id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 19 januari 2005 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.139.529 Rolnummer: A. 102379/XIV-2885 Zaak: Arrest 139529 - - 19/01/2005 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2005-02-03 Raadplegingen: 52 - laatst gezien 2026-07-02 06:29 Fiche Arrest nr 139.529 van 19 januari 2005 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 139.529 van 19 januari 2005 in de zaak A.102.379/XIV-
- In zake : XXX, die woonplaats kiest bij Advocaat J. BERTEN, kantoor houdende te 4430 ANS, Rue Walthère Jamar 105 tegen :
- de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen,
- de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de Minister van Binnenlandse Zaken. --------------------------------------------------------------------------------------------------------- DE Wnd. VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX, geboren op 19 juni 1980 en van XXX nationaliteit, op 26 maart 2001 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van de beslissing van de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen van 21 februari 2001 tot bevestiging van de beslissing van de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse Zaken van 25 september 2000 tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten, naar de verzoekende partij aangetekend verstuurd op 21 februari 2001; Gelet op de beschikking van 11 april 2001 waarbij aan de verzoekende partij het voordeel van de kosteloze rechtspleging wordt verleend; Gelet op het administratief dossier; Gezien de regelmatig gewisselde memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door Eerste Auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST, op grond van artikel 23 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan de partijen en gelet op het verzoek tot voortzetting teneinde te worden gehoord van de verzoekende partij; XIV-2885-1/8 Gelet op de beschikking van 19 oktober 2004 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op woensdag 1 december 2004 om 10.00 uur; Gehoord het verslag van Staatsraad D. MOONS; Gehoord de opmerkingen van Advocaat A. NAVASARTIAN, die loco Advocaat J. BERTEN verschijnt voor de verzoekende partij, van Adjunct-Adviseur F. VEREEKEN, die verschijnt voor de eerste verwerende partij en van Advocaat E. MATTERNE, die verschijnt voor de tweede verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van Eerste Auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
- Over de feitelijke gegevens van de zaak. 1.
- De verzoekende partij komt België binnen op 18 augustus 2000 en verklaart zich vluchteling op 22 augustus
- 1.
- Op 25 september 2000 neemt de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse Zaken een beslissing tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten. 1.
- Op 21 februari 2001 bevestigt de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen deze beslissing. De bevestigende beslissing van de Commissaris-generaal, die de bestreden beslissing uitmaakt, is als volgt gemotiveerd : “(...) Betrokkene werd verhoord op 4 januari 2001 op de zetel van het Commissariaat-generaal, bijgestaan door een tolk, die de R. taal machtig is. Betrokkene, een XXX staatsburger van XXX origine, zou op 15 augustus 2000 zijn land ontvlucht zijn en zou op 18 augustus 2000 in België zijn aangekomen. Betrokkene heeft op 22 augustus 2000 het statuut van vluchteling aangevraagd bij de Belgische autoriteiten. Betrokkene is niet in het bezit van enig identiteitsdocument. Volgens de verklaringen van betrokkene voor het Commissariaat-generaal op 4 januari 2001 zou hij als gewetensbezwaarde problemen hebben gehad met de XXX overheid. Betrokkene zou in juni 2000 zijn afgestudeerd aan de universiteit van K. Begin juli 2000 zou hij een eerste convocatie voor zijn militaire dienstplicht hebben gekregen. Betrokkene zou geen gevolg hebben gegeven aan deze convocatie. Het zou tegen zijn christelijk-orthodoxe overtuiging zijn om in het leger te gaan, aangezien dit instituut het tegendeel bewerkt van de naastenliefde die door zijn geloof wordt verdedigd. Op een tweede convocatie begin juli 2000 zou betrokkene evenmin hebben gereageerd. Op 18 juli 2000 zouden twee agenten bij betrokkene thuis zijn langsgekomen om betrokkene ter verantwoording te roepen. Ze zouden betrokkenes religieuze motieven niet hebben aanvaard en zouden hebben gedreigd dat, indien hij zijn legerdienst niet zou aanvatten, hij voor twee jaren in de gevangenis zou belanden. Op 24 juli 2000 zou betrokkene zijn legerdienst hebben aangevat in K. Betrokkene zou hebben geweigerd om deel te nemen aan militaire trainingen waardoor hij problemen kreeg met de XIV-2885-2/8 sergeant van zijn legereenheid. Eenmaal zou de sergeant betrokkene, toen die geweigerd had om aan een gevechtstraining deel te nemen, hebben laten afranselen door twee andere dienstplichtigen. Een ander(e) maal zou betrokkene geweigerd hebben om een geweer te dragen. Hierop zou de sergeant aan de groep dienstplichtigen een straf hebben opgelegd in plaats van aan betrokkene: betrokkene zou hebben moeten toekijken hoe de groep een loopoefening met wapendracht moest doen. De andere dienstplichtigen zouden betrokkene hierom zijn gaan haten, hetgeen volgens betrokkene het effect was dat de sergeant wilde bereiken. Betrokkene zou uiteindelijk geïsoleerd zijn tegenover de groep. Zijn mede-soldaten zouden hem dagelijks omwille van zijn geloof hebben beledigd en bespuugd. Op 15 augustus 2000 zou betrokkene door drie mede-soldaten in het toilet zijn beledigd. Ze zouden zijn hoofd in het toilet hebben gestoken en zouden hem hebben gedwongen om voor hen te bidden. Na dit voorval zou betrokkene hebben beseft dat hij moest vluchten om niet te sterven. Betrokkene zou dezelfde dag uit het leger zijn gevlucht en naar België zijn gekomen. Stricto senso is betrokkene een deserteur. Volgens het “Handbook on Procedures and Criteria for determining refugee status” van UNHCR kan de vrees voor vervolging door de autoriteiten omwille van desertie enkel in overweging worden genomen als asielmotief indien een kandidaat-vluchteling een straf vreest die disproportioneel zwaarder is omwille van zijn ras, religie, nationaliteit, politieke overtuiging of het behoren tot een sociale groep of wanneer de uitvoering van zijn militaire dienstplicht een deelname aan een militaire actie impliceert die in strijd is met zijn politieke, religieuze of morele overtuiging of met een oprechte gewetensnood (UNHCR-Handbook nrs. 167-174). Betrokkene beroept zich op religieuze motieven. Aan de authenticiteit en diepgang van betrokkenes geloofsmotieven die zouden hebben geleid tot zijn desertie, dient ernstig te worden getwijfeld. Er dient te worden opgemerkt dat betrokkene heeft nagelaten zich te beroepen op het recht op alternatieve dienstplicht. Dit recht is in XXX bij wet gegarandeerd sedert
- Deze wet aanvaardt religieuze overtuiging expliciet als grond voor alternatieve dienstplicht (zie in bijlage République de XXX. Loi sur le service alternatif dd. 9 juli 1991). Uit verschillende bronnen blijkt dat deze wet ook effectief wordt toegepast (SWB 21 december 1995, SWB 2 december 1997, SWB 3 juni 1998). De problemen die betrokkene heeft gehad met de overheid en uiteindelijk zijn desertie, had betrokkene kunnen vermijden, indien hij een alternatieve dienstplicht had aangevraagd. Betrokkene beweert dat alternatieve dienstplicht in XXX enkel mogelijk is in het geval van adolescenten die enig kind zijn en voor hun ouders op leeftijd moeten instaan (CGVS pag. 6). Betrokkene beweert deze informatie uit zichzelf te weten en heeft geen enkele officiële bron over alternatieve dienstplicht geraadpleegd (CGVS pag. 6). Voorts moet worden opgemerkt dat betrokkene heeft nagelaten om bewijs te vragen voor zijn religieuze overtuiging in de geloofskringen waarin hij zegt te hebben gecirculeerd. Nochtans zou betrokkene via religieuze cursussen expliciet in contact hebben gestaan met geestelijken (CGVS pag. 13). Bovendien blijft betrokkene uiterst vaag over zijn religieuze achtergrond en uit hij in dit kader enkele oncorrecte gegevens. Zo stelt hij enerzijds dat hij in XXX en in België heeft deelgenomen aan religieuze cursussen. Anderzijds is hij niet in staat om zijn gewetensbezwaren vanuit de Bijbel te verdedigen (CGVS pag. 13). Bovendien beweert betrokkene dat de huidige patriarch van de christelijke-orthodoxe Kerk Dimitri heet (CGVS pag. 13). Uit objectieve informatie waarover het Commissariaat-generaal beschikt, blijkt dat de patriarch van de R.-orthodoxe metropolie, waaronder officieel ook de XXX orthodoxe geloofsgemeenschap ressorteert, sedert 1991 Alexej II is (SWB 17 augustus 2000), en dat de patriarch van de Roemeens orthodoxe metropolie, die ook volgelingen heeft in XXX onder de naam van de orthodoxe kerk van B., Theocrist heet (SWB 15 september 2000). Aangezien betrokkene heeft nagelaten zich bij de autoriteiten te informeren omtrent het bij wet gegarandeerde recht op alternatieve dienstplicht, aangezien betrokkene heeft nagelaten de alternatieve dienstplicht op religieuze gronden aan te vragen bij de autoriteiten, aangezien betrokkene heeft nagelaten bij de religieuze instanties van zijn geloofsgemeenschap bewijs te vragen van zijn religieuze overtuigingen, aangezien betrokkene niet in staat is om zijn specifieke religieuze overtuiging voor het Commissariaat-generaal inhoudelijk te beargumenteren, dient te worden besloten dat het motief dat betrokkene inroept voor zijn desertie enerzijds bedrieglijk is, en anderzijds kennelijk ongegrond. Gezien het bovenstaande kan in hoofde van betrokkene geen vermoeden van een gegronde vrees voor vervolging zoals voorzien in de Vluchtelingenconventie, worden weerhouden. Uit wat voorafgaat blijkt dat de aanvraag van betrokkene bedrieglijk is en kennelijk ongegrond, omdat de vreemdeling geen gegevens heeft aangebracht dat er, wat hem betreft, ernstige aanwijzingen bestaan van een gegronde vrees voor vervolging in de zin van de Conventie van Genève. Wat er ook van zij, betrokkene heeft niet aangetoond dat de gemachtigde van de Minister zijn appreciatiebevoegdheid heeft overschreden door hem het verblijf op het grondgebied te weigeren. In elk geval, de Commissaris-generaal ontwaart geen ernstige en aantoonbare gronden die laten geloven in een risico van schending van de Conventie van Genève in geval van verwijdering van betrokkene. Bijgevolg bevestigt de XIV-2885-3/8 Commissaris-generaal de verblijfsweigering besloten door de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse zaken op 25 september
- De Commissaris-generaal meent dat de betrokkene vreemdeling in de huidige omstandigheden mag worden teruggeleid naar de grens van het land dat hij ontvlucht is, en waar, volgens zijn verklaring, zijn leven, zijn fysieke integriteit of zijn vrijheid in gevaar zou verkeren. (...)”.
- Over de ontvankelijkheid. Overwegende dat de tweede verwerende partij in haar memorie van antwoord een exceptie van onontvankelijkheid ratione temporis opwerpt; Overwegende dat uit de stukken van het administratief dossier blijkt dat de bestreden beslissing per aangetekende zending van woensdag 21 februari 2001 naar de verzoekende partij werd verstuurd; dat de kennisgeving bijgevolg plaatsvond op donderdag 22 februari 2001; dat de termijn van dertig dagen een aanvang nam op vrijdag 23 februari 2001 en eindigde op maandag 26 maart 2001; dat bijgevolg het verzoekschrift op 26 maart 2001 tijdig werd ingediend; dat de exceptie ongegrond is;
- Over de gegrondheid van de zaak. 3.
- Overwegende dat verzoeker in een enig middel de schending aanvoert van de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen en van artikel 62 van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen (Vreemdelingenwet); dat hij daaraan toevoegt dat een manifeste appreciatiefout werd begaan; Overwegende dat verzoeker in een eerste onderdeel uiteenzet dat de Commissaris-generaal onvoldoende rekening heeft gehouden met de toestand van gewetensbezwaarden in XXX; dat verzoeker wel degelijk heeft verklaard dat hij om religieuze redenen geen militaire dienst kon doen; dat verzoeker wel op de hoogte was van de mogelijkheid van een alternatieve dienstplicht, maar dat deze alternatieve dienstplicht beperkt is tot een aantal gevallen; dat verzoeker werd bedreigd met gevangenisstraf indien hij zijn militaire dienstplicht niet volbracht; dat het een motiveringsgebrek uitmaakt dat in de bestreden beslissing aan verzoeker wordt ten grieve geduid dat hij niet heeft gepoogd om zijn geloofsovertuiging te doen gelden met het oog op het vervullen van een alternatieve dienstplicht in plaats van de militaire dienstplicht, terwijl in de bestreden beslissing wel degelijk melding wordt gemaakt van de poging van verzoeker om aan de dienstplicht te ontsnappen; dat verzoeker voor het Commissariaat-generaal heeft verklaard dat de wet die voorziet in een alternatieve dienstplicht slechts in zeer uitzonderlijke gevallen of helemaal niet wordt toegepast in XXX; dat dit wordt bevestigd in het jaarrapport 1999 van Amnesty International; dat de verwijzing van de Commissaris-generaal naar de toepassing van deze wet bijgevolg niet correct is; XIV-2885-4/8 Overwegende dat verzoeker in een tweede onderdeel aanvoert dat de overweging in de bestreden beslissing dat hij heeft nagelaten om een bewijs te vragen van zijn religieuze overtuiging geen afbreuk doet aan zijn relaas; dat hem immers nooit werd gevraagd om een document voor te leggen betreffende zijn religieuze overtuiging of betreffende het feit dat hij behoort tot de Orthodoxe kerk; dat verzoeker niet kon weten dat zijn geloofsovertuiging in vraag zou worden gesteld, te meer omdat in de beslissing waartegen verzoeker dringend beroep had ingesteld hieraan niet werd getwijfeld; dat de overweging in de beslissing dat verzoeker welbepaalde religieuze voorschriften niet kende en dat hij de naam van de patriarch niet kon noemen, niets afdoet aan het feit dat verzoeker op een hele reeks vragen over de Orthodoxe kerk en over het verloop van de erediensten wel afdoende kon antwoorden; 3.
- Overwegende dat de eerste verwerende partij in de memorie van antwoord uiteenzet dat verzoeker wel melding heeft gemaakt van religieuze bezwaren tegen de militaire dienstplicht, maar dat hij nooit stappen heeft ondernomen om te kunnen genieten van de alternatieve dienstplicht; dat verzoeker niet aantoont dat de informatie waarop de Commissaris-generaal zich baseert en waaruit blijkt dat de wet op de alternatieve dienstplicht toch wordt toegepast, foutief is; dat de vraag naar het bewijs van zijn geloofsovertuiging werd gesteld in het kader van het onderzoek naar de mogelijkheid voor verzoeker om een alternatieve dienstplicht te vervullen en niet om zijn geloofsovertuiging op zich in twijfel te trekken; dat het geheel van de vragen en antwoorden over verzoekers religieuze overtuiging in rekening moet worden gebracht en niet één vraag afzonderlijk, en dit in het licht van het relaas van een kandidaat- vluchteling die op grond van zijn religieuze gewetensbezwaren tegen de dienstplicht, zijn land beweert te zijn ontvlucht; Overwegende dat de tweede verwerende partij zich in de memorie van antwoord aansluit bij het verweer van de eerste verwerende partij; 3.
- Overwegende dat verzoeker in de memorie van wederantwoord herhaalt wat werd uiteengezet in het inleidend verzoekschrift; 3.
- Overwegende dat het Internationaal Verdrag betreffende de status van vluchtelingen, ondertekend te Genève op 28 juli 1951 (Vluchtelingenconventie) aan de verdragsluitende staten een ruime appreciatiebevoegdheid geeft, meer in het bijzonder voor wat betreft de organisatie van een procedure met betrekking tot het onderzoek naar de ontvankelijkheid van een asielaanvraag; dat van deze bevoegdheid door de Belgische wetgever werd gebruik gemaakt middels artikel 52 van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen (Vreemdelingenwet); dat voormeld artikel aan de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen de mogelijkheid biedt een asielaanvraag onontvankelijk te verklaren op grond van een aantal criteria en de verblijfsweigering genomen door de gemachtigde van de Minister XIV-2885-5/8 van Binnenlandse Zaken te bevestigen; dat de Commissaris-generaal een asielaanvraag onontvankelijk kan verklaren omdat zij bedrieglijk is; dat het gaat om aanvragen die valse inlichtingen bevatten, essentiële feiten verhelen of gegrond zijn op documenten die vals of vervalst zijn; dat volgens een groot deel van de rechtspraak van de Raad van State het bedrieglijk karakter onder meer kan worden vastgesteld wanneer tegenstrijdigheden worden aangetoond ten opzichte van gebeurtenissen van algemene bekendheid of tussen verschillende stukken en verklaringen van de asielzoeker geput uit het administratief dossier; dat een andere onontvankelijkheidsgrond de “kennelijke ongegrondheid” is; dat een asielaanvraag kennelijk ongegrond is wanneer de vreemdeling geen gegevens heeft aangebracht dat er, wat hem betreft, ernstige aanwijzingen bestaan van een gegronde vrees voor vervolging; dat de Commissaris-generaal in casu tot de bedrieglijkheid en tot de kennelijke ongegrondheid besluit op basis van volgende overwegingen: - verzoeker is strikt genomen een deserteur, de vrees voor vervolging omwille van desertie kan enkel in welomschreven gevallen in aanmerking worden genomen, verzoeker beroept zich op religieuze motieven; - er dient te worden getwijfeld aan de ernst en diepgang van verzoekers geloofsmotieven die zouden hebben geleid tot zijn desertie: verzoeker heeft nagelaten zich te beroepen op het recht op alternatieve dienstplicht, hij beweert dat dit enkel mogelijk is in één welbepaald geval, verzoeker heeft geen enkele officiële bron over alternatieve dienstplicht geraadpleegd; - verzoeker heeft nagelaten om een bewijs te vragen voor zijn religieuze overtuiging; - verzoeker blijft uiterst vaag over zijn religieuze achtergrond en uit in dit verband enkele niet correcte gegevens: hij beweert dat hij in XXX en in België heeft deelgenomen aan religieuze cursussen, maar hij is niet in staat om zijn gewetensbezwaren vanuit de Bijbel te verdedigen; hij beweert dat de huidige patriarch van de christelijk-orthodoxe kerk Dimitri heet, maar uit objectieve informatie waarover het CGVS beschikt, blijkt dat de patriarch van de R.- orthodoxe metropolie -waaronder de XXX orthodoxe geloofsgemeenschap ressorteert- Alexej II is en de patriarch van de R. orthodoxe metropolie -die ook volgelingen heeft in XXX- Theocrist heet; - er dient te worden besloten dat het motief dat verzoeker inroept voor zijn desertie enerzijds bedrieglijk is en anderzijds kennelijk ongegrond is, omdat verzoeker heeft nagelaten zich bij de autoriteiten te informeren omtrent het bij wet gegarandeerde recht op alternatieve dienstplicht, omdat hij heeft nagelaten de alternatieve dienstplicht op religieuze gronden aan te vragen bij de autoriteiten, omdat hij heeft nagelaten bij de religieuze instanties van zijn geloofsgemeenschap bewijs te vragen van zijn religieuze overtuigingen, en omdat hij niet in staat is om zijn specifieke religieuze overtuiging voor het Commissariaat-generaal inhoudelijk te beargumenteren; - gezien het bovenstaande kan in hoofde van verzoeker geen vermoeden van een gegronde vrees voor vervolging zoals voorzien in de Vluchtelingenconventie worden aanvaard; XIV-2885-6/8 Overwegende dat uit de stukken van het administratief dossier, met name het verhoorverslag van het Commissariaat-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen, blijkt dat verzoeker het volgende heeft verklaard over de alternatieve dienstplicht: “Heeft u ooit alternatieve dienst aangevraagd i.p.v. militaire dienst? Hij had geen tijd want hij kreeg convocatie zodra hij was afgestudeerd. Maar u kon toch vóór de convocaties uw alternatieve dienstplicht aanvragen? KV wist dat autoriteiten enkel alternatieve dienstplicht toestaan aan enige kinderen van zeer oude ouders... Hij heeft zich hierover specifiek geïnformeerd? Nee, hij wist het gewoon. En hij wist dat ook in zulke gevallen de autoriteiten probeerden om die jongeren toch in het leger te krijgen.”, ( p. 6); Overwegende dat uit deze verklaringen blijkt dat de Commissaris- generaal terecht kon vaststellen dat verzoeker heeft nagelaten zich bij de autoriteiten te informeren omtrent het bij wet gegarandeerde recht op alternatieve dienstplicht en omdat hij heeft nagelaten de alternatieve dienstplicht op religieuze gronden aan te vragen bij de autoriteiten; Overwegende dat de kern van het asielrelaas van verzoeker bestaat uit het feit dat hij geen militaire dienstplicht wil vervullen omwille van zijn religieuze overtuiging; dat het logisch en redelijk voorkomt dat de Commissaris-generaal in dit geval aan verzoeker vragen stelt betreffende zijn religieuze overtuiging en achtergrond; dat in de bestreden beslissing in dit verband wordt overwogen dat verzoeker hierover uiterst vaag blijft en niet in staat is om zijn gewetensbezwaren vanuit de Bijbel te verdedigen; dat verzoeker dit in het middel betwist en uiteenzet dat de vraagstelling over de patriarch onduidelijk was en dat hij heeft verklaard dat de militaire dienstplicht niet in overeenstemming is met de naastenliefde die wordt aanbevolen door zijn geloof; dat uit het verhoorverslag blijkt dat verzoeker algemene antwoorden kon geven op de vragen omtrent zijn religie (p. 4, p. 10, p. 12 t.e.m. 14); dat verzoeker echter niet betwist dat hij geen bewijs heeft aangevraagd bij de religieuze instellingen ter staving van zijn gewetensproblemen bij het vervullen van de militaire dienstplicht; Overwegende dat de bestreden beslissing in haar geheel genomen gebaseerd is op pertinente, afdoende en terzake dienende motieven; dat de Commissaris- generaal terecht vaststelt dat het asielrelaas van verzoeker bedrieglijk is en kennelijk ongegrond om hoger vermelde redenen, die steun vinden in het administratief dossier; dat de Commissaris-generaal derhalve kon besluiten tot de bedrieglijkheid en kennelijke ongegrondheid van de asielaanvraag; dat het enig middel ongegrond is, XIV-2885-7/8 BESLUIT: Artikel
- Het beroep wordt verworpen. Artikel
- De kosten van het beroep, bepaald op 173,53 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. Aldus te Brussel, na beraad, uitgesproken in openbare terechtzitting, op negentien januari tweeduizend en vijf, door : de H. D. MOONS, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, Mevr. A. DE SMET, griffier. De griffier, De voorzitter, A. DE SMET. D. MOONS. XIV-2885-8/8 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.139.529 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.