← België

Arrest 139570 - - 20/01/2005

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 20 januari 2005 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.139.570 Rolnummer: A. 57268/XII-104 Zaak: Arrest 139570 - - 20/01/2005 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2005-01-28 Raadplegingen: 59 - laatst gezien 2026-07-02 06:32 Fiche Arrest nr 139.570 van 20 januari 2005 - Beslissing : Vernietiging Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 139.570 van 20 januari 2005 in de zaak A. 57.268/XII-

  1. In zake : André GEBOES, die woonplaats kiest bij advocaat E. Wouters, kantoor houdende te Balen, Lindestraat 2 tegen :
  2. de STAD HERENTALS,
  3. het VLAAMSE GEWEST, dat woonplaats kiest bij advocaat B. Staelens, kantoor houdende te Brugge, Canadesen Hof, Bevrijdingslaan 4, bus
  4. --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, XIIe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat André Geboes op 2 april 1994 heeft ingediend om de nietigverklaring te vragen “van het Ministerieel Besluit van de heer Gemeenschapsminister van het Vlaamse Gewest inzake Openbare Werken, Ruimtelijke Ordening en Binnenlandse Aangelegenheden [...] houdende goedkeuring van het besluit van de gemeenteraad van Herentals van 6 december 1993 houdende het opleggen van de tuchtstraf van het ontslag van ambtswege aan de heer Geboes André”; Gelet op het arrest nr. 48.296 van 28 juni 1994 waarbij de vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van het bestreden besluit wordt verworpen; Gezien de memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgesteld door eerste auditeur F. De Buel; Gelet op de beschikking van 23 juni 1997 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; XII-104-1/11 Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen en gezien de laatste memorie van de tweede verwerende partij; Gelet op de beschikking van 17 maart 2004 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 22 juni 2004; Gehoord het verslag van staatsraad J. Lust; Gehoord de opmerkingen van advocaat E. Wouters, die verschijnt voor verzoeker, van advocaat J. Joos, die loco advocaat J. De Lat verschijnt voor de eerste verwerende partij, en van advocaat B. Staelens, die verschijnt voor de tweede verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur- afdelingshoofd F. De Buel; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
  5. Overwegende dat verzoeker, sinds 1970 in dienst van de stad Herentals als politieagent, op 24 augustus 1992 op heterdaad betrapt wordt bij het stelen van een pakje kaas in de Aldi; dat hij bekent er reeds meerdere maanden pakjes kaas en ham te hebben ontvreemd; dat de feiten volgens psychiater Malfroid, bij wie verzoeker vanaf 27 augustus 1992 in behandeling gaat, kaderen in het ziektebeeld kleptomanie, veroorzaakt door echtelijke moeilijkheden; dat verzoeker vanaf 4 september 1992 preventief wordt geschorst; Overwegende dat in een tuchtverslag van 7 september 1992 de commissaris van politie, met verwijzing naar verzoekers bekentenis, oordeelt dat door de feiten -“zijnde het plegen van misdrijven, in casu grootwarenhuisdiefstal”- verzoeker onwaardig is zijn functie verder uit te oefenen, en voorstelt hem af te zetten zonder de strafrechterlijke uitspraak af te wachten; dat de gemeenteraad evenwel op 26 oktober 1992 oordeelt “geen zorgvuldig besluit te kunnen treffen zonder het resultaat van de strafrechtelijke procedure te kennen” en besluit dit resultaat af te wachten alvorens verzoeker eventueel een tuchtstraf op te leggen; XII-104-2/11 Overwegende dat de correctionele rechtbank van Turnhout bij vonnis van 17 september 1993 onder meer bewezen verklaart dat verzoeker tussen 1 november 1991 en 25 augustus 1992 meermaals een niet nader bepaalde hoeveelheid etenswaren -hetzij kaas, hetzij ham- heeft weggenomen ten nadele van NV Aldi, en zegt dat de uitspraak van de veroordeling zal opgeschort worden; dat verzoeker met brief van 5 november 1993 wordt opgeroepen om op 22 november 1993 door de gemeenteraad te worden gehoord; dat de gemeenteraad op 6 december 1993 besluit “[d]e heer Geboes André, politieagent, [...] wegens de feiten gepleegd op 24.8.1992 en aangeklaagd door de korpschef in zijn verslag dd. 7.9.1992, met ingang van 6 december 1993 volgende tuchtstraf op te leggen : ‘Ontslag van ambtswege’”; dat, op beroep van verzoeker, de Vlaamse minister van Openbare Werken, Ruimtelijke Ordening en Binnenlandse Aangelegenheden het gemeenteraadsbesluit bij beslissing van 9 februari 1994 goedkeurt;
  6. Overwegende dat het besproken beroep, mede gelet op de aangevoerde middelen waarin verzoeker de onwettigheid doet gelden én van het ministerieel goedkeuringsbesluit én van het goedgekeurde gemeenteraadsbesluit, geacht wordt zowel tegen de goedkeuring van het ontslag van ambtswege als tegen het ontslag van ambtswege zelf gericht te zijn;
  7. Overwegende dat de overheid die belast is met de uitoefening van een goedkeuringstoezicht, verplicht is om de wettigheid te handhaven en haar goedkeuring te onthouden ingeval de beslissing van het onder toezicht staand bestuur onwettig is; dat bijgevolg de onwettigheid van de goedgekeurde beslissing ook op de goedkeuringsbeslissing afkleurt en de vernietiging verantwoordt van zowel de ene als de andere beslissing; dat te dezen verzoeker tegen specifiek de goedgekeurde gemeenteraadsbeslissing drie wettigheidsbezwaren inbrengt, waarbij het derde uit twee onderdelen bestaat; 4.
  8. Overwegende dat verzoeker tegen de gemeenteraadsbeslissing in de eerste plaats inbrengt, in het vierde onderdeel van het eerste middel en in het derde middel, dat artikel 300, tweede lid, van de nieuwe gemeentewet geschonden is en dat het tuchtdossier onvolledig was omdat er niet de brief van 28 april 1993 van de procureur des konings te Turnhout aan de burgemeester, zijnde “een essentieel bestanddeel”, in zat; XII-104-3/11 4.
  9. Overwegende dat de procureur des konings in de bedoelde brief aan de burgemeester meedeelt dat het onderzoek met betrekking tot verzoeker is afgesloten, dat zijn ambt voornemens is opschorting na te streven, en dat hij eraan hecht dit mee te delen omdat hij vernam dat verzoeker “zeer kortelings” wordt opgeroepen in de tuchtprocedure en deze mededeling wellicht beter in staat stelt te oordelen over de te nemen maatregelen; Overwegende dat de procureur met de brief kennelijk wil voorkomen dat de tuchtoverheid over de tuchtvordering ten laste van verzoeker uitspraak doet, zonder ervan op de hoogte te zijn dat, tenminste wat het parket betreft, voor de feiten op strafrechtelijk gebied kan worden volstaan met een opschorting van de veroordeling; dat evenwel de tuchtoverheid eind april 1993 niet op het punt stond om verzoeker in de zeer nabije toekomst op te roepen in de tuchtprocedure; dat de gemeenteraad op 26 oktober 1992 had beslist daarmee te zullen wachten totdat het resultaat van de strafrechtelijke procedure bekend was; dat de stad zich daar ook daadwerkelijk aan gehouden heeft; dat zij verzoeker niet eerder heeft opgeroepen om over de oplegging van een tuchtstraf te worden gehoord dan op 5 november 1993, nadat zij met brief van 13 oktober 1993 mededeling had ontvangen van het vonnis van de correctionele rechtbank van Turnhout; Overwegende dat niet betwist wordt dat een afschrift van dit vonnis deel uitmaakte van het tuchtdossier dat aan de gemeenteraadsleden is voorgelegd; dat aldus dit tuchtdossier er klaar en duidelijk van deed blijken dat op strafgebied de feiten ten laste van verzoeker, ofschoon bewezen, geen veroordeling vergden en dat een opschorting van de uitspraak van de veroordeling volstond; dat in dit licht met de eerste verwerende partij wordt aangenomen dat de brief van 28 april 1993 van de procureur des konings eigenlijk “achterhaald” was en “niet relevant” meer voor het tuchtdossier, zodat de stad niet onwettig heeft gehandeld door hem niet in het dossier op te nemen; dat, louter volledigheidshalve, verzoeker er niet onwetend van was dat de procureur de burgemeester had verwittigd van zijn voornemen een vonnis van opschorting na te streven, aangezien de procureur het zijn raadsman met schrijven van 29 april 1993 had meegedeeld; dat, indien verzoeker het betreffende gegeven, de einduitspraak van de strafrechter ten spijt, toch nog altijd relevant zou hebben gevonden, hij het dan zelf ter sprake had kunnen brengen bij zijn verdediging voor de gemeenteraad; dat hij zulks niet gedaan heeft; Overwegende dat het middel ongegrond is; XII-104-4/11 5.
  10. Overwegende dat in een vijfde onderdeel van het eerste middel verzoeker de schending van artikel 305, § 2, van de nieuwe gemeentewet doet gelden; 5.
  11. Overwegende dat het voorschrift ten tijde van de bestreden beslissing luidt : “Indien de tuchtstraf opgelegd wordt door de gemeenteraad of door het college van burgemeester en schepenen, mogen de leden van deze organen, die niet permanent tijdens het geheel van de hoorzitting aanwezig waren, niet deelnemen aan de beraadslaging noch aan de stemming over de op te leggen tuchtmaatregel”; Overwegende dat uit de vergelijking van de notulen van de gemeenteraadsvergadering van 22 november 1993 waarop verzoeker is gehoord met die van de gemeenteraadsvergadering van 6 december 1993 waarop hem de tuchtstraf van het ontslag van ambtswege is opgelegd, wordt opgemaakt dat geen gemeenteraadsleden hebben deelgenomen aan de vergadering van 6 december 1993, die eerder niet ook op de hoorzitting aanwezig waren; dat het middel ongegrond is; 6.
  12. Overwegende dat verzoeker in een tweede middel aanvoert dat de opgelegde straf niet in redelijke verhouding staat tot de strafbare feiten, noch verantwoordt waarom de feiten de opgelegde straf vereisen; dat hij in een eerste onderdeel betwist dat de straf van het ontslag van ambtswege evenredig is met de diefstal van één pakje kaas op 24 augustus 1992; dat in een tweede onderdeel wordt bekritiseerd dat “helemaal geen rekening” gehouden werd met de beoordeling van de feiten door de procureur des konings en door de correctionele rechtbank, met de kleptomanie of ziekte van verzoeker waarin de feiten hun oorzaak vinden, met de omstandigheid dat verzoeker onmiddellijk professionele hulp heeft gezocht en alles in het werk heeft gesteld om te genezen, met de specifieke functie van verzoeker als instructeur-verkeerspark en met zijn onberispelijke staat van dienst gedurende 23 jaar; Overwegende dat in de memorie van wederantwoord verzoeker nog opmerkt dat hij voor één diefstal van een pakje kaas is vervolgd, dat dit feit met de tweede zwaarste tuchtstraf is gesanctioneerd, dat zijn functie binnen het politiekorps van louter administratieve aard was, dat hij geen verbaliserende opdrachten te vervullen had, dat het dan ook “totaal onbegrijpelijk” is dat zijn in dienst blijven onaanvaardbaar zou overkomen bij de Herentalse bevolking, dat niet XII-104-5/11 goed is in te zien op welke manier de diefstal van één pakje kaas zodanig de belangen van de dienst schaadt dat hij een ontslag van ambtswege kan verantwoorden; 6.
  13. Overwegende, met betrekking tot het eerste onderdeel van het tweede middel, dat verzoeker met brief van 5 november 1993 is opgeroepen om te worden gehoord met betrekking tot “de hiernavolgende feiten: - diefstal gepleegd op 24.08.1992 in de n.v. Aldi [...], waarvan P.V. werd opgesteld onder nr.TU.18.18.101328/92”; dat hij op 6 december 1993 door de gemeenteraad met het ontslag van ambtswege wordt gestraft “wegens de feiten gepleegd op 24.8.1992 en aangeklaagd door de korpschef in zijn verslag dd. 7.9.1992”; dat volgens verzoeker hieruit moet worden afgeleid dat hij voor slechts de diefstal van 24 augustus 1992 tuchtrechtelijk vervolgd en veroordeeld is geworden; Overwegende dat, strikt genomen, de diefstal van 24 augustus 1992 alleen maar de laatste is van een rist soortgelijke diefstallen van pakjes kaas of ham ten nadele van NV Aldi, sinds 1 november 1991; dat er in de concrete omstandigheden van de zaak nochtans geen twijfel over kan bestaan dat met de verwijzing naar de diefstal van 24 augustus 1992 ook de vorige diefstallen zijn beoogd en dat verzoeker zich daar goed van bewust was; Overwegende dat in zijn tuchtverslag van 7 september 1992, waarin de bestrafte feiten worden “aangeklaagd”, de korpschef relateert dat verzoeker op 24 augustus 1992 op diefstal is betrapt en dat hij ook heeft bekend “dat hij zich ruim 1 jaar aan dergelijke feiten schuldig maakt”; dat de korpschef vervolgens voorstelt de afzetting uit te spreken, er onder meer op wijzende dat de feiten, “zijnde het plegen van misdrijven” (meervoud), direct verband houden met de uitoefening van het politieambt; dat, blijkens het proces-verbaal van verhoor van verzoeker op 22 november 1993, de korpschef zijn tuchtverslag op de hoorzitting toelicht door te benadrukken “dat Geboes bekend heeft reeds meer dan 1 jaar diefstallen gepleegd te hebben in de n.v. Aldi; dat deze feiten meermaals gebeurd zijn; dat in het vonnis van de R.E.A.-Turnhout dd. 17.9.1993 duidelijk vermeld staat dat de aangeklaagde feiten bewezen zijn”; dat met de tweede verwerende partij hieruit wordt geconcludeerd dat wat aan verzoeker ten laste is gelegd, kennelijk de “herhaalde kleine winkeldiefstallen [zijn] die bewezen werden verklaard door het vonnis van 17 september 1993 van de Correctionele Rechtbank te Turnhout”, en dat het ook daarvoor is dat hij veroordeeld is geworden; XII-104-6/11 Overwegende dat verzoeker dit niet anders dan klaar en duidelijk begrepen kan hebben; dat hij tijdens de hoorzitting op een vraag van de burgemeester antwoordt dat hij op het ogenblik dat hij “de feiten” pleegde niet besefte dat hij politieagent was, dat het gestolene “steeds” slechts een klein pakje ham of kaas van geringe waarde was, dat hij NV Aldi ervoor heeft vergoed en dat dit “op jaarbasis” slechts 900 frank bedroeg; dat hij op de vraag van een raadslid over welke periode de feiten zich uitstrekten, antwoordt “dat dit ongeveer 1 jaar duurde, sporadisch, om de 14-dagen” en dat het “steeds [ging om] een pakje kaas of ham, dat hij bovendien niet nodig had”; dat, ten slotte, verzoeker in zijn beroepschrift tegen de gemeenteraadsbeslissing van 6 december 1993 aan de Vlaamse minister schrijft: “Kort daarna [na het ontstaan van echtelijke moeilijkheden in de loop van 1990] begon verzoeker de eerste feiten te plegen, namelijk winkeldiefstallen, waarvoor hij thans tuchtrechterlijk wordt vervolgd. Deze winkeldiefstallen werden een 10 keer gepleegd. Het voorwerp van deze diefstallen was steeds hetzelfde: ofwel 1 pakje ham ofwel 1 pakje kaas. De plaats was ook steeds dezelfde : Aldi-Herentals”; Overwegende dat de omschrijving van de feiten waarvoor de tweede verwerende partij verzoeker heeft vervolgd en veroordeeld als “diefstal gepleegd op 24.08.1992” klaarblijkelijk een pars pro toto betreft en staat voor al de diefstallen van kaas of ham die hij tussen 1 november 1991 en 25 augustus 1992 ten nadele van NV Aldi pleegde; dat een dergelijke manier van omschrijven van de ten laste gelegde tuchtfeiten afkeurenswaardig is; dat het echter niet belet dat, in zoverre het tweede middel ervan uitgaat dat verzoeker met het ontslag van ambtswege is gestraft voor alleen de diefstal van één pakje kaas op 24 augustus 1992, het feitelijke grond mist; dat het eerste onderdeel ongegrond is; 6.3.
  14. Overwegende, met betrekking tot het tweede onderdeel van het tweede middel, dat de eerste verwerende partij in de memorie van antwoord uiteenzet dat het plegen van verscheidene diefstallen voor een politieagent die veelvuldig in contact komt met jongeren “absoluut onverenigbaar” is met het uitgeoefende ambt, dat de strafrechter erga omnes heeft vastgesteld dat verzoeker niet leed aan kleptomanie, dat de Raad van State slechts over een marginale toetsingsbevoegdheid beschikt, dat het tuchtrecht de goede werking van de dienst beoogt en dat in het licht van die goede werking de tuchtstraf te dezen wel degelijk als redelijk kan worden omschreven; dat zij daar in de laatste memorie nog aan toevoegt dat de opschorting van de uitspraak van de veroordeling de tuchtoverheid XII-104-7/11 niet verhindert haar eigen wettelijke bevoegdheid uit te oefenen, dat de opschorting wel impliceert dat het niet meteen duidelijk en vanzelfsprekend is dat de feiten met de zwaarste sanctie worden beteugeld, dat daarom de specifieke context van de zaak, verzoekers persoonlijke toestand en het belang van de dienst in het onderzoek betrokken moeten worden, dat de motivering van de gemeenteraad summier maar adequaat is, dat de tuchtsanctiemaat is verantwoord, dat dit volstaat, dat niet expliciet moet worden geantwoord op elk door de verdediging ontwikkeld middel, dat een politieman geen dief mag zijn, dat er tot ontslag van ambtswege werd besloten om reden van de onverenigbaarheid en van het niet meer acceptabel zijn voor de bevolking en de agenten van het politiekorps; Overwegende dat de tweede verwerende partij van haar kant benadrukt dat de gemeenteraad in zijn besluit “de noodzaak [heeft] beklemtoond om verzoeker uit het corps te verwijderen en rekening gehouden met de omstandigheden van zijn zaak en van zijn staat van dienst door de lichtste ter beschikking staande straf op te leggen om dat doel te bereiken”, en dat de beoordeling van de gemeenteraad niet kennelijk onredelijk is; 6.3.
  15. Overwegende dat de overheid bij de uitoefening van haar tuchtbevoegdheid over een discretionaire beoordelingsvrijheid beschikt, onder meer op het stuk van de op te leggen straf; dat “discretionair” evenwel geen synoniem is van onbeperkt of willekeurig; dat voor de wettige uitoefening van de beoordelingsvrijheid onder andere vereist is dat zij is voorafgegaan door, en steunt op, een genoegzame afweging van de betrokken gegevens en van de relevante belangen die door de te nemen beslissing geraakt zullen worden; dat in principe de voorgeschreven formele motivering van de tuchtstraf, om afdoende te zijn, van die afweging moet doen blijken; Overwegende, voorts, dat zo weliswaar de disciplinaire overheid niet verplicht is -althans niet standaard verplicht is- alle argumenten die de tuchtrechtelijk vervolgde tijdens zijn verhoor doet gelden expliciet in de tuchtstraf te beantwoorden, dit die overheid er dan toch ook weer niet van vrijstelt de argumenten daadwerkelijk bij haar besluit te betrekken en, teneinde de rechter toe te laten de realiteit daarvan na te gaan, dit genoegzaam in de formele motivering van de straf te doen uitkomen; XII-104-8/11 Overwegende dat de gemeenteraadsbeslissing de zwaarte van de tuchtstraf als volgt motiveert : “Overwegende dat de Gemeenteraad van oordeel is dat deze feiten onverenigbaar zijn met het ambt van politieagent; dat de indienstblijving van betrokkene onaanvaardbaar zou overkomen bij de bevolking en de agenten van het politiekorps; Overwegende dat de voorgestelde straf ‘de afzetting’ niet in verhouding staat tot de gepleegde feiten, rekening houdend met de staat van dienst van Geboes; Overwegende dat het gepast is de straf te herleiden tot ‘ontslag van ambtswege’”; Overwegende dat de geciteerde motivering bepaald beknopt is; dat zij in de eerste plaats affirmeert dat verzoeker niet voort in dienst kan blijven en in de tweede plaats doet kennen dat daartoe, gelet op verzoekers staat van dienst, kan worden volstaan met een ontslag van ambtswege; dat gewis kan worden aangenomen dat “een politieman geen dief mag zijn”; dat echter niet zonder meer ook het omgekeerde kan worden gesteld en, meer bepaald, dat een politieagent die zich aan diefstallen schuldig heeft gemaakt uiteraard en hoe dan ook geen plaats meer in het politiekorps kan hebben; dat een dergelijk apriori niet gewettigd is; dat het vanzelfsprekend in sommige gevallen volstrekt rechtmatig kan zijn te oordelen dat wie zich een dief heeft betoond geen politieagent meer mag zijn; dat dit oordeel dan wel, zoals gezien, steeds het resultaat zal moeten zijn van een evenwichtige in- concreto-beoordeling van alle dienstige aspecten van de zaak; Overwegende dat te dezen de tweede verwerende partij blijkens de formele motivering van de gemeenteraadsbeslissing met geen andere omstandigheden van de zaak heeft rekening gehouden dan met de weerslag van de feiten bij de bevolking en verzoekers collega’s en met zijn staat van dienst; dat noch expliciet, noch impliciet wordt verwezen naar het feit dat verzoeker voor de diefstallen waarvoor hij tuchtrechtelijk vervolgd wordt, de opschorting van de uitspraak van de veroordeling heeft verkregen en dat hij blijkens de attesten van psychiater Malfroid aan de ziekte kleptomanie lijdt; dat dit des te meer opvallend is omdat verzoeker tijdens zijn verweer voor de gemeenteraad die omstandigheden uitvoerig heeft benadrukt en er uitdrukkelijk heeft op aangedrongen met de ziekte en de opschorting rekening te houden; Overwegende dat de gemeenteraad kennelijk in het vonnis van de correctionele rechtbank alleen heeft gelezen dat de aan verzoeker ten laste gelegde diefstallen bewezen worden verklaard; dat hij daar dan blijkbaar meteen heeft aan XII-104-9/11 vastgeknoopt dat de psychiatrische attesten zonder meer mogen worden voorbijgezien aangezien zij toch niet kunnen aantonen, zonder met het vonnis in strijd te komen, dat verzoeker geen “schuld” treft; Overwegende dat, door alzo te handelen, de tweede verwerende partij geen recht heeft gedaan aan alle relevante, concrete omstandigheden van de zaak; dat de buitengewone gunst van de opschorting van de uitspraak van de veroordeling en de daaruit blijkende mildheid van de strafrechter niet noodzakelijk de tuchtoverheid er toe moeten bewegen een vergelijkbare mildheid aan de dag te leggen; dat zij wel tot gevolg hebben dat de tuchtoverheid dat gegeven bij haar beoordeling van de op te leggen tuchtstraf moet betrekken en er toe gehouden is de tuchtstraf speciaal te dien aanzien formeel te motiveren, alleszins wanneer tot een maximumtuchtstraf wordt beslist; dat dit niet is gebeurd; dat zonder nadere toelichting, die in de gemeenteraadsbeslissing van 6 december 1993 ten enenmale ontbreekt, ook niet begrepen kan worden waarom de aangevoerde psychiatrische attesten, waaruit moet blijken dat verzoeker een zieke is, ten gevolge van het vonnis van de strafrechter geen enkele aandacht zouden verdienen; dat de omstandigheid dat de strafrechter in verzoekers ziekte geen schulduitsluitingsgrond heeft gezien, nog niet betekent dat de ziekte zelfs niet als een verzachtende omstandigheid in aanmerking kan worden genomen; Overwegende dat de gemeenteraadsbeslissing van 6 december 1993 er niet van doet blijken op een genoegzame afweging van alle ter zake dienende omstandigheden van de zaak te berusten, en op die manier in gebreke blijft de opgelegde straf afdoende te verantwoorden; dat, volledigheidshalve, dit euvel niet door de eerste verwerende partij ondervangen of gecorrigeerd is kunnen worden in haar goedkeuringsbesluit; dat immers haar bevoegdheid tot een goedkeurings- toezicht beperkt was en zij de beslissing van de gemeenteraad dan ook alleen kon goedkeuren of niet goedkeuren; dat het tweede onderdeel van het tweede middel gegrond is;
  16. Overwegende dat er reden is de bestreden gemeenteraadsbeslissing te vernietigen; dat, zoals gezien, de onwettigheid van de gemeenteraadsbeslissing ipso facto de onwettigheid van het goedkeuringsbesluit van 9 februari 1994 meebrengt; dat het bijgevolg overbodig is nog verzoekers middelen tegen het goedkeuringsbesluit zelf te onderzoeken, XII-104-10/11 BESLUIT: Artikel
  17. Vernietigd worden de beslissing van 6 december 1993 van de gemeenteraad van Herentals om André Geboes de tuchtstraf van het ontslag van ambtswege op te leggen en de beslissing van 9 februari 1994 van de Vlaamse minister van Openbare Werken, Ruimtelijke Ordening en Binnenlandse Aangelegenheden tot goedkeuring van de gemeenteraadsbeslissing. Artikel
  18. De kosten van het beroep, bepaald op 99,16 euro, komen ten laste van de verwerende partijen, elk voor de helft. Artikel
  19. Dit arrest zal in het Belgisch Staatsblad worden bekendgemaakt op dezelfde wijze als het vernietigde ministerieel besluit. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op twintig januari 2005, door de XIIe kamer, die was samengesteld uit : de HH. D. VERBIEST, kamervoorzitter, J. LUST, staatsraad, G. VAN HAEGENDOREN, staatsraad, Mevr. S. DOMS, griffier. De griffier, De voorzitter, S. DOMS. D. VERBIEST. XII-104-11/11 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.139.570 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.