id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 24 januari 2005 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.139.641 Rolnummer: A. 50305/IX-608 Zaak: Arrest 139641 - - 24/01/2005 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2005-02-03 Raadplegingen: 51 - laatst gezien 2026-07-02 06:41 Fiche Arrest nr 139.641 van 24 januari 2005 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 139.641 van 24 januari 2005 in de zaak A. 50.305/IX-
- In zake : Frank CLARYSSE, wonende te GENT, Aannemersstraat 48 tegen : De Belgische Staat, vertegenwoordigd door de minister van Landsverdediging, die woonplaats kiest bij advocaat F. VERTONGEN, kantoor houdende te DENDERMONDE, De Dammenlaan
- --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, IXe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat Frank CLARYSSE op 15 februari 1993 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van de beslissing van 1 december 1992 van de minister van Landsverdediging waarbij geweigerd wordt hem, als dienstplichtig soldaat, een sociale vergoeding toe te kennen; Gelet op het arrest nr. 42.370 van 22 maart 1993 waarbij de vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van het bestreden besluit wordt verworpen; Gelet op de beschikking van 29 maart 1993 waarbij aan de verzoekende partij het voordeel van de kosteloze rechtspleging wordt verleend; Gezien de regelmatig gewisselde memories van antwoord en van wederantwoord; IX-608-1/9 Gezien het verslag opgemaakt door auditeur R. AERTGEERTS; Gelet op de beschikking van 3 september 1996 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen en gezien de regelmatig gewisselde laatste memories; Gelet op de beschikking van 24 november 2004 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 13 december 2004, datum waarop de zaak tot de openbare terechtzitting van 17 januari 2005 wordt uitgesteld; Gehoord het verslag van staatsraad A. VANDENDRIESSCHE; Gehoord de opmerkingen van advocaat F. VERTONGEN, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur-afdelings- hoofd R. AERTGEERTS; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
- Overwegende dat de gegevens van de zaak kunnen worden samengevat als volgt: 1.
- Op 22 oktober 1992 ondertekent verzoeker een "aanvraag tot toekenning van de sociale vergoeding", voorzien in het koninklijk besluit van 5 februari 1991 betreffende de toekenning van een sociale vergoeding aan sommige dienstplichtigen. In deze aanvraag vermeldt hij als "wettelijke verblijfplaats": Oude Boezingestraat 9 te 8906 Elverdinge (Ieper). Als "adres" vermeldt hij: Stropstraat 101 te 9000 Gent. Hij verklaart alleen op dezelfde plaats te wonen sinds IX-608-2/9 1 oktober 1990 en huurder te zijn. De huishuur bedraagt 13.289 frank per maand en wordt betaald door "mijzelf en vriendin". Als beroep van vader en moeder vermeldt hij respectievelijk "restauranthouder" en "laborante". Met betrekking tot de vraag of hij persoonlijke inkomsten heeft antwoordt verzoeker bevestigend; hij vermeldt geen bedrag doch "enkel als student". Hij meent niet in de voorwaarden te zijn om te genieten van een militievergoeding. Op de vraag of zijn ouders hem financieel steunen antwoordt hij negatief en schrijft hij "Ze hebben mij gedurende de laatste 3 jaren enkel het kindergeld overgemaakt". Het Hulp- en Informatiebureau voor gezinnen van militairen - sociale dienst van het leger en van de rijkswacht - ontvangt deze aanvraag op 28 oktober
- Het bureau geeft een ongunstig advies met als reden : "Op het ogenblik van de aanvraag betrekt (de aanvrager) niet alleen een afzonderlijke verblijfplaats sedert één jaar". 1.
- Op 1 december 1992 beslist de minister van Landsverdediging de aanvraag tot toekenning van de sociale vergoeding te weigeren. Bij schrijven van 17 december 1992 deelt het Hulp- en Informatie- bureau voor gezinnen van militairen aan verzoeker mee dat "als gevolg van het onderzoek uitgevoerd door de diensten van het HIB de minister van Lands- verdediging van oordeel is dat belanghebbende niet beantwoordt aan de voor- waarden (...). Bijgevolg wordt hem de sociale vergoeding niet toegekend". Als motivering van de weigering vermeldt hij : "Op het ogenblik van de aanvraag betrekt niet alleen afzonderlijke verblijf- plaats sedert één jaar." 1.
- Met een schrijven van 27 januari 1993 vraagt verzoeker aan de minister van Landsverdediging zijn beslissing te willen herzien. Verzoeker betoogt dat de afwijzing van zijn aanvraag om reden dat hij niet "alleen" een "afzonderlijke verblijfplaats" betrekt niet verantwoord is. Hij voert, onder meer, aan dat hij van de personen die in het huis wonen dat hij betrekt geen financiële steun ontvangt. De vriendin waarmede hij het huurcontract heeft ondertekend is zelf beursstudente en IX-608-3/9 verkeert uiteraard zelf in een situatie waarin zij geen financiële steun aan hem kan verlenen. Op die brief is geen antwoord gevolgd.
- Overwegende dat de auditeur-verslaggever ambtshalve de bevoegdheid van de Raad van State onderzocht heeft; dat hij op grond van een analyse van de toepasselijke reglementering, inzonderheid artikel 34 van de wet van 22 december 1989 betreffende het statuut van de dienstplichtigen en het koninklijk besluit van 5 februari 1991 betreffende de toekenning van een sociale vergoeding aan sommige dienstplichtigen, tot het besluit gekomen is dat de minister van Lands- verdediging bij het treffen van beslissingen over individuele aanvragen over geen discretionaire bevoegdheid beschikt, dat dergelijke beslissing niet constitutief maar rechtserkennend is en dat, bij ontstentenis van regeling die de Raad van State bevoegd maakt om over dergelijke beslissingen uitspraak te doen, het beroep niet ontvankelijk is; 3.
- Overwegende dat verzoeker in zijn laatste memorie de conclusie van het auditoraatsverslag betwist; dat hij uiteenzet wat volgt: - reeds in de schorsingsprocedure had de auditeur-verslaggever besloten dat het beroep niet-ontvankelijk was, maar in het arrest nr. 42.370 van 22 maart 1993 heeft de Raad van State de bevoegdheidsproblematiek niet ter sprake gebracht, wat erop wijst dat hij zich bevoegd achtte om kennis te nemen van het geschil, aangezien het ondenkbaar is dat een rechtscollege zou onderzoeken of de grondvoorwaarden voor het bevelen van de schorsing vervuld zijn wanneer het niet bevoegd is om van de vordering kennis te nemen; - het geschil heeft betrekking op een constitutieve beslissing aangezien het recht op de sociale vergoeding slechts ontstaat door de beslissing van de overheid en het bestuur een discretionaire bevoegdheid bezit; in het arrest OPPALFENS, nr. 19.765 van 17 juli 1979 heeft de Raad van State aangenomen dat hij bevoegd was om uitspraak te doen over een beslissing tot toekenning van een studietoela- ge - een regeling waarmee de regeling van de sociale vergoeding parallel loopt - omdat het de bedoeling van de wetgever bleek te zijn dergelijke beslissingen op IX-608-4/9 het administratiefrechtelijk vlak af te handelen; bovendien heeft de overheid in gevallen als het onderhavige, wel degelijk een bepaalde keuzevrijheid: het bestuur moet uitspraak doen over de “equivalentie” met het bestaansminimum van inkomsten uit een beroep of uit roerende en onroerende goederen, er moet uitgemaakt worden wat het betekent “geen beroep te kunnen doen op financiële hulp van de familie” en het Hulp- en Informatiebureau voor gezinnen van militairen kan beslissen over de “uitzonderlijke omstandigheden waarin de termijn van 1 jaar [vereist op het vlak van het afzonderlijk betrekken van een woning] niet van toepassing is”; - het koninklijk besluit van 5 februari 1991 “verleent aan de gewone rechter geen enkel houvast, ook niet na interpretatie, om de verweerder te kunnen veroordelen tot betaling van de sociale vergoeding”; - zou de Raad van State zich onbevoegd verklaren omdat de betwisting betrekking heeft op een subjectief recht, dat staat vast dat artikel 6 EVRM geschonden is en wel op twee vlakken: vooreerst is hij met het arrest in de schorsingszaak geconfronteerd met een rechterlijke uitspraak die niet gemotiveerd is -met name heeft de Raad van State toen geen uitspraak gedaan over zijn bevoegdheid ratione materiae terwijl dergelijke uitspraak hem in de mogelijkheid had gesteld de vordering bij de bevoegde rechter aanhangig te maken; vervolgens heeft hij onredelijk lang op een uitspraak moeten wachten; 3.
- Overwegende dat de verwerende partij in haar laatste memorie eraan herinnert dat de Raad van State in de onderhavige zaak geen schorsing bevolen heeft en dat hij derhalve over de bevoegdheidsvraag geen uitspraak moest doen; 3.3.
- Overwegende dat artikel 34 van de wet van 22 december 1989 betreffende het statuut van de dienstplichtigen luidt als volgt : "De alleenstaande dienstplichtige die geen militievergoedingen ontvangt, heeft recht op een sociale vergoeding die gelijk is aan het verschil tussen het bedrag van het bestaansminimum enerzijds en het bedrag van de soldij, de vergoedingen en andere voordelen in natura die hij ontvangt anderzijds. IX-608-5/9 Deze sociale vergoeding wordt toegekend onder de voorwaarden en op de wijze door de Koning bepaald." Overwegende dat het koninklijk besluit van 5 februari 1991 betreffende de toekenning van een sociale vergoeding aan sommige dienstplichtigen de volgende bepalingen bevat : - artikel 1 luidt als volgt : "De dienstplichtigen die hun werkelijke diensttermijn vervullen, en die voldoen aan de voorwaarden bepaald in hoofdstuk II, kunnen aanspraak maken op de vergoeding zoals vastgesteld in artikel 2." - artikel 2 bepaalt het bedrag van de vergoeding; - de voorwaarden voor toekenning van de vergoeding zijn vastgesteld in de artikelen 4 tot 7 van het besluit; wezenlijk voor de onderhavige zaak zijn de artikelen 4 en 5 die luiden als volgt : - artikel 4 "Om van de in artikel 1 bedoelde sociale vergoeding te genieten moet de dienstplichtige: 1/ de in artikel 5 bepaalde voorwaarden vervullen; 2/ geen militievergoedingen ontvangen overeenkomstig de bepalingen van artikel 6; 3/ effectief een soldij genieten overeenkomstig de bepalingen van artikel 7." - artikel 5 "§
- De dienstplichtige kan slechts van de sociale vergoeding genieten na de vaststelling door het Hulp- en Informatiebureau voor gezinnen van militairen dat hij alleenstaand is. §
- Voor de toepassing van dit besluit dient onder alleenstaand verstaan: op het ogenblik van de aanvraag alleen een afzonderlijke verblijf- plaats betrekken sedert een jaar, niet over beroeps-, roerende en onroerende inkomsten beschikken die minstens equivalent zijn aan het bestaans-minimum en geen beroep kunnen doen op financiële hulp van de familie. De termijn van een jaar bedoeld in het vorige lid geldt niet in de uitzonderlijke omstandigheden waarover het Hulp- en Informatie- bureau voor gezinnen van militairen oordeelt." - artikel 13 bepaalt : IX-608-6/9 "De beslissing tot het al dan niet toekennen van de sociale vergoeding voor zover de voorwaarden al dan niet vervuld zijn wordt genomen door de Minister van Landsverdediging op voorstel van het Hulp- en Informatie- bureau voor gezinnen van militairen die de nodige onderzoeken en vast- stellingen verricht." 3.3.
- Overwegende dat de wet van 22 december 1989 de sociale vergoeding instelt als een recht voor de aanvrager die voldoet aan de voorwaarden die de Koning vaststelt; dat die voorwaarden vastgesteld zijn in het koninklijk besluit van 5 februari 1991; dat blijkens de libellering van die voorwaarden de administratie bij het beoordelen van een aanvraag over geen discretionaire bevoegdheid beschikt; dat zij enkel kan nagaan of, in de concrete zaak die haar voorligt, de reglementair vastgestelde voorwaarden vervuld zijn; dat de omstandig- heid dat de libellering van de voorwaarden ruimte laten voor enige interpretatie -wat het geval is met de aspecten die verzoeker in zijn laatste memorie aan de orde stelt- niet betekent dat het bestuur daarmee een discretionaire bevoegdheid heeft gekregen; dat de Raad van State de redenering, aangenomen in het arrest nr. 19.765 van 17 juli 1979 inzake OPPALFENS, waarin de bevoegdheid van de Raad van State, in een specifiek geschil betreffende de toekenning van een studiebeurs, werd afgeleid uit het kader waarin de wet van 19 juli 1991 betreffende de toekenning van studietoelagen en studieleningen aan bepaalde categorieën van minvermogende leerlingen en studenten tot stand is gekomen, niet bijvalt; dat de burgerlijke rechter, bij wie verzoeker zijn recht kan opeisen, op grond van de voorwaarden zoals zij in het koninklijk besluit van 5 februari 1991 geformuleerd zijn, uitspraak kan doen over het bestaan van het recht van verzoeker zonder daarbij te moeten vaststellen dat het bestuur op bepaalde punten over een bepaalde beleidsvrijheid beschikt en het die beleidsruimte niet heeft ingevuld; dat de rechter dan alleen vaststelt hoe, voor dat concrete geval, de reglementaire vastgestelde toekenningsvoorwaarden uitgelegd dienen te worden; 3.3.
- Overwegende dat de aanvragers recht hebben op de sociale vergoeding zodra ze de reglementair vastgestelde objectieve voorwaarden vervullen; IX-608-7/9 dat, al wordt de vergoeding bij ministerieel besluit toegekend, hieruit niet volgt dat die beslissing van de minister het recht op de vergoeding doet ontstaan; 3.3.
- Overwegende dat verzoeker een probleem aanbrengt met betrekking tot zijn subjectief recht tot het verkrijgen van een sociale vergoeding; dat de Raad van State niet bevoegd is om daarover uitspraak te doen; 3.4.
- Overwegende dat de omstandigheid dat de Raad van State in het tussenarrest nr. 42.370 van 22 maart 1993, waarbij de vordering tot schorsing van het bestreden besluit verworpen is omdat het bestaan van een moeilijk te herstellen ernstig nadeel niet was aangetoond, de problematiek van zijn bevoegdheid on- besproken heeft gelaten terwijl die bevoegdheid door de auditeur-verslaggever ter discussie was gesteld, niet betekent dat de Raad in het kader van de schorsingszaak impliciet zijn bevoegdheid heeft aanvaard en zeker niet dat hij terzake definitief standpunt zou hebben ingenomen waarop hij in het arrest ten gronde niet meer zou kunnen terugkomen; dat, in schorsingszaken, de Raad van State om proces- economische redenen vermag het onderzoek van de ontvankelijkheid van de vordering terzijde te laten wanneer hij bij een eerste aanblik tot de bevinding komt dat de vordering toch verworpen zal moeten worden omdat niet voldaan is aan een van de grondvoorwaarden vereist om de schorsing te bevelen; 3.4.
- Overwegende dat verzoeker niet duidelijk maakt op welke wijze de schending van het in artikel 6 EVRM vervatte voorschrift betreffende de moti- vering van rechterlijke uitspraken en de redelijke termijn waarbinnen die uitspraken tot stand moeten komen, de Raad van State ertoe zou kunnen brengen zich, in weerwil van hetgeen hiervoor uiteengezet is, toch bevoegd te verklaren;
- Overwegende dat de Raad van State niet bevoegd is om kennis te nemen van het onderhavige geding, aangezien het betrekking heeft op de vaststel- ling van een subjectief recht in hoofde van verzoeker, IX-608-8/9 BESLUIT: Artikel
- Het beroep wordt verworpen. Artikel
- De kosten van de vordering tot schorsing en van het beroep tot nietigverklaring, bepaald op 99,16 euro, komen ten laste van verzoeker. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op vierentwintig januari 2000 en vijf, door de IXe kamer, die was samengesteld uit : de HH. J. DE BRABANDERE, kamervoorzitter, L. HELLIN, staatsraad, A. VANDENDRIESSCHE, staatsraad, Mevr. V. WAUTERS, griffier. De griffier, De voorzitter, V. WAUTERS. J. DE BRABANDERE. IX-608-9/9 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.139.641 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.