id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 19 januari 2005 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.139.564 Rolnummer: A. 159170/XIV-21584 Zaak: Arrest 139564 - - 19/01/2005 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2005-01-20 Raadplegingen: 56 - laatst gezien 2026-07-02 06:30 Fiche Arrest nr 139.564 van 19 januari 2005 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 139.564 van 19 januari 2005 in de zaak A. 159.170/XIV-21.
- In zake : XXX, die woonplaats kiest bij advocaat E. ILUNGA-KABEYA, kantoor houdende te 1050 BRUSSEL Adophe Buyllaan 128 tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door : de minister van Binnenlandse Zaken. --------------------------------------------------------------------------------------------------------------- -- DE Wnd. VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX, van Angolese nationaliteit, op 14 januari 2005 heeft ingediend om bij uiterst dringende noodzakelijkheid de schorsing van de tenuitvoerlegging te vorderen van de beslissing tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten van de minister van Binnenlandse Zaken van 10 januari 2005; Gelet op de beschikking van 17 januari 2005 waarbij aan de verzoeken- de partij het voordeel van de kosteloze rechtspleging wordt verleend; Gelet op de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, inzonderheid op de artikelen 17 en 18; Gezien de nota van de verwerende partij; Gelet op de beschikking van 17 januari 2005 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 19 januari 2005 om 10.30 uur; Gehoord het verslag van staatsraad C. ADAMS; Gehoord de opmerkingen van advocaat E. ILUNGA-KABEYA, die verschijnt voor de verzoekende partij en van advocaat C. DECORDIER, die verschijnt voor de minister van Binnenlandse Zaken; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST; XIV-21.584-1/5 Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
- Overwegende dat krachtens artikel 17, §§ 1 en 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State slechts tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid van de tenuitvoerlegging kan worden besloten onder de drievoudige voorwaarde dat er uiterst dringende noodzakelijkheid voorhanden is, dat ernstige middelen worden aangevoerd die de vernietiging van de aangevochten akte of verordening kunnen verantwoorden en dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de bestreden akte of verordening een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen; 2.1.
- Overwegende, wat de tweede voorwaarde betreft, dat de verzoekende partij in een eerste middel de schending opwerpt van artikel 3.4 van de overeenkomst betreffende de vaststelling van de Staat die verantwoordelijk is voor de behandeling van een asielverzoek dat bij één van de Lid-Staten van de Europese Gemeenschappen wordt ingediend, gedaan te Dublin op 15 juni 1990 (overeenkomst van Dublin), van artikel 51/5 van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen (Vreemdelingenwet) en van artikel 16.1 van de Verordening (EG) nr. 343/2003 van de Raad van 18 februari 2003 tot vaststelling van de criteria en instrumenten om te bepalen welke lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van een asielverzoek dat door een onderdaan van een derde land bij een van de lidstaten wordt ingediend; dat de verzoekende partij in essentie aanvoert dat de dienst Vreemdelingenzaken weigert de asielaanvraag van de verzoekende partij te onderzoeken omdat België met toepassing van artikel 16.1 van de Verordening van 18 februari 2003 niet verantwoordelijk is voor de behandeling ervan, dat de verzoekende partij heeft uiteengezet dat zij Nederland op 22 april 2004 heeft verlaten, in Angola werd gevangen gezet, uit Angola gevlucht is en op 6 september 2004 in België is aangekomen, dat de verzoekende partij heeft gevraagd dat haar dossier in België zou worden behandeld omdat haar familie in België verblijft en haar kinderen er school lopen, dat de dienst Vreemdelingenzaken geen rekening heeft gehouden met de door artikel 3.4 van de Overeenkomst van Dublin geboden mogelijkheid, dat de asielaanvraag derhalve in België kon worden behandeld, dat artikel 3.7 van de Overeenkomst van Dublin bepaalt dat de verplichting voor een Lid-staat om een asielaanvrager in een andere Lid-staat over te nemen vervalt indien de asielaanvrager het grondgebied van de Lid-staten gedurende meer dan drie maanden heeft verlaten, dat de verzoekende partij in casu stukken betreffende haar vertrek in april 2004 uit Nederland naar Luanda heeft bijgebracht, dat haar familie in België verblijft en dat er meer dan drie maanden zijn verlopen tussen haar vertrek uit Nederland en aankomst in België, dat geen rekening is gehouden met de door de verzoekende partij uitgedrukte wil om haar asielaanvraag in België te laten behandelen; XIV-21.584-2/5 2.1.
- Overwegende dat de bestreden beslissing prima facie is genomen met toepassing van artikel 51/5 van de Vreemdelingenwet en van artikel 16 van de Verordening (EG) van 18 februari 2003 doch niet met toepassing van artikel 3.4 van de Overeenkomst van Dublin, zodat de schending van deze laatste bepaling prima facie niet op ontvankelijke wijze kan worden opgeworpen; Overwegende dat artikel 16.
- van de Verordening (EG) van 18 februari 2003 bepaalt dat de verplichting voor een lidstaat om een asielaanvraag te behandelen vervalt “indien de betrokken onderdaan van een derde land het grondgebied van de lidstaten ten minste drie maanden heeft verlaten, tenzij hij houder is van een geldige verblijfstitel die door de verantwoordelijke lidstaat is afgegeven”; dat in casu de verzoekende partij aanvoert dat zij in april 2004 uit Nederland naar Angola is teruggekeerd en in september 2004 uit Angola in België is aangekomen, doch dat zij, anders dan zij in het middel stelt, geen enkel bewijs daarvoor heeft bijgebracht voor de dienst Vreemdelingenzaken; dat de verzoekende partij in die mate prima facie geen schending van artikel 16 van de Verordening (EG) van 18 februari 2003 of artikel 51/5 van de Vreemdelingenwet aannemelijk maakt; Overwegende dat de verzoekende partij in het middel verwijst naar het verblijf van haar familie, in het bijzonder van haar schoolgaande kinderen, in België; dat de verzoekende partij dit prima facie niet heeft vermeld bij haar asielaanvraag doch blijkens het verhoorverslag van de dienst Vreemdelingenzaken van 10 september 2004 uitdrukkelijk heeft verklaard dat haar echtgenote en kinderen in Nederland verblijven en dat zij voor België heeft gekozen omwille van “keuze smokkelaars, ik wou absoluut niet terug naar Nederland”; dat de verzoekende partij de door haar thans aangehaalde gronden derhalve niet bij de asielinstanties heeft laten gelden zodat niet valt in te zien hoe er bij de bestreden beslissing rekening mee kon worden gehouden; dat het middel in die mate prima facie feitelijke grondslag mist; 2.2.
- Overwegende dat de verzoekende partij in een tweede middel de schending opwerpt van de artikel 1, 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen, van het algemeen beginsel van behoorlijk bestuur en de kennelijke beoordelingsfout; dat zij in essentie aanvoert dat zij het grondgebied van de lidstaten in april 2004 heeft verlaten en dat er meer dan drie maanden zijn verlopen tussen dat vertrek en haar aankomst in België op 6 september 2004, dat de dienst Vreemdelingenzaken niet zegt waarom zij geen rekening wil houden met de vraag van de verzoekende partij om de asielaanvraag in België te behandelen, waar haar familie verblijft en haar kinderen school lopen, dat de dienst Vreemdelingenzaken evenmin zegt waarom geen rekening wordt gehouden met artikel 3,7 van de Overeenkomst van Dublin en dat de bestreden beslissing derhalve niet afdoende is gemotiveerd, minstens dat er een kennelijke beoordelingsfout is gemaakt; XIV-21.584-3/5 2.2.
- Overwegende dat prima facie zowel de in aanmerking genomen feiten als de rechtsregels waarvan toepassing wordt gemaakt op eenvoudige wijze in de bestreden beslissing kunnen worden gelezen; dat in concreto uitdrukkelijk wordt overwogen dat de verzoekende partij geen bewijs bijbrengt van haar voorgehouden terugkeer naar Angola na de afwijzing van haar asielaanvraag in Nederland; dat verder wordt overwogen dat de verzoekende partij geen specifieke elementen heeft aangehaald waarom haar asielaanvraag in België zou moeten worden behandeld; dat uit de bespreking van het eerste middel blijkt dat de verzoekende partij zelf op de dienst Vreemdelingenzaken heeft verklaard dat haar familie in Nederland verbleef zodat in de bestreden beslissing niet kon of moest worden ingegaan op het verblijf van die familie in België, dat de verzoekende partij prima facie geen schending van de formele motiveringsplicht aannemelijk maakt; dat uit de bespreking van het eerste middel blijkt dat de materiële motiveringsplicht prima facie evenmin werd geschonden, rekening gehouden met de gegevens waarover de verwerende partij bij het nemen van de bestreden beslissing beschikte; dat het tweede middel niet ernstig is;
- Overwegende dat niet is voldaan aan de tweede van de door artikel 17, §§ 1 en 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State opgelegde voorwaarden; dat deze vaststelling volstaat om het verzoek tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijk- heid af te wijzen, BESLUIT: Artikel
- De vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid wordt verworpen. XIV-21.584-4/5 Artikel
- De kosten van het beroep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op negentien januari tweeduizend en vijf, door : de HH. C. ADAMS, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, M. MILOJKOWIC, griffier. De griffier, De voorzitter, M. MILOJKOWIC. C. ADAMS. XIV-21.584-5/5 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.139.564 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.