id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 20 januari 2005 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.139.590 Rolnummer: A. 159332/XIV-21634 Zaak: Arrest 139590 - - 20/01/2005 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2005-01-24 Raadplegingen: 58 - laatst gezien 2026-07-02 06:37 Fiche Arrest nr 139.590 van 20 januari 2005 - Beslissing : Bevolen Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 139.590 van 20 januari
- in de zaak A. 159.332/XIV-21.
- In zake : XXX die verblijft in Transitcentrum 127 te M. tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door :
- de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de steetlozen
- de minister van Binnenlandse Zaken. ----------------------------------------------------------------------------------------------------------------- DE Wnd. VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat, XXX van XXX nationaliteit, op 20 januari 2005 heeft ingediend om bij uiterst dringende noodzakelijkheid de schorsing van de tenuitvoerlegging te vorderen van de beslissing van de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen van 14 januari 2005 tot bevestiging van de beslissing van de minister van Binnenlandse Zaken van 4 januari 2005 tot weigering van toegang tot het grondgebied met terugdrijving, aan de verzoekende partij ter kennis gebracht op 17 januari 2005; Gelet op de beschikking van 14 januari 2005 waarbij aan de verzoekende partij het voordeel van de kosteloze rechtspleging wordt verleend; Gelet op de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, inzonderheid op de artikelen 17 en 18; Gezien de nota's van de verwerende partijen; Gelet op de beschikking van 20 januari 2005 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 20 januari 2005 om 18 uur; Gehoord het verslag van staatsraad C. ADAMS; Gehoord de opmerkingen van advocaat K. DE SAEDELEER, die verschijnt voor de verzoekende partij, van adjunct-adviseur G. DESNYDER, die verschijnt voor de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en van advocaat J. HENDRIX, die loco advocaat E. MATTERNE verschijnt voor de minister van Binnenlandse Zaken; XIV-21.634-1/6 Gehoord het eensluidend advies van auditeur J. CLEMENT; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; Overwegende dat krachtens artikel 17, §§ 1 en 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State slechts tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid van de tenuitvoerlegging kan worden besloten onder de drievoudige voorwaarde dat er uiterst dringende noodzakelijkheid voorhanden is, dat ernstige middelen worden aangevoerd die de vernietiging van de aangevochten akte of verordening kunnen verantwoorden en dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de bestreden akte of verordening een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen;
- Overwegende dat de verzoekende partij op de luchthaven van Zaventem aankomt op 28 december 2004 en zich op 29 december 2004 vluchteling verklaart; dat op 4 januari 2005 de minister van Binnenlandse zaken beslist tot weigering van toegang met bevel tot terugdrijving; dat op 14 januari 2005 de commissaris-generaal deze beslissing bevestigt; dat dit de thans bestreden beslissing is, die op 17 januari 2005 aan de verzoekende partij ter kennis is gebracht; Overwegende dat het motiverend gedeelte van de bestreden beslissing als volgt luidt: “(...) Er moet in dringend beroep (DB) door het commissariaat-generaal (CGVS) worden vastgesteld dat u niet aannemelijk hebt ge maakt uw land van herkomst te hebben verlaten uit een gegronde vrees voor vervolging zoals begrepen onder de Conventie van Genève en wel om volgende redenen. U verklaarde in XXX problemen te hebben gehad met XXX staatsburgers van XXX origine. U verklaarde door hen fysiek en verbaal te zijn aangevallen, zo bijvoorbeeld het bekogelen met stenen of sneeuwballen, het betast worden op openbare plaatsen, uitgescholden worden en achtervolgd worden. Uit informatie waarover het commissariaat-generaal beschikt en waarvan een kopie aan het dossier is toegevoegd blijkt er geen vervolging van etnische aard in hoofde van de R. minderheid te bestaan. De oorzaak van de problemen voor de R. minderheid in XXX zijn grotendeels van sociaal-economische aard. U verklaarde bovendien dat u geen klacht ging indienen bij de politie, omdat de daders u onbekend waren en het in dit geval geen zin had om klacht in te dienen. Volgens uw verklaringen zou de klacht toch nooit aanvaard worden. De reden die u aanhaalde om geen klacht in te dienen, valt echter niet onder een van de criteria bepaald in de Vluchtelingenconventie. Bovendien blijkt uit informatie waarover het commissariaat-generaal beschikt en waarvan een kopie aan het dossier is toegevoegd dat bescherming van de kant van de politie geen verband houdt met het toebehoren tot een bepaalde etnische origine, maar eerder te maken heeft met de werking van de politiediensten zelf. De politiediensten van XXX zijn immers weinig betrouwbaar en corrupt. U verklaarde bovendien dat u op 28 april 2004 het bezoek kreeg van drie mannen, onder wie een gekleed in een politieuniform. Er moet echter worden opgemerkt dat uit uw verhoor niet blijkt dat u zou weten om welke reden deze agenten bij u thuis geweest zijn. U kan enkel zeggen dat ze naar uw zussen gevraagd hebben en dat ze om uw paspoort gevraagd hebben XIV-21.634-2/6 en ernaar gezocht hebben (gehoorverslag CGVS, pp. 3-4). Omdat ze naar uw zussen vroegen, dacht u dat het iets te maken moest hebben met de problemen van uw zussen (gehoorverslag CGVS, p. 12). Bovendien blijkt uit uw verklaringen dat de politie naar uw paspoort vroeg omdat ze u wilde uitschrijven uit uw vorig adres. Ze zouden immers van mening zijn dat u het andere appartement niet langer nodig had, aangezien u in L. woonde (gehoorverslag CGVS, pp. 4-5). Dit is weliswaar een heel vervelend voorval maar kan niet beschouwd worden als een daad van vervolging door de XXX autoriteiten. Aangezien u verklaarde het meeste problemen te hebben ondervonden met de XXX staatsburgers van XXX origine die u pestten en u het bezoek van de politie als de laatste druppel beschouwde (gehoorverslag CGVS, p. 13), kan uit bovenstaande opmerkingen worden geconcludeerd dat u geen ernstige vrees voor vervolging ten opzichte van de XXX autoriteiten zou dienen te koesteren. Uw paspoort en uw vliegtuigticket tonen uw identiteit en uw reisweg aan, maar zijn niet van die aard dat ze bovenstaande opmerkingen in positieve zin kunnen wijzigen. Ze voegen immers geen nieuwe elementen aan uw asielrelaas toe. C. CONCLUSIE Op basis van de elementen uit uw dossier, bevestig ik de beslissing van de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse zaken waarbij u de toegang tot het grondgebied werd geweigerd. Steunend op artkel 52 van de vreemdelingenwet meen ik dat uw asielaanvraag kennelijk ongegrond is. Ik meen bovendien dat u in de huidige omstandigheden mag worden teruggeleid naar de grens van het land dat u ontvlucht bent, en waar volgens uw verklaring, uw leven, uw fysieke integriteit of uw vrijheid in gevaar zou verkeren.” 2.
- Overwegende dat krachtens artikel 17, §§ 1 en 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State slechts tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid van de tenuitvoerlegging kan worden besloten onder de drievoudige voorwaarde dat er uiterst dringende noodzakelijkheid voorhanden is, dat ernstige middelen worden aangevoerd die de vernietiging van de aangevochten akte of verordening kunnen verantwoorden en dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de bestreden akte of verordening een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen; 2.1.
- Overwegende, wat de tweede voorwaarde betreft, dat de verzoekende partij in een enig middel de schending opwerpt van de artikelen 52 en 62 van wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen (Vreemdelingenwet), van de artikelen 1 tot 4 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen, van artikel 149 van de Grondwet en van artikel 1, A, 2) van het internationaal verdrag betreffende de status van vluchtelingen, ondertekend te Genève op 28 juli 1951 (Vluchtelingenconventie); dat zij in essentie aanvoert dat de motivering van de bestreden beslissing niet met de werkelijkheid overeenstemt, dat een gegronde vrees voor vervolging in plaats van een effectieve vervolging volstaat voor de erkenning als vluchteling in de zin van de Vluchteling- enconventie, dat een langdurige en voortdurende discriminatie het gevoel kan geven dat het onmogelijk is nog langer in een land te blijven, dat de verzoekende partij omwille van haar XIV-21.634-3/6 nationaliteit, minstens haar R. afkomst, het slachtoffer van discriminatie en vergrijpen door XXX personen is geweest, dat het feitenrelaas van de verzoekende partij niet wordt betwist doch dat de oorzaak van haar problemen als “grotendeels van sociaal-economische aard” wordt bestempeld, dat volgens artikel 1, A, 2) van de Vluchtelingenconventie het behoren tot een bepaalde sociale groep en het niet kunnen inroepen van de bescherming van het land in aanmerking moeten worden genomen, dat in de bestreden beslissing wordt aangegeven dat de R. minderheid door haar hogere opleiding en financiële mogelijkheden nijd en discriminatie vanwege de gewone XXX opwekt en dat de politiediensten weinig betrouwbaar en corrupt zijn, dat de mensenrechtensituatie in XXX zorgwekkend is, hetgeen blijkt uit rapporten van Amnesty International en Human Rights Watch, dat de commissaris-generaal moet nagaan of de asielaanvraag niet kennelijk ongegrond is doch de vluchtmotieven ten gronde moet onderzoeken, dat, alhoewel niet aan het vluchtrelaas wordt getwijfeld, in de bestreden beslissing op grond van “informatie waarover het Commissariaat-generaal beschikt” wordt geoordeeld dat er geen ernstige vrees voor vervolging in de zin van de Vluchtelingenconventie is, dat geen kopie van deze informatie is meegedeeld, dat de verzoekende partij wordt vastgehouden, dat de bestreden beslissing stijlformules bevat en niet kan volstaan met de verwijzing naar artikel 52 van de Vreemdelingenwet zonder uitdrukkelijke verwijzing naar de betreffende criteria en dat er wel degelijk een gegronde vrees voor vervolging in de zin van de Vluchtelingenconventie bestaat; 2.1.
- Overwegende dat uit de lezing van het middel blijkt dat de verzoekende partij de motieven van de bestreden beslissing kent en deze motieven inhoudelijk aanvecht als zijnde “niet conform (...) aan de werkelijkheid”; dat de verzoekende partij aldus ook de schending van de materiële motiveringsplicht opwerpt en dat het middel vanuit dat standpunt wordt onderzocht; dat het bij de beoordeling van de materiële motiveringsplicht niet tot de bevoegdheid van de Raad van State behoort zijn beoordeling van de gegrondheid van het dringend beroep in de plaats te stellen van die van de administratieve overheid; dat de Raad van State in de uitoefening van zijn wettelijk toezicht enkel bevoegd is na te gaan of deze overheid bij de beoordeling van het dringend beroep is uitgegaan van de juiste feitelijke gegevens, of zij die correct heeft beoordeeld en of zij op grond daarvan niet in onredelijkheid tot haar besluit is kunnen komen; Overwegende dat het asielrelaas van de verzoekende partij in de bestreden beslissing niet als dusdanig wordt betwist, doch dat op algemene wijze naar informatie van het commissariaat-generaal wordt verwezen om te stellen dat de oorzaak van de problemen van de R. minderheid in XXX, waartoe de verzoekende partij behoort, “grotendeels” van sociaal-economische aard zijn en dat een gebrek aan bescherming door de politie geen verband houdt met het behoren tot een bepaalde etnische groep doch “eerder” te maken heeft met de werking van de politiediensten zelf, die “weinig betrouwbaar en corrupt” worden genoemd; dat in de “update info over de R. minderheid in XXX” van 14 januari 2005, waarvan zich een kopie in het administratief dossier bevindt en die de informatie blijkt te XIV-21.634-4/6 vormen waarnaar in de bestreden beslissing wordt verwezen, uitdrukkelijk wordt vermeld: “Foltering en mishandeling bij politiediensten blijkt systematisch voor te komen in XXX, maar onder de slachtoffers zou een oververtegenwoordiging zijn van etnische minderheden (vooral Roma), asielzoekers en immigranten”; dat de vaststelling in de bestreden beslissing als zou een gebrekkige bescherming door de politie in XXX losstaan van het behoren tot een bepaalde etnische groep prima facie in strijd is met de inhoud van het betreffende rapport; dat de motivering wat dat betreft prima facie feitelijk onjuist is; dat de algemene vaststelling dat de problemen van de R. minderheid “grotendeels” van sociaal-economische aard zijn prima facie inhoudt dat dit niet altijd het geval is; dat, louter op grond van dergelijke algemene vaststelling, zonder dat verder op het asielrelaas zelf wordt ingegaan en nu blijkt dat de overwegingen betreffende de werking van de politiediensten niet overeenstemmen met de eigen informatie van het commissariaat-generaal, prima facie in de huidige zaak niet in redelijkheid kon worden besloten tot de kennelijke ongegrondheid van de asielaanvraag; dat het middel in die mate ernstig is; 2.
- Overwegende, wat de eerste en de derde voorwaarde betreft, dat de verzoekende partij vermeldt dat zij van haar vrijheid is beroofd en wordt vastgehouden in het Transitcentrum 127 in M., dat zij ingeschreven staat om op 20 januari 2005 te worden teruggeleid naar de grens van het ontvluchte land, dat zij aan ernstige gevaren zal worden blootgesteld bij terugkeer naar het land van herkomst en dat zij de aldaar ondergane gebeurtenissen uiteenzet; dat de verzoekende partij voldoende in concreto de uiterst dringende noodzakelijkheid en de dreiging van een moeilijk te herstellen ernstig nadeel, veroorzaakt door de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing, aannemelijk maakt;
- Overwegende dat bijgevolg is voldaan aan de drie cumulatieve voorwaarden van voornoemd artikel 17, §§ 1 en 2 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, BESLUIT: Artikel
- Bevolen wordt de schorsing van de tenuitvoerlegging van de beslissing van de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen van 14 januari 2005 tot bevestiging van de beslissing van de minister van Binnenlandse Zaken van 4 januari 2005 tot weigering van toegang tot het grondgebied met terugdrijving. Artikel
- XIV-21.634-5/6 De kosten van het beroep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verwerende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op twintig januari tweeduizend en vijf, door : de HH. C. ADAMS, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, M. MILOJKOWIC, griffier. De griffier, De voorzitter, M. MILOJKOWIC. C. ADAMS. XIV-21.634-6/6 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.139.590 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.