id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 20 januari 2005 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.139.571 Rolnummer: A. 152542/VII-32310 Zaak: Arrest 139571 - - 20/01/2005 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2005-01-26 Raadplegingen: 56 - laatst gezien 2026-07-02 06:32 Fiche Arrest nr 139.571 van 20 januari 2005 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 139.571 van 20 januari 2005 in de zaak A. 152.542/VII-32.310. In zake : de n.v. LEUVEN ASFALT, rechtsgeding hervat door : de n.v. WEG EN BOUW, die woonplaats kiest bij Advocaat M. DEKETELAERE, kantoor houdende te ANTWERPEN, Meir 24 tegen : het Vlaamse Gewest, vertegenwoordigd door de Vlaamse regering, dat woonplaats kiest bij Advocaten G. MARTYN, P. DEJONCKHEERE, J. COLPAERT en I. DE TANDT, kantoor houdende te AVELGEM, Doorniksesteenweg 82. --------------------------------------------------------------------------------------------------- DE VOORZITTER VAN DE VIIe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat de n.v. LEUVEN ASFALT op 7 juni 2004 heeft ingediend om de schorsing te vorderen van de tenuitvoerlegging van het besluit van 6 april 2004 van de Vlaamse minister van Leefmilieu, Landbouw en Ontwikkelingssamenwerking waarbij de beroepen ingesteld tegen het besluit van 9 oktober 2003 van de bestendige deputatie van de provincieraad van Vlaams-Brabant houdende het verlenen aan de n.v. LEUVEN ASFALT van de vergunning voor het verder exploiteren van een asfaltcentrale, gelegen aan de Processiestraat te Leuven (Wilsele), gegrond worden verklaard, het beroepen besluit wordt opgeheven en aan de n.v. LEUVEN ASFALT de gevraagde vergunning wordt geweigerd; Gezien de nota van de verwerende partij; Gezien het verslag opgemaakt door Auditeur P. SOURBRON; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen; VII-32.310-1/24 Gelet op de beschikking van 11 oktober 2004 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 21 oktober 2004, op welke datum de behandeling van de zaak wordt uitgesteld tot 2 december 2004; Gehoord het verslag van Kamervoorzitter M.-R. BRACKE; Gehoord de opmerkingen van Advocaat M. DEKETELAERE, die verschijnt voor de verzoekende partij en van Advocaat P. LOUAGE die, loco Advocaat G. MARTYN, verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van Auditeur P. SOURBRON; Gelet op de artikelen 17 en 18 en titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; 1. Overwegende dat met een verzoekschrift van 29 november 2004 de n.v. WEG EN BOUW (WEGEBO) die de n.v. LEUVEN ASFALT heeft opgeslorpt, een verzoek tot hervatting van het geding heeft ingediend; 2. Overwegende dat de gegevens van de zaak als volgt kunnen worden samengevat : 2.1. De n.v. LEUVEN ASFALT, rechtsvoorganger van de verzoekende partij, exploiteert een asfaltbetoncentrale aan de Processiestraat te Leuven (Wilsele). De asfaltproductie ter plaatse zou reeds teruggaan tot 1969. Bij besluit van 11 juni 2001 heeft de Vlaamse minister van Leefmilieu en Landbouw aan de n.v. LEUVEN ASFALT vergunning verleend voor de verdere exploitatie van de bestaande asfaltcentrale voor een termijn van slechts drie jaar. Die beperkte vergunningstermijn werd gemotiveerd door de "precaire ligging van deze installatie, de onduidelijkheid inzake de toekomstige ordening en het feit dat aanvrager geen ingrijpende maatregelen heeft voorgesteld om de geuremissies aan te pakken". Tevens bevat het vergunningsbesluit de vingerwijzing dat de exploitant van de inrichting "er ter dege rekening moet mee houden dat na deze termijn mede door de ruimtelijke visie die zal ontwikkeld worden voor dit gebied en door het feit dat geen initiatieven worden genomen om de geurhinder structureel aan te pakken via VII-32.310-2/24 inkapseling van de kritieke installaties, geen verlenging meer zal toegestaan worden". Tegen het besluit van 11 juni 2001 heeft de n.v. LEUVEN ASFALT een beroep tot nietigverklaring ingesteld bij de Raad van State. Dat beroep is nog hangende (zaak gekend onder nr. A. 108.888/VII-24.325). 2.2. Op 23 mei 2003 dient de n.v. LEUVEN ASFALT bij de bestendige deputatie van de provincieraad van Vlaams-Brabant een nieuwe vergunningsaanvraag in voor het verder exploiteren van haar inrichting. Tot het voorwerp van de hernieuwingsaanvraag behoort in concreto : - de opslag van maximaal 690 ton asfalt waarvan 80 ton in twee wachtsilo’s, 10 ton koude asfalt in zakken en 600 ton herbruikbaar asfaltschaafsel; - het lozen van 4.200 m3/jaar mogelijks bevuild regenwater via een olie- afscheider en bezinkput; - het lozen van 100 m3/jaar sanitair afvalwater via een septische put in de openbare riolering; - een hoogspanningskabine met een transformator van 500 kVA; - een luchtcompressor van 15 kW; - de opslag van acetyleen, zuurstof en propaan in flessen; - de opslag van in totaal 60.000 l stookolie in drie bovengrondse houders; - de opslag van 900 l smeerolie in vaten en bussen en van 4 x 38.500 l bitumen en van 40.000 l bitumenemulsie; - een laboratorium voor kwaliteitscontrole; - een asfaltbetoncentrale met een totale drijfkracht van 462 kW omvattende een droogtrommel met een warmtevermogen van 13.000 kW en een verwarmingsinstallatie voor de bitumen met een warmtevermogen van 340 kW. 2.3. Tijdens het openbaar onderzoek dat naar aanleiding van de aanvraag gehouden wordt, worden acht bezwaarschriften, waarvan twee petities, ingediend. In die bezwaarschriften is onder meer sprake van geur-, geluids- en verkeershinder ten gevolge van de exploitatie. VII-32.310-3/24 2.4. Met een besluit van 9 oktober 2003 verleent de bestendige deputatie van de provincieraad van Vlaams-Brabant de gevraagde milieuvergunning voor een termijn van twintig jaar. Aan de vergunning worden een reeks bijzondere voorwaarden gekoppeld die onder meer betrekking hebben op het verbod om omhulde steenslag te produceren, Trinidad-bitumen te gebruiken en teerhoudend afval te verwerken. Er wordt eveneens een strengere grenswaarde dan voorzien in Vlarem II opgelegd voor de emissie van stof. Ten slotte worden de werkzaamheden verboden op werkdagen tussen 22.00 u en 7.00 u alsmede op zon- en feestdagen. 2.5. Tegen voormeld vergunningsbesluit van 9 oktober 2003 worden elf beroepen ingesteld. a. Op 17 november 2003 wordt beroep ingesteld door het college van burgemeester en schepenen van de stad Leuven. Door het stadsbestuur wordt in essentie betoogd dat de vergunde inrichting niet-verenigbaar is met de stedenbouwkundige voorschriften van het bijzonder plan van aanleg "Kolonel Begaultlaan - deel I", goedgekeurd bij ministerieel besluit van 22 november 2002. Meer bepaald zou de vergunde asfaltbetoncentrale beschouwd moeten worden als "belastende productie" dewelke door het betrokken bijzonder plan van aanleg niet verenigbaar wordt geacht met sommige functies in de onmiddellijke omgeving. b. Een aantal omwonenden stellen eveneens beroep in. In de beroepschriften wordt de vraag opgeworpen naar de verenigbaarheid van de inrichting met het geldende bijzonder plan van aanleg dat milieubelastende productie ter plaatse uitsluit. De buurtbewoners wijzen tevens op de hinder die de exploitatie teweegbrengt : geur-, stof- en geluidshinder, schadelijke uitwasemingen en overlast door het zware vrachtverkeer. 2.6. In het kader van de beroepsprocedure worden verschillende adviezen uitgebracht. a. Op 2 december 2003 verleent de afdeling Stedenbouwkundige Vergunningen het volgende ongunstige advies : "Binnen een straal van 500 m bevindt zich : S ten noorden : bufferzone, landelijk woongebied; S ten zuiden : gebied voor stedelijke ontwikkeling, kanaal Leuven- Mechelen; VII-32.310-4/24 S ten oosten : gebied voor stedelijke ontwikkeling, kanaal Leuven-Mechelen, KMO-zone; S ten westen : gebied voor stedelijke ontwikkeling; woongebied. De inrichting is gelegen ten noordoosten van de woonkern Wilsele dorp en op 160 m (afstand tot perceelsgrens) ten oosten van de woningen gelegen aan de Spaarzaamheidsstraat. Ten noorden, ter hoogte van de Brandestraat, en ten noordoosten, ter hoogte van de Aarschotsesteenweg , komen eveneens woningen voor. Het bedrijf is gelegen naast de Vaartdijk en langs het nieuwe TGV-traject, lijn Brussel-Leuven. Luidens het bijzonder plan van aanleg 'W05 Kolonel Begaultlaan deel 1', bij ministerieel besluit van 22 november 2002 goedgekeurd, is de betreffende grond gelegen in een zone voor plaatsgebonden bedrijvigheid, een groenzone en een bufferzone. Het grootste deel van de gevraagde activiteiten situeert zich in de zone voor plaatsgebonden bedrijvigheid, waar het volgende uitgesloten wordt : S Kantoren en diensten in hoofdbestemming, tenzij van openbaar nut; S Kleinhandel in hoofdbestemming; S Belastende productie in hoofdbestemming; S Opslag in hoofdbestemming, in strikte zin te interpreteren als de stockage van goederen; het behandelen van deze opgeslagen productie (expeditie, verpakking, ...) wordt niet onder opslag begrepen. Luidens de algemene bepalingen van dit BPA betreft belastende productie een infrastructuurgeheel voor bedrijfsactiviteiten die door de aard van hun productieproces een belastend effect hebben op de omgeving; deze productie is niet verenigbaar met sommige functies in de onmiddellijke omgeving, zoals bijvoorbeeld wonen, en moet om redenen van goede ruimtelijke ordening in een daartoe aangewezen gebied worden afgezonderd. Onder belastende productie wordt onder meer verstaan : industriële productie, distributiecentra, afvalverwerking, ... De gevraagde werken staan in functie van industriële productie van asfalt. In het reeds d.d. 11 juni 2001 getroffen ministerieel besluit houdende verlening van een voorwaardelijke milieuvergunning wordt d.m.v. een milieutechnische evaluatie aangetoond dat de activiteiten, mits het respecteren van een aantal voorwaarden, verenigbaar zijn met de onmiddellijke stedelijke omgeving. Derhalve mag redelijkerwijs gesteld worden dat de activiteiten op zich conform dit bijzonder plan van aanleg zijn. De aanvraag strijdt echter integraal met de directieven over de bebouwing zoals vervat in het voornoemde bijzonder plan van aanleg. Qua bebouwing stelt het detaillerende ordeningsplan het volgende : Integrale bouwkwaliteit : Omwille van de representatieve ligging van de gebouwen die binnen deze zone worden gerealiseerd (aan de toegang van Leuven voor spoor, Vaart en autosnelweg), wordt geëist dat het ontwerp van de gebouwen van een integrale bouwkwaliteit getuigt. Hiermee wordt minstens bedoeld : 1. een heldere functionele opbouw 2. relatie met de ruimtelijke context 3. consistentie in volumes 4. architecturale kwaliteit 5. erkenning van de verschillende functies 6. geïntegreerde open ruimte Wat betreft punt 1 van de aanvraag dient gesteld dat de twee opslagsilo's zich niet kunnen kaderen binnen de directieven van het bijzonder plan van aanleg qua integrale bouwkwaliteit. Bovendien stelt het bijzonder plan van aanleg omtrent de opslag van goederen het volgende : 'Opslag onder de blote hemel is slechts toegelaten als het gaat om stukgoederen waarvan de wijze van stapeling resulteert in een volume dat VII-32.310-5/24 correspondeert met de gebouwen binnen deze zone. Andere opslag (bulkgoederen, stukgoederen in geringe omvang) moeten binnen een gebouw of onder een luifel worden opgeslagen'. De opslag van maximaal 10 ton koude asfalt in zakken en maximaal 600 ton asfaltschaafsel is derhalve uit den boze. Een evaluatie inzake de punten 2 en 3 behoort tot de bevoegdheid van de afdeling milieuvergunningen. Inzake de items 4, 5, 9 en 10 dient gesteld dat zij fundamenteel strijden met de voormelde bepalingen inzake integrale bouwkwaliteit. Derhalve komen deze aspecten van de aanvraag niet voor vergunning in aanmerking. Voor de opslag van acetyleen, zuurstof en propaan in flessen (item nr. 6) werd een plaats voorzien op het aanvraagplan, meerbepaald weergegeven onder de vorm van een rechthoek van 1.90 m bij 3.50 m groot. Er blijkt niet of dit zuiver een aanduiding is van de plaats waar deze staan of een constructie bevat waarbinnen deze edelgassen worden bewaard. In ieder geval kunnen beide opslagmogelijkheden zich niet kaderen binnen de vigerende voorschriften van het bijzonder plan van aanleg. De 3 bovengrondse opslagtanks voor stookolie (nr. 7 aanvraag) strijden, zoals de opslag van bitumen en bitumenemulsie (deel aanvraagitem nr. 8), eveneens met het voorschrift inzake integrale bouwkwaliteit van het BPA. De opslag van smeerolie in vaten en bussen (deel item nr. 8) gebeurt volgens het aanvraagplan in een container onder de besturingscabine (eveneens een container). Deze containers zijn in strijd met het BPA. Daar de gevraagde opslag en infrastructuur strijden met de thans ter plaatse geldende stedenbouwkundige voorschriften wordt een ongunstig advies gegeven. Het dient met andere woorden duidelijk te zijn dat de stedenbouwkundige voorschriften van het huidig geldende BPA een dergelijke wijze van opslag en productie van de asfaltcentrale niet meer toelaten! Sinds het invoegetreden van het bijzonder plan van aanleg werd nog geen enkele stedenbouwkundige vergunning verleend, noch aangevraagd. Voor de bestaande installaties is er deels geen stedenbouwkundige vergunning. Bovenop dit feit is duidelijk dat het BPA geen dergelijke, visueel minderwaardige situatie meer wenst. Ten aanzien van eventuele afwijkingen van de voorschriften dient gesteld dat het BPA geen dergelijke bepalingen bevat en dat artikel 43, § 6 niet toepasbaar is in een BPA. Ook in mijn advies van 3 april 2001 was gesteld dat de inrichting slechts tijdelijk mocht blijven verder bestaan, gelet op de toen al nakende bestemmingsvoorschriften voor de grond". b. De adviezen van de Vlaamse Milieumaatschappij van 19 december 2003, 8 januari 2004 en 15 januari 2004 zijn telkens voorwaardelijk gunstig voor het lozen van huishoudelijk afvalwater en bedrijfsafvalwater. c. De afdeling Milieuvergunningen stelt in haar advies van 8 januari 2004 voor om de ingestelde beroepen gegrond te verklaren en de gevraagde vergunning slechts te verlenen voor een beperkte proeftermijn van twee jaar. Aan dat voorstel gaan de volgende beschouwingen vooraf : "Overwegende dat de inrichting gelegen is op ongeveer 150 m van het dichtstbijgelegen woongebied; Overwegende dat het openbaar onderzoek 8 bezwaren opleverde, waarbij klachten werden geuit in verband met geurhinder, luchtverontreiniging en VII-32.310-6/24 geluidshinder veroorzaakt door het bedrijf LEUVEN ASFALT; dat tijdens een telefonisch gesprek met de afdeling Milieu-inspectie bleek dat het bedrijf tijdens de laatste jaren een aantal inspanningen zoals bvb. het inkapselen van productieprocessen, heeft gedaan om de hinder tegenover de omwonenden te beperken; dat desondanks de afdeling Milieu-inspectie nog steeds klachten binnenkrijgt over geurhinder, luchtverontreiniging en geluidshinder; dat momenteel een aantal onderzoeken zouden lopen naar geurhinder en geluidshinder; Overwegende dat de vakliteratuur voor een dergelijk bedrijf problemen voorziet van geurhinder en geluidshinder; dat de afstand van 150 m van het bedrijf tot het dichtstbijgelegen woongebied eventueel kan aanleiding geven tot klachten; Overwegende dat gezien de aanzienlijke inspanningen van het bedrijf om de milieuhinder te beperken, een korte vergunningstermijn opnieuw aangewezen is om het bedrijf toe te laten onderzoeken door deskundigen te laten opstellen inzake geur- en geluidshinder en de nodige maatregelen te nemen om de bestaande hinder zodanig te beperken dat het bedrijf voldoende leefbaar wordt met zijn omgeving". d. Door de Gewestelijke Milieuvergunningscommissie wordt op 12 januari 2004 voorgesteld om de beroepen gegrond te verklaren en aan de n.v. LEUVEN ASFALT de gevraagde vergunning te weigeren. De motieven tot weigering van de vergunningsaanvraag zijn gebaseerd op de onverenigbaarheid van de inrichting met de ter plaatse geldende ruimtelijke en stedenbouwkundige voorschriften. Meer specifiek worden de verschillende onderdelen van de aanvraag getoetst aan de directieven voor bebouwing die vervat zijn in het bijzonder plan van aanleg "W05 Kolonel Begaultlaan deel 1", goedgekeurd bij ministerieel besluit van 22 november 2002. e. De afdeling Natuur deelt op 20 januari 2004 mee dat "de exploitatie van de inrichting naar alle waarschijnlijkheid geen significante gevolgen heeft op natuurwaarden waarvan de wijzigingen vergunningsplichtig zijn of op natuurgebieden die in uitvoering van het gewestelijk beleid als prioritair te beschermen beschouwd worden". 2.7. Met een besluit van 6 april 2004 van de Vlaamse minister van Leefmilieu, Landbouw en Ontwikkelingssamenwerking worden de ingestelde beroepen gegrond verklaard, wordt het beroepen besluit van 9 oktober 2003 van de bestendige deputatie van de provincieraad van Vlaams-Brabant opgeheven en wordt aan de n.v. LEUVEN ASFALT de gevraagde vergunning geweigerd. Dit besluit maakt het voorwerp uit van voorliggende vordering tot schorsing. Het bevat volgende motivering : VII-32.310-7/24 "(...) Gelet op de ligging van de inrichting in een gebied voor stedelijke ontwikkeling volgens het gewestplan Leuven, vastgesteld bij koninklijk besluit van 23 juni 1998; Gelet op de ligging van de inrichting in een zone voor plaatsgebonden bedrijvigheid, een groenzone en een bufferzone volgens het BPA 'WO5 Kolonel Begaultlaan deel 1', goedgekeurd bij ministerieel besluit van 22 november 2002; Overwegende dat de exploitant met zijn milieuvergunningsaanvraag beoogt zijn bestaande asfaltcentrale verder uit te baten; Overwegende dat bovenstaande beroepen de milieutechnische en steden- bouwkundige bezwaren bevatten tegen het verder exploiteren van deze bestaande inrichting; Overwegende dat het openbaar onderzoek 8 bezwaren opleverde, waarvan 2 petities, waarbij onder andere klachten werden geuit in verband met geurhinder, luchtverontreiniging en geluidshinder veroorzaakt door het bedrijf LEUVEN ASFALT; Overwegende dat de inrichting gelegen is op ongeveer 150 m van het dichtstbijgelegen woongebied; Overwegende dat het grootste deel van de gevraagde activiteiten zich situeert in de zone voor plaatsgebonden bedrijvigheid volgens het BPA 'WO5 Kolonel Begaultlaan deel 1', waar het volgende uitgesloten wordt : S kantoren en diensten in hoofdbestemming, tenzij van openbaar nut; S kleinhandel in hoofdbestemming; S belastende productie in hoofdbestemming; S opslag in hoofdbestemming, in strikte zin te interpreteren als de stockage van goederen; het behandelen van deze opgeslagen productie (expeditie, verpakking, ...) wordt niet onder opslag begrepen; Overwegende dat luidens de algemene bepalingen van voornoemd BPA belastende productie een infrastructuurgeheel is voor bedrijfsactiviteiten die door de aard van hun productieproces een belastend effect hebben op de omgeving; dat deze productie niet verenigbaar is met sommige functies in de onmiddellijke omgeving, zoals bijvoorbeeld wonen, en om redenen van goede ruimtelijke ordening in een daartoe aangewezen gebied moet worden afgezonderd; dat onder belastende productie onder meer wordt verstaan : industriële productie, distributiecentra, afvalverwerking; Overwegende dat uit de vele klachten die in het verleden werden neergelegd bij de bevoegde toezichthoudende diensten, en de onderzoeken van deze klachten waarbij de klachten vaak gegrond werden geacht en processen-verbaal werden opgemaakt, blijkt dat het hier gaat om een industriële productie-eenheid die milieuhinder veroorzaakt voor de omwonenden; Overwegende dat de aanvraag integraal strijdt met de directieven over de bebouwing zoals vervat in het voornoemde bijzonder plan van aanleg; dat omwille van de representatieve ligging van de gebouwen die binnen deze zone worden gerealiseerd (aan de toegang van Leuven voor spoor, Vaart en autosnelweg), wordt geëist dat het ontwerp van de gebouwen getuigt van een integrale bouwkwaliteit; dat hiermee minstens wordt bedoeld : een heldere functionele opbouw, relatie met de ruimtelijke context, consistentie in volumes, architecturale kwaliteit, erkenning van de verschillende functies en een geïntegreerde open ruimte; Overwegende dat de twee opslagsilo's zich niet kunnen kaderen binnen de directieven van het bijzonder plan van aanleg qua integrale bouwkwaliteit; dat bovendien het bijzonder plan van aanleg omtrent de opslag van goederen het volgende stelt : 'Opslag onder de blote hemel is slechts toegelaten als het gaat om stukgoederen waarvan de wijze van stapeling resulteert in een volume dat VII-32.310-8/24 correspondeert met gebouwen binnen deze zone. Andere opslag (bulkgoederen, stukgoederen in geringe omvang) moeten binnen een gebouw of onder een luifel worden opgeslagen'; dat de opslag van maximaal 10 ton koude asfalt in zakken en maximaal 600 ton asfaltschaafsel derhalve niet overeenstemt met de eisen van dit bijzonder plan van aanleg; Overwegende dat een hoogspanningscabine met een transformator, een luchtcompressor van 15 kW, een laboratorium voor kwaliteitscontrole en de asfaltbetoncentrale fundamenteel strijden met de voormelde bepalingen inzake integrale bouwkwaliteit; dat derhalve deze aspecten van de aanvraag niet voor vergunning in aanmerking komen; Overwegende dat de opslag van acetyleen, zuurstof en propaan in flessen niet kadert binnen de vigerende voorschriften van het bijzonder plan van aanleg; Overwegende dat de 3 bovengrondse opslagtanks voor stookolie, de opslag van bitumen en bitumenemulsie eveneens strijden met het voorschrift inzake integrale bouwkwaliteit van het BPA; Overwegende dat de opslag van smeerolie in vaten en bussen volgens het aanvraagplan in een container onder de besturingscabine gebeurt; dat deze containers in strijd zijn met het bijzonder plan van aanleg; Overwegende dat sinds het invoegetreden van het bijzonder plan van aanleg geen enkele vergunning werd verleend, noch aangevraagd; dat voor de bestaande installaties er deels geen stedenbouwkundige vergunning is; Overwegende dat het bijzonder plan van aanleg geen bepalingen bevat om eventuele afwijkingen van de voorschriften toe te laten; dat het artikel 43, §6, §7 en §8 van het decreet betreffende de ruimtelijke ordening niet toepasbaar is voor een bijzonder plan van aanleg; dat artikel 43, §8 werd gewijzigd bij decreet van 21 november 2003, doch deze wijziging niet wijzigt aan het feit de uitzonderingsregel van artikel 43, §6, §7 en §8 van het decreet betreffende de ruimtelijke ordening niet toepasbaar is voor een bijzonder plan van aanleg; Overwegende dat vanuit oogpunt van de stedenbouwkundige en ruimtelijke aspecten gesteld kan worden dat de exploitatie van de inrichting die het voorwerp van de voormelde milieuvergunningsaanvraag uitmaakt, onverenigbaar is met de toepasselijke ruimtelijke en stedenbouwkundige voorschriften; (...)"; 3. Overwegende dat krachtens artikel 17, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State slechts tot schorsing van de tenuitvoerlegging kan worden besloten onder de dubbele voorwaarde dat ernstige middelen worden aangevoerd die de nietigverklaring van de aangevochten akte of verordening kunnen verantwoorden en dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de bestreden akte of verordening een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen; 3.1.1. Overwegende dat de verzoekende partij in een eerste middel de onwettigheid opwerpt van het bijzonder plan van aanleg "W05 Kolonel Begaultlaan deel 1", goedgekeurd bij ministerieel besluit van 22 november 2002, daar dit plan van aanleg tot stand zou zijn gekomen met schending van de artikelen 2, § 1, en 10, § 1, (lees "14, 1/") van het decreet betreffende de ruimtelijke ordening, gecoördineerd op 22 oktober 1996, juncto artikel 171 van het decreet van 18 mei VII-32.310-9/24 1999 houdende organisatie van de ruimtelijke ordening, van de bepalingen, inzonderheid artikel 4, van het koninklijk besluit van 7 april 1977 houdende vaststelling van het gewestplan Leuven, zoals gewijzigd bij besluit van de Vlaamse regering van 23 juni 1998, en van het gelijkheids- en non-discriminatiebeginsel; dat zij het middel als volgt toelicht : "(
- a)In de bestreden beslissing wordt als enig en decisief argument tot opheffing van het vergunningsbesluit van 9 oktober 2003 de (vermeende) strijdigheid van de inrichting met de voorschriften van het nieuwe BPA ingeroepen : (
- b)Het voormeld BPA Krachtens voormeld gewestplan is de inrichting van verzoekster gelegen in een 'stedelijk ontwikkelingsgebied', waarvoor volgende bepalingen van toepassing zijn (art. 4) : 'Dit gebied is bestemd voor industriële, ambachtelijke en agrarische activiteiten, kantoren, kleinhandel, dienstverlening, recreatie, wonen, verkeer en vervoer, openbaar nut en gemeenschapsvoorzieningen, en dit voor zover deze functies verenigbaar zijn met de onmiddellijke multifunctionele omgeving. De stedenbouwkundige aanleg van het gebied, de bijbehorende voorschriften betreffende terreinbezetting, vloeroppervlakte, hoogte, aard en inplanting van de gebouwen met bijhorende voorzieningen, en de verkeersorganisatie in relatie met de omringende gebieden worden vastgesteld in een bijzonder plan van aanleg vooraleer het gebied kan ontwikkeld worden. Ook het wijzigen van de functie van de bestaande gebouwen kan pas na goedkeuring van een bijzonder plan van aanleg'. De sinds jaar en dag bestaande inrichting van verzoekster is derhalve alleszins in overeenstemming met de vigerende gewestplanvoorschriften. Terecht stelde de Bestendige Deputatie reeds in haar vergunningsbesluit dd. 30 november 2000 dat er geen redenen zijn, noch milieutechnische noch planologische, om de vergunningstermijn te beperken en dus de vergunning kan worden verleend voor de volledige termijn van 20 jaar. Ook het besluit van de Bestendige Deputatie van 9 oktober 2003 waarbij vergunning werd verleend om de inrichting verder te exploiteren voor een termijn van twintig jaar stelt uitdrukkelijk : 'In het ministerieel besluit van 11.06.2001 werd gesteld dat een asfaltplant niet uitgesloten is in een gebied voor stedelijke ontwikkeling maar dat de verenigbaarheid met de onmiddellijke stedelijke omgeving moest blijken uit de milieutechnische evaluatie. Aangezien de exploitant nog geen ingrijpende maatregelen getroffen had om vooral de geuremissies aan te pakken en omwille van de onduidelijkheid inzake de toekomstige ordening van het gebied, werd de hervergunning slechts verleend voor een termijn van 3 jaar. Inmiddels werden heel wat milderende maatregelen getroffen zodat de uitbating op milieutechnisch vlak de draagkracht van het gebied niet overschrijdt. De aard en het gebruik, van de omgeving zijn sinds 1999 (tijdstip van de vorige hervergunningsaanvraag) niet noemenswaardig gewijzigd. De hoofdactiviteit is tevens stedenbouwkundig vergund'. VII-32.310-10/24 Het kwestieus BPA 'Kolonel Begaultlaan Deel 1' druist dan ook manifest in tegen de voorschriften van het gewestplan Leuven, in de mate dat de toepassing van het betreffend BPA ertoe leidt dat de inrichting van verzoekster - die steeds verenigbaar is geweest én nog steeds is met de voorschriften die gelden voor het gebied voor stedelijke ontwikkeling - niet langer stedenbouwkundig verenigbaar is met de bestemmingsvoorschriften na aanvulling en verdere invulling van het gewestplan door het betreffend BPA. Dit leidt derhalve tot de conclusie dat het kwestieus BPA op ontoelaatbare wijze afwijkt van de voorschriften van het hiërarchisch hogere -en onveranderde- gewestplan. (
- c)Het BPA 'Kolonel Begaultlaan Deel 1' schendt aldus artikel 2 van het decreet betreffende de ruimtelijke ordening gecoördineerd op 22 oktober 1996, jo. artikel 171 van het decreet van 18 mei 1999 houdende organisatie van de ruimtelijke ordening : en gemeenteplannen. Alle voorschriften van de plannen van aanleg hebben dezelfde bindende kracht, ongeacht of zij grafisch zijn voorgesteld of niet. De plannen hebben verordenende kracht. Zij blijven gelden totdat zij door andere plannen kunnen worden vervangen na een herziening. Er mag alleen van afgeweken worden in de gevallen en in de vormen door dit decreet bepaald. (...)' De mate waarin een lager plan kan afwijken van een hoger plan, is conform de vaste rechtspraak van de Raad van State aan strikte voorwaarden gebonden (cf. R.v.St., Heylen, nr. 29.254) : - er moet aangetoond zijn dat de bestemming in het hogere plan achterhaald is of niet meer kan worden verwezenlijkt; - de in het lagere plan voorgestelde bestemming moet beantwoorden aan een dwingende behoefte tot een nieuwe, van het gewestplan afwijkende, ruimtelijke ordening, waarin door het bestaan van een nieuwe toestand, nieuwe planologische noden zijn geschapen; - deze planologische redenen moeten duidelijk zijn en goed gelokaliseerd kunnen worden, zo niet is veeleer een herziening van het hogere plan aangewezen. Hieruit blijkt dat nieuwe planologische opvattingen niet volstaan, als er ook geen sprake is van een nieuwe toestand, die dan nog zo lokaliseerbaar moet zijn, dat een gewestplanwijziging niet méér aangewezen is. Van een 'nieuwe toestand' is in casu geen sprake. Verzoekster verwijst naar het door de bestreden beslissing opgeheven vergunningsbesluit van de Bestendige Deputatie dd. 9 oktober 2003, alwaar uitdrukkelijk wordt gesteld (blz. 7) : 'De installatie bevindt zich in een industriële omgeving en is stedenbouwkundig vergund. De aard en het gebruik van de omgeving zijn sinds 1999 niet gewijzigd. (...)' (
- d)Ten overvloede houdt het goedgekeurde BPA 'Kolonel Begaultlaan Deel 1' een schending in van het grondwettelijk gelijkheidsbeginsel en non-discriminatieprincipe. Bij het vaststellen van een plan van aanleg moet het gelijkheidsbeginsel in acht genomen worden. Een perceel grond mag enkel op grond van objectief planologische gegevens in een bepaalde zone worden opgenomen (Raad van State, Puttemans, nr. 22.784, 4 januari 1983). Dit houdt onder meer in dat rekening moet worden gehouden met de bestaande toestand en dat niet mag VII-32.310-11/24 blijken dat in de omgeving andere percelen van dezelfde aard aan minder strenge of vergaande bestemmingsvoorschriften worden onderworpen. Zo bevat het BPA 'Kolonel Begaultlaan Deel 1' geen enkel objectief criterium van onderscheid met betrekking tot de uitsluiting van belastende productie in de zone voor plaatsgebonden bedrijvigheid, ... waarbij uitzonde- ring wordt gemaakt voor distributie. Nochtans wordt onder het begrip belastende productie verstaan : 'industriële productie, distributiecentra, afvalverwerking, ...' (art. 1.2.7. Algemene bepalingen BPA Kolonel Begaultlaan Deel 1). Concreet heeft dit onder meer voor gevolg dat de bestaande opslagplaats van INTERBREW in deze zone, die blijkbaar verder zal worden uitgebouwd tot een volwaardig distributiecenter voor dranken (zie toelichting bij BPA Kolonel Begaultlaan Deel 1, punt 2.1.5. Geplande initiatieven), aldus zonder meer kan worden gehandhaafd, terwijl dat blijkbaar niet geldt voor de inrichting van verzoekster. Verder zal ook de bestaande grootschalige opslag- en distributieplaats van bouwmaterialen uitgebaat door de firma CELIS, evenzeer gelegen in de kwestieuze zone voor plaatselijke bedrijvigheid, gevrijwaard en bevestigd worden. (
- e)Ten overvloede houdt het BPA Kolonel Begaultlaan Deel 1 een schending in van art. 14,1/ van het decreet betreffende de ruimtelijke ordening (gecoördineerd op 22 oktober 1996), aangezien de 'bestaande toestand' met betrekking tot de inrichting van verzoekster geenszins afdoende wordt weergegeven. Zo wordt in de Toelichting bij het BPA, (blz. 1-59) inzake de 'Planningscontext van het deelgebied' onder punt 2. 1 .3. (Bouw- en verkave- lingsvergunningen, milieuvergunningen, monumenten) louter en laconiek vermeld : 'De bedrijfsactiviteit van Leuven-Asfalt is nog vergund tot 11 juni 2004'. In werkelijkheid maakt het ministerieel besluit van 11 juni 2001, waarbij de vergunningstermijn - in graad van beroep - inderdaad werd ingeperkt tot 11 juni 2004, het voorwerp uit van een annulatieberoep bij uw Raad van State, hiervoor reeds vermeld. Deze procedure is ook de Stad Leuven wel bekend, aangezien zij hierin zelf tussenkomt. De eertijds ingeperkte vergunningstermijn, met name tot 11 juni 2004, staat dus nog steeds ter discussie en wordt door verzoekster blijvend betwist. Derhalve houdt het BPA onvoldoende rekening met de werkelijk bestaande toestand in hoofde van verzoekster, wat een schending inhoudt van art. 14,1/, van het Coördinatiedecreet"; 3.1.2. Overwegende dat de verwerende partij in de eerste plaats betwist dat de motieven voor de weigering van de milieuvergunning enkel gebaseerd zijn op de strijdigheid van de exploitatie met de voorschriften van het goedgekeurde bijzonder plan van aanleg "W05 Kolonel Begaultlaan deel 1"; dat zij stelt dat de bestreden beslissing ook milieu-hygiënische motieven bevat die de conclusie schragen dat de risico's en hinder niet tot een aanvaardbaar niveau kunnen worden beperkt; dat, voorts, met betrekking tot de opgeworpen excepties van onwettigheid de verwerende partij het volgende verweer voert : VII-32.310-12/24 "Het legaliteitsbeginsel houdt in dat 'administratieve rechtshandelingen slechts regelmatig zijn zo zij overeenstemmen met de wet en elke rechtsregel van hogere rang (artikel (159 G.W.)'. 2.1.b In tegenstelling tot hetgeen verzoekster aanhaalt druist bovengenoemd BPA niet in tegen de voorschriften van het vigerende gewestplan Leuven, vastgesteld bij KB van 07.04.1977, gewijzigd bij Besluit van de Vlaamse regering van 23.06.1998. Overeenkomstig voormeld gewestplan ligt de inrichting van verzoekster in een 'stedelijk ontwikkelingsgebied' en conform artikel 4 van de aanvullende stedenbouwkundige voorschriften van dit gewestplan is een gebied voor stedelijke ontwikkeling inderdaad bestemd voor : 'industriële, ambachtelijke en agrarische activiteiten, kantoren, kleinhandel, dienstverlening, recreatie, wonen, verkeer en vervoer, openbaar nut en gemeenschapsvoorzieningen, en dit voor zover deze functies verenigbaar zijn met een onmiddellijke multifunctionele stedelijke omgeving. De stedenbouwkundige aanleg van het gebied, de bijhorende voorschriften betreffende de terreinbezetting, vloeroppervlakte, hoogte, aard en inplanting van de gebouwen met bijhorende voorzieningen, en de verkeersorganisatie in de relatie met de omliggende gebieden, worden vastgesteld in een bijzonder plan van aanleg, vooraleer het gebied kan ontwikkeld worden. Ook het wijzigen van de functie van bestaande gebouwen kan pas na goedkeuring van het bijzonder plan van aanleg'. Doch voor de betrokken zone is inmiddels tevens een BPA In tegenstelling tot hetgeen verzoekster vermeldt, nl. dat de BD in haar vergunningsbesluit dd. 30.11.2000 terecht stelde dat er geen redenen waren, noch milieutechnische, noch planologische om de vergunningstermijn te beperken, werd voormelde vergunningstermijn door de Minister in zijn hoedanigheid van beroepsinstantie, wél beperkt namelijk tot 3 jaar, daar er geen duidelijkheid was over de feitelijke plannen en bestemmingen, gezien er toen nog geen uitsluitsel was over de plannen en de visie van de overheid met betrekking tot de gronden (van) het gebied. Dat de BD geoordeeld heeft dat de inrichting planologisch wél verenigbaar is, bindt verweerder alleszins niet, mits deze voldoende argumenteert in de bestreden beslissing. De toestand is echter gewijzigd door de goedkeuring van het BPA Volgens voormeld BPA ligt de exploitatie van verzoekster in een zone voor plaatsgebonden bedrijvigheid met een maximum bebouwbare oppervlakte en deels in een groenzone, alsook in een bufferzone. Daarnaast dient tevens vermeld te worden dat door de stad Leuven op 13.03.2003 een proces-verbaal van bouwovertreding werd opgesteld voor het vernieuwen van de technische installatie, het vervangen van vier grote opslagtanks en het plaatsen van een paalafsluiting zonder de vereiste voorafgaandelijke stedenbouwkundige vergunning, zodat daaruit voortvloeit dat verzoekster exploiteert op basis van een technische installatie dewelke op stedenbouwkundig vlak niet vergund is. 2.1.c Het BPA mag afwijken van het gewestplan op voorwaarde dat de principes van het ruimtelijk structuurplan Vlaanderen worden gerespecteerd, wat in casu is geschied. Het is bijgevolg niet in strijd met de hiërarchie van de plannen want het is het gevolg van het nieuwe planningsconcept gebaseerd op het principe van subsidiariteit en op het opstellen van structuurplannen. Artikel 14 DRO bepaalt : 1/ de bestaande toestand; VII-32.310-13/24 2/ de gedetailleerde bestemming van de in sub. 2/ van artikel 13 bedoelde gebiedsdelen; 3/ het tracé van alle in het bestaande verkeerswegennet te brengen wijzigingen; 4/ de voorschriften betreffende de plaatsing, de grootte en de welstand van de gebouwen en afsluitingen, alsmede die betreffende de binnenplaatsen en tuinen. Het kan bovendien aangeven : 5/ de voorschriften betreffende het aanleggen en uitrusten van de wegen, de bouwvrije stroken en de beplantingen; 6/ de plaatsen die bestemd worden voor het aanleggen van groene ruimten, bosreservaten, sportvelden en begraafplaatsen, alsmede voor openbare gebouwen en voor monumenten; 7/ indien een ruilverkaveling of herverkaveling nodig blijkt, de grenzen van de nieuwe kavels, onder vermelding dat die grenzen door het schepencollege kunnen worden gewijzigd met goedkeuring van de Vlaamse regering. De hierboven opgesomde voorschriften kunnen eigendomsbeperkingen inhouden, met inbegrip van bouwverbod. Wanneer een streek-, gewest- of algemeen plan bestaat, richt het bijzonder plan zich naar de aanwijzingen en bepalingen ervan, en vult ze aan. Het kan er desnoods van afwijken. (Een bijzonder plan van aanleg dat afwijkt van de voorschriften van het gewestplan kan ook worden goedgekeurd wanneer de gemeente beslist heeft tot het opmaken van een gemeentelijk ruimtelijk structuurplan, zoals bedoeld in artikel 20, § 1, van het decreet van 24 juli 1996 houdende de ruimtelijke planning of artikel 32, § 1, van het decreet van 18 mei 1999 houdende de organisatie van de ruimtelijke ordening, op voorwaarde dat een ruimtelijke afweging gebeurt mede op basis van de principes van het ruimtelijk structuurplan Vlaanderen, en dat het bijzonder plan van aanleg voorlopig aangenomen werd vóór 1 mei 2005.) De goedkeuring van het bijzonder plan door de Vlaamse regering ontheft de gemeente van alle andere wettelijke formaliteiten inzake rooiplannen'. Bijgevolg kan geconcludeerd worden dat het BPA op een toelaatbare manier afwijkt van het gewestplan, zodat van een schending van artikel 2 DRO evenmin sprake kan zijn. 2.1.d Verder meent verzoekster dat zowel het gelijkheidsbeginsel, als het non- discriminatiebeginsel door het BPA zouden geschonden zijn, daar blijkt dat in de omgeving van verzoekster andere percelen van dezelfde aard aan minder strenge of vergaande bestemmingsvoorschriften worden onderworpen. Verzoekster verwijst naar de bestaande opslagplaats van de NV Interbrew en de bestaande opslagplaats van de firma Celis. Verweerder meent echter dat men hoegenaamd niet te maken heeft met een schending van het gelijkheidsbeginsel, noch van het non-discriminatiebeginsel. Eerst en vooral dient opgemerkt te worden dat dit nog toekomstmuziek is, zowel wat Interbrew als Celis betreft en dat indien er inderdaad een verschillende behandeling tussen exploitanten zou zijn, deze verschillende behandeling objectief én redelijk verantwoord zou zijn, daar voormelde exploitanten in de distributiesector werkzaam zijn, daar waar dit niet het geval is voor verzoekster. 2.1.e Tenslotte kan van een schending van artikel 14, 1/ DRO evenmin sprake zijn. Verzoekster meent dat dit wel het geval is daar haar bestaande toestand in het BPA niet afdoende werd weergegeven omdat melding wordt gemaakt dat haar activiteit vergund is tot 11.06.2004. VII-32.310-14/24 In tegenstelling tot (wat) verzoekster voorhoudt, is voormelde toestand momenteel nog steeds de correcte toestand. Van een vergunning voor 20 jaar is geen sprake vermits dit werd gewijzigd door de Minister in een proefvergunning voor drie jaar, met name tot 11.06.2004 en deze door verzoekster bestreden beslissing werd (nog) niet vernietigd door Uw Raad. Bijgevolg houdt het BPA wél rekening met de bestaande toestand van verzoekster, zodat van een schending geen sprake kan zijn. Bovendien merkt verweerder tevens op dat verzoekster het BPA ten gepaste tijde had kunnen aanvechten - wat niet gebeurd is - zodat de in huidig verzoekschrift opgeworpen schendingen door het BPA alleszins laattijdig zijn"; 3.1.3. Overwegende dat uit de sub 2.7 weergegeven motivering van het bestreden besluit prima facie blijkt dat de weigering van de milieuvergunning in casu uitsluitend is gestoeld op stedenbouwkundige motieven en dus niet deels op milieuhygiënische motieven zoals de verwerende partij laat uitschijnen; Overwegende dat volgens het gewestplan Leuven, vastgesteld bij koninklijk besluit van 7 april 1977 en later gewijzigd bij besluit van de Vlaamse regering van 23 juni 1998, de inrichting van de verzoekende partij gelegen is in een gebied voor stedelijke ontwikkeling; dat met betrekking tot dergelijk gebied artikel 4 van de aanvullende stedenbouwkundige voorschriften van het gewestplan Leuven het volgende bepaalt : "Dit gebied is bestemd voor industriële, ambachtelijke en agrarische activiteiten, kantoren, kleinhandel, dienstverlening, recreatie, wonen, verkeer en vervoer, openbaar nut en gemeenschapsvoorzieningen, en dit voor zover deze functies verenigbaar zijn met hun onmiddellijke multifunctionele stedelijke omgeving. De stedenbouwkundige aanleg van het gebied, de bijhorende voorschriften betreffende terreinbezetting, vloeroppervlakte, hoogte, aard en inplanting van de gebouwen met bijhorende voorzieningen, en de verkeersorganisatie in relatie met de omringende gebieden, worden vastgesteld in een bijzonder plan van aanleg vooraleer het gebied kan ontwikkeld worden. Ook het wijzigen van de functie van bestaande gebouwen kan pas na goedkeuring van een bijzonder plan van aanleg"; dat op grond van bovenstaande bepaling het bijzonder plan van aanleg "W05 Kolonel Begaultlaan deel 1" werd vastgesteld; dat dit bijzonder plan van aanleg, goedgekeurd bij ministerieel besluit van 22 november 2002, met betrekking tot de percelen waarop de inrichting van de verzoekende partij gelegen is voorziet in een zone voor plaatsgebonden bedrijvigheid, een groenzone en een bufferzone; dat het grootste gedeelte van de aangevraagde activiteiten zich in de zone voor plaatsgebonden bedrijvigheid zou situeren; dat in het bestreden besluit wordt vermeld dat blijkens evengenoemd bijzonder plan van aanleg de volgende activiteiten niet begrepen worden onder "plaatsgebonden bedrijvigheid" : kantoren VII-32.310-15/24 en diensten in hoofdbestemming, tenzij van openbaar nut, kleinhandel in hoofdbe- stemming, belastende productie in hoofdbestemming en opslag in hoofdbestemming (in strikte zin te interpreteren als de stockage van goederen en niet als het behandelen van de opgeslagen productie (expeditie, verpakking, ...)); Overwegende, vooreerst, dat een eerste exceptie van onwettigheid van voormeld bijzonder plan van aanleg door de verzoekende partij wordt afgeleid uit de vaststelling dat uit de vergunningsbeslissingen van 30 november 2000 en 9 oktober 2003 van de bestendige deputatie van de provincieraad van Vlaams-Brabant blijkt dat de bestaande inrichting "sinds jaar en dag" in overeenstemming wordt beschouwd met de vigerende gewestplanvoorschriften, zodat het bijzonder plan van aanleg "W05 Kolonel Begaultlaan deel 1", waarvan de toepassing er toe leidt dat de bestaande inrichting niet langer stedenbouwkundig verenigbaar is, wel manifest moet indruisen tegen de voorschriften van het gewestplan; dat evenwel de redenering van de verzoekende partij niet lijkt op te gaan om de volgende redenen : Het bijzonder plan van aanleg is een instrument om de ruimtelijke visies van het gewestplan op een lager niveau verder te concretiseren en detailleren voor een deel van het gemeentelijke grondgebied. In principe richt het bijzonder plan zich naar de aanwijzingen en bepalingen van het hoger (gewest)plan. Luidens artikel 14, derde lid, van het decreet betreffende de ruimtelijke ordening, gecoördineerd op 22 oktober 1996, kan het bijzonder plan er desnoods van afwijken. Met de loutere vaststelling dat in de door de verzoekende partij aangehaalde beslissingen de milieuvergunning voorheen niet geweigerd werd op grond van stedenbouwkundige motieven, wordt niet aangetoond dat meervermeld bijzonder plan van aanleg afwijkt van de bepalingen van het gewestplan. In artikel 4 van de aanvullende stedenbouwkundige voorschriften van het gewestplan Leuven wordt immers bepaald dat de "stedenbouwkundige aanleg van het gebied, de bijbehorende voorschriften betreffende de terreinbezetting, vloeroppervlakte, hoogte, aard en inplanting van de gebouwen met bijhorende voorzieningen, en de verkeersorganisatie in relatie met de omringende gebieden worden vastgesteld in een bijzonder plan van aanleg". Het op grond van die bepaling tot stand gekomen bijzonder plan van aanleg kan prima facie aldus ruimtelijke voorschriften bevatten die als nadere uitwerking van het gewestplan moeten beschouwd worden zonder er op onwettige wijze van af te wijken. VII-32.310-16/24 De beslissing van 30 november 2000 van de bestendige deputatie van de provincieraad van Vlaams-Brabant waar de verzoekende partij naar verwijst dateert trouwens van vóór de goedkeuring van het bijzonder plan van aanleg "W05 Kolonel Begaultlaan deel 1". Het lijkt dus mogelijk dat het later tot stand gekomen bijzonder plan van aanleg, door de concretisering en meer gedetailleerde uitwerking van de ruimtelijke opties van het gewestplan, thans een obstakel vormt voor het verder vergunnen van de bestaande inrichting terwijl zulks voorheen niet het geval was. De beslissing van 9 oktober 2003 kan niet als een argument gelden nu deze beslissing juist het voorwerp uitmaakte van administratieve beroepen en werd opgeslorpt door het in het geding zijnde ministerieel besluit; Overwegende dat met betrekking tot de exceptie van onwettigheid die gestoeld is op de schending van het grondwettelijke gelijkheids- en non- discriminatiebeginsel, het onderscheid dat gemaakt wordt tussen "belastende productie" en "distributie", waarbij enkel eerstgenoemde bedrijvigheid door het bijzonder plan van aanleg ter plaatse wordt uitgesloten, prima facie kan steunen op een objectief en in redelijkheid aanvaardbaar criterium, temeer omdat het gewestplan bepaalt dat het gebied voor stedelijke ontwikkeling voor verschillende functies bestemd is "voor zover deze functies verenigbaar zijn met hun onmiddellijke multifunctionele stedelijke omgeving"; dat aldus er in rechte een aanvaardbaar onderscheid lijkt te kunnen worden gemaakt tussen enerzijds industriële productie en anderzijds distributie(centra); dat prima facie toch aangenomen kan worden dat de ene activiteit, bv. omdat ze minder belastend is of omdat de belasting zich onder een andere vorm manifesteert, wel en de andere niet in een multifunctionele omgeving kan worden toegelaten; dat daarenboven luidens het bijzonder plan van aanleg enkel de opslag in hoofdbestemming niet begrepen wordt onder plaatsgebonden bedrijvigheid, en niet het behandelen van de opgeslagen productie hetgeen op het eerste gezicht eerder het geval lijkt te zijn voor de bedrijven die de verzoekende partij aanhaalt; Overwegende, wat betreft de derde exceptie van onwettigheid waarin opgeworpen wordt dat in meervermeld bijzonder plan van aanleg de bestaande toestand niet afdoende is weergegeven, dat artikel 14, 1/, van het decreet betreffende de ruimtelijke ordening, gecoördineerd op 22 oktober 1996, op het eerste gezicht niet de vereiste inhoudt om bij de opgave van de "bestaande toestand" in het bijzonder plan van aanleg melding te maken van het feit dat de lopende VII-32.310-17/24 milieuvergunning het voorwerp uitmaakt van een annulatieberoep bij de Raad van State; dat de aanduiding van de bestaande toestand namelijk de gegevens moet bevatten die toelaten een inzicht te verkrijgen in de bestemming die het gebied, bestreken door het bijzonder plan van aanleg, in feite en in rechte heeft gekregen; dat de omstandigheid dat met betrekking tot de lopende milieuvergunning van een inrichting die ter plaatse gevestigd is een annulatieberoep bij de Raad van State hangende is, in dat verband geen essentieel element vormt; dat immers het instellen van een annulatieberoep tegen een beslissing over een milieuvergunningsaan- vraag, waarvan de finale uitkomst trouwens onzeker is, de ruimtelijke bestemming die de grond in feite of in rechte gekregen heeft niet beïnvloedt; Overwegende dat uit het bovenstaande prima facie volgt dat alle excepties van onwettigheid van het toegepaste bijzonder plan van aanleg moeten worden verworpen; dat het eerste middel niet ernstig is; 3.2.1. Overwegende dat de verzoekende partij een tweede middel afleidt uit de schending van de voorschriften van het bijzonder plan van aanleg "W05 Kolonel Begaultlaan deel 1" inzake de "kwalificatie van de inrichting van verzoekster als "5.2.1. De wettelijk vereiste motiveringsplicht Overeenkomstig artikel 2 van de Wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van bestuurshandelingen (B.S., 12 september 1991) moeten de bestuurshandelingen van de administratieve overheden uitdrukkelijk worden gemotiveerd. Overeenkomstig artikel 3 van deze wet moet de betrokken akte de juridische en feitelijke overwegingen vermelden die aan de beslissing ten grondslag liggen en moet deze motivering tevens afdoende zijn. In casu blijkt dat de bestreden beslissing geenszins afdoende gemotiveerd is, noch juridisch, noch in feite, zoals hierna wordt aangetoond. 5.2.2. De bestreden beslissing is geenszins afdoende gemotiveerd in de mate dat de inrichting van verzoekster wordt bestempeld als De inrichting van verzoekster valt niet onder het begrip viteiten die door de aard van hun productieprocessen een belastend effect hebben op de omgeving; deze productie is niet verenigbaar met sommige functies in de onmiddellijke omgeving, zoals bijvoorbeeld wonen, en, moet om redenen van goede ruimtelijke ordening in een daartoe aangewezen gebied worden afgezonderd. Onder belastende productie VII-32.310-18/24 wordt onder meer verstaan : industriële productie, distributiecentra, afvalverwerking, ...' In het advies van AROHM dd. 2 december 2003 wordt dienaangaande het volgende gesteld : De minister ziet het in de bestreden beslissing van 6 april 2004 anders. Hij stelt dat de inrichting van verzoekster niet anders dan een belastende productie kan zijn, aangezien er meermaals klachten werden geformuleerd ... : Deze De minister alsook de Afdeling Stedenbouwkundige Vergunningen roepen weliswaar ook de schending in van de voorschriften van het BPA inzake 3.2.2. Overwegende dat de verwerende partij in haar nota betoogt dat uit de motieven van de bestreden beslissing afdoende blijkt waarom de inrichting van de verzoekende partij als een belastende productie wordt aanzien, dat het exploiteren van een asfaltcentrale, met de er inherent aan verbonden nadelige milieu-effecten, daarenboven "per definitie" een belastende productie zou zijn in de zin van het betrokken bijzonder plan van aanleg, dat zij bij het nemen van het bestreden besluit zelf rekening heeft gehouden met alle uitgebrachte adviezen, inzonderheid met het advies van de afdeling Stedenbouwkundige Vergunningen van 2 december 2003 waarin wordt gesteld dat de vergunningsaanvraag strijdig is met de directieven over de bebouwing van het bijzonder plan van aanleg, en dat tevens rekening zou zijn gehouden met "proefondervindelijke gegevens"; 3.2.3. Overwegende dat in het middel kritiek wordt uitgebracht op de volgende overweging van het bestreden besluit : VII-32.310-19/24 "Overwegende dat uit de vele klachten die in het verleden werden neergelegd bij de bevoegde toezichthoudende diensten, en de onderzoeken van deze klachten waarbij de klachten vaak gegrond werden geacht en processen- verbaal werden opgemaakt, blijkt dat het hier gaat om een industriële productie- eenheid die milieuhinder veroorzaakt voor de omwonenden"; dat evenwel het middel prima facie niet kan leiden tot de schorsing en nietigverklaring van de bestreden beslissing; dat, immers, benevens het bekritiseerde motief de bestreden beslissing steunt op een uitvoerige redengeving waarin de verschillende componenten waaruit de bestaande inrichting bestaat concreet getoetst worden aan de voorschriften inzake "integrale bouwkwaliteit" vastgelegd in het bijzonder plan van aanleg, en zoals weergegeven in het ongunstig advies dat de afdeling Stedenbouwkundige Vergunningen op 2 december 2003 heeft uitgebracht en in het eveneens ongunstig advies van de Gewestelijke Milieuvergunnings- commissie van 12 januari 2004; dat de verzoekende partij die motieven niet aanvecht; dat zij enkel stelt dat die motieven "geenszins als decisieve weigeringsgronden kunnen ingeroepen worden"; dat, evenwel, het argument dat de verzoekende partij daartoe aanbrengt, te weten dat van die voorschriften kan worden afgeweken met toepassing van artikel 49 van het Coördinatiedecreet, niet overtuigt; dat de mogelijkheid dat van die voorschriften wordt afgeweken bij het verlenen van de bouwvergunning immers nietszeggend is over het al dan niet decisief karakter van de in de bestreden uitspraak over een milieuvergunningsaanvraag opgegeven motieven; dat, prima facie, de verzoekende partij in de huidige stand van het geding niet aannemelijk maakt dat de toegepaste voorschriften inzake integrale bouwkwali- teit van het bijzonder plan van aanleg niet zouden gelden of minder dwingend zouden zijn wanneer haar inrichting niet zou moeten worden beschouwd als een belastende productie; dat het tweede middel niet ernstig is; 3.3.1. Overwegende dat de verzoekende partij als derde middel de schending aanvoert van de artikelen 43, §§ 6 tot 8, van het decreet betreffende de ruimtelijke ordening, gecoördineerd op 22 oktober 1996, en van het redelijkheidsbeginsel; dat zij betoogt dat de verwerende partij ten onrechte heeft geoordeeld dat de in voormelde artikelen vervatte afwijkingsregeling niet van toepassing is op de bepalingen van een bijzonder plan van aanleg maar enkel op deze van een ontwerp-gewestplan of gewestplan, dat, indien haar inrichting strijdig zou zijn met de voorschriften van het betrokken bijzonder plan van aanleg, er per definitie ook een strijdigheid dient te zijn met de voorschriften van het gewestplan en in die hypothese zou wel degelijk toepassing gemaakt kunnen worden van de artikelen 43, §§ 6 tot en met 8 van het coördinatiedecreet, dat bovendien de VII-32.310-20/24 bestreden beslissing ook manifest onredelijk is in de mate dat geen rekening werd gehouden met de termijn die nodig is om de inrichting te herlocaliseren; 3.3.2. Overwegende dat in haar de nota de verwerende partij het derde middel als volgt weerlegt : "2.3.a Artikel 43, §§ 6 tot en met 8 bepaalt : § 6. De gemachtigde ambtenaar kan, in een gunstig advies verleend overeenkomstig het decreet van 28 juni 1985 betreffende de milieuvergunning, afwijken van de bepalingen van een ontwerp-gewestplan of een gewestplan, op voorwaarde dat de ruimtelijke ordening niet wordt geschaad. Dit betekent onder meer dat de ruimtelijke draagkracht van het gebied niet wordt overschreden en dat de voorziene verweving van functies de aanwezige of te realiseren bestemmingen in de onmiddellijke omgeving niet in het gedrang brengt of verstoort. Het naleven van bovenvermelde voorwaarden moet blijken uit de motivering van het advies van de gemachtigde ambtenaar. (Wanneer de ruimtelijke ordening wordt geschaad kan de gemachtigde ambtenaar in zijn advies rekening houden met de termijn die er nodig is om de betrokken inrichting te herlocaliseren, met een maximum van 5 jaar.) § 7. De overheden die krachtens het decreet van 28 juni 1985 betreffende de milieuvergunning moeten beslissen over milieuvergunningsaanvragen kunnen bij het verlenen van de milieuvergunningen afwijken van de bepalingen van het ontwerp-gewestplan en het gewestplan op voorwaarde dat de goede ruimtelijke ordening niet wordt geschaad. Dit betekent onder meer dat de ruimtelijke draagkracht van het gebied niet wordt overschreden en dat de voorziene verweving van functies de aanwezige of te realiseren bestemmingen in de onmiddellijke omgeving niet in het gedrang brengt of verstoort. Het naleven van bovenvermelde voorwaarden moet blijken uit de motivering van de beslissing over de milieuvergunningsaanvraag. (Wanneer de ruimtelijke ordening wordt geschaad kunnen de overheden rekening houden met de termijn die er nodig is om de betrokken inrichting te herlocaliseren, met een maximum van 5 jaar.) § 8. Een in de paragrafen 6 of 7 bedoelde afwijking kan slechts onder de volgende voorwaarden worden verleend :
- a)het moet gaan om een inrichting waarvan de exploitatie geheel of ten dele niet overeenstemt met de bestemmingsvoorschriften van het ontwerp-gewestplan of gewestplan voor het gebied waarin de inrichting is gelegen, en
- b)(de milieuvergunningsaanvraag bedoeld in het voornoemde decreet van 28 juni 1985, moet betrekking hebben op gebouwen, constructies of installaties die uit oogpunt van ruimtelijke ordening hoofdzakelijk vergund zijn of geacht worden vergund te zijn, ook wat de functie betreft.) In tegenstelling tot hetgeen verzoekster voorhoudt kan van voormelde afwijkingsregeling voor BPA's geen gebruik gemaakt worden omdat deze bepalingen hierop niet van toepassing zijn. Bovendien wordt uitdrukkelijk vermeld dat het enkel (over) gewestplannen gaat of ontwerp-gewestplannen. Dat het enkel toepasselijk is voor gewestplannen of ontwerp- gewestplannen blijkt eveneens uit artikel 196 Decreet Vlaamse regering dd. 18.05.1999, waarin vermeld wordt dat §§ 6 tot en met 12 van toepassing zijn zolang een gewestplan van toepassing blijft. Mocht het bijgevolg ook van toepassing zijn voor BPA’s dan zou dit uitdrukkelijk vermeld worden, wat niet het geval is. VII-32.310-21/24 Aangaande het strijdig zijn van het BPA met het vigerende gewestplan verwijst verweerder naar zijn uiteenzetting van het eerste middel. Van een schending van voormelde §§ kan geen sprake zijn, zodat het eerste onderdeel van het derde middel niet ernstig is. 2.3.b Het redelijkheidsbeginsel werd door verweerster evenmin geschonden. Verzoekster werpt op dat er wel sprake van een schending is daar de Minister van voormelde afwijkingsmogelijkheden geen gebruik heeft gemaakt, minstens om haar een termijn toe te kennen nodig om haar exploitatie te kunnen herlocaliseren. Dit beginsel wordt geenszins miskend, daar de Minister tot de bestreden beslissing gekomen is, als een redelijk denkende overheidspersoon. Hij heeft de normen toegepast op een correcte en logische wijze. 'Wanneer een bestuurshandeling enerzijds rust op een niet doorslaggevend advies en anderzijds op een onjuiste rechtsopvatting betreffende een doorslaggevend element voor het beslissingsproces, is deze handeling behept met een gebrekkige motivering en schendt zij het redelijkheidsbeginsel'. De kwestieuze beslissing rust niet op een niet doorslaggevend advies, noch op een onjuiste rechtsopvatting (zie supra). 'Het redelijkheidsbeginsel beperkt discretionaire bevoegdheid enkel doordat het niet duldt dat hetgeen beslist is in kennelijke wanverhouding staat tot de feiten waarop het besliste is gebaseerd. Het redelijkheidsbeginsel staat de rechter niet toe dat oordeel over te doen maar enkel dat oordeel onwettig te bevinden wanneer het tegen alle redelijkheid ingaat, wanneer de door het bestuur geponeerde verhouding tussen beslissing en feiten in werkelijkheid volkomen ontbreekt, en er in werkelijkheid een kennelijke wanverhouding is'. Uit de nota van verweerder blijkt dat de bestreden beslissing geenszins ingaat tegen alle redelijkheid, van een wanverhouding is bovendien evenmin sprake ! 'De Raad van State kan een overheidsbeslissing slechts wegens schending van het redelijkheidsbeginsel vernietigen wanneer deze beslissing kennelijk onredelijk is, met andere woorden wanneer vaststaat dat geen enkele redelijke overheid in dezelfde omstandigheden een dergelijke beslissing zou nemen'. Tenslotte verwijst verweerder naar hetgeen zonet werd aangehaald betreffende de afwijkingsmogelijkheden, alsook naar het gegeven dat verzoekster reeds een termijn had van drie jaar om haar te kunnen herlocaliseren, waarvan ze geen gebruik heeft gemaakt, zodat zij nu moeilijk staande kan houden dat zij nu uitdrukkelijk om een termijn verzoekt en dat zij haar daaraan wel zal houden ?!"; 3.3.3. Overwegende dat luidens artikel 43, § 7, van het decreet betreffende de ruimtelijke ordening van 22 oktober 1996 onder bepaalde voorwaarden bij het verlenen van de milieuvergunning afgeweken kan worden van de "bepalingen van het ontwerp-gewestplan en het gewestplan"; dat een eenvoudige lezing van voormelde bepaling niet anders dan tot de conclusie kan leiden dat de VII-32.310-22/24 afwijkingsmogelijkheid enkel slaat op de bestemmingsvoorschriften van het ontwerp-gewestplan of gewestplan; dat in paragraaf 8 van artikel 43, waarin de voorwaarden worden bepaald waaronder de afwijking kan worden toegestaan, trouwens als eerste voorwaarde wordt gesteld dat "het moet gaan om een inrichting waarvan de exploitatie geheel of ten dele niet overeenstemt met de bestemmings- voorschriften van het ontwerp-gewestplan of gewestplan voor het gebied waarin de inrichting is gelegen"; dat bij gebreke aan een uitdrukkelijke tekst, de afwijkingsmogelijkheid waarin artikel 43, § 7, van het decreet betreffende de ruimtelijke ordening voorziet niet per analogie lijkt te kunnen worden uitgebreid naar alle plannen van aanleg; dat dienvolgens prima facie de verwerende partij ook niet kennelijk onredelijk heeft gehandeld door in casu de in artikel 43, § 7 voorziene afwijkingsregeling voor zone-vreemde bedrijven niet toe te passen; dat die vaststelling impliceert dat evenmin gebruik mocht worden gemaakt van de mogelijkheid om "wanneer de ruimtelijke ordening wordt geschaad" de milieuvergunning voor een beperkte herlocalisatietermijn te verlenen; dat immers de herlocalisatievergunning, bedoeld in artikel 43, § 7, van dat decreet, enkel verleend kan worden wanneer voldaan is aan de voorwaarden gesteld in paragraaf 8 van hetzelfde artikel; dat het derde middel niet ernstig is; 3.4. Overwegende dat derhalve aan de eerste voorwaarde gesteld door artikel 17, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State niet is voldaan; dat die vaststelling volstaat om de vordering tot schorsing af te wijzen, BESLUIT: Artikel 1. De vordering tot schorsing wordt verworpen. Artikel 2. De uitspraak over de bijdrage in de betaling van de kosten van de vordering tot schorsing wordt uitgesteld. VII-32.310-23/24 Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting van twintig januari tweeduizend en vijf, door : Mevr. M.-R. BRACKE, kamervoorzitter, Mevr. E. IMPENS, toegevoegd griffier. De griffier, De voorzitter, E. IMPENS. M.-R. BRACKE. VII-32.310-24/24 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.139.571 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div