← België

Arrest 139515 - - 19/01/2005

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 19 januari 2005 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.139.515 Rolnummer: A. 108019/XIV-5771 Zaak: Arrest 139515 - - 19/01/2005 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2005-02-15 Raadplegingen: 63 - laatst gezien 2026-07-02 06:28 Fiche Arrest nr 139.515 van 19 januari 2005 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 139.515 van 19 januari 2005 in de zaak A. 108.019/XIV-

  1. In zake :
  2. XXX,
  3. XXX, die woonplaats kiezen bij Advocaten F. en R. COEL, kantoor houdende te 2800 MECHELEN, Kardinaal Mercierplein 8 tegen :
  4. de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen,
  5. de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de Minister van Binnenlandse Zaken. --------------------------------------------------------------------------------------------------------------- -- DE VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX en XXX, beide van Armeense nationaliteit, op 24 juli 2001 hebben ingediend om de vernietiging te vorderen van de beslissingen van de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen van 26 juni 2001 tot bevestiging van de beslissingen van de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse Zaken van 8 januari 2001 tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten; Gelet op de beschikking van 20 augustus 2001 waarbij aan de verzoekende partijen het voordeel van de kosteloze rechtspleging wordt verleend; Gezien de regelmatig gewisselde memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door Eerste Auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST, op grond van artikel 23, van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan de partijen en gelet op het verzoek tot voortzetting teneinde te worden gehoord van de verzoekende partijen; Gelet op de beschikking van 11 oktober 2004 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 22 december 2004; XIV-5771-1/9 Gehoord het verslag van Kamervoorzitter A. BEIRLAEN; Gehoord de opmerkingen van Advocaat A. HAEGEMAN die, loco Advocaten F. en R. COEL verschijnt voor de verzoekende partijen, van Attaché F. VEREEKEN, die verschijnt voor de eerste verwerende partij en van Advocaat E. MATTERNE, die verschijnt voor de tweede verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van Eerste Auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
  6. Over de gegevens van de zaak. Overwegende dat de gegevens van de zaak als volgt kunnen worden samengevat: 1.
  7. XXX en zijn echtgenote XXX, beide van Armeense nationaliteit, zijn in België binnengekomen op 10 november 2000 en hebben zich dezelfde dag vluchteling verklaard. 1.
  8. Op 8 januari 2001 neemt de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse Zaken de beslissingen tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten. 1.
  9. Op 26 juni 2001 neemt de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen de beslissingen tot bevestiging van de beslissingen van de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse Zaken van 8 januari 2001 tot weigering van verblijf. Dit zijn de bestreden beslissingen, die als volgt luiden: Wat XXX betreft: “(...) Betrokkene werd verhoord op 3 mei 2001 op de zetel van het Commissariaat-generaal, bijgestaan door een tolk, die de Armeense taal machtig is. Betrokkene, een Armeens staatsburger van Armeense origine, verklaart rond september, oktober 1998 getuige te zijn geweest van een moord waarbij ondermeer N, luitenant- kolonel bij de Staatsveiligheid (departement bevoegd voor de grensbewaking) betrokken zou geweest zijn. Betrokkene zou in die periode de chauffeur geweest zijn van N. Bij het beëindigen van zijn dienstplicht (5 november 1998) zou betrokkene door N zijn bedreigd niets over het gebeuren los te laten. In de daaropvolgende periode zou betrokkene geen problemen hebben gekend. Op 25 juli 2000 zou betrokkene zijn opgeroepen door de staatsveiligheid van Artashat (departement Nationale Veiligheid) die bevoegd zou geweest zijn voor het onderzoek naar de moord. Betrokkene zou zijn XIV-5771-2/9 aanwezigheid op de dag van de moord hebben ontkend en vervolgens drie dagen bedenktijd hebben gekregen. Die nacht zouden twee personen die zouden gestuurd zijn door N, betrokkene onder druk hebben gezet de moord op zich te nemen waarbij betrokkene een schotwonde zou hebben opgelopen. De politie zou gereageerd hebben dat ze geen hulp konden bieden. Op 26 juli 2000 zou betrokkene Armenië hebben verlaten en gevlucht zijn naar Georgië vanwaar hij op 5 november 2000 verder zou gevlucht zijn naar België. Hij vroeg asiel aan samen met zijn echtgenote, XXX, op 10 november
  10. Betrokkene verklaart getuige te zijn geweest van een moord gepleegd door een luitenant-kolonel van de Staatsveiligheid (CG p. 5). Betrokkene verklaarde (CG p. 5) onder druk te zijn gezet door N omwille van de angst van deze dat door betrokkene de moord zou opgehelderd worden aangezien betrokkene een paar dagen later opnieuw naar de onderzoekers moest gaan. Het onderzoek zou gevoerd zijn door een andere afdeling van de Staatsveiligheid (p. 6). Vooreerst wordt de geloofwaardigheid van betrokkenes relaas ondermijnd doordat een manifeste ongerijmdheid voorkomt tussen betrokkenes opeenvolgende verklaringen bij de Dienst Vreemdelingenzaken en het Commissariaat-generaal en de verklaring van zijn echtgenote afgelegd bij de Dienst Vreemdelingenzaken. Betrokkenes echtgenote verklaarde bij de DVZ dat haar echtgenoot op 25/07/2000, nadat zij terug kwam van haar ouders, zwaar was toegetakeld (dit zou gebeurd zijn vóór betrokkene die nacht door twee personen werd meegenomen). Nochtans maakte betrokkene zelf noch bij de DVZ, noch bij het CGVS, melding van het relevante gegeven dat hij die dag toen hij zou ondervraagd zijn door onderzoekers van de Staatsveiligheid (vóór het incident de daaropvolgende nacht) fysiek zou mishandeld zijn. Daarnaast blijkt uit het relaas van betrokkene dat hij problemen kende met een individuele persoon werkzaam bij de Staatsveiligheid. Er dient te worden opgemerkt dat betrokkene naliet aangifte te doen van de moord en vervolgens geen aangifte deed van het incident van 25 juli 2000 bij de bevoegde onderzoekers en hiervoor geen gegronde reden kan opgeven (p. 10). Aldus dient te worden vastgesteld dat betrokkene niet van alle mogelijke wettelijke middelen gebruik heeft gemaakt om bescherming te zoeken bij de autoriteiten van zijn land en is er geen reden om aan te nemen dat betrokkene deze niet zou verkregen hebben omwille van één van de criteria omschreven in de Vluchtelingenconventie. De door betrokkene neergelegde documenten wijzigen hetgeen hierboven werd uiteengezet niet. Het militair boekje van betrokkene bevat geen gegevens die in twijfel worden getrokken. Het medisch attest vermeldt de periode van ziekenhuisopname en de opgelopen verwondingen zonder meer en doet vervolgens geen afbreuk aan de vaststelling dat betrokkene niet alle mogelijke middelen heeft benut om bescherming te zoeken bij de autoriteiten van zijn land. Uit wat voorafgaat blijkt dat de aanvraag van betrokkene bedrieglijk en kennelijk ongegrond is, omdat de vreemdeling geen gegevens heeft aangebracht dat er, wat hem betreft, ernstige aanwijzingen bestaan van een gegronde vrees voor vervolging in de zin van de Conventie van Genève. Wat er ook van zij, betrokkene heeft niet aangetoond dat de gemachtigde van de Minister zijn appreciatiebevoegdheid heeft overschreden door hem het verblijf op het grondgebied te weigeren. In elk geval, de Commissaris-generaal ontwaart geen ernstige en aantoonbare gronden die laten geloven in een risico van schending van de Conventie van Genève in geval van verwijdering van betrokkene. Bijgevolg bevestigt de Commissaris-generaal de verblijfsweigering besloten door de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse Zaken op 8 januari
  11. De Commissaris-generaal meent dat de betrokken vreemdeling in de huidige omstandigheden mag worden teruggeleid naar de grens van het land dat hij ontvlucht is, en waar, volgens zijn verklaring, zijn leven, zijn fysieke integriteit of zijn vrijheid in gevaar zou verkeren. (...).”. XIV-5771-3/9 Wat XXX betreft: “(...) Betrokkene, een Armeens staatsburger van Armeense origine, verklaart bij de Dienst Vreemdelingenzaken naar België te zijn gevlucht omwille van de problemen van haar echtgenoot, XXX. Betrokkene vroeg samen met haar echtgenoot asiel aan op 10 november
  12. Betrokkene is niet in het bezit van enig (identiteits)document. De Commissaris-generaal meent niet te moeten overgaan tot de oproeping van betrokkene, aangezien uit haar verklaringen eerder afgelegd bij de Dienst Vreemdelingenzaken blijkt dat ze zich baseert op de feiten zoals aangehaald door haar echtgenoot. Er dient te worden opgemerkt dat de asielaanvraag van betrokkenes echtgenoot als bedrieglijk en kennelijk ongegrond werd beschouwd waardoor ook in hoofde van betrokkene geen vermoeden kan weerhouden worden van een gegronde vrees voor vervolging omwille van één van de criteria omschreven in de Vluchtelingenconventie. Uit wat voorafgaat blijkt dat de aanvraag van betrokkene kennelijk ongegrond is, omdat de vreemdeling geen gegevens heeft aangebracht dat er, wat hem betreft, ernstige aanwijzingen bestaan van een gegronde vrees voor vervolging in de zin van de Conventie van Genève. Wat er ook van zij, betrokkene heeft niet aangetoond dat de gemachtigde van de Minister zijn appreciatiebevoegdheid heeft overschreden door haar het verblijf op het grondgebied te weigeren. In elk geval, de Commissaris-generaal ontwaart geen ernstige en aantoonbare gronden die laten geloven in een risico van schending van de Conventie van Genève in geval van verwijdering van betrokkene. Bijgevolg bevestigt de Commissaris-generaal de verblijfsweigering besloten door de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse Zaken op 8 januari
  13. De Commissaris-generaal meent dat de betrokken vreemdeling in de huidige omstandigheden mag worden teruggeleid naar de grens van het land dat hij ontvlucht is, en waar, volgens zijn verklaring, zijn leven, zijn fysieke integriteit of zijn vrijheid in gevaar zou verkeren. (...).”.
  14. Over de gegrondheid van het beroep. 2.1.
  15. Overwegende dat verzoekers als eerste middel aanvoeren: “C. Eerste ernstig Middel: Schending van de wettelijke opdracht van verweerders Overwegende dat de Commissaris Generaal er zich in zijn beslissing mee vergenoegd zich te beperken tot de blote vaststelling dat eerste vertoger weliswaar mogelijks getuige waren van een moord gepleegd door een lid van de Staatsveiligheid maar deze niet heeft aangegeven waardoor hij alle rechtsmiddelen niet zou hebben uitgeput waardoor en het asielverzoek van vertogers maar moet worden afgewezen; Dat de Commissaris Generaal daar bijzonder lapidair is en zijn taak te licht opneemt en verzuimt te polsen naar de redenen voor asiel die worden aangedragen door vertogers zoals dit zijn opdracht is en zich beperkt tot één enkele vaststelling; Dat dergelijk handelen niet hoort tot de opdracht van de Commissaris Generaal in de fase van de ontvankelijkheid; Dat overeenkomstig de geldende regels van het Belgisch administratief recht de Dienst vreemdelingenzaken, en in geval van dringend beroep de Commissaris Generaal, moeten bewijzen dat er een grond voor niet-ontvankelijkheid bestaat; (zie: M. Bossuyt, “Uiteenzetting over de voorgestelde wijzigingen in de VreemdelingenWet voor de Senaatscommissie voor de Binnenlandse aangelegenheden”, Parl.St. 1992-93, nr. 555/2,

(54)55, nr. 4) Dat in de fase van de ontvankelijkheid de autoriteiten genoegen moeten nemen met een aannemelijk, dit wil zeggen samenhangend, niet tegenstrijdig en waarschijnlijk vluchtverhaal; (zie D. Vanheule, “Vluchtelingen: een overzicht”, Mys en Breesch, Gent, tweede uitgave, 1998, nr. 348) Dat bovendien de term “kennelijk” in artikel 52 § 1, 7/ Vr.W. de beslissingsbevoegdheid van de administraties nog verder beknot tot gevallen waarin het XIV-5771-4/9 ontbreken van elke ernstige aanwijzing van gegronde vrees voor vervolging duidelijk herkenbaar is; Dat van zodra er ook maar enig ernstig element is aangebracht of er twijfel bestaat of de gevreesde vervolging al dan niet bestaat moet de kandidaat vluchteling het voordeel van de twijfel worden gegeven en moet hij worden toegelaten tot het onderzoek ten gronde; (zie D. Vanheule, “Vluchtelingen: een overzicht”, Mys en Breesch, Gent, tweede uitgave, 1998, nr. 349 ev.) Dat evenwel de Commissaris Generaal voor de Vluchteling en de Stateloze meent een beslissing te moeten nemen louter op grond van het feit dat volgens hemeerste vertoger een moord niet heeft aangegeven gepleegd door zijn bevelvoerend officier in actieve dienst aan de politiediensten; Dat eerste vertoger wel degelijk de moord heeft aangegeven aan de politie, wat de C.G. WEET (zie beslissing p. 1 in fine) maar dat de politie zich niet wou moeien in de activiteiten van de Staatsveiligheid; Dat eerste vertoger (bedreigd, beschoten en gewond, met een politie die niet wil tussenkomen ...) geen enkel andere optie had dan zijn leven veilig te stellen in België waar hij moet vaststellen dat de administratie ingevolge zijn asielverzoek blijkbaar geen enkele interesse heeft voor zijn problemen; Dat in plaats van de verklaringen te toetsen aan objectieve gegevens die de Commissaris Generaal kent, de Commissaris Generaal louter zich beperkt tot de vaststelling dat volgens hem blijkbaar er geen aangifte gebeurde van de moord in handen van de politie daar waar het verhoor een andere versie geeft; (zie bestreden beslissing) Dat om tot een rechtmatig besluit te komen de betrokken administratie volledig op de hoogte moet zijn van de feiten die haar besluitvorming kunnen beïnvloeden en dat het de taak van een onafhankelijke administratie zou moeten zijn objectief een dossier samen te stellen en ieder dossier op een eerlijke wijze te beoordelen, in ieder geval zich niet kan beperken tot een lapidaire opmerking om te komen tot een negatieve beslissing; Dat de Commissaris Generaal hier in dezelfde zin zijn opdracht te buiten is gegaan zodat de beslissing aangetast is door machtsafwending, waarover eveneens infra meer; Dat de Raad van State dan ook niet zal aarzelen de materiële juistheid van de ingeroepen feiten te verifiëren en daarvoor haar toevlucht zal nemen tot alle middelen die zij nodig acht; ( zie De Wijngaert, M., ‘De feitencontrole door de Belgische en de Franse Raad van State’, T.B.P., 1955, 199-211, 287-295) Dat zeer concreet de redenen om te besluiten tot manifeste ongegrondheid op zich geen afbreuk doet aan de consistentie van het vluchtelingenverhaal van vertogers, waarover infra meer; Dat de bestreden beslissing dan ook werd getroffen in strijd met de wettelijke opdracht van verweerders en op basis van bijzonder mank samengesteld en onvolkomen dossier zodat de beslissing ten gronde moet worden vernietigd;”; 2.1.2.1 Overwegende dat verzoekers stellen dat de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen zijn taak te licht opneemt en verzuimt te polsen naar de redenen voor asiel; dat volgens verzoekers de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen moet bewijzen dat er een grond voor niet-ontvankelijkheid bestaat en dat in de fase van de ontvankelijkheid een samenhangend, niet tegenstrijdig en waarschijnlijk vluchtverhaal moet volstaan; dat van zodra er ook maar één ernstig element is aangebracht aan de kandidaat-vluchteling het voordeel van de twijfel moet worden gegeven; dat verzoeker vaststelt dat de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen wel kennis heeft van het feit dat hij de moord aan de politie heeft aangegeven maar hiermee geen rekening heeft gehouden bij zijn besluitvorming en zich integendeel heeft beperkt tot een “lapidaire” opmerking; XIV-5771-5/9 2.1.2.
  1. Overwegende dat het in de eerste plaats aan de kandidaat-vluchteling toekomt aan te tonen dat er een gegronde vrees voor vervolging bestaat met toepassing van het algemeen rechtsbeginsel volgens hetwelk de bewijslast in de eerste plaats valt op de eisende partij; dat de kandidaat-vluchteling zélf een begin van bewijs moet aanbrengen waaruit blijkt dat hij mogelijks onder de criteria van de Vluchtelingenconventie valt; dat het tot de bevoegdheid van de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen behoort in de ontvankelijkheidsfase de asielrelazen te controleren op hun geloofwaardigheid; dat het voordeel van de twijfel kan worden toegestaan indien, na onderzoek van alle elementen, de overtuiging bestaat dat de afgelegde verklaringen geloofwaardig zijn; dat uit de bestreden beslissingen duidelijk blijkt dat net op dit punt de geloofwaardigheid door de beslissingnemende overheid niet wordt aangenomen; dat in de gegeven omstandigheden aldus terecht aan de verzoekende partijen het voordeel van de twijfel niet wordt gegeven; dat uit het verhoorverslag opgesteld op het Commissariaat- generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen blijkt dat verzoeker uitdrukkelijk verklaarde geen aangifte van de moord te hebben gedaan omdat de autoriteiten hem niet zouden geloven aangezien hij geen bewijzen had; dat bovendien de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen in de bestreden beslissing terecht vaststelt dat verzoeker evenmin aangifte deed van het incident van 25 juli 2000 bij de bevoegde onderzoekers van de moord; dat de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen aan de hand van de antwoorden van verzoeker heeft overwogen dat deze niet van alle mogelijke wettelijke middelen gebruik heeft gemaakt om bescherming te zoeken bij de autoriteiten van zijn land; dat deze overweging niet wordt tegengesproken door de gegevens van het administratief dossier en verzoeker niet in concreto heeft aangetoond dat de beslissing kennelijk onredelijk is; dat, met betrekking tot de aangevoerde “machtsafwending”, erop kan worden gewezen dat machtsafwending onder andere inhoudt dat een bestuursorgaan de bevoegdheid die hem werd verleend bij de wet tot het bereiken van een bepaald doel van algemeen belang, gebruikt om een ander doel na te streven; dat de verzoekende partijen op geen enkel ogenblik duidelijk maken dat de beslissingnemende overheid haar bevoegdheid afwendt van het doel waarvoor deze bevoegdheid is gegeven, zijnde het controleren van asielrelazen op hun geloofwaardigheid in de ontvankelijkheidsfase van de asielprocedure; dat het eerste middel niet gegrond is; 2.2.
  2. Overwegende dat verzoekers als tweede middel aanvoeren: “D. Tweede ernstig Middel: schending van de beginselen van behoorlijk bestuur Overwegende dat het tweede ernstig middel van vertogers de schending van de beginselen van behoorlijk bestuur betreft, meerbepaald de verplichting tot zorgvuldigheid; Dat het Commissariaat Generaal voor de Vluchteling en de Staatlozen een bestuurlijke overheid is gebonden aan de beginselen van behoorlijk bestuur; (zie: I., Opdebeek, “Het Recht op verdediging en het recht om h(z)ijn standpunt naar voor te brengen” in Opdebeek. (ed.) Algemene beginselen van behoorlijk bestuur, Antwerpen, Kluwer rechtswetenschappen, 1993, 51) Dat de Commissaris Generaal voor de Vluchteling en de Stateloze meent een beslissing te moeten nemen op grond van loutere vergelijking van de opeenvolgende verklaringen XIV-5771-6/9 van vertogers waarbij vertogers aantonen dat de vaststellingen van de C.G. in feite (aangifte aan de politie: zie bestreden beslissing p. 1) niet overeenkomen met de overwegenden in het beschikkende gedeelte (nalaten van aangifte van de moord en geen opgave van gegronde reden hiervoor: zie bestreden beslissing p. 2): Dat bovendien de C.G. wel wenst een onderzoek te voeren in de diepte middels vergelijking aan het verhoor van tweede verzoekster die men blijkbaar niet wenst te horen maar haar “tegenstrijdigheden” wel wil toetsten aan de verklaringen van haar echtgenoot om redenen eigen aan de C.G., volgens vertogers om geen enkel andere reden dan dat haar persoonlijk verhoor een aantal onduidelijkheden had kunnen oplossen die blijkbaar de administratie niet wil oplossen; Dat wat evenwel essentieel is in het dossier buiten beschouwing wordt gelaten en zelfs formeel wordt betwijfeld louter en alleen gelet op één enkele vermoede tegenstrijdigheid die als alleenzaligmakend slaafs wordt overgenomen; Dat het Commissariaat Generaal voor de Vluchteling en de Staatlozen bijzonder onzorgvuldig is te werk gegaan daar waar hij bovendien de beweringen niet heeft onderzocht en getoetst aan algemeen bekende informatie; Dat de C.G. weliswaar niet verplicht is vertogers te horen alvorens tot een beslissing te komen maar dat de enige wijze om mogelijke tegenstrijdigheden op te lossen een degelijk verhoor van alle betrokken partijen is zodat het nalaten van het horen van tweede vertoogster in graad van dringend beroep een manifeste schending inhoud van de beginselen van behoorlijk bestuur met name de hoorplicht zodat minstens op basis van deze grond de vernietiging van de bestreden administratieve handeling zich opdringt; Dat de vaste Rechtspraak van de Raad van State deze schending van de verplichting tot zorgvuldigheid sanctioneert door de administratieve beslissing te vernietigen; Dat de bestreden beslissing dan ook werd getroffen op basis van een onvolkomen dossier en in strijd met de zorgvuldigheidsplicht zodat de beslissing ten gronde moet worden vernietigd;”; 2.2.2.
  3. Overwegende dat verzoekers stellen dat de uiteenzetting van de feiten in de bestreden beslissingen niet overeenstemt met de motieven in de beslissing en dat wat essentieel is in het vluchtrelaas wordt betwijfeld louter en alleen omwille van één enkele vermeende tegenstrijdigheid terwijl de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen de verklaringen niet heeft onderzocht en getoetst aan algemeen bekende informatie, waardoor de zorgvuldigheidsplicht is geschonden; dat bovendien de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen de “vermeende” tegenstrijdigheid niet heeft onderzocht door een interview af te nemen van verzoekster, waardoor de hoorplicht is geschonden; 2.2.2.
  4. Overwegende dat het zorgvuldigheidsbeginsel de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen oplegt zijn beslissing zorgvuldig voor te bereiden en te stoelen op een correcte feitenvinding; dat uit het administratief dossier blijkt dat verzoeker werd verhoord op de Dienst Vreemdelingenzaken en op het Commissariaat- generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen; dat hij tijdens deze interviews de mogelijkheid kreeg zijn asielmotieven uiteen te zetten, hij stukken kon voorleggen en hij zich kon laten bijstaan door een advocaat of een derde, dit alles in aanwezigheid van een tolk; dat de elementen waar de beslissing op steunt worden uiteengezet in de bestreden beslissing en overeenstemmen met de gegevens in het administratief dossier; dat geen enkele bepaling de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen verplicht te peilen naar de redenen van de “tegenstrijdigheid” of de verklaringen te toetsen aan XIV-5771-7/9 algemeen bekende informatie; dat de hoorplicht niet impliceert dat de ondervragende overheid, door een soort dialoog, de ondervraagde tracht te brengen tot een voor deze meer gunstige verklaring, noch dat de ondervraagde moet worden gewezen op eventuele onduidelijkheden, tegenstrijdigheden of onnauwkeurigheden in zijn antwoorden; dat verzoekster in gebreke blijft aan te tonen welke elementen zij in een bijkomend verhoor zou hebben aangebracht op grond waarvan de tegenstrijdigheid uitgeklaard zou zijn; dat zij niet aannemelijk maakt dat haar belangen geschaad zijn door het ontbreken van een verhoor in dringend beroep; dat de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen niet zorgvuldig is te werk gegaan niet kan worden aangenomen; dat het tweede middel niet gegrond is; 2.3.
  5. Overwegende dat verzoekers als derde middel aanvoeren: “E. Derde ernstig middel: Afwending van macht: weigering van kennisname Overwegende dat vertogers wil laten gelden dat verweerders steeds in dezelfde zin op flagrante wijze weigeren kennis te nemen van de middelen van vertogers en hierdoor hun macht afwenden; (niemand kijkt na of het verhaal van vertogers klopt: wie werd vermoord? wie is die luitenant kolonel van de Staatsveiligheid, departement Staatsveiligheid? ...) Dat de Minister van Binnenlandse Zaken en de Commissaris Generaal voor de Vluchteling en de Staatlozen perfect op de hoogte zijn (of zouden moeten zijn) van de toestand in de Kaukasus in het algemeen en in Armenië in het bijzonder; (zie ten overvloede supra) Dat de vrees van vertogers zelf nog te worden onderworpen aan verdere schendingen concreet is en het verzoek strekkende tot erkenning zowel ontvankelijk is als gegrond; Dat het weigeren van kennisname van de feiten en aldus het manifest miskennen van deze feiten een afwending van macht inhoudt zodat eveneens op deze grond de vernietiging van de bestreden beslissing zich opdringt;”; 2.3.2.
  6. Overwegende dat verzoekers aanvoeren dat de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen steeds in dezelfde zin weigert kennis te nemen van de feiten, dat hij op de hoogte zou moeten zijn van de toestand in de Kaukasus en in Armenië; 2.3.2.
  7. Overwegende dat, met betrekking tot de door verzoekers aangevoerde “machtsafwending” en “weigering van kennisname”, wordt verwezen naar de bespreking van het eerste middel; dat verzoekers nalaten de verwijzing naar de algemene toestand in de Kaukasus en in Armenië te concretiseren en op hun persoonlijke situatie te betrekken; dat zij deze “algemene bekende feiten” niet met relevante en concrete gegevens staven, zodat de in de bestreden beslissingen gemaakte overwegingen niet zijn weerlegd; dat het de Raad van State niet toekomt de opportuniteit van de bestreden beslissingen te beoordelen of zich in de plaats te stellen van de bevoegde overheid; dat het de Raad enkel toekomt de wettigheid van de bestreden beslissingen te beoordelen aan de hand van de aangevoerde middelen; dat het derde middel niet gegrond is, BESLUIT: XIV-5771-8/9 Artikel
  8. Het beroep wordt verworpen. Artikel
  9. De kosten van het beroep, bepaald op 347,05 euro, komen ten laste van de verzoekende partijen, elk voor de helft. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op negentien januari tweeduizend en vijf, door : de HH. A. BEIRLAEN, kamervoorzitter, C. VERHAERT, griffier. De griffier, De voorzitter, C. VERHAERT. A. BEIRLAEN. XIV-5771-9/9 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.139.515 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.