id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 19 januari 2005 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.139.519 Rolnummer: A. 105542/XIV-4869 Zaak: Arrest 139519 - - 19/01/2005 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2005-02-15 Raadplegingen: 54 - laatst gezien 2026-07-02 06:28 Fiche Arrest nr 139.519 van 19 januari 2005 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 139.519 van 19 januari 2005 in de zaak A. 105.542/XIV-
- In zake :
- XXX,
- XXX, die woonplaats kiezen bij Advocaten Fr. en R. COEL, kantoor houdende te 2800 MECHELEN, Kardinaal Mercierplein 8 tegen :
- de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen,
- de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de Minister van Binnenlandse Zaken. --------------------------------------------------------------------------------------------------------------- -- DE VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX en XXX, beide van Russische nationaliteit, op 5 juni 2001 hebben ingediend om de vernietiging te vorderen van de beslissingen van de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen van 3 mei 2001 tot bevestiging van de beslissingen van de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse Zaken van 21 februari 2001 tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten; Gelet op de beschikking van 26 juni 2001 waarbij aan de verzoekende partijen het voordeel van de kosteloze rechtspleging wordt verleend; Gezien de regelmatig gewisselde memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door Eerste Auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST, op grond van artikel 23, van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan de partijen en gelet op het verzoek tot voortzetting teneinde te worden gehoord van de verzoekende partijen; Gelet op de beschikking van 11 oktober 2004 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 22 december 2004; XIV-4869-1/10 Gehoord het verslag van Kamervoorzitter A. BEIRLAEN; Gehoord de opmerkingen van Advocaat A. HAEGEMAN die, loco Advocaten Fr. en R. COEL verschijnt voor de verzoekende partijen, van Attaché F. VEREEKEN, die verschijnt voor de eerste verwerende partij en van Advocaat E. MATTERNE, die verschijnt voor de tweede verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van Eerste Auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
- Over de gegevens van de zaak. Overwegende dat de gegevens van de zaak als volgt kunnen worden samengevat : 1.
- XXX en zijn echtgenote XXX, beide van Russische nationaliteit, zijn in België binnengekomen op 1 oktober 2000 en hebben zich de volgende dag vluchteling verklaard. 1.
- Op 21 februari 2001 neemt de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse Zaken de beslissingen tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten. 1.
- Op 3 mei 2001 neemt de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen de beslissingen tot bevestiging van de beslissingen van de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse Zaken van 21 februari 2001 tot weigering van verblijf. Dit zijn de bestreden beslissingen, die als volgt luiden : Wat XXX betreft : “(...) Betrokkene, een Russisch staatsburger van Russische origine verklaart in Rusland verscheidene problemen te hebben gekend met personen van Armeense origine. Betrokkene zou op 28 september 2000 Rusland verlaten hebben, samen met zijn vrouw en minderjarige kinderen, en zou op 1 oktober 2000 in België aangekomen zijn. Op 2 oktober 2000 heeft betrokkene in België asiel aangevraagd. In september 2000 zou betrokkene aangevallen zijn op straat door zeven personen van Armeense origine. Betrokkene zou een maand in het ziekenhuis gelegen hebben met een hersenschudding. Betrokkenes ouders zouden tegen deze aanval een klacht ingediend hebben bij de politie, wat zou geleid hebben tot een gerechtelijk onderzoek. In 1984 zouden betrokkenes aanvallers door de rechtbank veroordeeld zijn tot twee jaar gevangenisstraf. De veroordeelden zouden echter nooit daadwerkelijk opgesloten zijn. Betrokkenes vader zou tegen deze gang van zaken klacht ingediend hebben bij het XIV-4869-2/10 parket van Moskou, maar dit zou niets opgeleverd hebben. In de lente van 1993 zou betrokkene twee van zijn aanvallers van weleer terug ontmoet hebben, K en A. Zij zouden wraak hebben willen nemen en zouden betrokkene en zijn familie met de dood bedreigd hebben. Betrokkene zou daarna klacht hebben ingediend bij de politie, maar de klacht zou geweigerd zijn wegens gebrek aan bewijzen. Van 1995 tot 2000 zou betrokkenes dochter lastiggevallen zijn wanneer ze van school naar huis ging. Op 20 maart 2000 zou betrokkene aangereden zijn door een auto waarin K en A zouden gezeten hebben. De wagen zou bestuurd geweest zijn door de Rus M B. De klacht die betrokkene zou ingediend hebben bij de politie tegen deze aanrijding zou in eerste instantie ontvankelijk verklaard zijn. Betrokkene zou met een hersenschudding en andere verwondingen gedurende twee weken gehospitaliseerd zijn. Later zou de politie betrokkene verscheidene keren opgeroepen hebben om te worden verhoord. Uiteindelijk zou betrokkene een brief van de politie gekregen hebben waarin stond dat het onderzoek zou worden stilgelegd wegens gebrek aan bewijzen. Betrokkene zou om redenen van veiligheid voor zichzelf en zijn familie besloten hebben het land te verlaten. Vooreerst dienen enkele tegenstrijdigheden te worden opgemerkt tussen betrokkenes verklaringen en de verklaringen van betrokkenes vrouw. Zo verklaarde betrokkene voor de Dienst Vreemdelingenzaken dat de bedreigingen na de aanval van 1982 begonnen in 1993 (DVZ, nr.42). Betrokkene(s) vrouw echter verklaarde voor de Dienst Vreemdelingenzaken dat de bedreigingen begonnen in 1999 (DVZ, nr.42). Voor de Dienst Vreemdelingenzaken verklaarde betrokkene dat hij na de aanrijding in maart 2000 gedurende twee weken in het ziekenhuis werd opgenomen (DVZ, nr.42). Betrokkenes vrouw verklaarde echter voor de Dienst Vreemdelingenzaken dat betrokkene gedurende een maand werd opgenomen in het ziekenhuis (DVZ, nr.42). Voor de Dienst Vreemdelingenzaken verklaarde betrokkene dat de politie weigerde een dossier te openen na de aanrijding wegens een gebrek aan bewijzen (DVZ, nr.42). Betrokkenes vrouw verklaarde echter voor de Dienst Vreemdelingenzaken dat er geen dossier geopend werd omdat er geen motief voor de aanrijding werd gevonden (DVZ, nr.42). Deze elementen ondermijnen op fundamentele wijze de geloofwaardigheid van betrokkenes verklaringen. Uit betrokkenes verklaringen blijkt bovendien dat de aanvraag klaarblijkelijk steunt op motieven die totaal vreemd zijn aan het asiel omdat ze geen verband houden met de criteria bepaald bij artikel 1A
(2)van de Conventie van Genève van 28 juli
- Betrokkene zou immers enkel problemen gekend hebben met privé-personen, met name K en A, beiden van Armeense origine. Nergens uit betrokkenes verklaringen blijkt dat hij geviseerd werd omwille van één van de motieven voorzien in de Vluchtelingenconventie, zijnde nationaliteit, religie, ras, politieke overtuiging of het behoren tot een sociale groep. Bovendien haalt betrokkene geen enkel element aan dat erop zou kunnen wijzen dat hij omwille van één van de redenen zoals voorzien in de Conventie van Genève geen bescherming kan genieten of zou kunnen genieten van de autoriteiten. Zowel na de aanval van september 1982 als na de aanrijding van maart 2000 zou de politie een onderzoek gestart zijn naar aanleiding van betrokkenes klachten en in 1982 zouden betrokkenes belagers voor de rechtbank veroordeeld zijn. Tenslotte dient te worden opgemerkt dat de ingeroepen feiten plaatselijk van aard zijn en dat er geen aanwijzingen zijn dat betrokkene zich niet elders in het land zou kunnen vestigen. Gelet op het voorgaande kan in hoofde van betrokkene geen vermoeden van gegronde vrees voor vervolging, zoals bedoeld in de Conventie van Genève van 28 juli 1951, worden vastgesteld. De door betrokkene in het kader van zijn asielprocedure neergelegde documenten (geboorteakten, rijbewijs, huwelijksakte, diploma's, militair boekje, medisch attest, weigering van de politie om een onderzoek te openen, antwoorden van het Openbaar Ministerie van Moskou en K op klachten, vonnis van de rechtbank, orders van schooldirecteur, bevestigende beslissing na beroep bij Hof van Cassatie) wijzigen hetgeen hiervoor werd uiteengezet niet. Gezien dit alles reeds duidelijk bleek uit betrokkenes verklaringen voor de Dienst Vreemdelingenzaken werd het niet nodig bevonden betrokkene voor een interview op het Commissariaat-generaal op te roepen. Uit wat voorafgaat blijkt dat de aanvraag van betrokkene bedrieglijk en kennelijk vreemd is aan de criteria van de Conventie van Genève. Wat er ook van zij, betrokkene heeft niet aangetoond dat de gemachtigde van de Minister zijn appreciatiebevoegdheid heeft overschreden door hem het verblijf op het grondgebied te weigeren. In elk geval, XIV-4869-3/10 de Commissaris-generaal ontwaart geen ernstige en aantoonbare gronden die laten geloven in een risico van schending van de Conventie van Genève in geval van verwijdering van betrokkene. Bijgevolg bevestigt de Commissaris-generaal de verblijfsweigering besloten door de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse Zaken op 21 februari
- De Commissaris-generaal meent dat de betrokken vreemdeling in de huidige omstandigheden mag worden teruggeleid naar de grens van het land dat hij ontvlucht is, en waar, volgens zijn verklaring, zijn leven, zijn fysieke integriteit of zijn vrijheid in gevaar zou verkeren. (...).”. Wat XXX betreft : “(...) Betrokkene, een Russisch staatsburger van Oekraï(e)nse origine, verklaart in Rusland verscheidene problemen te hebben gekend met personen van Armeense origine. Betrokkene zou op 28 september 2000 Rusland verlaten hebben, samen met haar man en minderjarige kinderen, en zou op 1 oktober 2000 in België aangekomen zijn. Op 2 oktober 2000 heeft betrokkene in België asiel aangevraagd. Betrokkenes man zou in september 1982 in mekaar geslagen zijn door mannen van Armeense afkomst. Hij zou met een hersenschudding opgenomen zijn in het ziekenhuis. De ouders van betrokkenes man zouden klacht ingediend hebben bij verschillende instanties, wat geleid zou hebben tot een proces. Betrokkenes belagers zouden veroordeeld zijn tot 2 jaar gevangenisstraf, maar zouden niet opgesloten zijn omdat ze nog minderjarig waren. De ouders van betrokkenes man zouden toen brieven geschreven hebben naar kranten om te protesteren tegen de beslissing van het parket om de beschuldigden vrij te laten. Sedert 1999 zou betrokkene dreigingen gekregen hebben van de Armeniërs, die op wraak belust zouden geweest. Betrokkene zou samen met haar man klacht ingediend hebben hiertegen, maar de klacht zou niet aanvaard zijn wegens een gebrek aan bewijzen. Op 20 maart 2000 zou betrokkenes man door een auto aangereden zijn. In de auto zouden K en A gezeten hebben, twee mannen die ook betrokken zouden geweest zijn bij de aanval van
- Betrokkenes man zou een hersenschudding gehad hebben en gedurende een maand opgenomen zijn in het ziekenhuis. Betrokkene en haar man zouden daarna een klacht ingediend hebben bij de politie. De politie zou de klacht aanvaard hebben, maar zou geen gerechtelijk dossier opgesteld hebben bij gebrek aan een motief voor de aanval. De bedreigingen zouden niet opgehouden hebben en op 28 september 2000 zouden betrokkene en haar gezin Rusland verlaten hebben. Vooreerst dienen een aantal ernstige tegenstrijdigheden te worden opgemerkt tussen betrokkenes verklaringen en deze van haar man. Zo verklaarde betrokkene voor de Dienst Vreemdelingenzaken dat de bedreigingen na de aanval van 1982 pas opnieuw begonnen in 1999 (DVZ, nr.42). Voor de Dienst Vreemdelingenzaken verklaarde betrokkenes man echter dat de bedreigingen reeds in 1993 opnieuw begonnen (DVZ, nr.42). Hoewel betrokkene in haar beroepschrift zelf deze tegenstrijdigheid probeerde te verklaren met het feit dat ze heel gestresseerd was tijdens het interview, blijft het weinig waarschijnlijk dat betrokkene zich zo schromelijk zou vergist hebben. Het betreft immers een periode van zes jaar en het verschil tussen bedreigingen over een periode van zeven jaar en bedreigingen die pas een jaar voor het vertrek begonnen, is wel zeer groot. Betrokkene verklaarde voor de Dienst Vreemdelingenzaken dat haar man na de aanrijding van maart 2000 gedurende een maand in het ziekenhuis lag (DVZ, nr.42). Betrokkenes man verklaarde echter voor de Dienst Vreemdelingenzaken dat (dat) hij slechts twee weken in het ziekenhuis lag (DVZ, nr.42). Betrokkene verklaarde voor de Dienst Vreemdelingenzaken dat de politie weigerde een dossier te openen na de aanrijding wegens het gebrek aan een motief voor de aanrijding (DVZ, nr.42). Betrokkenes man verklaarde voor de Dienst Vreemdelingenzaken dat er geen dossier geopend werd door een gebrek aan bewijzen (DVZ, nr.42). Deze elementen ondermijnen op fundamentele wijze de geloofwaardigheid van betrokkenes beweringen. Uit betrokkenes verklaringen blijkt dat zij haar asielaanvraag in hoofdorde steunt op de motieven aangebracht door haar man ter staving van zijn asielrelaas. Wat betreft het door hem ingesteld dringend beroep werd een bevestigende beslissing genomen. XIV-4869-4/10 Derhalve dient ook voor betrokkene een bevestigende beslissing te worden genomen. Betrokkene zelf zou, behalve algemene bedreigingen door de Armeniërs, geen ernstige problemen gekend hebben. In haar beroepschrift beschuldigde betrokkene de Russische autoriteiten ervan samen te werken met haar Armeense belagers. Betrokkene haalt echter geen enkel argument aan dat deze bewering kan aannemelijk maken. Zowel na de aanval van september 1982 als na de aanrijding van maart 2000 zou de politie immers een onderzoek gestart zijn naar aanleiding van de klachten van betrokkene en haar man en in 1982 zouden de aanvallers voor de rechtbank veroordeeld zijn. Gelet op het voorgaande kan in hoofde van betrokkene geen vermoeden van gegronde vrees voor vervolging, zoals bedoeld in de Conventie van Genève van 28 juli 1951, worden vastgesteld. De door betrokkene in het kader van haar asielprocedure neergelegde documenten (geboorteakte, huwelijksakte) wijzigen hetgeen hiervoor werd uiteengezet niet. Gezien dit alles reeds duidelijk bleek uit betrokkenes verklaringen voor de Dienst Vreemdelingenzaken werd het niet nodig bevonden betrokkene voor een interview op het Commissariaat-generaal op te roepen. Uit wat voorafgaat blijkt dat de aanvraag van betrokkene bedrieglijk en kennelijk ongegrond is, omdat de vreemdeling geen gegevens heeft aangebracht dat er, wat hem betreft, ernstige aanwijzingen bestaan van een gegronde vrees voor vervolging in de zin van de Conventie van Genève. Wat er ook van zij, betrokkene heeft niet aangetoond dat de gemachtigde van de Minister zijn appreciatiebevoegdheid heeft overschreden door haar het verblijf op het grondgebied te weigeren. In elk geval, de Commissaris-generaal ontwaart geen ernstige en aantoonbare gronden die laten geloven in een risico van schending van de Conventie van Genève in geval van verwijdering van betrokkene. Bijgevolg bevestigt de Commissaris-generaal de verblijfsweigering besloten door de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse Zaken op 21 februari
- De Commissaris-generaal meent dat de betrokken vreemdeling in de huidige omstandigheden mag worden teruggeleid naar de grens van het land dat hij ontvlucht is, en waar, volgens zijn verklaring, zijn leven, zijn fysieke integriteit of zijn vrijheid in gevaar zou verkeren. (...).”.
- Over de gegrondheid van het beroep. 2.1.
- Overwegende dat verzoekers als eerste middel aanvoeren : “C. Eerste ernstig Middel: Schending van de wettelijke opdracht van verweerders Overwegende dat de Commissaris Generaal zich uitslooft in 3 (drie) pagina's om aan te wijzen waarom het verzoek manifest niet ontvankelijk zou moeten worden verklaard dit louter en alleen op grond van een tweede lezing van het door eerste verweerder opgesteld dossier; Dat dit "diepteonderzoek" niet hoort tot de opdracht van de Commissaris Generaal in de fase van de ontvankelijkheid; Dat overeenkomstig de geldende regels van het Belgisch administratief recht de Dienst Vreemdelingenzaken, en in geval van dringend beroep de Commissaris Generaal, moeten bewijzen dat er een grond voor niet-ontvankelijkheid bestaat; (zie : M. Bossuyt , "Uiteenzetting over de voorgestelde wijzigingen in de Vreemdelingen Wet voor de Senaatscommissie voor de Binnenlandse aangelegenheden" , Parl. St. 1992-93 , nr. 555/2,
(54)55 , nr. 4) Dat in de fase van de ontvankelijkheid de autoriteiten genoegen moeten nemen met een aannemelijk, dit wil zeggen samenhangend, niet tegenstrijdig en waarschijnlijk vluchtverhaal; (zie D. Vanheule, "Vluchtelingen : een overzicht", Mys en Breesch, Gent, tweede uitgave, 1998, nr. 348) Dat bovendien de term “kennelijk" in artikel 52 § 1 , 7/ Vr.W. de beslissingsbevoegdheid van de administraties nog verder beknot tot gevallen waarin het ontbreken van elke ernstige aanwijzing van gegronde vrees voor vervolging duidelijk herkenbaar is; Dat van zodra er ook maar enig ernstig element is aangebracht of er twijfel bestaat of de gevreesde vervolging al dan niet bestaat moet de kandidaat vluchteling het voordeel XIV-4869-5/10 van de twijfel worden gegeven en moet hij worden toegelaten tot het onderzoek ten gronde; ( zie D. Vanheule , "Vluchtelingen : een overzicht", Mys en Breesch, Gent, tweede uitgave, 1998, nr. 349 ev.) Dat evenwel de Commissaris Generaal voor de Vluchteling en de Staatlozen meent een beslissing te moeten nemen louter op grond van een tweede lezing en letterlijke vergelijking van de onderscheiden verklaringen in de procedure van vertogers; Dat in plaats van overeenkomstig de regels van behoorlijk bestuur vertogers uit te nodigen om eventuele problemen en tegenstrijdigheden uit te klaren , de Commissaris Generaal louter op zoek gaat naar irrelevante tegenstrijdigheden die de geloofwaardigheid van vertogers zou kunnen aantasten; Dat uit het dossier duidelijk blijkt dat de Commissaris Generaal voor de Vluchteling en de Staatlozen in het dossier slechts op zoek is gegaan op de meest eenvoudige wijze naar tegenstrijdigheden om vertogers verzoek af te kunnen wijzen in plaats van een antwoord te vinden op eventuele vermoede tegenstrijdigheden; Dat steeds in dezelfde zin de Commissaris Generaal slechts spoort naar tegenstrijdigheden wat niet direct een uiting is van vertrouwen en zorgvuldig bestuur, waarover infra meer; Dat de Commissaris Generaal hier in dezelfde zin zijn opdracht te buiten is gegaan zodat de beslissing aangetast is door machtsafwending, waarover eveneens infra meer; Dat volgens de geldende regels van het administratief Recht de Commissaris Generaal voor de Vluchteling en de Staatlozen verplicht is kandidaat vluchtelingen in de ontvankelijkheidfase te horen indien een ernstige maatregel kan worden getroffen die zijn belangen kan aantasten, wat hier wel degelijk het geval is; (zie D. Vanheule, "Vluchtelingen : een overzicht Mys en Breesch, Gent, tweede uitgave, 1998, nr. 395 ev.) Dat hiervan slechts kan worden afgeweken in geval
(1)het verzoek zeer eenvoudig zou zijn of
(2)hoogdringend of
(3)indien de kandidaat niet binnen redelijke termijn kan worden bereikt; (zie" D. Vanheule, idem, nr. 396) Dat geen dezer gevallen opgang maken temeer daar de C.G. bij de evaluatie van de terugleiding dient zich een oordeel te vormen van de persoonlijk uitgedrukte vrees die hij evenwel niet kan beoordelen waar hij hem niet heeft onderzocht; Dat evenmin vertogers zelfs de mogelijkheid maar hebben gekregen schriftelijk hun asielmotieven voor de C.G. toe te lichten zodat de rechten van de verdediging manifest en onbetwistbaar werden geschonden; (zie” D. Vanheule, idem, nr. 397) Dat vertogers dan ook verwijzen naar het advies van de afdeling wetgeving van de Raad van State bij het wetsontwerp dat heeft geleid tot de Wet van 6 mei 1993 waar de Raad stelt dat het dringend beroep geen adequaat rechtsmiddel is tegen de weigeringsbeslissing in de ontvankelijkheidfase indien het niet "binnen een redelijke termijn kan worden geadieerd en bij werking procedurele regels naleeft die inzonderheid de rechten van de verdediging verzekeren"; (Parl.stukken Senaat, 1992- 93, nr. 555/1,47) Dat de bestreden beslissing dan ook werd getroffen op basis van bijzonder mank samengesteld en onvolkomen dossier , manifest in strijd met de beginselen van behoorlijk bestuur meerbepaald de zorgvuldigheidsplicht zodat de beslissing ten gronde moet worden vernietigd”; 2.1.2.
- Overwegende dat verzoekers aanvoeren dat het “diepteonderzoek” van de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen niet tot zijn opdracht hoort in de fase van de ontvankelijkheid; dat verzoekers eveneens aanvoeren dat in de fase van ontvankelijkheid de autoriteiten genoegen moeten nemen met een aannemelijk vluchtverhaal en dat de term “kennelijk” in artikel 52, § 1, 7/ van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen (Vreemdelingenwet) de beslissingsbevoegdheid nog verder beknot tot gevallen waarin het ontbreken van elke ernstige aanwijzing van een gegronde vrees duidelijk herkenbaar is; dat verzoekers de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en XIV-4869-6/10 de staatlozen verwijten diverse feitelijkheden niet te toetsen aan objectieve gegevens en zich te beperken tot een vergelijking van hun verklaringen waardoor de beslissing bovendien aangetast is door “machtsafwending”; dat verzoekers stellen dat de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen verplicht is hen te horen en dat zij zelfs niet de kans kregen hun asielmotieven schriftelijk toe te lichten zodat hun rechten van verdediging zijn geschonden, dat de bestreden beslissingen genomen zijn op basis van een onvolkomen dossier zodat bovendien de zorgvuldigheidsplicht is geschonden; 2.1.2.
- Overwegende dat het in de eerste plaats aan de kandidaat-vluchteling toekomt aan te tonen dat er een gegronde vrees voor vervolging bestaat met toepassing van het algemeen rechtsbeginsel volgens hetwelk de bewijslast in de eerste plaats valt op de eisende partij; dat het tot de bevoegdheid van de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen behoort in de ontvankelijkheidsfase de asielrelazen te controleren op hun geloofwaardigheid; dat uit de bestreden beslissingen blijkt dat er ernstige tegenstrijdigheden zijn opgemerkt tussen verzoekers verklaringen; dat bovendien uit de beslissing ten aanzien van verzoeker blijkt dat zijn motieven totaal vreemd zijn aan het asiel omdat ze geen verband houden met de criteria bepaald in de Conventie van Genève; dat verzoekster haar asielaanvraag steunt op de motieven aangebracht door haar echtgenoot; dat het “diepteonderzoek” van zorgvuldigheid getuigt binnen het kader van de bevoegdheid van de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen tot het controleren van de geloofwaardigheid van de asielrelazen; dat in casu de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen heeft overwogen dat de asielaanvragen bedrieglijk zijn en die van verzoeker bovendien kennelijk vreemd aan de criteria van de Vluchtelingenconventie; dat de asielaanvraag van verzoekster bovendien kennelijk ongegrond is bevonden; dat deze overwegingen niet worden tegengesproken door het administratief dossier en verzoekers niet in concreto hebben aangetoond dat de beslissingen kennelijk onredelijk zijn; dat op basis van artikel 52, § 1, 2/ van de Vreemdelingenwet een asielaanvraag kan verworpen worden omwille van twee redenen : enerzijds, als de asielaanvraag bedrieglijk is en, anderzijds, als de verzoekende partij niet beantwoordt aan de criteria voorzien in de Conventie van Genève; dat artikel 52, § 1, 7/ van de Vreemdelingenwet bepaalt dat een asielaanvraag onontvankelijk kan worden verklaard wanneer de aanvraag kennelijk ongegrond is omdat de vreemdeling geen gegevens aanbrengt dat er, wat hem betreft, ernstige aanwijzingen bestaan van een gegronde vrees in de zin van artikel 1, (A), 2, van de Conventie van Genève; dat de hoofdreden voor de afwijzing van verzoekers asielaanvragen de bedrieglijkheid is wegens de talrijke en ernstige tegenstrijdigheden tussen de verklaringen onderling; dat, met betrekking tot de aangevoerde “machtsafwending”, erop kan worden gewezen dat machtsafwending onder andere inhoudt dat een bestuursorgaan de bevoegdheid die hem werd verleend bij een wet tot het bereiken van een bepaald doel van algemeen belang, gebruikt om een ander doel na te streven; dat de verzoekende partijen op geen enkel ogenblik duidelijk maken dat de beslissingnemende overheid haar bevoegdheid afwendt van het doel waarvoor deze bevoegdheid is gegeven, zijnde het controleren van XIV-4869-7/10 asielrelazen op hun geloofwaardigheid in de ontvankelijkheidsfase van de asielprocedure; dat de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen in elk individueel dossier beoordeelt of een mondeling verhoor dienstig en nuttig is voor het nemen van zijn beslissing; dat de verklaringen van verzoekers op de Dienst Vreemdelingenzaken, in hun verzoekschrift tot dringend beroep en in de vragenlijst van het Commissariaat-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen voldoende duidelijk zijn, zodat de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen tot gemotiveerde beslissingen kon komen zonder verzoekers mondeling te horen; dat de procedure voor de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen een administratieve procedure is alwaar de rechten van verdediging niet onverkort van toepassing zijn; dat uit de stukken van het dossier blijkt dat verzoekers hun asielrelaas hebben kunnen uiteenzetten op de Dienst Vreemdelingenzaken met de hulp van een tolk Russisch; dat zij het verslag hebben ondertekend en zich ermee akkoord verklaard dat de gegeven inlichtingen oprecht zijn en overeenstemmen met hun verklaringen; dat verzoekers een gemotiveerd verzoekschrift dringend beroep hebben ingediend; dat er niet kan worden aangenomen dat zij de kans niet hebben gekregen hun verhaal te doen; dat het zorgvuldigheidsbeginsel niet is geschonden; dat het eerste middel niet gegrond is; 2.2.
- Overwegende dat verzoekers als tweede middel aanvoeren : “D. Tweede ernstig Middel: schending van de beginselen van behoorlijk bestuur Overwegende dat het tweede ernstig middel van vertoger de schending van de beginselen van behoorlijk bestuur betreft, meerbepaald de hoorplicht en de verplichting tot zorgvuldigheid; Dat het Commissariaat Generaal voor de Vluchtelingen en de Staatlozen een bestuurlijke overheid is gebonden aan de beginselen van behoorlijk bestuur; (zie : I., Opdebeek, "Het Recht op verdediging en het recht om zijn standpunt naar voor te brengen" in Opdebeek. (ed.) Algemene beginselen van behoorlijk bestuur, Antwerpen, Kluwer rechtswetenschappen, 1993 , 51) Dat de Commissaris Generaal voor de Vluchtelingen en de Staatloze(n) meent een beslissing te moeten nemen op grond van een tweede lezing van de verklaringen van vertoger met het dossier van zijn echtgenote zonder evenwel zelfs hen te hebben gehoord; Dat de Commissaris Generaal meent deze beslissing te moeten motiveren als dit verhoor niet nodig zijn omdat het asielverzoek toch kennelijk vreemd zou zijn aan de criteria van de conventie van Genève en er volgens de C.G. wel degelijk een binnenlandse vluchtalternatief zou bestaan; Dat om redenen supra uiteen gezet in het eerste ontwikkelde ernstige middel manifest de hoorplicht werd geschonden, waardoor meteen werd aangetoond dat de C.G. bijzonder onzorgvuldig, zelfs overhaast is tewerk gegaan; Dat de vaste Rechtspraak van de Raad van State deze schending van de hoorplicht en de verplichting tot zorgvuldigheid sanctioneert door de administratieve beslissing te vernietigen; Dat de bestreden beslissing dan ook werd getroffen op basis van een onvolkomen dossier en in strijd met de hoorplicht en zorgvuldigheidsplicht zodat de beslissing ten gronde moet worden vernietigd;”; 2.2.2.
- Overwegende dat verzoekers aanvoeren dat hun verklaringen werden vergeleken zonder dat zij evenwel werden gehoord; dat de hoorplicht bijgevolg werd XIV-4869-8/10 geschonden en meteen ook wordt aangetoond dat de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen bijzonder onzorgvuldig, zelf overhaast is te werk gegaan; 2.2.2.
- Overwegende dat geen enkele wetsbepaling de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen verplicht de verzoeker te horen; dat verzoekers de kans hebben gekregen hun asielrelaas uiteen te zetten voor de Dienst Vreemdelingenzaken, alsook bij het indienen van hun dringend beroep bij de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen; dat trouwens verzoekers verzuimen concreet aan te tonen op welke wijze zij geschaad werden door het feit dat zij niet mondeling werden gehoord door de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen; dat uit het administratief dossier blijkt dat tijdens het interview op de Dienst Vreemdelingenzaken aan de verzoekende partijen een reeks precieze vragen werden gesteld waarna hen de mogelijkheid werd geboden hieraan nog bepaalde zaken toe te voegen; dat verzoekers wel degelijk de mogelijkheid hebben gehad bijzonderheden te verstrekken; dat derhalve de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen kon voortgaan op de feitelijke elementen die uit hun verklaringen op de Dienst Vreemdelingenzaken blijken; dat de zorgvuldigheidsplicht niet is geschonden; dat het tweede middel niet gegrond is, BESLUIT: Artikel
- Het beroep wordt verworpen. Artikel
- De kosten van het beroep, bepaald op 347,05 euro, komen ten laste van de verzoekende partijen, elk voor de helft. XIV-4869-9/10 Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op negentien januari tweeduizend en vijf, door : de HH. A. BEIRLAEN, kamervoorzitter, C. VERHAERT, griffier. De griffier, De voorzitter, C. VERHAERT. A. BEIRLAEN. XIV-4869-10/10 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.139.519 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div