id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 24 januari 2005 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.139.640 Rolnummer: A. 159098/IX-4762 Zaak: Arrest 139640 - - 24/01/2005 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2005-01-31 Raadplegingen: 56 - laatst gezien 2026-07-02 06:41 Fiche Arrest nr 139.640 van 24 januari 2005 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 139.640 van 24 januari 2005 in de zaak A. 159.098/IX-
- In zake : Koenraad DEPREYTERE, die woonplaats kiest bij advocaat J.-B. PETITAT, kantoor houdende te SINT-KRUIS (BRUGGE), Sportstraat 49 tegen : de Politiezone VLAS (KORTRIJK/KUURNE/LENDELEDE), die woonplaats kiest bij advocaat B. STAELENS, kantoor houdende te BRUGGE, Canadesen Hof, Bevrijdingslaan 4, bus
- --------------------------------------------------------------------------------------------------- DE Wnd. VOORZITTER VAN DE IXe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat Koenraad DEPREYTERE op 12 januari 2005 heeft ingediend om bij uiterst dringende noodzakelijkheid de schorsing te vorderen van de tenuitvoerlegging van het besluit van 30 december 2004 van het politiecollege van de politiezone KORTRIJK/KUURNE/ LENDELEDE (verkort : de zone VLAS) waarbij hij met ingang van 1 januari 2005 met behoud van wedde voor de duur van twee maanden voorlopig geschorst wordt; Gezien de nota van de verwerende partij; Gelet op de beschikking van 13 januari 2005 waarbij de terecht- zitting bepaald wordt op 18 januari 2005, om 14.00 uur; Gehoord het verslag van staatsraad A. VANDENDRIESSCHE; Gehoord de opmerkingen van advocaat D. PEETERS, die loco advocaat J.-B. PETITAT verschijnt voor verzoeker, en van advocaat B. STAELENS, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van auditeur H. COLIN; IX-4762-1/5 Gelet op de artikelen 17 en 18 en titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
- Overwegende dat de Raad van State met zijn arrest nr. 137.414 van 22 november 2004 de schorsing bevolen heeft van het besluit van 23 april 2004, genomen door het politiecollege van de zone VLAS, waarbij aan verzoeker, met ingang van 30 april 2004, de tuchtstraf van het ontslag van ambtswege wordt opgelegd; dat dit arrest op 30 november 2004 ter kennis van de verwerende partij is gebracht; dat het politiecollege op 22 december 2004 aan verzoeker medegedeeld heeft dat het besloten heeft zijn besluit van 23 april 2004 in te trekken, de tuchtprocedure gedeeltelijk te hernemen -met name vanaf de 12 maart 2004 gedagtekende intentiebeslissing om af te wijken van het advies van de tuchtraad- en het voorstel te formuleren om verzoeker van ambtswege te ontslaan; dat met dezelfde brief aan verzoeker ook medegedeeld is dat het politiecollege zich voornam verzoeker in het kader van de lopende tuchtprocedure voorlopig te schorsen vanaf 1 januari 2005 en dat hij in dat kader opgeroepen werd naar een hoorzitting op 30 december 2004; dat verzoeker op 29 december 2004 aan het politiecollege medegedeeld heeft dat hij niet op de hoorzitting zou verschijnen; dat het politie- college dan op 30 december 2004, met het thans bestreden besluit, verzoeker voorlopig geschorst heeft voor de duur van twee maanden, ingaande op 1 januari 2005, en met behoud van wedde; dat het besluit verwijst naar het hernemen van de tuchtprocedure tegen verzoeker “vanaf de intentienota van 12 maart 2004 om van het advies van de tuchtraad af te wijken”, naar het feit dat verzoeker op 12 maart 2004 preventief geschorst was en naar de omstandigheden die volgens het politiecollege rechtvaardigen dat de aanwezigheid van verzoeker in de dienst gedurende de afhandeling van de tuchtprocedure niet geduld kan worden;
- Overwegende dat overeenkomstig artikel 17, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State slechts tot de schorsing van de tenuitvoerlegging bij uiterst dringende noodzakelijkheid kan worden besloten onder de drievoudige voorwaarde dat ernstige middelen worden aangevoerd die de vernietiging van de aangevochten beslissing kunnen verantwoorden, dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de beslissing een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen en dat de zaak hoogdringend is; IX-4762-2/5
- Overwegende, wat de voorwaarde van het moeilijk te herstellen ernstig nadeel betreft, dat verzoeker verwijst naar een materieel en een moreel nadeel; 3.
- Overwegende dat niet wordt ingezien op welke wijze de onmiddellijke tenuitvoerlegging van een preventieve schorsing waarbij de betrokkene zijn volledige wedde behoudt, een materieel nadeel kan veroorzaken; dat verzoeker te dien aanzien wel opmerkt dat de verwerende partij nalaat om zijn wedde vanaf 1 december 2004 uit te betalen en dat hij ook geen werkloosheids- uitkering kan genieten, maar dat de financiële nood waarin hij als gevolg van eventuele initiatieven van de verwerende partij kan belanden -en waaromtrent verzoeker niet het minste bewijs overlegt- niet het rechtstreeks gevolg is van het bestreden besluit en dat verzoeker terzake overigens over een vorderingsrecht bij de gewone rechtbanken beschikt; 3.
- Overwegende, wat het moreel nadeel betreft, dat niet uit het oog verloren mag worden dat de bestreden beslissing een ordemaatregel van beperkte duur is, die weliswaar getroffen is in het kader van een lopende tuchtvordering, maar die per definitie gericht is op de goede werking van de dienst en aldus geen uitspraak inhoudt over de schuld van verzoeker, hetgeen verzoeker overigens ook niet voorhoudt; dat het nadeel dat door een dergelijk besluit mogelijk veroorzaakt wordt dan ook niet van die aard is dat het niet goedgemaakt wordt door een later komend vernietigingsarrest; dat het bijgevolg aan de verzoeker behoort om aan te tonen dat hij zich in een uitzonderingspositie bevindt doordat het nadeel dat hij aanvoert buiten het gewone valt; dat uit de ongestructureerde uiteenzetting in het verzoekschrift de volgende aspecten worden gedistilleerd; 3.2.
- Overwegende dat verzoeker betoogt dat hij, als gevolg van het arrest van 22 november 2004 waarbij de beslissing van 23 april 2004 houdende zijn ambtshalve ontslag geschorst is, opnieuw in het politiekorps geïntegreerd kon worden, dat hij met toestemming van de korpschef vakantieverlof genomen heeft tot 1 januari 2005, dat daarmee bij hemzelf en in zijn omgeving het verwachtings- patroon was gecreëerd dat hij vanaf 1 januari 2005 opnieuw zijn werkzaamheden als inspecteur van politie zou kunnen hervatten, maar dat dit verwachtingspatroon door het bestreden besluit de kop ingedrukt is; dat verzoeker daarmee evenwel niet verwijst naar een nadeel dat buiten het gewone valt; IX-4762-3/5 3.2.
- Overwegende dat verzoeker ook betoogt dat hij, in geval het bestreden besluit niet geschorst wordt, dagelijks en dat voor de duur van twee maanden, er de gevolgen van zal ondervinden, zonder dat de klok nadien nog zal kunnen worden teruggedraaid; dat, in acht genomen het feit dat het bestreden besluit geen ander gevolg heeft dan dat verzoeker niet mag gaan werken, verzoeker ook daarmee geen buiten het gewone vallend nadeel aanvoert; 3.3.
- Overwegende dat verzoeker ook nog verwijst naar het feit dat hij twee keer wordt geschorst voor dezelfde feiten, dat de wettelijk voorgeschreven termijn overschreden is, dat hij teruggeplaatst wordt in de toestand waarin hij zich bevond op 12 maart 2004 terwijl de tijd niet zomaar kan worden teruggedraaid en dat de beslissing ten onrechte verwijst naar de onmogelijkheid om met verzoeker samen te werken, terwijl het bestuur aanvaardt dat hij vanaf 1 mei 2004 opnieuw deel uitmaakt van het politiekorps; dat hij daarmee wettigheidsbezwaren aanbrengt tegen het bestreden besluit; dat, nu artikel 17 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State van het bestaan van ernstige middelen en van een moeilijk te herstellen ernstig nadeel twee afzonderlijke voorwaarden heeft gemaakt opdat een beslissing geschorst zou kunnen worden, het ernstig karakter van de middelen niet betrokken mag worden bij de beoordeling van het bestaan van een moeilijk te herstellen ernstig nadeel; dat verzoeker in ieder geval niet aantoont dat er in dit geval uitzonderlijk redenen bestaan om zulks wel te doen; 3.3.
- Overwegende dat verzoeker tenslotte nog stelt dat het bestreden besluit hem elke reïntegratiemogelijkheid ontneemt en hem uitsluit van de mogelijkheid om voort de nodige vaardigheden te verwerven en opleidingen te volgen; dat hij evenwel dit nadeel niet concretiseert, terwijl de verwerende partij niet ten onrechte aanstipt dat de bestreden beslissing niet langer dan tot begin februari uitwerking zal kunnen krijgen, aangezien tegen die tijd in de tegen verzoeker aangespannen tuchtzaak een eindbeslissing getroffen zal moeten worden; 3.
- Overwegende dat verzoeker het bestaan van een moeilijk te herstellen ernstig nadeel niet aantoont; dat de vordering om die reden wordt verworpen, IX-4762-4/5 BESLUIT: Artikel
- De vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid wordt verworpen. Artikel
- De kosten van de vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid, bepaald op 175 euro, komen ten laste van verzoeker. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op vierentwintig januari 2000 en vijf, door : de H. A. VANDENDRIESSCHE, staatsraad, wnd. kamervoorzitter, Mevr. V. WAUTERS, griffier. De griffier, De voorzitter, V. WAUTERS. A. VANDENDRIESSCHE. IX-4762-5/5 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.139.640 Gerelateerde publicatie(s) gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.199.227 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.