id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 20 januari 2005 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.139.578 Rolnummer: A. 79857/VII-17029 Zaak: Arrest 139578 - - 20/01/2005 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2005-01-31 Raadplegingen: 55 - laatst gezien 2026-07-02 06:35 Fiche Arrest nr 139.578 van 20 januari 2005 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 139.578 van 20 januari 2005 in de zaak A. 79.857/VII-17.029. In zake : Wim DE MAREZ, die woonplaats kiest bij advocaat D. LINDEMANS, kantoor houdende te BRUSSEL, Keizerslaan 3 tegen : het Rijksinstituut voor Ziekte- en Invaliditeitsverzekering (RIZIV). --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, VIIe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat Wim DE MAREZ op 18 augustus 1998 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van de beslissing van 1 juli 1998 van de Commissie van beroep, ingesteld bij de Dienst voor geneeskundige controle van het Rijksinstituut voor Ziekte- en Invaliditeitsverzekering, waarbij aan de verzekeringsinstellingen het verbod wordt opgelegd tegemoet te komen in de kosten van geneeskundige verstrekkingen die door hem over een tijdvak van drie maanden zullen worden verleend; Gezien de regelmatig gewisselde memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door Eerste Auditeur R. VANDER ELSTRAETEN; Gelet op de beschikking van 11 september 2000 die de neerleg- ging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan de partijen en gezien de laatste memorie van de verzoeker; Gelet op de beschikking van 30 september 2004 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 28 oktober 2004; VII-17.029-1/13 Gehoord het verslag van Staatsraad R. STEVENS; Gehoord de opmerkingen van advocaat F. JUDO die, loco advocaat D. LINDEMANS verschijnt voor de verzoeker, en van Adjunct-adviseur F. NASSEN, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van Eerste Auditeur- wnd. afdelingshoofd R. VANDER ELSTRAETEN; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; 1. Feitelijke gegevens Overwegende dat de feitelijke gegevens van de zaak, als volgt kunnen worden samengevat : 1.1. De verzoeker, apotheker-klinisch bioloog, is van 1 oktober 1991 tot 30 september 1993 als isotopist werkzaam in Labo Waasland te Meerdonk. Op 1 oktober 1993 start hij een laboratorium te Lokeren, waar wordt gewerkt in onderaanneming van Labo Bruyland te Kortrijk, Labo Aalst te Aalst en Labo L.K.O.-L.M.C. te Sint-Truiden. De facturatie gebeurt in Labo Waasland te Meerdonk. Het labo is door de minister van sociale zaken niet erkend. 1.2. Naar aanleiding van een aanvraag bij het Instituut voor Hygiëne en Epidemiologie tot erkenning van het nieuwe labo te Lokeren, wordt een onderzoek gestart. 1.3. Na kennisname van de resultaten van het onderzoek beslist het Comité van de Dienst voor geneeskundige controle op 27 juni 1997 de verzoeker naar de Beperkte kamer te verwijzen. VII-17.029-2/13 1.4. Op basis van het samengesteld dossier worden apotheker-klinisch bioloog Wim DE MAREZ volgende inbreuken op de Z.I.V.-reglementering ten laste gelegd : "Het als onderaannemer mogelijk te hebben gemaakt ambulante prestaties klinische biologie ten onrechte in rekening te laten brengen door de doorsturen- de laboratoria Bruyland, Aalst en L.K.O.-L.M.C. De onderaanneming gebeurde op een locatie te Lokeren, niet erkend door de Minister van Sociale Zaken als laboratorium voor klinische biologie. Die prestaties werden bovendien ten onrechte geattesteerd op naam en adres van Labo WAASLAND te Meerdonk, alwaar zij in werkelijkheid niet werden uitgevoerd". 1.5. Met een beslissing van 17 december 1997 legt de Beperkte kamer de verzekeringsinstellingen het verbod op tegemoet te komen in de kosten van de geneeskundige verstrekkingen welke door de verzoeker zullen worden verleend over een periode van tien maanden. Deze beslissing rust op de volgende motivering : "(...) Uit het dossier blijkt overduidelijk dat comparant via de onderaanneming prestaties heeft laten factureren die in werkelijkheid in een niet door de Minister van Sociale Zaken als labo erkende locatie werden uitgevoerd, doch werden opgegeven alsof ze in een erkend labo werden verricht. De Beperkte Kamer kan enkel kennis nemen van de inbreuken van de prestaties van de verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringsver- zekering op het vlak van de realiteit en conformiteit met de voorschriften van de gecoördineerde wet van 14 juli 1994 en haar uitvoeringsbesluiten. De appreciatie van de al dan niet correcte naleving van de regelgevende bepalingen met betrekking tot de Volksgezondheid behoort niet tot de specifieke bevoegdheid van de Dienst voor geneeskundige controle van het RIZIV en derhalve ook niet van de Beperkte Kamer van het Comité van de Dienst voor geneeskundige controle. Het begrip activiteitencentrum waar de heer DE MAREZ regelmatig naar verwijst en waarop hij zich steunt, is een begrip dat in de normerende bepalingen nopens de geneeskundige verzorging en uitkeringen niet gekend is en derhalve in dit dossier niet kan aangewend worden. Apotheker-klinisch bioloog DE MAREZ heeft het mogelijk gemaakt als onderaannemer prestaties klinische biologie ten onrechte in rekening te laten brengen, vermits de onderaanneming gebeurde op een niet erkende locatie en de prestaties geattesteerd werden op naam van een labo waar ze niet werden uitgevoerd, voor een bedrag van 11.863.211 F. Dat een dergelijk bedrag geen schade zou uitmaken, getuigt volgens de Beperkte Kamer van een complete miskenning van de beginselen die aan de basis liggen van het stelsel van de geneeskundige verzorging en uitkeringen. Immers naast het persoonlijk aandeel van de verzekerde wordt lastens het stelsel van de geneeskundige verzorging eveneens bijgedragen in de honorering van de onderscheiden akten via financiële middelen die ter beschikking worden gesteld door de overheid. De Beperkte Kamer is bovendien van mening dat hoewel apotheker-klinisch bioloog DE MAREZ misschien geen rechtstreeks voordeel heeft gehaald uit de aanrekening van prestaties - door middel van zijn handtekening - en waarom- trent de Beperkte Kamer zich hier niet uitspreekt, toch niet kan ontkend worden VII-17.029-3/13 dat apotheker DE MAREZ baat had bij een onterechte aanrekening van prestaties. De aangehouden feiten maken een inbreuk uit op de artikelen 3, 18, § 2, B en 24 van de bijlage bij het Koninklijk besluit van 14 september 1984 tot vaststelling van de nomenclatuur van de geneeskundige verstrekkingen op de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen gecoördineerd op 14 juli 1994, op het Koninklijk besluit van 28 april 1993 houdende erkenningscriteria in hoofde van laboratoria voor klinische biologie, bedoeld in artikel 153, § 6 eerste lid, 3/, van de wet van 9 augustus 1963 tot instelling en organisatie van een regeling voor verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen (thans de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen gecoördineerd op 14 juli 1994), op het Koninklijk besluit van 24 september 1992 tot vaststelling van nadere regelen betreffende de forfaitaire honoraria voor sommige verstrekkingen inzake klinische biologie, verleend aan niet in een ziekenhuis opgenomen rechthebbenden, alsmede de onderaanneming van deze verstrekkingen, en op artikel 153 tricies bis van het Koninklijk besluit van 4 november 1963 tot uitvoering van de wet van 9 augustus 1963 tot instelling en organisatie van een regeling voor verplichte ziekte- en invaliditeitsverzeke- ring, thans artikel 155 van het Koninklijk besluit van 3 juli 1996 tot uitvoering van de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen gecoördineerd op 14 juli 1994. Dienvolgens kan er aanleiding bestaan tot het opleggen van een sanctiemaat- regel. De Beperkte Kamer overwegende : - het niet geringe bedrag van de ten onrechte in rekening gebrachte prestaties, - dat de reglementering inzake de geneeskundige verzorging en uitkeringen strikt dient toegepast, - dat met medewerking van apotheker-klinisch bioloog DE MAREZ een systeem werd opgezet voor de aanrekening van prestaties dat een complete miskenning inhoudt van de beginselen, die aan de basis liggen van het stelsel van de geneeskundige verzorging en uitkeringen, - dat een dergelijke handelwijze de correcte werking van het stelsel van de geneeskundige verzorging en uitkeringen ernstig in gedrang kan brengen, acht een strenge sanctiemaatregel aangewezen". 1.6. Op 24 februari 1998 tekent de verzoeker tegen deze beslissing hoger beroep aan bij de Commissie van beroep. 1.7. Met een aangetekende brief wordt hij opgeroepen om op 12 mei 1998 voor de Commissie van beroep te verschijnen. Op deze zitting wordt de verzoeker, bijgestaan door zijn raadslieden, gehoord. Door zijn raadslieden worden een nota en enkele stukken neergelegd. 1.8. Op 1 juli 1998 neemt de Commissie van beroep de thans bestreden beslissing waarbij het hoger beroep ontvankelijk en deels gegrond wordt verklaard, de beslissing van 17 december 1997 van de Beperkte kamer wordt vernietigd en, opnieuw beslissend, de verzekeringsinstellingen wordt verboden tegemoet te komen VII-17.029-4/13 in de kosten van de geneeskundige verstrekkingen die door apotheker-klinisch bioloog Wim DE MAREZ over een tijdvak van drie maanden zullen worden verleend. Deze beslissing is o.m. als volgt gemotiveerd : "(...) Luidens artikel l53, § 6 van de wet van 9 augustus 1963 tot instelling en organisatie van een regeling voor verplichte ziekte- en invaliditeitsverzekering, zoals dit artikel van toepassing was tijdens de periode van tenlastelegging van 1 oktober 1993 tot 31 maart 1994, kan de Koning, voor verstrekkingen van klinische biologie, zoals zij door Hem worden omschreven, de verzekeringste- gemoetkoming afhankelijk stellen van de voorwaarde dat die verstrekkingen worden uitgevoerd in laboratoria die : 1/ overeenkomstig de terzake geldende bepalingen van de wet van 23 december 1963 op de ziekenhuizen, en haar uitvoeringsbesluiten werden geïnstalleerd en geëxploiteerd; 2/ door de Minister die de Volksgezondheid onder zijn bevoegdheid heeft, volgens een procedure die door de Koning is bepaald, erkend zijn op grond van technische criteria en criteria inzake kwaliteitscontrole en rekening houdend met de bepalingen van het koninklijk besluit nr. 143 van 30 december 1982 tot vaststelling van de voorwaarden waaraan de laboratoria moeten voldoen voor de tegemoetkoming van de ziekteverzeke- ring voor verstrekkingen van klinische biologie; 3/ door de Minister die de Sociale Zaken onder zijn bevoegdheid heeft, zijn erkend op grond van door de Koning bepaalde criteria die inzonderheid betrekking kunnen hebben op kwaliteitscontrole en financiering. Bij het vaststellen van de sub 2 en 3 bedoelde criteria kan ondermeer rekening worden gehouden met het type van laboratorium evenals met de omvang van de activiteiten van het laboratorium en van het ziekenhuis, waar het laboratorium is gevestigd. Ambulante prestaties voor klinische biologie, zoals die omschreven worden in artikel 3, §1, A, II B en C.I., artikel 18, § 2, B,
- e)en artikel 24 van de Bijlage aan het Koninklijk Besluit van 14 september 1984 tot vaststelling van de nomenclatuur van de geneeskundige verstrekkingen inzake verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, zijn slechts aanrekenbaar bij de ziekteverzekering voor zover zij zijn uitgevoerd in een erkend laboratorium volgens het bovenvermeld artikel 153, § 6 van de wet van 9 augustus 1963, namelijk een erkenning zowel door de Minister van Volksge- zondheid (K.B. van 29 mei 1989, gewijzigd door K.B. van 12 november 1993), als door de Minister van Sociale Zaken (K.B. van 28 april 1993) Er wordt thans niet betwist dat het laboratorium te Lokeren, Sterrestraat 107 (BVBA Labo Biomedische ana1yse L.B.A.) - per 1 oktober 1993 opgestart - weliswaar erkend werd door het Ministerie van Volksgezondheid om R.I.A.- onderzoeken uit te voeren doch geen RIZIV-erkenning bekwam vanwege het Ministerie van Sociale Zaken. Evenmin wordt ontkend dat de ambulante prestaties klinische biologie (analyses met radio-isotopen) werden doorgestuurd door de laboratoria BRUYLAND KORTRIJK, AALST en L.K.O. -L.M.C. naar het LABO WAASLAND te Meerdonk alwaar ze werden geattesteerd, terwijl ze in werkelijkheid in onderaanneming werden uitgevoerd door het LABO L.B.A. te Lokeren. De ZIV-wetgeving, en meer bepaald artikel 34quaterdecies, eerste lid van de wet van 9 augustus 1963 geeft de volgende definitie van ge verstrekkingen die in onderaanneming verstrekt worden' : de verstrekkingen VII-17.029-5/13 die aanleiding geven tot een tegemoetkoming van de verplichte ziekte- en invaliditeitsverzekering waarvan de uitvoering, die is toevertrouwd aan de zorgenverstrekker, dienst of inrichting, daarin begrepen de laboratoria voor klinische biologie, wordt overgedragen aan een andere zorgenverstrekker, dienst of inrichting, daarin begrepen de laboratoria voor klinische biologie. Bij de overdracht van de verstrekkingen inzake de klinische biologie door de doorsturende laboratoria BRUYLAND KORTRIJK, AALST en L.K.O. - L.M.C. te Sint-Truiden naar het LABO WAASLAND te Meerdonk, het laboratorium in onderaanneming, worden in feite twee wederkerige contracten afgesloten. Enerzijds verzoekt de apotheker-klinisch bioloog van het doorsturende laboratorium, om de laboratoriumanalyses in onderaanneming uit te voeren, en anderzijds geeft het laboratorium dat de verstrekkingen inzake klinische biologie in onderaanneming heeft uitgevoerd een schriftelijke lastgeving aan het doorsturende laboratorium om de prestaties inzake klinische biologie aan te rekenen, zoals overigens bepaald in artikel 9ter, § 10 van het Koninklijk Besluit van 24 december 1963 houdende verordening op de geneeskundige verstrekkingen inzake de verplichte ziekteverzekering, aan het doorsturende laboratorium om de prestaties inzake klinische biologie aan te rekenen. Inderdaad, de ondertekening van het linkerluik van het AB.-document door de verantwoordelijke apotheker - klinisch bioloog van de onderscheiden labo's BRUYLAND KORTRIJK, AALST en L.K.O.- L.M.C. houdt in dat hij de schriftelijke lastgeving heeft aanvaard, terwijl de ondertekening van het rechterluik van genoemd document door de verantwoordelijke van het laboratorium in onderaanneming, in casu LABO WAASLAND te Meerdonk, inhoudt dat deze beschikte over de schriftelijke lastgeving waarbij volmacht wordt verleend aan de verantwoordelijke van het doorsturende laboratorium om, onder zijn handtekening de door hem verleende prestatie aan te rekenen aan de ziekte- en invaliditeitsverzekering. Het ondertekenen en het dateren van het A.B.-document, met bovenaan de vermelding te Lokeren. Derhalve zijn alle A.B- documenten ondertekend door appellant in de periode van tenlastelegging van 1 oktober 1993 tot 31 maart 1994 tegenstrijdig met zijn eigen verklaring dat de verstrekking inzake klinische biologie in onderaanneming werden uitgevoerd door het Labo L.B.A. te Lokeren. Vastgesteld wordt dat appellant voor de periode 1 oktober 1993 tot 31 maart 1994 alle interne documenten (A.B. documenten) ondertekend heeft voor de RIA's en de serologie die in het Labo te Lokeren werden uitgevoerd. Door het verwerven van het ZIV-erkenningsnummer is appellant als apotheker- klinisch bioloog immers medewerker van het Rijksinstituut voor ziekte- en invaliditeit geworden. Door zijn bereidheid tot medewerking aan de ziekte- en invaliditeitsverzeke- ring gaat hij meteen de verbintenis aan niets te doen dat de goede werking van die dienst kan schaden. Luidens artikel 139 van de gecoördineerde wet van 14 juli 1994 heeft de Dienst voor geneeskundige controle van het R.I.Z.I.V. tot taak de prestaties van de verzekering voor geneeskundige verzorging en de uitkeringsverzekering te controleren op het vlak van realiteit en conformiteit met de voorschriften van deze gecoördineerde wet en haar uitvoeringsbesluiten. Appellant ontkent niet dat er sinds 1 oktober 1993 geen activiteit meer was in het LABO WAASLAND te Meerdonk, dat er nooit een officiële erkenning geweest is van het labo LOKEREN als activiteitencentrum van LABO VII-17.029-6/13 WAASLAND en dat hij uitsluitend alle interne documenten van oktober 1993 tot en met maart 1994 ondertekende, dus alle A.B. documenten voor de drie doorsturende labo's (Aalst, Kortrijk en Sint-Truiden) . Voor dezelfde periode en voor dezelfde drie labo’s werd hij als verstrekker vermeld voor de RIA' s en de serologie verricht in Lokeren (zie processen-verbaal van 28 april 1994 en 29 juni 1994). Aldus werd aan apotheker klinisch bioloog Wim DE MAREZ terecht de inbreuk op de wets- en verordeningsbepalingen betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen ten laste gelegd en verklaart de Commissie van Beroep, evenals de Beperkte Kamer trouwens, deze tenlastelegging als bewezen. BETREFFENDE DE SANCTIEMAATREGEL De Commissie van Beroep is van oordeel dat de tenlastelegging, zoals weerhouden door de Beperkte Kamer in haar beslissing van 17 december 1997, bewezen is en een inbreuk uitmaakt op artikel 34quaterdecies, eerste lid en artikel 153, §6, eerste lid, 3/ van de wet van 9 augustus 1963 tot instelling en organisatie van een regeling voor verplichte ziekte- en invaliditeitsverzekering; op de artikelen 3, § 1, A, II, B en CI, 18, §2, B,
- e)en 24, §1 van de Bijlage bij het Koninklijk Besluit van 14 september 1984 tot vaststelling van de nomencla- tuur van de geneeskundige verstrekkingen inzake verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen; op het Koninklijk Besluit van 28 april 1993 houdende erkenningscriteria in hoofde van laboratoria voor klinische biologie bedoeld in artikel 153, §6. eerste lid, 3/ van de wet van 9 augustus 1963 tot instelling en organisatie van een regeling voor verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen; op artikel 3 van het Koninklijk Besluit van 24 september 1992 tot vaststelling van nadere regelen betreffende de forfaitaire honoraria voor sommige verstrekkingen inzake klinische biologie, verleend aan niet in een ziekenhuis opgenomen rechthebbenden, alsmede de onderaanneming van deze verstrekkingen; op artikel l53tricies, bis van het Koninklijk Besluit van 4 november 1963 tot uitvoering van de wet van 9 augustus 1963 tot instelling en organisatie van een regeling voor verplichte ziekte- en invaliditeitsverzekering, en op artikel 9ter, §10 van het Koninklijk Besluit van 24 december 1963 houdende verordening op de geneeskundige verstrekkingen inzake de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, zodat er aanleiding is de verzekeringsinstellingen te verbieden tegemoet te komen in de kosten van de geneeskundige verstrekkingen die door appellant, apotheker-klinisch bioloog Wim DE MAREZ zullen worden verleend. In artikel 156 van de gecoördineerde wet van 14 juli 1994 waaruit de Beperkte Kamer en de Commissie van Beroep hun bevoegdheden putten om maatregelen van verbod aan de verzekeringsinstellingen tegemoet te komen in de kosten van de geneeskundige verstrekkingen uit te spreken, is bepaald dat die gingen. Appellant heeft een inbreuk gepleegd op de wets- en verordeningsbepalingen van de ziekte- en invaliditeitswetgeving alleen door het verrichten van de materiële handeling van het ondertekenen van A.B.- documenten die niet overeenstemden met de werkelijkheid, en dit onafhankelijk van zijn bedoeling terzake. Een bedrieglijk inzicht is immers geenszins vereist. Ten onrechte stelt appellant dat de administratieve sanctie hem door de Beperkte Kamer opgelegd bij beslissing van 17 december 1997 een straf is in de zin van artikel 6, §1 E.V.R.M. en artikel 17 B.U.P.O. Het Comité van de Dienst voor geneeskundige controle is ermee belast om, met de medewerking van het personeel van die dienst, de geneeskundige controle te verrichten op de verstrekkingen van de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen. VII-17.029-7/13 Datzelfde Comité is overeenkomstig artikel 141, § l, 9/ en § 2, eerste lid van de gecoördineerde ZIV-wet van 14 juli 1994 ermee belast de vaststellingen gedaan ten laste van de verstrekkers tegen wie de in artikel 156 bedoelde De gevolgde administratieve procedure die thans ten laste van appellant wordt gelegd, is geen tucht- en geen strafvervolging en kan gevoerd worden onverminderd eventuele strafrechtelijke - en tuchtvervolging (artikel 156 gecoördineerde wet van 14 juli 1994). De opgelegde sanctie is van administra- tieve en niet van tuchtrechtelijke noch van strafrechtelijke aard. Het verbod opgelegd door de Beperkte Kamer en door de Commissie van Beroep aan de verzekeringsinstellingen om tegemoet te komen in de kosten van de geneeskundige verstrekkingen wanneer ze worden verleend door een zorgverlener die de wets- en verordeningsbepalingen betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen niet heeft nageleefd, is een ordemaatregel met het doel de goede werking van het R.I.Z.I.V. te verzekeren. Die maatregel vindt zijn grondslag in de verstoring van de goede werking van het R.I.Z.I.V. door een bepaalde gedraging van een medewerker aan de dienst. Hij beoogt eventueel onrechtmatig verworven voordelen teniet te doen en wordt opgelegd voor tekortkomingen of onjuistheden welke, los van elk bedrieglijk opzet of oogmerk om te schaden, aan de zorgverlener worden verweten. Van zodra een dergelijk opzet of oogmerk bestaat, zijn er immers strafrechtelijke vervolgingen voorzien. Het naast elkaar bestaan van administratieve sancties en strafsancties houdt derhalve geen discriminatie in en schendt het gelijkheidsbeginsel niet. Evenmin kan er te dezen sprake zijn van schending van het strafrechtelijk legaliteitsbe- ginsel. Door het opleggen van de sanctiemaatregel van artikel 156 van de gecoördi- neerde wet van 14 juli 1994 impliceert dit niet dat er in hoofde van appellant een feitelijk beroepsverbod zou bestaan. Bedoelde sanctiemaatregel belet appellant niet om zijn vrij beroep van apotheker- klinisch bioloog uit te oefenen tijdens het tijdvak waarin een verbod werd opgelegd aan de verzekeringsinstellingen om tegemoet te komen in de kosten van de geneeskundige verstrekkingen. Genoemd verbod stelt de vrije uitoefening van de beroepsactiviteit van appellant zelfs niet in vraag. De Commissie van Beroep bevindt dat voornoemd verbod opgelegd aan de verzekeringsinstellingen ongetwijfeld een onrechtstreekse weerslag heeft op de tegemoetkomingen inzake klinische biologie die de verzekerden kunnen genieten overeenkomstig de wets- en verordeningsbepalingen betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen. Een dergelijk gevolg kan evenwel niet omschreven worden als een rechtstreekse weerslag op de burgerlijke rechten en verplichtingen van een persoon de een vrij beroep uitoefent als bedoeld in de rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens, zodat in casu geen toepassing kan worden gemaakt van artikel 6, §1 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, gesloten te Rome op 4 november 1950 en van artikel 14 van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten, gesloten te New-York op 19 december 1966. Bij het bepalen van de hoegrootheid van de sanctiemaatregel is de Commis- sie van Beroep van mening dat rekening moet gehouden worden met de lichtzinnigheid waarmee appellant documenten attesteerde in strijd met de realiteit en de conformiteit met de voorschriften van de wets- en verordenings- bepalingen inzake ziekte- en invaliditeitsverzekering, maar ook met de complexiteit van de nomenclatuurbepalingen bij nieuwe structurele legistieke aanpak inzake ambulante klinische biologie. VII-17.029-8/13 De door appellant ingeroepen goede trouw of de afwezigheid van enig bedrieglijk opzet of fraude kan enkel in aanmerking genomen worden als verzachtende omstandigheid. De goede trouw dient echter wel door appellant zelf bewezen te worden en kan dus niet worden vermoed. Het komt de Commissie van Beroep voor dat de door de Beperkte Kamer opgelegde sanctiemaatregel enigszins te zwaar is ten aanzien van de inbreuk op de strikte en dwingende bepalingen inzake de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, zodat redelijkerwijze een tijdvak van drie maanden verbod een meer passende en voorbeeldige sanctiemaatregel is en in juiste verhouding staat tot de bewezen inbreuk"; 2. Ten gronde 2.1. Eerste middel 2.1.1. Standpunten van de partijen Overwegende dat het eerste middel in het verzoekschrift als volgt wordt geformuleerd : "Eerste middel, genomen uit de schending van artikel 6, § 1 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens en van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, doordat, eerste onderdeel, de Commissie van Beroep haar oordeel heeft laten steunen op 'het advies van de dokters Bresseleers, Dujardin en Van Stechelman, vertegenwoordigers der verzekeringsinstellingen en de apothekers Broechoven, Lagrain en Van Loo, vertegenwoordigers van de representatieve organisaties van het apothekerskorps', zonder dat van dit advies vooraf kennis werd gegeven aan de verzoeker, en zonder dat hij daarop heeft kunnen antwoorden of daaromtrent stelling nemen, terwijl, nu de procedure een burgerlijk recht in de zin van het voormeld artikel 6, § 1 EVRM betreft, de verzoeker ook het recht moest worden gegeven om van dit advies kennis te nemen en daarop desgevallend te antwoorden, en doordat, tweede onderdeel, de Commissie van Beroep heeft geoordeeld dat de getroffen sanctie, waaromtrent zij in hoger beroep uitspraak moet doen 'ongetwijfeld een onrechtstreekse weerslag heeft op de tegemoetkomingen inzake klinische biologie ...', maar dat 'een dergelijk gevolg (...) evenwel niet (kan) omschreven worden als een rechtstreekse weerslag op de burgerlijke rechten en verplichtingen van een persoon die een vrij beroep uitoefent als bedoeld in de rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens, zodat in casu geen toepassing kan worden gemaakt van artikel 6, § 1 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de funda- mentele vrijheden, gesloten te Rome op 4 november 1950 en van artikel 14 van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten, gesloten te New-York op 19 december 1966', terwijl de procedure tot het opleggen van een tijdelijk verbod tot tegemoet- koming in de kosten van geneeskundige verstrekkingen door een zorgverstrek- ker, in hoofde van die zorgverstrekker een geschil is omtrent een burgerlijk recht in de zin van artikel 6"; VII-17.029-9/13 Overwegende dat de verwerende partij, m.b.t. het eerste onderdeel, betwist dat het "advies" gegeven door de leden van de Commissie van beroep met raadgevende stem, vooraf aan de verzoeker moest worden medegedeeld; dat zij ook het tweede onderdeel betwist; 2.1.2. Bespreking 2.1.2.1. Overwegende, wat het eerste onderdeel betreft, dat de verzoeker de toelichting ervan "meent (...) te mogen beperken tot een verwijzing naar de rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens, en met name de arresten VERMEULEN t/ België, van 20 februari 1996 (...) ; VAN ORSHOVEN t/ België, van 25 juni 1997 (...); J.J.T. t/ Nederland, 27 maart 1998 (nog niet gepubliceerd)"; Overwegende dat aldus op geen enkele wijze wordt geargumen- teerd waarom "de procedure een burgerlijk recht in de zin van ... art. 6, § 1, E.V.R.M. betreft", en evenmin wordt uiteengezet hoe uit de rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens zou kunnen worden afgeleid dat het in het middel bedoelde ?advies" vooraf ter kennis van de verzoeker moest worden gebracht, en dat deze daarop moest kunnen antwoorden of daaromtrent stelling nemen ; dat het niet aan de Raad van State toekomt zelf in de plaats van de verzoeker de vermelde rechtspraak te analyseren, en te onderzoeken of daaruit al dan niet zou kunnen worden afgeleid dat de procedure die tot de thans bestreden beslissing heeft geleid een burgerlijk recht betreft, en of en hoe die rechtspraak zou kunnen betrokken worden op het in het middelonderdeel bedoelde "advies"; dat de verzoeker de bedoelde toelichting niet meer voor het eerst in latere procedurestuk- ken kan verschaffen; dat het middelonderdeel niet kan worden aangenomen; 2.1.2.2. Overwegende, wat het tweede onderdeel van het middel betreft, dat dit de bestreden beslissing verwijt ten onrechte te hebben gesteld dat het geschil geen burgerlijk recht betreft; dat dit middelonderdeel evenwel niet aangeeft welke voor de verzoeker grievende gevolgen deze beweerde onwettigheid teweeg brengt; dat in het eerste onderdeel van het middel wel werd aangevoerd dat daaruit voortvloeit dat het aldaar bedoelde advies vooraf aan de verzoeker moest worden ter kennis gebracht zodat deze daar kon op reageren; dat bij de bespreking van dat onderdeel evenwel is gebleken dat niet wordt geargumenteerd waarom, zelfs indien het geschil een burgerlijk recht zou betreffen, die verplichting daaruit zou voortvloeien; dat de verzoeker geen belang heeft bij het tweede onderdeel van het VII-17.029-10/13 middel ; dat dan ook niet moet worden ingegaan op de toelichting bij dit onderdeel, waarin enerzijds gepoogd wordt aan te tonen dat het geschil een burgerlijk recht betreft, en anderzijds dat de opgelegde administratieve sanctie een straf zou zijn in de zin van artikel 6, § 1, van het E.V.R.M.; dat ook het tweede onderdeel bijgevolg niet kan worden aangenomen; 2.2. Tweede middel 2.2.1. Standpunten van de partijen Overwegende dat het tweede middel in het verzoekschrift als volgt is geformuleerd : "Tweede middel, genomen uit de schending van het legaliteitsbeginsel, zoals onder meer vastgelegd in artikel 7 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens, en van de motiveringsverplichting, doordat de verzoeker wordt gestraft wegens 'inbreuk op de wets- en verordeningsbepalingen betreffende de verplichte verzekering voor geneeskun- dige verzorging en uitkeringen' zonder te preciseren met welke handelingen hij welke wets- of verordeningsbepaling heeft geschonden, terwijl het legaliteitsbeginsel c.q. de motiveringsverplichting meebrengt dat de overheid zowel wanneer zij een administratieve beslissing neemt als wanneer zij als jurisdictioneel college uitspraak doet, op afdoende wijze preciseert welke de handelingen zijn die grondslag geven aan de straf, en op grond van welke bepalingen, en doordat blijkens de motivering van de bestreden beslissing de verzoeker ook (mede) gestraft wordt wegens 'Het ondertekenen en het dateren van het A.B.-document, met bovenaan de vermelding 'Labo Waasland B.V.B.A.-9170 Meerdonk' en onderaan de vermelding 'Hierbij bevestig ik dat de hierboven vermelde gegevens stroken met de werkelijkheid' is duidelijk in tegenspraak met het daadwerkelijk uitvoeren van de verstrekkingen inzake klinische biologie in het LABO L.B.A. te Lokeren. Derhalve zijn alle A.B-documenten ondertekend door appellant in de periode van tenlastelegging van 1 oktober 1993 tot 31 maart 1994 tegenstrijdig met zijn eigen verklaring dat de verstrekking inzake klinische biologie in onderaanneming werden uitgevoerd door het labo L.B.A. te Lokeren', terwijl dit feit niet vermeld was in de betichting die de grondslag heeft gevormd voor de vervolging die tot de straf heeft geleid"; Overwegende dat de verwerende partij in haar memorie van antwoord onder meer repliceert dat uit de overwegingen van de bestreden beslissing duidelijk blijkt met welke handelingen de verzoeker welke wets- en verordeningsbe- palingen heeft geschonden; VII-17.029-11/13 2.2.2. Bespreking 2.2.2.1. Overwegende, wat het eerste onderdeel betreft, dat uit de lezing van de hierboven weergegeven motivering van de bestreden beslissing blijkt dat die beslissing wel degelijk specifieert welke wets- en verordeningsbepalingen zij door de verzoeker geschonden acht, en door welke handelingen, zodat het middel, waar het stelt dat de ingeroepen normen geschonden zijn "doordat de verzoeker ... wordt gestraft ... zonder te preciseren met welke handelingen hij welke wets- of verorde- ningsbepaling heeft geschonden", feitelijke grondslag mist, en niet kan worden aangenomen; 2.2.2.2. Overwegende, wat het tweede onderdeel betreft, dat uit de in de feitenuiteenzetting weergegeven tenlastelegging blijkt dat, zoals de verzoeker in zijn toelichting bij het onderdeel stelt, hij er inderdaad werd van beticht dat hij het mogelijk heeft gemaakt ambulante prestaties van klinische biologie ten onrechte in rekening te laten brengen door andere laboratoria; dat evenwel uit die tenlasteleg- ging evenzeer blijkt dat aan de verzoeker werd verweten dat hij dit mogelijk maakte doordat hij ambulante prestaties klinische biologie heeft uitgevoerd in een door de minister van sociale zaken niet erkend laboratorium te Lokeren, en deze ten onrechte heeft geattesteerd op naam van een laboratorium waar deze prestaties in werkelijk- heid niet waren uitgevoerd (het Labo Waasland te Meerdonk); dat hetgeen de bestreden beslissing vermeldt als reden van de sanctionering dus wel degelijk in de tenlastelegging begrepen was; dat hieruit moet worden besloten dat ook dit onderdeel feitelijke grondslag mist, en niet kan worden aangenomen; 2.2.2.3. Overwegende, wat de beide onderdelen betreft, dat niet moet worden ingegaan op de ?toelichting" bij het middel in de mate daarin een reeks beschouwingen worden ontwikkeld die geen uitstaans hebben met het middel zoals het is geformuleerd, en, om dezelfde redenen, op de memorie van wederantwoord en de laatste memorie, VII-17.029-12/13 BESLUIT: Artikel 1. Het beroep wordt verworpen. Artikel 2. De kosten van het beroep, bepaald op 173,53 euro, komen ten laste van de verzoeker. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op twintig januari tweeduizend en vijf, door de VIIe kamer, die was samengesteld uit : Mevr. M.-R. BRACKE, kamervoorzitter, de HH. R. STEVENS, staatsraad, E. BREWAEYS, staatsraad, Mevr. A. WIJNANTS, griffier. De griffier, De voorzitter, A. WIJNANTS. M.-R. BRACKE. VII-17.029-13/13 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.139.578 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div