← België

Arrest 139563 - - 19/01/2005

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 19 januari 2005 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.139.563 Rolnummer: A. 82523/X-8728 Zaak: Arrest 139563 - - 19/01/2005 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2005-02-02 Raadplegingen: 55 - laatst gezien 2026-07-02 06:30 Fiche Arrest nr 139.563 van 19 januari 2005 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 139.563 van 19 januari 2005 in de zaak A 82.523/X-

  1. In zake : de b.v.b.a. DE SCHOORSTEENVEGER, die woonplaats kiest bij Advocaat W. MERTENS, kantoor houdende te 3580 BERINGEN, Scheigoorstraat 5 tegen : het Vlaamse Gewest, dat woonplaats kiest bij Advocaat L. DEHAESE, kantoor houdende te 3500 HASSELT, Luikersteenweg
  2. --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, Xe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat de b.v.b.a. DE SCHOORSTEENVEGER op 16 februari 1999 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van het besluit van 10 december 1998 van de minister vice-president van de Vlaamse regering en Vlaamse minister van Openbare Werken, Vervoer en Ruimtelijke Ordening, houdende inwilliging van het beroep van de gemachtigde ambtenaar tegen het besluit van 9 juli 1998 van de bestendige deputatie van de provincieraad van Limburg, waarbij aan de b.v.b.a. DE SCHOORSTEENVEGER de bouwvergunning wordt verleend voor het regulariseren van een loods, het slopen van een bouwvallige loods, het plaatsen van een silo en loopbrug, het bouwen van een nieuwe loods en het dichten van een bestaande loods, op een perceel gelegen te Hasselt, Lummense Kiezel, kadastraal bekend Sectie B, nrs. 146/H6, 146/K6, 146/R4 en 145/M; Gezien de toelichtende memorie; Gezien het verslag opgemaakt door Eerste Auditeur- afdelingshoofd F. DE BUEL; Gelet op de beschikking van 5 december 2003 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; X-8728-1/10 Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen en gezien de laatste memorie van de verzoekende partij; Gelet op de beschikking van 19 april 2004 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 1 oktober 2004; Gehoord het verslag van Staatsraad J. BOVIN; Gehoord de opmerkingen van Advocaat P. VAN WESEMAEL die, loco Advocaat W. MERTENS verschijnt voor de verzoekende partij, en van Advocaat K. HULPIAU die, loco Advocaat L. DEHAESE verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van Eerste Auditeur- afdelingshoofd F. DE BUEL; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; Overwegende dat de verwerende partij haar memorie van antwoord en het administratief dossier niet heeft ingediend binnen de in artikel 6 van het besluit van de Regent van 23 augustus 1948 tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling administratie van de Raad van State bepaalde termijn; dat de memorie van antwoord met toepassing van artikel 21, vijfde lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State ambtshalve uit de debatten wordt geweerd; Overwegende dat de b.v.b.a. DE SCHOORSTEENVEGER op 6 oktober 1997 bij het college van burgemeester en schepenen van de stad Hasselt een aanvraag heeft ingediend tot het verkrijgen van de bouwvergunning tot "regularisatie van een silo en loopbrug en het dichtmaken van een bestaande loods" op een perceel gelegen te Hasselt, Lummense Kiezel 21, kadastraal bekend Sectie B, nrs. 146H6, 146H6, 146R4 en 145M; dat voornoemd perceel volgens de bestemmingsvoorschriften van het bij koninklijk besluit van 3 april 1979 vastgesteld gewestplan Hasselt-Genk is gelegen in "woongebied"; dat het niet is gelegen binnen het beheersingsgebied van een behoorlijk vergunde niet vervallen verkaveling, noch binnen het beheersingsgebied van een door de Vlaamse regering goedgekeurd X-8728-2/10 bijzonder plan van aanleg; dat het college van burgemeester en schepenen van de stad Hasselt op 12 februari 1998 de gevraagde bouwvergunning heeft geweigerd; dat de b.v.b.a. DE SCHOORSTEENVEGER op 12 maart 1998 beroep heeft ingesteld bij de bestendige deputatie van de provincieraad van Limburg tegen voormelde weigeringsbeslissing; dat de bestendige deputatie van de provincieraad van Limburg bij besluit van 9 juli 1998 het beroep van de verzoekende partij heeft ingewilligd en de bouwvergunning heeft verleend; dat de gemachtigde ambtenaar op 4 augustus 1998 beroep heeft ingesteld tegen voormeld inwilligingsbesluit bij de bevoegde Vlaamse minister; dat de minister vice-president van de Vlaamse regering en Vlaamse minister van Openbare Werken, Vervoer en Ruimtelijke Ordening, bij het bestreden besluit van 10 december 1998 het beroep van de gemachtigde ambtenaar heeft ingewilligd en voornoemd besluit van de bestendige deputatie van de provincieraad van Limburg van 9 juli 1998 heeft vernietigd; dat het bestreden besluit op 17 december 1998 aan de verzoekende partij en haar raadsman ter kennis is gebracht; dat de gemachtigde ambtenaar op 23 februari 1999 een herstelvordering heeft ingesteld bij het parket; Overwegende dat de verzoekende partij in een eerste middel de schending aanvoert van artikel 53, § 2, van het decreet betreffende de ruimtelijke ordening, gecoördineerd op 22 oktober 1996, doordat het beroep ingesteld door de gemachtigde ambtenaar op 4 augustus 1998 bij het ministerie van de Vlaamse Gemeenschap niet tezelfdertijd ter kennis werd gebracht van de verzoekende partij en dat hierdoor een substantiële vormvereiste werd geschonden; Overwegende dat artikel 53, § 2, van het decreet betreffende de ruimtelijke ordening, gecoördineerd op 22 oktober 1996, zoals van toepassing op het ogenblik van het bestreden besluit bepaalt : "§
  3. Het college van burgemeester en schepenen (thans de Vlaamse regering) alsook de gemachtigde ambtenaar kunnen bij de Koning in beroep komen binnen dertig dagen na de ontvangst van de beslissing van de bestendige deputatie tot verlening van een vergunning. Dit beroep, evenals de termijn voor instelling van het beroep, schorst de vergunning. Het wordt terzelfder tijd ter kennis van de aanvrager en van de Minister gebracht. Komt de gemachtigde ambtenaar in beroep, dan geeft deze daarvan bovendien kennis aan het college"; Overwegende dat de aangehaalde bepaling aan de gemachtigde ambtenaar de verplichting oplegt het beroepsschrift zelve ter kennis te brengen van de aanvrager; dat alleen de kennisgeving van het beroepsschrift de aanvrager in de gelegenheid stelt na te gaan of het beroep van de gemachtigde ambtenaar regelmatig X-8728-3/10 werd ingesteld; dat de mededeling van het beroepsschrift de aanvrager inlicht over de datum van het beroep, de overheid bij dewelke het is ingediend, of het op redenen is gesteund en welke die redenen zijn; Overwegende dat uit de niet betwiste gegevens van de zaak blijkt dat de raadsman van verzoekende partij, namens verzoekende partij, een beroep heeft ingesteld bij de bestendige deputatie tegen de beslissing van 12 februari 1998 van het college van burgemeester en schepenen van de stad Hasselt; dat het inwilligingsbesluit van de bestendige deputatie enkel werd betekend aan de raadsman van verzoekende partij; dat het beroep van de gemachtigde ambtenaar van 4 augustus 1998 ter kennis werd gebracht van de raadsman van aanvrager, doch niet ter kennis van de aanvrager zelf; Overwegende dat de kennisgeving aan een persoon van wie op goede gronden kan worden vermoed dat de aanvrager hem als lasthebber heeft aangesteld om zijn belangen ter zake te behartigen, geldt als een kennisgeving aan de aanvrager zelf; dat in de onderhavige zaak die goede gronden bestonden, doordat de raadsman van verzoekende partij in zijn beroep bij de bestendige deputatie niet heeft gesteld dat hij slechts over een beperkt mandaat beschikte, met name enkel om het beroep in te stellen, doch niet om de beroepsbeslissing in de plaats van de verzoekende partij te ontvangen; dat de raadsman van verzoekende partij bij schrijven van 7 augustus 1998 de bevoegde Vlaamse minister heeft verzocht om gehoord te worden; dat hij in dit schrijven geen bezwaren heeft geformuleerd omtrent het feit dat het beroep van de gemachtigde ambtenaar niet ter kennis werd gebracht van de aanvrager zelf, noch heeft vermeld dat hij slechts over een beperkt mandaat beschikte; dat bovendien dient te worden vastgesteld dat verzoekende partij, noch in haar verzoekschrift, noch in haar toelichtende memorie, aangeeft op welke wijze de kennisgeving van het beroep van de gemachtigde ambtenaar enkel aan haar raadsman haar belangen zou hebben geschaad; dat in de gegeven omstandigheden uit de kennisgeving van het beroep enkel aan de raadsman van de aanvrager niet kan worden afgeleid dat deze kennisgeving geschiedde met schending van artikel 53, § 2, van het decreet betreffende ruimtelijke ordening gecoördineerd op 22 oktober 1996; dat het middel niet gegrond is; Overwegende dat de verzoekende partij in een tweede middel de schending aanvoert van het onpartijdigheids- en onafhankelijkheidsbeginsel, alsook van het fair-playbeginsel; dat zij dit middel uiteenzet als volgt : X-8728-4/10 "Het bestreden besluit werd genomen door de heer Steve STEVAERT in zijn hoedanigheid van Minister Vice-President van de Vlaamse Regering en Vlaams Minister van Openbare Werken, Vervoer en Ruimtelijke Ordening. De heer STEVAERT heeft in deze aanvraagprocedure als burgemeester van de Stad Hasselt op 12.02.1998 de bouwvergunning reeds geweigerd (...). Het is in strijd met de in het middel aangehaalde beginselen wanneer dezelfde persoon in eerste aanleg en in beroep over een bouwvergunning oordeelt. * Voor rechterlijke instanties en administratieve rechtscolleges is de vereiste van onafhankelijkheid en onpartijdigheid sinds zeer lang een onbediscussieerd gegeven (Justice must not only be done, but also be seem to be done). Ook in bestuurlijke aangelegenheden, zoals het verlenen van vergunningen, is het onpartijdigheidsbeginsel van toepassing. Zo argumenteert A. VAN MENSEL, net zoals wijlen L.P. SUETENS, dat de fairplay~norm (correcte behandeling van de burgers door de overheid) verduidelijkt kan worden door er o.m. naar te verwijzen dat 'de overheid blijk moet geven van een 'elementaire' onpartijdigheid in de besluitvorming' (...); Professor OPDEBEEK laat zich eveneens, en in duidelijkere bewoordingen, in die zin uit : 'P. VAN ORSHOVEN ( ... ) laat er zonder omwegen geen twijfel over bestaan dat álle overheden in álle omstandigheden onpartijdig moet zijn, maar wijst er - in één adem - op dat naargelang van het geval aan de onpartijdigheidsplicht een verschillende inhoud gegeven moet worden. ( ... ) In ieder geval sluit de vaststelling dat, ook in niet-disciplinaire aangelegenheden, bestuursorganen geen persoonlijk belang mogen hebben bij de door hen te nemen beslissingen en daartoe evenmin de schijn mogen verwekken, aan bij de in de Nederlandse Algemene Wet Bestuursrecht gehuldigde opvatting dat de overheid onbevangen en onpartijdig dient te besturen en de schijn van partijdigheid zoveel mogelijk dient te vermijden'. In het algemeen stelt de rechtsleer : 'Van in het begin moet immers worden aangegeven dat alle overheden, en dus ook het bestuur, in alle omstandigheden onpartijdig moeten zijn. De ratio van die eis moet worden gezocht in het vertrouwen dat men moet kunnen stellen én handhaven, niet alléén in de rechter, maar in alle overheden inclusief het bestuur'. (...): Uw Raad heeft nog gesteld dat in niet-rechterlijke aangelegenheden de niet-betwiste vereiste van onpartijdigheid in hoofde van degenen die de beslissingen nemen, impliceert dat zij zich moeten aanpassen aan de bevoegdheden die door de wet worden toegekend en aan de vereisten gesteld door het actieve bestuur (...). Het onderzoek dat in het kader van een vergunningsaanvraag gebeurt, dient aldus gevoerd te worden door een instantie wiens onafhankelijkheid en onpartijdigheid - essentiële elementen voor elk deugdelijk bestuur - buiten twijfel staan (...). De Raad van State stelt ambtshalve vast dat de ligitieuze beslissing is tot stand gekomen met schending van de regels inzake de onpartijdigheid van de betrokken instanties (...). * Ook voor de administratieve overheid geldt dus een bepaalde vereiste van onpartijdigheid, die aansluit bij het respecteren van de beginselen van behoorlijk bestuur, in het bijzonder het fairplay-beginsel. Het gaat niet op dat het beoordelende orgaan een persoonlijk en direct belang heeft bij het dossier. Overigens is zelfs een vermoeden van mogelijke partijdigheid voldoende opdat het principe van de onpartijdigheid zou geschonden zijn (...). X-8728-5/10 In casu is de zekere en kennelijke partijdigheid een persoonlijke betrokkenheid een evidente vaststelling. Een vergunning weigeren als burgemeester en in beroep als minister is in strijd met de hiervoor aangehaalde beginselen"; Overwegende dat uit de niet betwiste gegevens van de zaak blijkt dat de heer S. STEVAERT als burgemeester heeft deelgenomen aan de vergadering van 12 februari 1998 van het college van burgemeester en schepenen waarbij de bouwvergunning aan verzoekende partij werd geweigerd en dat hij als Vlaamse minister bevoegd voor ruimtelijke ordening, het thans bestreden besluit heeft genomen; Overwegende dat de verzoekende partij in haar brief van 7 augustus 1998, waarin zij ondermeer heeft verzocht om gehoord te worden, niet heeft gewezen op de zogenaamde persoonlijke betrokkenheid van de Vlaamse minister bevoegd voor ruimtelijke ordening; dat zij tijdens de hoorzitting evenmin enig voorbehoud heeft gemaakt; dat zij nochtans op dat ogenblik reeds op de hoogte moest zijn van het thans door haar opgeworpen probleem van "onafhankelijkheid en onpartijdigheid"; dat het in de gegeven omstandigheden niet staat dat de verzoekende partij zich in de loop van de administratieve procedure ervan onthoudt haar rechten te doen gelden om dan, wanneer het bestuur zijn beslissing heeft genomen, zich bij de Raad van State voor het eerst op dit euvel te beroepen om de nietigverklaring van het bestreden besluit te vorderen; dat het middel niet kan worden aangenomen; Overwegende dat de verzoekende partij in een derde en vierde middel de schending aanvoert van de artikelen 2 en 53, § 3, van het decreet betreffende de ruimtelijke ordening, gecoördineerd op 22 oktober 1996, van de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen en van artikel 5 van het koninklijk besluit van 28 december 1972 betreffende de inrichting en de toepassing van de ontwerpgewestplannen en de gewestplannen, alsook van artikel 13 van het decreet van 23 oktober 1991 betreffende de openbaarheid van bestuursdocumenten in de diensten en instellingen van de Vlaamse regering en van het redelijkheidsbeginsel; dat zij dit middel uiteenzet als volgt : "Het bestreden besluit gaat uit van een feitelijk verkeerde voorstelling van zake, doordat het stelt dat de kwestieuze eigendom quasi volledig omsloten is door kleinschalige residentiële woningbouw. X-8728-6/10 Enerzijds wordt dit dus gesteld op bladzijde 4 van het bestreden besluit, doch anderzijds wordt op bladzijde 2 onderaan van het besluit, gesteld dat enkel aan de westelijke en zuidelijke zijde het goed raakt aan eigendommen met residentiële woningen langs de Ernest Claesstraat. Deze tegenstrijdigheid is van groot belang. Het is in strijd met de realiteit te stellen dat het gebouw van verzoekende partij gelegen is in een omgeving met kleinschalige residentiële woningbouw. De Lummense Kiezel is zeker geen straat voor residentiële woningbouw en bevat nog een heel aantal andere bedrijven in de onmiddellijke omgeving. Dit blijkt duidelijk uit stuk 1a-b-c. Het bestreden besluit spreekt zelf al van een visgroothandel aan de overzijde, doch in de onmiddellijke omgeving liggen nog andere bedrijven, zoals bijvoorbeeld Bouwmaterialen JANS. Bovendien blijkt zelf uit het bestreden besluit dat de betreffende gebouwen er staan lang voor van residentiële bebouwing sprake was. Ten onrechte wordt ook gesteld dat de aanvraag een omvangrijke gebouwen-uitbreiding voorziet en dat dit zou dienen voor een nieuwe en blijkbaar intense bedrijvigheid van industriële reiniging. Enerzijds is het zo dat ter plaatse er geen bedrijvigheid van industriële reiniging is, maar dat dit gebeurt bij de cliënten op andere locaties. Anderzijds betreft de aanvraag geen omvangrijke gebouwenuitbreiding. De enige nieuwbouw betreft een loods met een lengte van 28,9 meter, bij een breedte van 7,4 meter. Daarenboven wordt ook de afbraak gevraagd van een bestaande loods. Verder wordt er enkel gevraagd om bestaande constructies dicht te maken aan de zijkanten met metalen profielplaat. Dit betreft echter geen uitbreiding van gebouwen. Ten onrechte wordt ook gesteld in het bestreden besluit dat door de bouwvergunning te verlenen, een bedrijfinplanting ontstaat die door aard en omvang niet meer een aanvaardbaar evenwicht bezit met de omringende erven en hun bebouwingsvormen. Het bedrijf stond er lang voor er sprake was van residentiële bebouwing in de omgeving. Door het verlenen van de vergunning ontstaat dus geen bedrijfsinplanting, maar wordt er enkel één bevestigd. Voor het overige hebben de motieven vooral betrekking op het esthetisch en architectonisch karakter van de constructie. Die weigeringsmotieven zijn echter onredelijk. Er zijn zeer veel bedrijven waarvan de wanden bekleed zijn met metalen profielplaat. Men kan dan ook niet stellen dat dit esthetisch onaanvaardbaar is. Het zicht op die gevels wordt trouwens belemmerd door de groene buffer die als voorwaarde in de bouwvergunning, verleend door de bestendige deputatie, is opgelegd. (...) Het perceel voorwerp van de vergunningsaanvraag is gelegen in woongebied. Krachtens artikel 5 van het inrichtingsbesluit zijn woongebieden bestemd voor woning, alsmede voor handel, dienstverlening, ambacht en klein bedrijf, voor zover ze bestaanbaar zijn met de woonfunctie van het gebied en verenigbaar zijn met de onmiddellijke omgeving. Enerzijds stelt het bestreden besluit duidelijk dat de activiteit van houtzagerij op een minimaal regime draait en dat de 5 bezwaarschriften die werden ingediend zich allen richten tegen de uitbatingshinder van het bedrijf en geen betrekking hebben op aspecten van stede(n)bouwkundige aard. Men kan dan ook niet stellen dat het vergunnen van het voorwerp van de bouwaanvraag onbestaanbaar zou zijn met de woonfunctie van het gebied. X-8728-7/10 Trouwens is enkel bewoning aanwezig aan de westelijke en zuid-westelijke zijde van het goed. De residentiële woningen aan die zijde worden echter voldoende afgescheiden van een bedrijf van verzoekende partij door de groene buffer. Bovendien zijn die residentiële woningen niet bereikbaar langs de Lummense Kiezel en zijn zij volledig gericht op de Ernest Claesstraat. Een spoorlijn waar om de vijf minuten een trein passeert, een visgroothandel zijn zeker geen elementen om te zeggen dat het bedrijf van verzoekende partij niet verenigbaar zou zijn met de onmiddellijke omgeving. Door de vergunning niet te verlenen, verbiedt de minister in feite dat nog verdere activiteiten zouden worden uitgeoefend, aangezien de constructies daartoe niet vergunbaar zijn. De minister zegt zelfs dat om redenen van goede ruimtelijke ordening, het bedrijf dient verwezen te worden naar een daartoe bestemd gebied. Hierdoor miskent hij de bindende kracht van de gewestplannen en artikel 5 van het inrichtingsbesluit waarin duidelijk ambacht en klein bedrijf wordt toegelaten. Welnu, de activiteiten van verzoekende partij behoren tot ambacht en klein bedrijf"; Overwegende dat uit de niet betwiste gegevens van de zaak blijkt dat het bestreden besluit de te vergunnen werken als volgt kwalificeert : "Overwegende dat voorliggend ontwerp conform de aangegeven nummering volgende werken beoogt : 1 - het regulariseren van een bestaande loods met een lengte van 44,15 m bij een breedte van 9,6 m, ingeplant op 1 m van de zuidelijke perceelsgrens; 2 - het bouwen van een nieuwe loods met een lengte van 28,9 m bij een breedte van 7,4 m, in te planten op 5 m van de westelijke erfgrens; 3 - het plaatsen van een silo met een sokkel van 4 m bij 4 m; 4 - het plaatsen van een loopbrug aan de westelijke zijde van de centraal op het terrein liggende gebouwen, met een lengte van 25 m; 5 - het dichtmaken van een bestaande loods, 40,4 m bij 14,4 m, met metaalprofielplaten; 6 - het afbreken van een bestaande bouwvallige loods, gelegen aan de westelijke zijde van de onder punt 1 vernoemde, te regulariseren loods"; Overwegende dat de verzoekende partij in haar derde en vierde middel enkel de overwegingen van een deel van het bestreden besluit kritiseert, welke luiden als volgt : "Overwegende dat kwestieus eigendom quasi volledig omsloten is door kleinschalige residentiële woningbouw, conform de voorschriften van het vigerend gewestplan; dat het hier weliswaar een bestaande inplanting betreft van een houtzagerij, geconfigureerd in meerdere gebouwen; dat echter het voorliggend ontwerp dus een omvangrijke gebouwenuitbreiding voorziet, omvattend bovendien de gebouwen voor een nieuwe en blijkbaar intense bedrijvigheid van industriële reiniging, Overwegende dat hier een bedrijfsinplanting ontstaat die door aard en omvang niet meer een aanvaardbaar evenwicht bezit met de omringende erven en hun bebouwingsvormen; dat het gevraagde zich niet meer integreert in deze X-8728-8/10 woonkern en bijgevolg om redenen van goede ruimtelijke ordening dient verwezen naar een daartoe bestemd gebied; dat in het licht van deze vaststelling binnen het kader van huidige beroepsprocedure dan ook geen vergunning kan worden overwogen voor de overige gevraagde werken zoals de silo, de loopbrug en het slopen van de oude loods"; Overwegende dat de overwegingen die de verzoekende partij kritiseert betrekking hebben op de silo, de loopbrug en het slopen van de oude loods; dat dit slechts bijkomstige accessoire werken betreft; dat in de bekritiseerde overwegingen duidelijk wordt onderzocht in welke mate voornoemde onderdelen van de vergunningsaanvraag verenigbaar zijn met de in artikel 5 van het koninklijk besluit van 28 december 1972 betreffende de inrichting en de toepassing van ontwerpgewestplannen en gewestplannen bedoelde bestemmingsvoorschriften; dat het verkrijgen van een vergunning voor de voormelde onderdelen slechts nuttig is in de mate dat ook een vergunning wordt verkregen voor het regulariseren van een bestaande loods, voor het bouwen van een nieuwe loods en voor het dichtmaken van de bestaande loods; dat het bestreden besluit omtrent die loodsen overweegt wat volgt : "Overwegende dat de wederrechtelijk gebouwde loods nr. 1, met een hoogte van 4,95 m, over zijn volledige lengte van 44,15 m werd opgetrokken op slechts 1 m van de zuidelijke perceelsgrens, zijnde tevens de scheidingslijn met de hovingen van de eigendommen waarvan de woningen zich richten op de Ernest Claesstraat; dat dergelijke inplanting, met de gegeven afmetingen, om reden van de te geringe bouwvrije afstand tot de erfgrens, uit perceelsordenend oogpunt ontoelaatbaar is; dat bovendien de volledige gevelbekleding in groene metalen profielplaten uit esthetisch/architectonisch oogpunt, mede gelet op het zeer grote gesloten gevelvlak, binnen de omgeving van kleinschalige woningbouw met klassieke materialen onaanvaardbaar is; Overwegende dat ook de loods nr. 2, met als afmetingen 28,9 m bij 7,4 m, volledig wordt uitgevoerd in donkergroene metalen profielplaten; dat een inplanting wordt voorgesteld evenwijdig aan de Ernest Claesstraat, waarbij de 5 m-hoge en 29,9 m-lange gevel zich op 5 m van die straat zou situeren; dat dergelijke uitvoeringswijze, ter hoogte van de gangbare voorbouwlijn van de linksliggende woningen, een gevelwand introduceert die op vlak van schaal, esthetische en architectonische uitvoering onverenigbaar is met een evenwichtige uitbouw ter plaatse; Overwegende dat zich centraal op het terrein de oudere, in rood metselwerk opgerichte bedrijfsgebouwen situeren; dat achter voornoemde constructies, onmiddellijk aanpalend zich een open afdak bevindt, bestaande uit een metalen skelet dat bedekt is met een zadeldak; dat huidig voorstel - vermeld onder nr. 5 - voorziet in het dichtmaken van alle zijkanten bij middel van metalen geprofileerde platen; dat in beide kopgevels sectionale poorten zijn gepland; dat deze omvorming wordt voorgesteld met het oog op het stallen van de vrachtwagens die in het kader van de industriële reinigingsbedrijvigheid voorzien zijn van gevoelige elektrische en elektronische apparatuur; dat ook deze uitvoering wegens het voorgestelde materiaalgebruik, in de context van de bestaande vergunde gebouwen en een ruimere ordening binnen dit X-8728-9/10 woongebied, niet verenigbaar is met een esthetisch en ruimtelijk verantwoorde uitbouw"; Overwegende dat de op de goede plaatselijke ordening gesteunde weigeringsmotieven met betrekking tot de voornoemde loodsen door de verzoekende partij geenszins in vraag worden gesteld; dat in de gegeven omstandigheden de gegrondheid van het derde en het vierde middel aan de verzoekende partij geen enkel nut kan bijbrengen; dat zij derhalve geen belang heeft bij deze middelen, BESLUIT: Artikel
  4. Het beroep wordt verworpen. Artikel
  5. De kosten van het beroep, bepaald op 173,53 euro komen ten laste van de verzoekende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op negentien januari 2005, door de Xe kamer, die was samengesteld uit : de HH. J. BOVIN, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, G. DEBERSAQUES, staatsraad, C. ADAMS, staatsraad, Mevr. A. TRUYENS, griffier. De griffier, De voorzitter, A. TRUYENS. J. BOVIN. X-8728-10/10 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.139.563 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.