id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 20 januari 2005 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.139.574 Rolnummer: A. 156282/VII-32899 Zaak: Arrest 139574 - - 20/01/2005 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2005-01-26 Raadplegingen: 58 - laatst gezien 2026-07-02 06:32 Fiche Arrest nr 139.574 van 20 januari 2005 - Beslissing : Verwerping Inwilliging tussenkomst Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 139.574 van 20 januari 2005 in de zaak A. 156.282/VII-32.
(1997)en het MER blijkt dat de site hydrogeolo- gisch gunstig gelegen is, gelet op de aanwezige laag slecht doorlatende Ieperiaanse klei van meer dan 100 meter dik; deze laag is van nature conform artikel 5.2.4.3.3 van Vlarem II; volgens de grondwaterkwetsbaarheidskaart is het grondwater weinig kwetsbaar; rond zone 5 zijn vier peilputten geplaatst en in het MER wordt geconcludeerd dat het om verschillende redenen onwaar- schijnlijk is dat de aanwezigheid van de stortplaats aan de basis zou liggen van de waargenomen verontreiniging van de grondwaterkwaliteit (overschrijdingen van de norm inzake natrium, kalium, magnesium, calcium, chloride en sulfaat); verontreiniging van het diepere grondwater wordt onwaarschijnlijk geacht omwille van de aanwezige dikke kleilaag; er is bovendien ook nog monitoring als voorwaarde opgelegd; VII-32.899-5/11 - het herstel en het voorkomen van bressen kan slechts verwezenlijkt worden door het opvullen van de put; nadien worden geen significante stabiliteitseffec- ten meer verwacht; - in het oostelijke gedeelte van de zone, zal na het herstellen van de bres, een groenscherm van vijf meter worden aangeplant; aan de noordzijde is een groenscherm van vijf meter niet mogelijk (toegangsweg), maar hier zal een groenscherm van een meter worden aangelegd, zoals opgelegd door de bestendige deputatie; 4.
- Overwegende dat de tussenkomende partij in haar verzoek tot tussenkomst in essentie als volgt repliceert : - de nadelen die verzoeker inroept zijn niet nauwkeurig, maar zeer vaag en bovendien ongeloofwaardig; - verzoeker woont in Roeselare op meer dan 20 km van de stortplaats zodat niet ingezien kan worden hoe hij last zou kunnen hebben van lawaai, verontreini- ging van water, lucht enz; - het is merkwaardig dat de raadsman van verzoeker, die in de zaak onder rolnummer 155.421 zelf verzoeker is en die veel dichter bij de site woont, in die zaak niet aanvoert dat hij last heeft van stof, stank en lawaai; het MER toont ook duidelijk aan dat deze hinder er niet is, en in de bestreden beslissing wordt het volgende gesteld : "dat het bedrijf voorzieningen heeft getroffen om te vermijden dat er zo weinig mogelijk vrachtwagens op de openbare weg moeten wachten vooraleer de deponie binnen te rijden. Dat er steeds een veegborstelmachine aanwezig is waardoor indien nodig de aan- en afvoerweg kan worden gereinigd en om stofhinder te voorkomen; dat dagelijks de interne wegen worden gereinigd; Dat volgens de gemeente Zonnebeke in het verleden af en toe klachten inzake geur geformuleerd werden; dat de klachten echter nooit éénduidig bevestigd of ontkend worden door onderzoeken; Dat gelet op een groot deel van de aan te voeren afvalstoffen (anorganisch en voor een deel inert of geïmmobiliseerd met cement en kalk) het risico op geurhinder beperkt zal zijn; dat anderzijds er ook specifieke afvalstoffen kunnen worden aangevoerd (voorbeeld anaërobe slibs, afval met solventen, ...) die wel geurhinder kunnen veroorzaken; Dat overeenkomstig art. 5.2.4.4.
- van titel II van Vlarem om stof- en geurhinder te voorkomen iedere stortlaag moet worden afgedekt met een laag tussenafdek van tenminste 0,2m dikte; dat alle gestorte afvalstoffen op het einde van de werkdag moeten worden afgedekt met een tussenafdek van tenminste 0,2 meter; dat specifieke afvalstoffen met een belangrijke geuremissie onmiddellijk moeten worden afgedekt (indien nodig met geurabsorberende materialen); Dat gelet op enerzijds het feit dat er in de nabije omgeving weinig woningen voorkomen en er in het verleden niet éénduidig kon worden vastgesteld dat de VII-32.899-6/11 geuremissies en de luchtemissies bij de exploitatie hinder veroorzaakten en anderzijds de aard van de aan te voeren afvalstoffen, het risico op geurhinder tot een aanvaardbaar niveau kan worden beperkt mits naleving van de voorwaarden; Dat uit metingen en berekeningen is gebleken dat de exploitatie van de stortplaats geen aanleiding zal geven tot overschrijdingen van de geluidsnormen van titel II van het Vlarem; Dat er geen aanvoer van afvalstoffen gebeurt vóór 7 uur en niet na 19 uur; dat er niet wordt gewerkt op zon- en feestdagen"; - geen enkele buurtbewoner heeft in het verleden ooit gezondheidsklachten geuit, laat staan dat er daadwerkelijk significante gezondheidseffecten zouden zijn vastgesteld; - een waardevermindering van het perceel is niet bewezen, en is bovendien een louter financieel nadeel dat niet moeilijk te herstellen is; - het enige nadeel dat verzoeker enigszins toelicht is het beweerd nadeel van grond- en waterverontreiniging; verzoeker legt terzake evenwel geen enkel stavingsstuk neer zodat zijn beweringen niet verifieerbaar zijn; de bestreden beslissing daarentegen is genuanceerd op deze problematiek ingegaan en concludeert als volgt dat de exploitatie mens-toxicologisch verantwoord is : "Dat er zowel een hydrogeologische studie is uitgevoerd (januari 1997) als een MER waar de effecten op bodem-, grond- en oppervlaktewater uitvoerig worden geanalyseerd en geëvalueerd (...); Dat de site hydrologisch gunstig gelegen is; dat onder de kwartaire laag (leem en zand) met een dikte van 2 à 5 m een laag slecht doorlatende Ieperiaan- se klei gelegen is met een dikte van meer dan 100 m; dat er dient opgemerkt dat in het Ieperiaan Lid van Aalbeke diverse breuken in de klei voorkomen; dat aan de hand van de ontstaanshypothese van de breuken geconcludeerd wordt dat er een grote kans bestaat dat het onderste gedeelte van de kleilaag niet verstoord werd bij de breukvorming en dat de kleilaag in zijn geheel hoogstwaarschijnlijk als ondoorlatend kan worden beschouwd (pagina 45 MER) (...) Dat de doorlatenheidscoëfficiënt van klei kleiner is dan 1.10-9 m/s; dat bijgevolg de homogene slecht doorlatende laag als afsluitlaag, conform artikel 5.2.4.3.3 van titel II van het Vlarem, van nature aanwezig is; Dat volgens de grondwaterkwetsbaarheidskaart het grondwater ter hoogte van het gebied gekarakteriseerd wordt als zijnde weinig kwetsbaar; Dat er in totaal 17 peilputten zijn geplaatst, waarvan 4 peilputten rond zone 5; dat uit de analyseresultaten van het grondwater blijkt dat er overschrij- dingen van de maximaal toelaatbare concentratie werden waargenomen voor de concentraties aan natrium, kalium, magnesium, calcium, chloride en sulfaat; dat voor wat betreft de concentraties aan zware metalen wordt vastgesteld dat de parameters zink, lood, cadmium, mangaan, chroom en nikkel hetzij verhoogde waarden vertonen, hetzij waarden vertonen beneden de detectie- grens; dat de evolutie van de concentratie aan verontreinigde parameters geen stijgende trend vertoont; Dat met betrekking tot de bodemkwaliteit sporadisch overschrijdingen van de achtergrondwaarde worden waargenomen voor verscheidene zware metalen, EOX en PAK's; VII-32.899-7/11 Dat in het MER wordt geconcludeerd (pag 35) dat omwille van verschillende redenen het onwaarschijnlijk is dat de aanwezigheid van de stortplaats aan de basis ligt van de waargenomen verontreiniging van de grondwaterkwaliteit; Dat een verontreiniging van het diepere grondwater door lekkage niet verwacht wordt wegens de aanwezigheid van het circa 100 m dikke kleipakket (pag 147 van het MER); Dat in 1999 er een oriënterend bodemonderzoek is uitgevoerd; dat de conclusie luidt als volgt : ten die gedurende de voorbije jaren werden bekomen bij de regelmatige controles van het grondwater is gebleken dat het nikkelgehalte in het grondwater ter plaatse van peilbuis 7 aan sterke schommelingen onderhe- vig is; dat de verontreiniging met zink een veel voorkomend verschijnsel is in Vlaanderen en deels te wijten is aan een natuurlijk fenomeen, processen en deels aan diffuse verontreiniging; dat de vastgestelde verontreiniging met nikkel en zink zoals die werd waargenomen in het grondwater ter plaatse van peilbuis 7 dan ook geen ernstige aanwijzing is voor een ernstige bedreiging en vereist dus geen beschrijvend bodemon- derzoek'"; - verontreiniging van de bodem in zone 5 is uitgesloten vermits de ganse stortzone wordt ingepakt in folie, ook op de bodem; tevens is er een controle- drainage om lekken te detecteren; verwezen wordt naar het advies van OVAM en naar het standpunt van het voormalig afdelingshoofd van de administratie Natuurlijke Rijkdommen en Energie, waaruit blijkt dat de stortlocatie te Zonnebeke tot de meest veilige locaties in het Vlaamse Gewest behoort; - inzake het beweerd reeds onwettig gestort gevaarlijk afval (165.000 m³) dat door de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing zal ingeklemd worden, repliceert de tussenkomende partij vooreerst met de nuancering dat deze "onwettige" toestand slechts het gevolg is van het intrekken van de bouwver- gunning waardoor vier jaar na de toekenning van de milieuvergunning deze is komen te vervallen, hetgeen geresulteerd heeft in een sluitingsbevel waartegen de annulatieprocedure nog steeds hangende is; bovendien houdt het standpunt inzake de "inklemming" geen steek : een voorheen aangevraagde vergunning om te storten naast het gestorte gevaarlijk afval werd geweigerd juist omdat het onverantwoord geacht werd dat een bestaand ingericht gedeelte nog niet volledig benut en afgewerkt was; om de impact naar de omgeving zo minimaal mogelijk te houden werd geoordeeld dat de reeds aangesneden stortvlakken prioritair dienden afgewerkt te worden; uit het onderzoek van OVAM toen is gebleken dat het storten van de gevaarlijke afvalstoffen steeds gebeurde op een gecontroleerde en milieuverantwoorde manier volgens de toen geldende regelgeving en dat niets een afgraving van deze afvalstoffen verantwoordde; subsidiair voegt de tussenkomende partij er nog aan toe dat indien de aanwezigheid van 165.000 m³ gevaarlijk afval als ernstig nadeel zou bestem- VII-32.899-8/11 peld kunnen worden, dit nadeel niet rechtstreeks uit de bestreden beslissing voortvloeit; - inzake de permanente insijpeling en oppomping van sterk chemisch verontrei- nigd water wijst de tussenkomende partij er op dat het percolaat opgevangen wordt in een percolaatdrainagesysteem dat waarborgt dat alle percolaat wordt afgevoerd; in de motivering van de bestreden beslissing wordt dienaangaande het volgende gesteld : "dat het gevormde percolaat (circa 10.000 à 15.000 m³ per jaar) via het percolaatdrainagenetwerk overgepompt wordt naar de percolaatverzameltanks die zijn ingekuipt; dat het percolaat wordt verwijderd naar een vergunde behandelingsinstallatie; dat er bijgevolg geen percolaat wordt geloosd"; 4.
- Overwegende, vooreerst, dat de tussenkomende partij terecht opmerkt dat verzoeker, nijveraar op rust, woonachtig is in Roeselare, dat gelegen is op meer dan 20 km van de in het geding zijnde stortplaats van Zonnebeke; dat verzoeker wel stelt eigenaar te zijn van een hoeve in de Hazeweidestraat en een aantal percelen gelegen op enkele honderden meters van de stortplaats, doch nalaat in zijn verzoekschrift te verduidelijken hoe hij die eigendommen aanwendt; dat geen rekening kan worden gehouden met verduidelijkingen die pas ter zitting worden verstrekt; dat redelijkerwijze moet worden aangenomen dat de hoofdverblijfplaats van iemand de plaats van zijn domicilie is; dat daaraan geen afbreuk doet de bewering van verzoeker dat hij in de hoeve renovatiewerken aan het uitvoeren is; dat hij dan ook niet aannemelijk maakt ernstige stof-, stank - of geluidshinder te ondervinden van de exploitatie te Zonnebeke, te meer daar hij die hinder poneert zonder enige verdere verduidelijking; dat de aangevoerde waardevermindering van de percelen een financieel nadeel uitmaakt dat niet moeilijk te herstellen is; dat verzoeker verwijst naar een aantal studies waaruit zou moeten blijken dat de ligging van de stortplaats binnen het oppervlaktewaterwinningsgebied van de Blankaart problematisch is daar er geen homogene massieve kleilaag aanwezig zou zijn met als gevaar verontreiniging van het grond- en oppervlaktewater; dat evenwel verzoeker nalaat die studies neer te leggen; dat, daarentegen, uit de bestreden beslissing en het administratief dossier blijkt dat de terzake bevoegde instanties, waarin toch deskundigen zetelen, van oordeel waren dat de locatie te Zonnebeke omwille van de aanwezigheid van een kleilaag van meer dan 100 meter dikte uitermate geschikt is voor de exploitatie van de stortplaats en dat deze kleilaag ervoor zorgt dat de door artikel 5.2.4.3.
- van Vlarem II opgelegde voorschriften inzake "doorlatendheid" van nature gerespecteerd worden; dat verzoeker met zijn betoog niet aantoont dat de kleilaag onvoldoende waarborgen zou bieden; dat VII-32.899-9/11 verzoeker evenmin enig bewijs aanbrengt van zijn bewering dat chemisch sterk verontreinigd water wordt opgepompt; dat, integendeel, uit de bestreden beslissing blijkt dat de exploitatie onderworpen is aan o.m. de voorwaarden van artikel 5.2.
- van Vlarem II, waarin o.m. het aanbrengen van een percolaatdrainagesysteem wordt voorgeschreven; dat in de motivering van de bestreden beslissing de werkwijze inzake opvang en afvoer van percolaat als volgt wordt verduidelijkt : "dat het gevormde percolaat (circa 10.000 à 15.000 m³/jaar) via het percolaat- drainagenetwerk overgepompt wordt naar de percolaatverzameltanks, die zijn ingekuipt; dat het percolaat wordt verwijderd naar een vergunde behandelings- installatie; dat er bijgevolg geen percolaat wordt geloosd"; dat, voorts, verzoeker er ten onrechte van uitgaat dat het louter feit dat industrieel afval gedurende tien jaar wordt gestort per definitie een moeilijk te herstellen ernstig nadeel veroorzaakt; dat daarmee niet in concreto wordt aangetoond dat de hinder niet binnen een aanvaardbaar niveau zou blijven; dat dit des te meer klemt nu enkel het storten van niet gevaarlijk afval werd vergund; dat, ten slotte, verzoeker eveneens in gebreke blijft aan te tonen dat het een noodzaak is het in het verleden gestort gevaarlijk afval te verwijderen en dat het eventueel niet kunnen verwijderen van dat afval een ernstig nadeel vormt; dat in de huidige stand van de procedure kan worden verwezen naar het advies van de OVAM van 22 januari 2004, waarin conform de milieuvergunning van 11 september 1997 -die later ingevolge de intrekking van de bouwvergunning prima facie als vervallen werd beschouwd-, wordt vastgesteld : "de berging van de afvalstoffen in zone 5 steeds gebeurde op een gecontroleer- de en milieuverantwoorde manier volgens de toen geldende regelgeving" en waarin op de beroepschriften als volgt wordt gerepliceerd : "(...) dat de OVAM de 165.000 m³ (op milieuverantwoorde wijze) gestorte afvalstoffen logischerwijze in beschouwing heeft genomen om zo een realistische beoordeling te maken op basis van feitelijke gegevens en milieuhygiënische argumenten; dat er vanuit milieustandpunt, volgens OVAM, geen enkele reden bestaat om de reeds gestorte afvalstoffen (ambtshalve) af te graven, vermits de betreffende stortzone werd ingericht en uitgebaat rekening houdend met de vigerende regelgeving, voorwaarden en acceptatiecriteria; dat de OVAM vanuit milieuhygiënisch en milieutechnisch standpunt geen bezwaar heeft tegen de verdere uitbating van de stortplaats bovenop de gestorte afvalstoffen"; dat gelet op dit duidelijk advies van de OVAM, die inzake afvalstoffen redelijkerwijze mag worden beschouwd als de deskundige bij uitstek, en dat inhoudelijk niet in concreto door verzoeker wordt weerlegd, prima facie niet kan VII-32.899-10/11 worden aangenomen dat de inklemming van het reeds gestorte afval een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen; 4.
- Overwegende dat derhalve aan de tweede voorwaarde gesteld door artikel 17, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State niet is voldaan; dat die vaststelling volstaat om de vordering tot schorsing te verwerpen, zonder dat uitspraak moet worden gedaan over de door de tussenkomende partij opgeworpen exceptie van onontvankelijkheid van de vordering tot schorsing, BESLUIT: Artikel
- Het verzoek tot tussenkomst van de n.v. INAFZO in het administratief kort geding wordt ingewilligd. Artikel
- De vordering tot schorsing wordt verworpen. Artikel
- De uitspraak over de bijdrage in de betaling van de kosten van de vordering tot schorsing wordt uitgesteld. De kosten van de tussenkomst, bepaald op 125 euro, komen ten laste van de tussenkomende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op twintig januari tweeduizend en vijf, door : Mevr. M.-R. BRACKE, kamervoorzitter, Mevr. E. IMPENS, toegevoegd griffier. De griffier, De voorzitter, E. IMPENS. M.-R. BRACKE. VII-32.899-11/11 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.139.574 Gerelateerde publicatie(s) gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.175.362 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div