid verwijt; dat de eerste verwerende partij verwijst naar het rapport “Bangladesh Country Assessment, Country Information and Policy Unit, Version 3.0, march 1999" waar uit punt 4.2.2. blijkt dat het rechtssysteem in Bangladesh goed functioneert; dat verzoeker in het middel algemene informatie aanbrengt die echter de concrete situatie van verzoeker niet betreft; dat verzoeker erop drukt dat er in Bangladesh geen scheiding van machten bestaat, naar rapporten van Amnesty International verwijst die de algemene toestand in Bangladesh weergeven; dat dit op zich niet aantoont dat de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen alle redelijkheid is te buiten gegaan met de betrokken vaststelling; dat verzoeker in het geheel niet aannemelijk maakt dat de Commissaris- XIV-4115-7/10 generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen partijdig is opgetreden bij de beoordeling van zijn asielaanvraag; 3.1.2.2.6. Overwegende dat verzoeker stelt dat de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen, door zich te baseren op informatie die niet bij het administratief dossier werd gevoegd, het de Raad van State onmogelijk maakt zijn toetsing uit te voeren; dat dient opgemerkt dat de eerste verwerende partij de bedoelde informatie, die werd gebruikt bij de beoordeling van verzoekers asielaanvraag, bij de nota heeft gevoegd; dat uit deze informatie niet kan afgeleid worden dat de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen tot onredelijke vaststellingen terzake is gekomen; dat verzoeker in het middel het tegendeel niet aantoont; 3.1.2.2.7. Overwegende dat verzoeker verwijst naar de opmerking van de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen dat verzoeker gedurende meer dan twee jaren zonder problemen in andere delen van Bangladesh leefde, hetgeen er toch niet meteen op wijst dat hij intensief gezocht werd door de Bengaalse autoriteiten; dat volgens verzoeker hij aangeeft dat hij zich onveilig voelde en schrik had om buiten te komen; dat verzoeker stelt dat op hem niet de bewijslast rust en dat het volstaat dat hij ernstige aanwijzingen geeft van een gegronde vervolgingsvrees; dat verzoeker niet met concrete elementen aangeeft waarom de betrokken opmerking buiten alle redelijkheid zou genomen zijn; dat de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen op grond van de weergegeven motieven heeft geoordeeld dat de vereiste gegronde vervolgingsvrees niet bleek uit verzoekers relaas; 3.1.2.3. Overwegende dat verzoeker in zijn eerste middel niet aannemelijk maakt dat de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen onzorgvuldig tewerk is gegaan bij het hanteren van de verschillende informatiebronnen bij het nemen van de bestreden beslissing; dat het eerste middel in zijn geheel niet gegrond is; 3.2.1. Overwegende dat verzoeker als tweede middel aanvoert: “B. Schending van artikel 62 van de wet van 15.12.1980 en van artikel 3 van de wet van 29.07.1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen. Volgens bovenvermeld artikel 62 moeten de bestuurshandelingen gemotiveerd zijn, en luidens artikel 3 van bovenvermelde wet: “De opgelegde motivering moet in de akte de juridische en feitelijke overwegingen vermelden die aan de beslissing ten grondslag liggen. Zij moeten afdoende zijn.” Inderdaad volgens een algemeen geldend rechtsbeginsel, moet een administratieve beslissing steeds de rechtens vereiste feitelijke grondslag hebben, en het bestaan van die grondslag moet kunnen bewezen worden in geval van betwisting aan de hand van stukken die de overheid, wanneer ze haar beslissing nam, bij haar oordeel kunnen betrekken. De aangevochten beslissing van het C.G.V.S. stelt ten onrechte dat de aanvraag van verzoeker kennelijk ongegrond is, steunende op ontbrekende informatie, en met uitsluiting van andersluidend beschikbare en betrouwbare informatie uitgaande XIV-4115-8/10 bijvoorbeeld van Amnesty International en Human Rights Watch, stukken die als ernstige aanwijzingen kunnen beschouwd worden (zie bundel). Bij arrest nr. 5421 van 25.11.94 (R.A.C.E, 1994) heeft de Raad van State geoordeeld: “Est manifeste, au sens de l’art. 52 de la loi du 15.12.80 sur l’accès au territoire, le séjour, l’établissement et l’éloignement des étrangers, ce dont l’existence ou la nature s’impose à un esprit raisonnable avec une force de conviction telle que de plus amples investigations n’apparaissent pas nécessaires. Lorsque le candidat réfugié a fourni des éléments pour expliquer les circonstances de son arrestation, sa détention et la fuite de son pays qui, avérés ou non, sont circonstanciés, le délégué du ministre commet une erreur manifeste d’appréciation en retenant, pour rejeter la demande urgente de réexamen, le caractère manifestement non fondé de la demande d'asile.” Deze rechtspraak is in casu eveneens precies toepasselijk. Aldus heeft het bestuur haar beslissing niet met de haar opgelegde substantiële motiveringsplicht naar behoren omkleed, door het begrip «kennelijk ongegrond» miskend te hebben.”; 3.2.2. Overwegende dat de bestreden beslissing steunt op de volgende motieven: - verzoeker legde in de loop van zijn asielaanvraag een aantal onsamenhangende verklaringen af, - zo dient er opgemerkt te worden dat verzoeker op de Dienst Vreemdelingenzaken stelt dat de “FP” verboden zou geweest zijn, doch uit de informatie waarover het Commissariaat-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen (CGVS) beschikt (ambassaderapporten), blijkt dat de partij weliswaar veel aan belang heeft ingeboet, doch niet is verboden, - verzoekers eigen activiteit dient bovendien geminimaliseerd te worden; verzoeker stelt dat wel een verantwoordelijke functie te bekleden doch hij zou slechts éénmaal per maand echt actief zijn geweest, - bovendien stelt verzoeker op de Dienst Vreemdelingenzaken dat hij per maand 100 Thaka als bijdrage aan de partij gaf, terwijl hij in zijn dringend beroep stelt dat hij slechts 30 Thaka per maand gaf, - ook wat het door verzoeker aangehaalde problemen betreft is zijn relaas niet helemaal coherent, - zo stelt verzoeker in zijn dringend beroep (lees: op het DVZ) dat de politie op 30 december 1997 was langsgeweest met een arrestatiebevel, terwijl hij in zijn dringend beroep stelt dat de politie tijdens de politiebezoeken geen papieren toonde, - wat er ook van zij, zelfs al zou nog enig geloof worden gehecht aan verzoekers verklaringen, dan nog dient er opgemerkt te worden dat uit informatie waarover het Commissariaat-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen beschikt (landrapporten), blijkt dat gewone leden van de “FP” niet worden vervolgd, - verder blijkt bovendien uit informatie van het Commissariaat-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen (onder andere rechtspraak Vaste Beroepscommissie en “Bangladesh Country Assessment; Country Information and Policy Unit; versie 3.0, februari 1999) dat het rechtssysteem in Bangladesh goed functioneert, XIV-4115-9/10 - verzoeker kon zich verweren tegen de valse beschuldiging die tegen hem zou zijn geuit en bovendien beschikt verzoeker over een alibi, - ten slotte dient er opgemerkt te worden dat verzoeker gedurende meer dan twee jaren zonder problemen in andere delen van Bangladesh leefde, wat er toch niet meteen op wijst dat hij intensief gezocht werd door de Bengaalse autoriteiten; dat, samengelezen met de bespreking van het eerste middel, dient vastgesteld dat de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen voldoende motieven aanvoert die de bestreden beslissing schragen; dat verzoeker alleszins het tegendeel niet aantoont; dat verzoeker zich in het middel beperkt tot algemene affirmaties die de wettigheid van de bestreden beslissing niet aantasten; dat het tweede middel niet gegrond is, BESLUIT: Artikel 1. Het beroep wordt verworpen. Artikel 2. De kosten van het beroep, bepaald op 347,05 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op negentien januari tweeduizend en vijf, door : de HH. A. BEIRLAEN, kamervoorzitter, C. VERHAERT, griffier. De griffier, De voorzitter, C. VERHAERT. A. BEIRLAEN. XIV-4115-10/10 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.139.514 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div