id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 24 januari 2005 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.139.663 Rolnummer: A. 149633/IX-4395 Zaak: Arrest 139663 - - 24/01/2005 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2005-02-02 Raadplegingen: 49 - laatst gezien 2026-07-02 06:52 Fiche Arrest nr 139.663 van 24 januari 2005 - Beslissing : Vernietiging bekendmaking Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 139.663 van 24 januari 2005 in de zaak A. 149.633/IX-
- In zake : Eddy DHONT, wonende te GENT (SINT-AMANDSBERG), Wijnakker 9 tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de minister van Binnenlandse Zaken, die woonplaats kiest bij de Federale Politie DGP/DPS, gevestigd te BRUSSEL, Fritz Toussaintstraat
- --------------------------------------------------------------------------------------------------- DE Wnd. VOORZITTER VAN DE IXe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat Eddy DHONT op 22 maart 2004 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van het koninklijk besluit van 25 juni 2001 houdende graad- en loonschaaltoewijzing aan de officieren van de federale politie en van de algemene inspectie van de federale politie en van de lokale politie in de mate dat de verzoekende partij daarmee benoemd wordt in de graad van commissaris van politie; Gelet op de memorie van antwoord; Gezien het verslag opgesteld door adjunct-auditeur St. DE TAEYE, op grond van artikel 94 van het besluit van de Regent van 23 augustus 1948 tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling administratie van de Raad van State; Gelet op de beschikking van 3 november 2004, houdende bevel tot neerlegging van het verslag en waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 6 december 2004; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen; IX-4395-1/7 Gehoord het verslag van staatsraad A. VANDENDRIESSCHE; Gehoord de opmerkingen van advocaat S. DONCKERS, die loco advocaat P. LAHOUSSE verschijnt voor verzoeker, en van adviseur E. VAN ROSSEM, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur-afdelings- hoofd W. VAN NOTEN; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
- Overwegende dat de gegevens van de zaak kunnen worden samengevat als volgt : 1.
- De verzoekende partij was gerechtelijk afdelingscommissaris 1C bij de gerechtelijke politie. 1.
- Artikel 184 van de Grondwet bepaalt : "De organisatie en de bevoegdheid van de geïntegreerde politiedienst, gestructureerd op twee niveaus, worden bij de wet geregeld. De essentiële elementen van het statuut van de personeelsleden van de geïntegreerde politiedienst, gestructureerd op twee niveaus, worden bij de wet geregeld”. Artikel 184 van de Grondwet bevat tevens een overgangsbepaling, die luidt als volgt : “De Koning kan echter de essentiële elementen van het statuut van de personeelsleden van de geïntegreerde politiedienst, gestructureerd op twee niveaus, vaststellen en uitvoeren, voor zover het besluit, met betrekking tot die elementen, bekrachtigd wordt bij wet vóór 30 april 2002”. 1.
- Bij koninklijk besluit van 30 maart 2001 wordt de rechtspositie van het personeel van de politiediensten geregeld. Luidens artikel XII.II.1, tweede lid, van het besluit, dient de graadverandering en loonschaaltoewijzing voor ieder actueel personeelslid te worden vastgelegd bij een geïndividualiseerd besluit, genomen door de benoemende overheid. IX-4395-2/7 Artikel XII.II.25 van dit besluit luidt als volgt : “De actuele personeelsleden bedoeld in tabel D1, derde kolom, van bijlage 11, worden opgenomen in het officierskader en worden, naar gelang van het geval, benoemd of aangesteld in de overeenstemmende graad bedoeld in de eerste kolom van diezelfde tabel D1”. Tabel D1 van de voormelde bijlage 11 bepaalt - nr. 3.26 - dat de gerechtelijke afdelingscommissarissen naar de nieuwe politie worden overgeplaatst in de graad van commissaris van politie. 1.
- Bij koninklijk besluit van 25 juni 2001 wordt de verzoekende partij met ingang van 1 april 2001 benoemd in de graad van commissaris van politie, en wordt haar de weddeschaal 04 toegekend. Dit is de bestreden beslissing. Zij is bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 18 juli
- 1.
- Bij artikel 131 van de programmawet van 30 december 2001 wordt deel XII van het koninklijk besluit van 30 maart 2001 tot regeling van de rechtspositie van het personeel van de politiediensten (hierna : RPPol) bekrachtigd. 1.
- Met zijn arrest nr. 102/2003 van 22 juli 2003 vernietigt het Arbitragehof artikel XII.II.25 van het RPPol, “inzoverre het de gerechtelijke afdelingscommissarissen 1C integreert in de graad van commissaris van politie”. De vernietiging geschiedt op grond van volgende motieven (overweging B.25.3.2) : “Doordat de afdelingscommissarissen 1C, die hogere officieren waren binnen de voormalige gerechtelijke politie, in de graad van commissaris worden geïntegreerd in het kader van de lagere officieren, ondergaan zij een terugzet- ting in graad. Hoewel een dergelijke maatregel wordt verklaard door de zorg om een evenwicht te creëren onder de vroegere politiekorpsen, doet hij op onevenredige wijze afbreuk aan de rechten van de afdelingscommissarissen, doordat hij hun niet toestaat functies uit te oefenen die verbonden zijn aan hun graad van hoger officier en hen op dezelfde wijze behandelt als andere agenten van de voormalige gerechtelijke politie, te dezen de gerechtelijke commissaris- sen 1B, die een minder hoge anciënniteit hadden en een minder hoge opleiding hadden genoten dan de afdelingscommissarissen 1C, waarbij laatstgenoemden het genot van die anciënniteit en de gevolgde opleiding verliezen alsmede het hiërarchisch gezag dat ze uitoefenden over de afdelingscommissarissen 1C”. 1.
- Op 25 september 2003 wordt het arrest nr. 102/2003 van 22 juli 2003 van het Arbitragehof bij uittreksel in het Belgisch Staatsblad gepubliceerd. IX-4395-3/7 1.
- Op 22 maart 2004 vordert de verzoekende partij de nietig- verklaring van de bestreden beslissing voor de Raad van State; 2.
- Overwegende dat de verwerende partij opwerpt dat de verzoekende partij geen belang heeft bij het onderhavige beroep, aangezien het bestreden besluit haar geen rechtstreeks nadeel berokkent en een vernietiging haar ook geen voordeel kan opleveren; dat zij de ontstentenis van een rechtstreeks nadeel afleidt uit het feit dat de verwerende partij bij het treffen van het bestreden besluit een gebonden bevoegdheid uitgeoefend heeft; dat volgens haar een vernietiging aan de verzoekende partij ook geen voordeel kan opleveren, aangezien die vernietiging enkel tot gevolg kan hebben dat zij de graad van commissaris van politie verliest, zonder dat zij daarmee benoemd wordt in een andere graad; 2.
- Overwegende dat het Arbitragehof met zijn arrest nr. 102/2003 van 22 juli 2003 artikel XII.II.25 van het RPPol vernietigd heeft “in zoverre het de gerechtelijke afdelingscommissarissen 1C integreert in de graad van commissaris van politie”; dat het dragend motief voor die vernietiging is dat de verwerende partij de afdelingscommissarissen 1C, die hogere officieren waren binnen de gerechtelijke politie, terugzet in graad, hetgeen op onevenredige wijze afbreuk doet aan hun rechten, aangezien zij op dezelfde wijze behandeld worden als de gerechtelijke commissarissen 1B en het genot van hun anciënniteit, hun gevolgde opleiding en hun hiërarchisch gezag verliezen; Overwegende dat het bestreden besluit een noodzakelijke stap vormt in de inwerkingstelling van de nieuwe politiestructuur; dat immers artikel XII.II.1, tweede lid, van het RPPol bepaalt dat de graadverandering voor ieder personeelslid vastgelegd wordt bij een geïndividualiseerd besluit van de benoemen- de overheid; dat in die zin het individueel benoemingsbesluit het reglementair voorgeschreven eindpunt van de politiehervorming vormt waarmee de situatie van de verzoekende partij in de nieuwe structuur definitief vastgelegd wordt en haar individuele situatie geregeld wordt overeenkomstig de voorschriften van het RPPol; Overwegende gewis, dat blijkens de bepalingen van het RPPol de minister van Binnenlandse Zaken bij de inpassing van de politieambtenaren in de nieuwe politiestructuur over een gebonden bevoegdheid beschikte; dat, zo zulks tot gevolg zou moeten hebben dat een vernietiging van het bestreden benoemingsbesluit aan de verzoekende partij geen voordeel kan opleveren, in dit bijzonder geval IX-4395-4/7 vastgesteld dient te worden dat het Arbitragehof de bepaling waarin die gebonden bevoegdheid was vastgelegd, vernietigd heeft; Overwegende dat, zo het bestreden besluit aldus, bij gebrek aan reglementaire grondslag, op zich reeds materiële rechtskracht ontbeert, de verzoekende partij met haar beroep toch kan verkrijgen dat erga omnes wordt vastgesteld dat haar statutaire situatie niet geregeld wordt door het bestreden besluit, terwijl -wat reeds volgt uit het vernietigingsarrest van het Arbitragehof- een nieuw individueel besluit slechts getroffen zal kunnen worden nadat daarvoor een nieuwe, deugdelijke, rechtsgrond uitgewerkt is; dat de verzoekende partij daarin een actueel belang vindt om het bestreden besluit vernietigd te zien; dat de exceptie niet gegrond is; 3.
- Overwegende dat de verwerende partij ter terechtzitting benadrukt dat de verzoekende partij enkel de vernietiging vordert van het koninklijk besluit van 25 juni 2001 in de mate dat zij ermee tot commissaris van politie wordt benoemd en dat bijgevolg de aanwijzing van haar nieuwe loonschaal buiten de vernietiging dient te blijven; 3.
- Overwegende dat het verzoekschrift inderdaad enkel gewag maakt van de benoeming van de verzoekende partij door het koninklijk besluit van 25 juni 2001; dat evenwel, in het kader van de vaststelling van haar nieuwe rechtstoestand, de benoeming en de toewijzing aan de verzoekende partij van een nieuwe weddeschaal volgens vooraf bepaalde regels, een geheel vormen; dat de vernietiging van de benoeming impliceert dat de daaraan ondergeschikte beslissing betreffende de inschaling van de betrokkene in een bepaalde weddeschaal, niet meer op zichzelf kan bestaan; dat, zo aldus het toekennen van een nieuwe weddeschaal toch geen materiële rechtskracht meer kan hebben, niets de Raad van State belet het beroep tegen de toewijzing van een weddeschaal te betrekken bij het beroep tegen het benoemingsbesluit; 4.
- Overwegende dat de verzoekende partij in een enig middel onder meer aanvoert dat het bestreden besluit zijn grondslag vindt in artikel XII.II.25 RPPol maar dat die bepaling, zoals zij bekrachtigd was door artikel 131 van de programmawet van 30 december 2001, door het Arbitragehof vernietigd is in de mate dat zij de gerechtelijke afdelingscommissarissen 1C integreert in de graad van commissaris van politie, zodat het bestreden besluit wat haar inschaling betreft, geen IX-4395-5/7 wettelijke grondslag heeft; dat zij te dien aanzien onder meer refereert aan de artikelen 33, 159 en 184 van de Grondwet; 4.
- Overwegende dat de verwerende partij in haar memorie van antwoord geen antwoord geeft op de hierboven aangehaalde aspecten van het door de verzoekende partij uiteengezette middel; 4.
- Overwegende dat het Arbitragehof met zijn arrest nr. 102/2003 van 22 juli 2003, artikel XII.II.25 van het RPPol, bekrachtigd door artikel 131 van de programmawet van 30 december 2001, vernietigd heeft in zoverre het afdelings- commissarissen 1C van de voormalige gerechtelijke politie integreert in de graad van commissaris van politie; dat die bepaling nochtans de noodzakelijke en determinerende rechtsgrond vormt voor de inpassing van de verzoekende partij in de nieuwe politiestructuur; dat, binnen het kader dat het RPPol uitgetekend heeft om de integratie het politiepersoneel in de nieuwe structuur te realiseren, de verzoeken- de partij zonder die bepaling niet in de graad van commissaris van politie benoemd kon worden; dat bij gebrek aan deugdelijke rechtsgrond het benoemingsbesluit van de verzoekende partij onwettig is; dat het middel kennelijk gegrond is, BESLUIT: Artikel
- Vernietigd wordt het koninklijk besluit van 25 juni 2001 houdende graad- en loonschaaltoewijzing aan de officieren van de federale politie en van de algemene inspectie van de federale politie en van de lokale politie in de mate dat de verzoekende partij daarmee benoemd wordt in de graad van commissaris van politie, in zoverre met dat besluit Eddy DHONT tot commissaris van politie wordt benoemd en zijn nieuwe weddeschaal wordt vastgesteld. Artikel
- Dit arrest zal bij uittreksel in het Belgisch Staatsblad worden bekendgemaakt op dezelfde wijze als het vernietigde besluit. IX-4395-6/7 Artikel
- De kosten van het beroep tot nietigverklaring, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verwerende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op vierentwintig januari 2000 en vijf, door : de H. A. VANDENDRIESSCHE, staatsraad, wnd. kamervoorzitter, Mevr. V. WAUTERS, griffier. De griffier, De voorzitter, V. WAUTERS. A. VANDENDRIESSCHE. IX-4395-7/7 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.139.663 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.