← België

Arrest 139569 - - 20/01/2005

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 20 januari 2005 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.139.569 Rolnummer: A. 67908/XII-1027 Zaak: Arrest 139569 - - 20/01/2005 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2005-01-26 Raadplegingen: 62 - laatst gezien 2026-07-02 06:32 Fiche Arrest nr 139.569 van 20 januari 2005 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 139.569 van 20 januari 2005 in de zaak A. 67.908/XII-

  1. In zake : René GIELEN, die woonplaats kiest bij advocaat J. Stijns, kantoor houdende te Leuven, Ubicenter, Philipssite 5, 2 de verdieping tegen :
  2. de STAD BERINGEN, die woonplaats kiest bij advocaat G. Goffin, kantoor houdende te Beringen, Hospitaalstraat 18
  3. het VLAAMSE GEWEST, dat woonplaats kiest bij advocaat B. Staelens, kantoor houdende te Brugge, Canadesen Hof, Bevrijdingslaan 4, bus
  4. --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, XIIe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat René Gielen op 29 februari 1996 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van de beslissing van 9 januari 1996 van de Vlaamse minister van Binnenlandse Aangelegenheden, Stedelijk Beleid en Huisvesting tot goedkeuring van de beslissing van 16 oktober 1995 van de gemeenteraad van Beringen om hem terug te zetten in de graad van politieagent, evenals van het gemeenteraadsbesluit zelf; Gelet op het arrest nr. 115.129 van 28 januari 2003 waarbij de debatten worden heropend en het door de auditeur-generaal aangestelde lid van het auditoraat wordt belast met een aanvullend onderzoek; Gezien het aanvullend verslag opgesteld door auditeur H. Colin; Gelet op de beschikking van 4 maart 2003 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; XII-1027-1/12 Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen en gezien de laatste memories; Gelet op de beschikking van 8 maart 2004 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 8 juni 2004; Gehoord het verslag van staatsraad J. Lust; Gehoord de opmerkingen van advocaat K. Verhaeghe, die loco advocaat J. Stijns verschijnt voor verzoeker, van advocaat M. Roelands, die loco advocaat G. Goffin verschijnt voor de eerste verwerende partij, en van advocaat B. Staelens, die verschijnt voor de tweede verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van auditeur H. Colin; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
  5. Overwegende dat de burgemeester van de stad Beringen met brief van 30 augustus 1990 aan de procureur des konings te Hasselt vraagt “een nader onderzoek te willen instellen naar mogelijke onregelmatigheden, die zouden kunnen begaan zijn bij het afdragen van marktgelden aan de Stadskas van Beringen” door onder anderen verzoeker, hoofdinspecteur bij de gemeentelijke politie en tevens marktleider; dat de zaak geseponeerd wordt; dat, volgens het tuchtverslag van 21 oktober 1993 van de commissaris van politie, uit het door de gerechtelijke politie gevoerde onderzoek wel onregelmatige geldverrichtingen naar voren komen, en het doen van verscheidene voorstellen aan marktkraamsters in ruil voor eventuele bevoordeling; dat met brief van 22 december 1993 de stad aan verzoeker eensdeels “betwistbare, en dubieuze financiële praktijken” ten laste legt, waaronder het meenemen van winkelwaren zonder te betalen, het nooit teruggeven van wisselgeld, het aanvaarden van drinkgeld, en anderdeels oneerbare voorstellen aan marktkraamsters te hebben gedaan, in ruil voor een betere marktplaats; dat bij beslissing van 21 februari 1994 van de gemeenteraad, op 18 mei 1994 door de Vlaamse minister van Openbare Werken, Ruimtelijke Ordening en Binnenlandse Aangelegenheden goedgekeurd, aan verzoeker de tuchtstraf van het ontslag van ambtswege wordt opgelegd; XII-1027-2/12 Overwegende dat de gemeenteraadsbeslissing en de goedkeuring ervan bij arrest nr. 53.467 van 31 mei 1995 door de Raad van State vernietigd worden; dat daartoe onder meer wordt overwogen dat voor zover moet worden aangenomen dat de gemeenteraad rekening heeft gehouden met pogingen tot afpersing van 10.000 of 40.000 frank, hij die feiten volgens de normale regels van de bewijsvoering niet voor bewezen kon houden, dat de verklaringen aangaande de andere feiten die de gemeenteraad in aanmerking heeft genomen voor het merendeel niet louter “van horen zeggen waren”, en dat de gemeenteraad zijn macht niet heeft overschreden “wanneer hij met de intrekking van hun verklaringen door de ondervraagden geen rekening wenste te houden omdat ze klaarblijkelijk onder druk werd gedaan”; Overwegende dat de stad met brief van 31 juli 1995 aan verzoeker meedeelt dat de tuchtprocedure wordt verdergezet en dat hem ten laste worden gelegd: het ontvangen van fooien en van beloningen in natura, evenals het doen van oneerbare voorstellen aan marktkraamsters in ruil voor een betere marktplaats; dat de gemeenteraad op 16 oktober 1995 besluit verzoeker met ingang van 16 oktober 1995 in de graad van politieagent terug te zetten; dat, op beroep van verzoeker, de Vlaamse minister van binnenlandse Aangelegenheden, Stedelijk Beleid en Huisvesting het gemeenteraadsbesluit op 9 januari 1996 goedkeurt; 2.
  6. Overwegende dat een eerste middel “schending van de wet- motiveringsplicht” luidt; dat verzoeker in een eerste onderdeel aanvoert dat hij zich volgens de motieven van de bestreden beslissingen als marktleider schuldig gemaakt heeft aan het ontvangen van fooien en van beloningen in natura en aan het doen van oneerbare voorstellen aan marktkraamsters in ruil voor bevoordeling bij het toewijzen van plaatsen op de markt, dat in het kader van het strafonderzoek inderdaad verklaringen in die zin zijn afgelegd, maar dat de betrokkenen hun verklaringen nadien hebben ingetrokken en de verwerende partijen dat ten onrechte niet willen aanvaarden; dat in de memorie van wederantwoord wordt benadrukt dat wie iets aanvoert er ook het bewijs van moet leveren en dat er gerede twijfel bestaat omtrent de waarachtigheid van de getuigenverklaringen ten laste van verzoeker, nu ze allemaal werden herroepen of genuanceerd; XII-1027-3/12 2.2 Overwegende dat de gemeenteraadsbeslissing van 16 oktober 1995 de tegen verzoeker ingebrachte tenlasteleggingen bewezen acht op grond van “een aantal verklaringen die in een bij het tuchtdossier gevoegde strafdossier worden opgenomen” : “
  7. Het ontvangen van fooien en beloningen in natura. Overwegende dat wat betreft het meenemen van waren zonder betalen mevrouw F. C. op 17.03.1992 verklaarde dat de heer R. Gielen aan haar kraam wafels bestelde en die meenam : 'zonder ooit te vragen wat hij diende te betalen'. Dat zij hieraan toevoegt dat ook de echtgenote van betrokkene af en toe aan haar kraam kwam en altijd betaalde wanneer zij alleen was; Dat echter : 'wanneer zij vergezeld was van haar man en wilde betalen, sloeg René op haar hand en zegde : Gij moet hier toch niet betalen zeker'. Dat Mevr. C. tenslotte nog verklaarde : 'Het is algemeen gekend dat R. Gielen bij meerdere kramers waren meenam zonder te betalen. Bij sommigen zegde hij waar zijn wagen stond en dat men hetgeen hij gekozen had maar in de koffer van zijn wagen moest plaatsen, want dat die koffer toch niet gesloten was; Dat uit de verklaringen van de heer J. T. van 30 maart 1992 blijkt dat de heer R. Gielen, in ruil voor een goede plaats op de markt, zou hebben laten verstaan dat hij een kooi met vogel ten geschenke wilde hebben; Overwegende dat tevens bewezen is dat de heer R. Gielen bedragen als fooien ontving; Dat Mevr. N. verklaarde dat het regelmatig gebeurde dat wanneer men 80 fr. diende te betalen, of 150 fr., men afrondde naar 100 fr. of 200 fr. en dus hetzij 20 fr. of 50 fr. als fooien liet; Dat Mevr. C. aan de Gerechtelijke politie te Hasselt verklaarde dat : 'wanneer men aan Gielen iets moest betalen en men gaf een biljet dat het te betalen bedrag overtrof, die man nooit vroeg of hij iets diende terug te geven. Hij gebaarde zelfs niet om iets terug te geven'; Dat Mevr. K. in deze optiek het volgende verklaarde : 'wanneer ik bvb 150 fr. diende te betalen en hem briefjes van 100 fr. gaf, maakte hij nooit aanstalte om wisselgeld terug te geven;
  8. Het doen van oneerbare voorstellen aan marktkraamsters in ruil voor een 'betere' marktplaats. Overwegende dat, wat betreft het doen van oneerbare voorstellen, Mevr. E. K. op 17.01.1992 ten overstaan van de Gerechtelijke Politie van Hasselt verklaarde : 'Uiteindelijk zegde hij vooraf dat hij me een betere plaats kon bezorgen als ik met hem meeging voor een etentje en dat ik met hem nadien zou gaan kameren; Dat Mevr. N. op 17.03.1992 verklaarde : 'Op een vrijdag werd ik bij mij thuis opgebeld door Gielen, die mij vroeg of ik de volgende dag met hem wou mee uitgaan als gezelschapsdame'; Dat Mevr. L. V. op 27 maart 1992 verklaarde dat : 'R. Gielen me verschillende keren benaderd heeft en laten doorschemeren heeft dat -als ik een goede plaats wilde hebben- ik met hem zou moeten gaan kameren'”; Overwegende dat in de ministeriële beslissing van 9 januari 1996 de Vlaamse minister op zijn beurt op grond van die verklaringen de feiten als bewezen beschouwt; XII-1027-4/12 Overwegende dat verzoeker uiteindelijk evenmin zelf betwist dat, op zich genomen, de verklaringen die conclusie kunnen wettigen; dat hij wel doet gelden dat de verklaringen ingetrokken zijn, zodat ze niet meer in aanmerking genomen mochten worden; dat de verwerende partijen echter weigeren met de intrekkingen rekening te houden; dat zij dit in nagenoeg identieke bewoordingen als volgt motiveren : “Overwegende dat het feit dat verschillende van de hierbovenvermelde getuigen hun verklaringen achteraf, klaarblijkelijk op uitdrukkelijk verzoek van de heer R. Gielen zelf, herriepen of afzwakten, geen afbreuk doet aan de verklaringen die zij aflegden 'in tempore non suspectu' aan de agenten van de gerechtelijke politie; Overwegende dat men zich inderdaad niet van de indruk kan ontdoen dat het intrekken of het afzwakken van de verklaringen achteraf, op het ogenblik dat de tuchtprocedure tegen de heer R. Gielen reeds liep, niet vrijwillig gebeurde”; Overwegende dat de twijfels van de verwerende partijen ten aanzien van de geloofwaardigheid van de intrekkingen niet ten onrechte is; dat tijdens de hoorzitting van 7 februari 1994, voorafgaand aan het uiteindelijk vernietigde ontslag van ambtswege van 21 februari 1994, verzoekers eigen raadsman kritiek uitte op de “slechte raad” die een voorganger aan verzoeker had gegeven, door hem “naar bepaalde personen te sturen die in het strafbundel vernoemd zijn, om hen te vragen wat in feite daarvan waar was”; dat hoe dan ook reeds bij de oplegging van dat ontslag van ambtswege werd geweigerd met de intrekkingen rekening te houden en de Raad van State, op verzoekers kritiek daartegen, in zijn arrest nr. 53.467 heeft geoordeeld “dat de gemeenteraad zijn macht niet heeft overschreden wanneer hij met de intrekking van hun verklaringen door de ondervraagden geen rekening wenste te houden omdat ze klaarblijkelijk onder druk werd gedaan”; dat de Raad van State bij dat oordeel blijft; Overwegende dat het onderdeel niet aantoont dat de verwerende partijen “niet in rede” tot verzoekers schuld aan de tenlasteleggingen hebben kunnen besluiten; dat het eerste onderdeel ongegrond is; 3.
  9. Overwegende dat in een tweede onderdeel van het eerste middel verzoeker stelt dat de tweede verwerende partij niet op goede grond kon menen dat er geen schending van de gelijkheid is tussen verzoeker en zijn collega Wouters, ofschoon er tegen verzoeker wél een tuchtprocedure is gestart en tegen Willy Wouters niet, en alhoewel zij overweegt dat laatstgenoemde “zich inderdaad zou XII-1027-5/12 schuldig gemaakt hebben aan gelijkaardige feiten als deze die aan [verzoeker] worden ten laste gelegd”; Overwegende dat verzoeker met het onderdeel garen tracht te spinnen bij wat kennelijk een loutere schrijffout in het ministerieel besluit van 9 januari 1996 is; dat, in antwoord op de grief van verzoeker dat zijn terugzetting in graad het gelijkheidsbeginsel schendt nu een tuchtonderzoek tegen een collega met betrekking tot gelijkaardige tenlasteleggingen niét tot een sanctie leidde, de Vlaamse minister overwoog wat volgt : “Overwegende dat de stad Beringen in dit verband volkomen terecht stelt dat uit het geseponeerde strafdossier, waarop de procedure lastens de betrokkene is gebaseerd, is gebleken dat de collega van de betrokkene zich inderdaad zou schuldig gemaakt hebben aan gelijkaardige feiten als deze die aan de betrokkene worden ten laste gelegd; Overwegende derhalve dat niet ingezien wordt waarom lastens de collega van de betrokkene een tuchtprocedure zou moeten gestart geweest zijn indien geen sanctioneerbare feiten kunnen bewezen worden”; Overwegende dat, de beide aangehaalde overwegingen tezamen gelezen, het geen twijfel lijdt dat in de eerste overweging ten gevolge van een verschrijving het bijwoord “niet” is weggevallen tussen “gebaseerd,” en “is gebleken”; dat dan ook niet wordt bijgetreden dat vanwege de geciteerde overwegingen de Vlaamse minister “niet in rede” tot de goedkeuring van de gemeenteraadsbeslissing van 16 oktober 1995 is kunnen komen; dat het tweede onderdeel ongegrond is; 4.
  10. Overwegende dat een tweede middel luidt “schending van de wet - niet-naleving van de op straffe van nietigheid voorgeschreven vormen - algemene rechtsbeginselen”; dat in een eerste onderdeel verzoeker zich erover beklaagt dat zijn rechten van verdediging en het beginsel van de wapengelijkheid zijn geschonden, dat immers de tuchtoverheid een klacht heeft ingediend waardoor een gerechtelijk dossier kan worden samengesteld, dat de klacht vervolgens wordt geseponeerd, maar de tuchtoverheid zichzelf ondertussen wel een dossier heeft verschaft waarvan zij zich kan bedienen; dat verzoeker in een tweede onderdeel van het middel zijn rechten van verdediging en de wapengelijkheid ook hierdoor geschonden ziet dat de wettelijke regelen inzake het tuchtstatuut voor het gemeentepersoneel “de gemeenteraad de functies laat vervullen van én werkgever, én onderzoeksrechter, én rechter ten gronde, én deze van een politiek orgaan waar het spel van meerderheid en oppositie een uiterst belangrijke rol in speelt”; dat zijns XII-1027-6/12 inziens de wettelijke regelen inzake het tuchtstatuut voor het gemeentepersoneel strijdig zijn met het beginsel van de scheiding der machten; Overwegende dat verzoeker voorts in de memorie van wederantwoord betoogt dat artikel 6, 1, van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna E.V.R.M.) toepasselijk was, dat indien zulks niet het geval zou zijn, de algemene rechtsbeginselen moeten geëerbiedigd worden, en dat “de dubbelzinnige rol die het college van Burgemeester en Schepenen speelt als werkgever én als tuchtoverheid én als indiener van een klacht” “noch naar billijkheid, noch naar de algemene rechtsbeginselen (het verbod op rechter en partij) mogelijk zijn” en een “flagrante schending” uitmaken “van elke vorm van behoorlijk en zorgvuldig bestuur”; dat verzoeker in de laatste memorie met betrekking tot “de schending van de wapengelijkheid tussen [hem] en de overheidsinstantie dewelke in verschillende hoedanigheden optreedt” nog het volgende stelt : “In de periode waarin de feiten zich afspeelden kon een persoon jegens wie een strafonderzoek liep nog geen aanspraak maken op de bescherming zoals wij die heden kennen onder de Wet Franchimont. Verzoeker kon de onderzoekgegevens niet inkijken, noch werd hij op de hoogte gehouden van de omstandigheden, onderzoeken, en dergelijke meer. Dit in tegenstelling tot de klachtindiener, zijnde de gemeente, die langzaam aan een dossier kon verzamelen dat moest dienst doen in de tuchtprocedure”; 4.
  11. Overwegende, vooreerst, dat de bestreden tuchtstraf van de terugzetting in graad een administratieve beslissing is en geen jurisdictionele; dat zij is opgelegd geworden door de gemeenteraad, die als -rechtstreeks verkozen- orgaan van het actief bestuur voor de goede werking van de gemeentelijke dienst verantwoordelijk is en daartoe onder meer over een tuchtbevoegdheid beschikt; dat de gemeenteraad bij de uitoefening van zijn tuchtbevoegdheid niet minder als een administratieve overheid te beschouwen is omdat hij alsdan de rechten van de verdediging in acht te nemen heeft; dat verzoeker er ten onrechte van uitgaat dat de gemeenteraad als een rechtscollege heeft gehandeld en dan ook ten onrechte op dat uitgangspunt een schending van “het beginsel van de scheiding der machten” steunt; Overwegende dat aan de basis van de tuchtvervolging van verzoeker het strafdossier ligt dat tot stand is gekomen naar aanleiding van de vraag van 30 augustus 1990 van de burgemeester aan de procureur des konings te Hasselt om “een nader onderzoek te willen instellen naar mogelijke onregelmatigheden, die zouden kunnen begaan zijn bij het afdragen van marktgelden aan de Stadskas van XII-1027-7/12 Beringen door de marktleiders Gielen René en Wouters Willy”; dat de burgemeester gerechtigd was die vraag te stellen; dat, in zoverre die vraag de burgemeester in de ogen van verzoeker als tuchtoverheid onmogelijk blijkt te maken, moet worden vastgesteld dat te dezen niet de burgemeester, maar de gemeenteraad, zónder de burgemeester, als tuchtoverheid is opgetreden; Overwegende dat het onderzoek van de klacht is gebeurd door de gerechtelijke politie bij het parket van de procureur des konings; dat geen enkel element de suggestie van verzoeker ondersteunt dat, wijl hij over het onderzoek onwetend werd gehouden, integendeel de gemeente als klachtindiener in de mogelijkheid was het onderzoek naar haar hand te zetten; dat overigens het onderzoek op een seponering van de klacht is uitgelopen; Overwegende dat verzoeker van de gegevens van het onderzoek grondig kennis heeft kunnen nemen en de mogelijkheid heeft gekregen er ruim tegenspraak over te voeren; dat het tuchtdossier, inbegrepen het strafdossier, gedurende meer dan een maand, vanaf 31 juli 1995 tot en met 8 september 1995, te zijner inzage heeft gelegen; dat verzoeker er op 11 september 1995 uitgebreid door de gemeenteraad over is gehoord, getuige zowel de uitvoerige “conclusie”, met stukken, die hij bij die gelegenheid neerlegde, als het vijf-bladzijdenlange proces- verbaal van het verhoor; Overwegende dat noch het feit dat aan het tuchtdossier een klacht van de burgemeester bij de procureur ten grondslag ligt, noch de omstandigheid dat de bestreden tuchtstraf is opgelegd door de gemeenteraad, tevens “werkgever” en politiek orgaan, toelaten te concluderen dat verzoeker in een zodanig nadelige positie was geplaatst dat hij geacht moet worden niet behoorlijk in de gelegenheid te zijn geweest om vrij tegenspraak te voeren over de tegen hem ingebrachte gegevens; Overwegende, wat de beweerde schending van artikel 6 E.V.R.M. betreft, dat het artikel aan eenieder, bij het vaststellen van zijn burgerlijke rechten en verplichtingen of bij het bepalen van de gegrondheid van een tegen hem ingestelde strafvervolging, het recht garandeert op behandeling van zijn zaak door een rechterlijke instantie die aan de vereisten van het artikel voldoet; dat, daargelaten of het artikel op de tuchtzaak tegen verzoeker wel van toepassing is, er in alle geval aan het voorschrift is voldaan, nu tegen de tuchtstraf beroep openstaat XII-1027-8/12 bij de Raad van State en niet beweerd of aangetoond wordt dat de Raad van State geen rechterlijke instantie is die aan de bedoelde vereisten van het artikel beantwoordt; Overwegende dat het tweede middel in zijn geheel ongegrond is; 5.
  12. Overwegende dat verzoeker in de laatste memorie twee nieuwe middelen aanbrengt; dat hij voor het eerst als een afzonderlijke wettigheidskritiek doet gelden dat de beslissing van 9 januari 1996 van de minister geen afdoende motivering, want geen weerlegging, bevat met betrekking tot een van zijn “meest essentiële” bezwaren tegen de tuchtstraf van 16 oktober 1996, namelijk de verklaring van gemeenteraadslid Hoeghenae over “de steminmenging, de politieke afrekening van de CVP met de heer Gielen”; dat hij tevens voor het eerst in de laatste memorie aanvoert dat de tuchtvordering verjaard was aangezien het gemeentebestuur “kennis [nam] van de betreffende feiten die verzoeker ten laste werden gelegd, aan het einde van de jaren 1988-1989”; 5.2.
  13. Overwegende dat de middelen, zo zij al ontvankelijk zijn, hoe dan ook als ongegrond moeten worden verworpen; 5.2.
  14. Overwegende, met betrekking tot het eerste nieuwe middel, dat verzoeker er zich tegenover de toeziende overheid over beklaagde dat, toen op 16 oktober 1995 het voorstel om hem ambtshalve te ontslaan werd verworpen, “de waarnemend burgemeester met bepaalde mensen van de meerderheid afzonderlijk is gaan overleggen, tijdens de schorsing van de zitting maar wel in de raadszaal, en dat het daarna is dat het voorstel tot de degradatie werd geformuleerd, voorstel dat met 17 - 13, hetzij meerderheid tegen oppositie werd goedgekeurd”; dat de minister het bezwaar in zijn goedkeuringsbeslissing in volgende bewoordingen ter zijde schoof : “Overwegende dat de gemeenteraad van de stad Beringen evenmin kan verweten worden over een nieuw strafvoorstel (de terugzetting in graad) te hebben gestemd, nadat was gebleken dat een eerder gedaan voorstel (het ontslag van ambtswege) geen meerderheid haalde; dat immers nergens wordt verboden dat getrapt zou worden gestemd over lagere sancties wanneer hogere sancties geen goedkeuring van de tuchtoverheid meedragen; Overwegende dat het uiteraard anders zou zijn geweest indien eerst zou zijn gestemd over de vraag of de betrokkene al dan niet een sanctie verdiende en deze vraag negatief zou worden beantwoord; dat zulks echter in casu niet gebeurde; XII-1027-9/12 Overwegende dat evenmin het feit dat, na de stemming over het ontslag van ambtswege, de zitting werd geschorst en dat afzonderlijk door de voorzitter van de gemeenteraad met de leden van de meerderheid zou zijn gepraat; dat immers afzonderlijke 'fractievergaderingen' in de schoot van een gemeenteraad, buiten de officiële zitting, nergens worden uitgesloten; Overwegende dat uiteindelijk, wanneer de zitting werd hernomen, opnieuw geheim werd gestemd over het voorstel van de terugzetting in graad, zodat in casu geen procedurefout werd begaan”; Overwegende dat aldus de minister expliciet doet kennen dat het wat hem betreft niet verboden is dat de voorzitter van de gemeenteraad buiten de officiële zitting met de leden van de gemeenteraad praat; dat verzoeker het met dit antwoord op zijn bezwaar niet eens mag zijn, maar niet op goede grond kan stellen dat de minister niet op het door hem opgeworpen bezwaar heeft geantwoord en het niet heeft weerlegd; 5.2.
  15. Overwegende, met betrekking tot het tweede nieuwe middel, dat overeenkomstig artikel 317 van de nieuwe gemeentewet de tuchtoverheid geen tuchtrechtelijke vervolging meer kan instellen na verloop van een termijn van zes maanden na de vaststelling of de kennisname van de strafbare feiten; Overwegende dat de feiten waarvoor verzoeker op 16 oktober 1995 tuchtrechtelijk is veroordeeld geworden eensdeels het ontvangen van fooien en beloningen in natura en anderdeels het doen van oneerbare voorstellen aan marktkraamsters in ruil voor een betere marktplaats betreffen; dat het gaat om feiten die pas gebleken zijn naar aanleiding van, en uit, het onderzoek van de gerechtelijke politie in verband met de klacht van 30 augustus 1990 van de burgemeester over de eventuele onregelmatigheden bij het afdragen van marktgelden aan de stadskas; dat het dossier van dit onderzoek met brief van 30 september 1993 aan de burgemeester is toegezonden; dat slechts dientengevolge de tuchtoverheid van de voormelde strafbare feiten kennis heeft kunnen nemen; dat de stad ze aan verzoeker ten laste heeft gelegd met een brief van 22 december 1993, waarin hij tevens werd opgeroepen om op 14 januari 1994 voor de gemeenteraad te verschijnen; dat, na de vernietiging van de tuchtstraf van 21 februari 1994 tot oplegging van het ontslag van ambtswege, de stad (alleen maar) de eerder aangespannen tuchtprocedure heeft voortgezet met een oproepingsbrief van 31 juli 1995 voor een nieuw verhoor op 11 september 1995; dat aldus de tuchtrechtelijke vervolging voor de feiten waarvoor verzoeker met de gemeenteraadsbeslissing van 16 oktober 1995 is bestraft, binnen de termijn van zes maanden na de vaststelling of kennisname ervan is ingesteld; XII-1027-10/12 Overwegende dat verzoeker geheel in fine van het tweede nieuwe middel nog opmerkt, zonder meer, “dat een te grote periode verliep tussen de vaststelling van de feiten en de beslissing nopens de tuchtmaatregel, zodat de redelijke termijn werd overschreden”; dat de Raad van State de grief, zo terloops en summier als hij is, niet bijvalt; dat de concrete omstandigheden van de zaak uitwijzen dat de stad binnen de vijf maanden na de vaststelling van de feiten verzoeker het ontslag van ambtswege oplegde en dat zij, na het binnenkomen op 12 juni 1995 van het arrest waarbij dat ontslag van ambtswege wordt vernietigd, amper iets meer dan vier maanden behoefde om tot de aangevochten tuchtstraf van de terugzetting in graad te komen; dat die vier maanden overigens ook de maanden juli en augustus omvatten, waaromtrent de tuchtstraf van 16 oktober 1995 niet zonder overtuigingskracht overweegt dat daarin “geen gemeenteraadszittingen plaatshebben omdat er dan altijd wel een aantal raadsleden met verlof zijn wat de tuchtprocedure zou bemoeilijken aangezien de leden van de tuchtoverheid die niet permanent tijdens het geheel van de hoorzittingen aanwezig waren noch aan de beraadslaging noch aan de stemming over de op te leggen tuchtmaatregel mogen deelnemen”;
  16. Overwegende dat verzoeker geen gegronde middelen aanvoert; dat zijn beroep moet worden verworpen, BESLUIT: Artikel
  17. Het beroep wordt verworpen. Artikel
  18. De kosten van het beroep, bepaald op 99,16 euro, komen ten laste van verzoeker. XII-1027-11/12 Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op twintig januari 2005, door de XIIe kamer, die was samengesteld uit : de HH. D. VERBIEST, kamervoorzitter, J. LUST, staatsraad, G. VAN HAEGENDOREN, staatsraad, Mevr. S. DOMS, griffier. De griffier, De voorzitter, S. DOMS. D. VERBIEST. XII-1027-12/12 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.139.569 Gerelateerde publicatie(s) voorafgegaan door: ECLI:BE:RVSCE:1996:ARR.60.489 ECLI:BE:RVSCE:2003:ARR.115.129 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.