id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 24 januari 2005 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.139.675 Rolnummer: A. 110176/XIV-6542 Zaak: Arrest 139675 - - 24/01/2005 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2005-02-18 Raadplegingen: 55 - laatst gezien 2026-07-02 06:56 Fiche Arrest nr 139.675 van 24 januari 2005 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 139.675 van 24 januari 2005 in de zaak A. 110.176/XIV-
- In zake : XXX, die woonplaats kiest bij Advocaat B. VRIJENS, kantoor houdende te 9000 GENT, Kortrijksesteenweg 551 tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de Minister van Binnenlandse Zaken. ---------------------------------------------------------------------------------------------------------- DE Wnd. VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX geboren op 7 februari 1964 en van Tunesische nationaliteit, op 10 september 2001 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van de beslissing van de Minister van Binnenlandse Zaken van 23 mei 2001, houdende uitsluiting van de toepassing van de wet van 22 december 1999 betreffende de regularisatie van het verblijf van bepaalde categorieën van vreemdelingen (Regularisatiewet), en van het bevel van de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse Zaken om het grondgebied van het Rijk te verlaten (bijlage 13) van 11 augustus 2001, aan de verzoekende partij op 11 augustus 2001 ter kennis gebracht; Gezien het verzoekschrift dat de verzoekende partij op dezelfde dag heeft ingediend om de schorsing van de tenuitvoerlegging te vorderen van dezelfde beslissing; Gelet op de beschikking van 5 oktober 2001 waarbij aan de verzoekende partij het voordeel van de kosteloze rechtspleging wordt verleend; Gelet op de artikelen 4 en 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemde- lingen; Gezien de nota van de verwerende partij; Gezien het verslag opgemaakt door Auditeur M. STERCK, op grond van artikel 26 van voormeld koninklijk besluit; XIV-6542-1/6 Gelet op de kennisgeving van dat verslag aan de partijen; Gelet op de beschikking van 1 oktober 2004 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op woensdag 3 november 2004 om 10.00 uur; Gehoord het verslag van Staatsraad D. MOONS; Gehoord de opmerkingen van Advocaat A. NAVASARTIAN die, loco Advocaat B. VRIJENS, verschijnt voor de verzoekende partij, en van Advocaat E. MATTERNE, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van Auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
- Overwegende dat de voornaamste gegevens van de zaak als volgt kunnen worden samengevat : 1.
- Op 11 januari 2000 dient verzoeker een regularisatieaanvraag in op basis van artikel 2, 3/, van de Regularisatiewet. 1.
- Op 23 mei 2001sluit de Minister van Binnenlandse Zaken verzoeker uit van de toepassing van de Regularisatiewet op basis van de artikelen 5 en 14 van deze wet. Dat is de eerste bestreden beslissing die als volgt, luidt: “(...) De Minister van Binnenlandse Zaken, Gelet op de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen, gewijzigd bij de wetten van 28 juni 1984, 14 juli 1987, 18 juli 1991, 6 mei 1993, 10 en 15 juli 1996, 9 maart 1998, 29 april 1999 en 7 mei 1999; Gelet op de wet van 22 december 1999 betreffende de regularisatie van het verblijf van bepaalde categorieën van vreemdelingen verblijvend op het grondgebied van het Rijk, inzonderheid de artikelen 5 en 14; Gelet op de aanvraag tot regularisatie ingediend op 11 januari 2000, door XXX , geboren op 07.02.1964 (alias XXX, geboren op 07.02.1964 of 27.02.1964), geboren te Jerissa, van Tunesische nationaliteit; Overwegende dat hij in de loop van 1992 het land binnen kwam en er eerst een tijd illegaal verbleef, Overwegende dat hij zich op 20.07.1992 vluchteling verklaarde, en dat hem op 09.08.1995 de beslissing bevel om het grondgebied te verlaten werd beteken(d); Overwegende dat betrokkene op 12.06.1997 een eerste aanvraag tot regularisatie indiende omwille van medische redenen op basis van artikel 9 al. 3 van de wet van 15/12/80, en op 13.01.1998 een tweede; Overwegende dat beide aanvragen tot nog toe zonder gevolg bleven; Overwegende dat betrokkene op 11.03.1993 door de Correctionele Rechtbank van Gent veroordeeld werd voor diefstal met braak, inklimming of valse sleutels tot 3 maanden gevangenisstraf waarvan 2 maand met 3 jaar uitstel; XIV-6542-2/6 Overwegende dat hij op 09.09.1994 door de Correctionele Rechtbank van Gent veroordeeld werd tot 6 maanden gevangenisstraf voor diefstal; Overwegende dat hij op 08.01.1998 door de Correctionele Rechtbank van Gent voor diefstal veroordeeld werd tot 3 maanden gevangenisstraf met uitstel van 3 jaar; Overwegende dat uit de voorgaande feiten blijkt dat hij, door zijn persoonlijk gedrag, de openbare orde heeft geschaad; Overwegende dat hij dienvolgens een gevaar voor de openbare orde of de nationale veiligheid betekent; BESLIST: -XXX (alias XXX), geboren op 07 of 27.02.1964 te Jerissa, van Tunesische nationaliteit, is uitgesloten van de toepassing van de wet van 22 december 1999 betreffende de regularisatie van het verblijf van bepaalde categorieën van vreemdelingen op het grondgebied van het Rijk en zal kunnen verwijderd worden van het Rijk. (...).”. 1.
- Op 11 augustus 2001vaardigt de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse Zaken een bevel uit tegen verzoeker om het grondgebied van het Rijk te verlaten. Dat is de tweede bestreden beslissing die als volgt, luidt: “(...) BEVEL OM HET GRONDGEBIED TE VERLATEN - Model B In uitvoering van de beslissing van de Minister van Binnenlandse Zaken genomen op 23.05.2001 wordt aan XXX ,geboren te Jerissa, op 07/02/1964 van Tunesische nationaliteit, het bevel gegeven om uiterlijk op 11/08/01 het grondgebied van België te verlaten, evenals het grondgebied van volgende Staten: Duitsland, Oostenrijk, Spanje, Frankrijk, Griekenland, Italië, Luxemburg, Nederland, Portugal, Noorwegen, Zweden, Finland, Ijsland en Denemarken. Reden van de beslissing: - Verblijft langer in het Rijk dan de vastgestelde termijn volgens artikel 6 of kan het bewijs niet leveren dat deze termijn niet overschreden werd (artikel 7, al. 1, 2/ van de wet van 15/12/1980). Motivatie in feite : -Betrokkene werd uitgesloten door een Ministeriële beslissing van 23.05.2001 van de wet van 22/12/99 in toepassing van de artikelen 5 en
- (...).”. 2.
- Overwegende dat verzoeker een eerste middel afleidt uit “de schending van de algemene rechtsbeginselen en beginselen van behoorlijk bestuur, meer bepaald de hoorplicht en de rechten van de verdediging.”; Overwegende dat verzoeker in dit middel niet uitlegt hoe de door hem geschonden geachte beginselen zouden kunnen leiden tot de nietigverklaring van de bestreden beslissingen; dat de eerste bestreden beslissing nauwkeurig en gedetailleerd aangeeft waarom verzoeker wordt uitgesloten van de toepassing van de Regularisatiewet; dat verzoeker deze uitsluitingsgrond niet betwist, zodat het eerste middel niet dienstig wordt aangevoerd en niet kan leiden tot de annulatie van de bestreden beslissingen; 2.
- Overwegende dat verzoeker een tweede middel afleidt uit de “schending van de artikelen 2 en 3 van de wet betreffende de uitdrukkelijke motivering van bestuurs- handelingen (Wet van 29 juli 1991); van de artikelen 7, 20 lid 2, 21, 23 en 62 van de Vreemdelingenwet (wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen) en van de artikelen 2, 2/, 5 en 14 van de wet van 22 december 1999 betreffende de regularisatie van bepaalde categorieën van vreemdelingen verblijvend op het grondgebied van het Rijk.”; XIV-6542-3/6 Overwegende dat de artikelen 7, 20, tweede lid, 21, 23 en 62 van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen (Vreemdelingenwet) niet van toepassing zijn op huidige zaak en bijgevolg niet dienstig kunnen worden aangevoerd; Overwegende dat de Regularisatiewet bepalingen inhoudt die gunstmaatregelen uitmaken voor bepaalde categorieën van vreemdelingen die verblijven op het grondgebied van het Rijk; dat gunstmaatregelen gepaard gaan met een ruime appreciatie- bevoegdheid van de overheid die deze maatregelen verleent; dat de Raad van State bijgevolg enkel mag en kan tussenkomen wanneer de genomen beslissingen onwettig zijn, of strijdig zijn met het redelijkheidsbeginsel in die zin dat het gaat om beslissingen die geen redelijk denkend mens geplaatst in dezelfde omstandigheden zou nemen; dat dit in casu niet het geval is; Overwegende dat strafrechtelijke veroordelingen, ook al zijn zij niet meer zo recent, haaks staan op een regularisatiebeslissing; dat de eerste bestreden beslissing bijgevolg op goede gronden besluit dat het gedragspatroon van verzoeker, zoals dat blijkt uit drie correctionele veroordelingen een gevaar inhoudt voor de openbare orde en de nationale veiligheid; Overwegende dat het persoonlijk gedrag van verzoeker steun vindt in het lijvig administratief dossier waaruit onder meer blijkt dat verzoeker de asielprocedure zonder succes heeft doorlopen; dat hij verschillende malen het voorwerp heeft uitgemaakt van bevelen om het grondgebied van het Rijk te verlaten en dit reeds vanaf 18 maart 1992 (stuk nr. 5 van het adm. doss.); dat hij op 29 mei 1992 werd opgepakt voor onwettig verblijf in België (stuk nr. 15 van het adm. doss.); Overwegende dat verzoeker op 19 september 1995 vertrok naar zijn land van herkomst; dat dit blijkt uit het stuk nr.155 van het administratief dossier, zijnde een brief van 19 september 1995 van de Dienst Bevolking van de stad Gent gericht aan de Hoofdcommissaris van politie van dezelfde stad; Overwegende dat verzoeker op 12 juni 1997 een verzoekschrift om medische redenen indient bij de bevoegde overheid op basis van artikel 9, lid 3, van de Vreemdelingenwet (stuk nr. 167 van het adm. doss.); dat deze aanvraag zonder gevolg bleef (stuk nr. 214 van het zelfde dossier); dat de tweede aanvraag ingeleid op dezelfde basis op 13 januari 1998 eveneens zonder gevolg bleef (cfr. zelfde stuk); Overwegende dat uit het stuk nummer 215 van het administratief dossier blijkt dat verzoeker van 29 mei 1992 tot 9 september 1999 verschillende strafrechtelijke XIV-6542-4/6 veroordelingen heeft opgelopen, die gaan van opsluiting wegens onwettig verblijf tot zware diefstal en het besturen van een motorrijtuig zonder rijbewijs; Overwegende dat uit stuk nummer 214 van het administratief dossier blijkt dat verzoeker alle mogelijkheden die de Vreemdelingenwet biedt, heeft uitgeput om een verblijfsvergunning te bekomen en daarin niet is geslaagd; dat wat de medische motieven betreft die verzoeker inroept om een verblijfsvergunning te bekomen de volgende passus uit het stuk nr. 213 onder de aandacht van de verwerende partij wordt gebracht: “(...) Betrokkene heeft geen familie in België. Betrokkene vraagt een regularisatie aan om medische redenen. Op 29.05.1997 onderging hij een zware operatieve ingreep: een dubbele hartklepvervanging. Hiervoor moet hij volgens de behandelende arts levenslang verder cardiale medicatie innemen en onder toezicht blijven. Onnauwkeurige of geen controle zal fataal zijn omwille van bloedverdunning. Over het feit of de zorgen in het thuisland kunnen worden verstrekt, kan de arts zich niet uitspreken. (...).”; Overwegende dat voor het overige wordt verwezen naar de stukken met nummers 371, 372, 373, 376, 377, 378, en 382 van het administratief dossier waarover geen middel wordt ontwikkeld en die bijgevolg geen deel uitmaken van huidige procedures; dat de artikelen 2, 2/, 5 en 14 van de Regularisatiewet niet werden geschonden door de bestreden beslissingen, gelet op wat voorafgaat; dat het tweede middel ongegrond is, BESLUIT: Artikel
- De vordering tot schorsing en het beroep tot nietigverklaring worden verworpen. Artikel
- De kosten van het beroep, bepaald op 173,53 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. Aldus te Brussel, na beraad, uitgesproken in openbare terechtzitting, op vierentwintig januari tweeduizend en vijf, door : XIV-6542-5/6 de H. D. MOONS, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, Mevr. R. VAN DEN EECKHOUT, toegevoegd griffier. De griffier, De voorzitter, R. VAN DEN EECKHOUT. D. MOONS. XIV-6542-6/6 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.139.675 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.