id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 24 januari 2005 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.139.676 Rolnummer: A. 130360/XIV-12945 Zaak: Arrest 139676 - - 24/01/2005 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2005-02-18 Raadplegingen: 51 - laatst gezien 2026-07-02 06:56 Fiche Arrest nr 139.676 van 24 januari 2005 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 139.676 van 24 januari 2005 in de zaak A. 130.360/XIV-12.
- In zake : XXX, die woonplaats kiest bij Advocaat B. VRIJENS, kantoor houdende te 9000 GENT, Kortrijksesteenweg 551 tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de Minister van Binnenlandse Zaken. ---------------------------------------------------------------------------------------------------------- DE Wnd. VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX, geboren op 11 februari 1972 en van XXX nationaliteit, op 31 oktober 2002 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van de beslissing van de Minister van Binnenlandse Zaken van 9 september 2002 tot weigering van regularisatie en van het bevel van de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse Zaken om het grondgebied van het Rijk te verlaten, aan de verzoekende partij ter kennis gebracht op 1 oktober 2002; Gezien het verzoekschrift dat de verzoekende partij op dezelfde dag heeft ingediend om de schorsing van de tenuitvoerlegging te vorderen van dezelfde beslissing; Gelet op de beschikking van 18 december 2002 waarbij aan de verzoekende partij het voordeel van de kosteloze rechtspleging wordt verleend; Gelet op de artikelen 4 en 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelin-gen; Gezien de nota van de verwerende partij; Gezien het verslag opgemaakt door Auditeur M. STERCK, op grond van artikel 26 van voormeld koninklijk besluit; Gelet op de kennisgeving van dat verslag aan de partijen; XIV-12.945-1/7 Gelet op de beschikking van 1 oktober 2004 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op woensdag 3 november 2004 om 10.00 uur; Gehoord het verslag van Staatsraad D. MOONS; Gehoord de opmerkingen van Advocaat A. NAVASARTIAN, die loco Advocaat B. VRIJENS verschijnt voor de verzoekende partij, en van Advocaat E. MATTERNE, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van Eerste Auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
- Overwegende dat de voornaamste gegevens van de zaak als volgt kunnen worden samengevat : 1.
- De verzoekende partij dient op 20 januari 2000 een regularisatieaanvraag in op basis van artikel 2, 2/, van de wet van 22 december 1999 betreffende de regularisatie van het verblijf van bepaalde categorieën van vreemdelingen verblijvend op het grondgebied van het Rijk. 1.
- Verzoeker wordt door de Commissie voor regularisatie op 27 maart 2002, bijgestaan door een raadsman, gehoord. 1.
- De Nederlandstalige Kamer van de Commissie voor regularisatie verleent op 11 april 2002 een ongunstig advies betreffende de aanvraag van de verzoekende partij. Dit advies bevat de volgende overwegingen: “(...) Gelet op de beschikking van de Vice-Eerste Voorzitter van de Commissie voor Regularisatie d.d. 11 maart 2002 waarbij het dossier voor de aanvraag tot regularisatie ingediend door de verzoeker werd toegewezen aan deze kamer voor de zitting van 27 maart
- Aangezien de aanvrager eerder niet verscheen op een voorgaande zitting werd een negatief advies verleend. De aanvrager had echter zijn adreswijziging medegedeeld zodat er ten onrechte toepassing werd gemaakt van artikel 11 van de wet en de zaak opnieuw diende behandeld ter zitting van 27 maart
- De regularisatie werd aangevraagd op grond van de onmogelijkheid tot terugkeer naar het land waar hij voor zijn aankomst in België gewoonlijk verbleef of naar het land waarvan hij de nationaliteit bezit (artikel 2.2/ van de wet van 22 december 1999 betreffende de regularisatie van het verblijf van bepaalde categorieën van vreemdelingen verblijvend op het grondgebied van het Rijk). De verzoeker, die tijdig en behoorlijk werd opgeroepen, verscheen in persoon, bijgestaan door zijn raadsman, Mter. Ben-Asri Fatima, advocaat te Antwerpen, ter zitting van 27 maart
- Gelet op het dossier van het secretariaat van de griffie en de stukken van de verzoeker. XIV-12.945-2/7 De identiteit van de aanvrager wordt niet aangetoond. Er worden dienaangaande geen objectieve en controleerbare stukken voorgelegd. De gegevens betreffende de identiteit komen van de aanvrager zelf. Paspoort, identiteitsbewijs, visum of dergelijke meer bezit de aanvrager, volgens zijn eigen zeggen, niet en kan hij evenmin voorleggen. Hij is wel gekend bij een openbare dienst (O.C.M.W., gemeentebestuur). Uit de stukken blijkt dat de verzoeker op 1 oktober 1999 op het Belgisch grondgebied verbleef. Het dossier toont aan dat de bij de aanvraag vermelde stukken werden bijgevoegd. Er wordt vastgesteld dat de verzoeker pas sinds 14 september 1999 in België verbleef. Zijn asielaanvraag werd niet gegrond verklaard op 15 september
- Hij toont zijn onmogelijkheid tot terugkeer niet aan en evenmin humanitaire redenen of dat hij voldoende duurzame sociale bindingen heeft ontwikkeld in ons land. Het is niet omdat S. op de IOM-lijst staat, dat de aanvrager niet naar zijn land van oorsprong kan terugkeren. Hij heeft dit land verlaten via een buurland, waar hij enkele maanden verbleef (zie zijn stuk 10), zodat hij in beginsel via dezelfde weg kan terugreizen. Niets belet de aanvrager vrijwillig naar S. of G. terug te keren. Uit de voorgelegde stukken en de uitleg ter zitting verschaft, blijkt dat de verzoeker: - niet langdurig in het Rijk verbleef en dat dit verblijf "relevant" is in de zin van artikel 9.9/ van de wet van 22 december 1999; S - 1 jaar ingeschreven was voor Nederlands (cursusjaar 1999-2000), doch geen bewijzen neerlegt m.b.t. het effectief volgen van die lessen of de uitslag ervan; intussen werden er geen verdere lessen maar (meer) gevolgd, minstens worden hiervan geen bewijzen meer voorgelegd; - omzeggens geen Nederlands spreekt of verstaat; - niet naar werk zoekt noch zich bij de V.D.A.B. liet inschrijven; - geen familie in België heeft; - geen deel uitmaakt van een vereniging of groepering, wat zijn wil tot integratie in het gemeenschapsleven zou aantonen. De aanvrager is bij de politie gekend wegens illegaal verblijf (Veiligheidsdetachement Zaventem BR.55.93.111907/99). De aanvrager draagt onvoldoende elementen aan om met zekerheid te kunnen vaststellen dat het voor hem onmogelijk is om, onafhankelijk van zijn wil, terug te keren naar het land waar hij vóór zijn aankomst in België gewoonlijk verbleef (G.), noch naar het land waarvan hij de nationaliteit bezit. Overwegende dat noch de onmogelijkheid tot terugkeer, noch de sociale bindingen en humanitaire redenen voldoende worden bewezen, de aanvraag van de verzoeker op grond van de wet van 22 december 1999 niet tot een gunstig advies aanleiding kan geven. (...).”. 1.
- Op 7 juni 2002 en op 9 juli 2002 verstuurt verzoekers Raadsman een brief met bijkomende stukken naar de Minister van Binnenlandse Zaken; 1.
- Op 9 september 2002 verwerpt de Minister van Binnenlandse Zaken de aanvraag tot regularisatie door zich aan te sluiten bij de overwegingen van het advies van de Commissie voor regularisatie. Dit is de eerste bestreden beslissing: “(...) Overwegende dat de Nederlandstalige Kamer van de Commissie voor Regularisatie overeenkomstig de wet van 22 december 1999 betreffende de regularisatie van het verblijf van sommige categorieën van vreemdelingen verblijvend op het grondgebied van het Rijk een ongunstig advies voor beslissing inzake uw aanvraag tot regularisatie heeft verstrekt; Overwegende dat de Kamer van de Commissie voor Regularisatie in haar advies van 11 april 2002 stelt dat u niet voldoet aan de voorwaarden zoals bepaald in de wet van 22 december
- Ik heb gemeend, bij het nemen van mijn negatieve beslissing, het advies, - waarvan ik de overwegingen onderschrijf en als de mijne overneem -, (zie bijlage) te moeten volgen dat door de Commissie voor Regularisatie is geformuleerd geweest en dat dus terecht stelt dat niet voldaan werd aan de voorwaarden van de wet van 22 december
- Het feit dat uw raad(sman) bij schrijven van 6 juni en 9 juli 2002 alsnog een kopij van een geboortecertificaat voorlegt, en men dus zou kunnen stellen dat uw identiteit als dusdanig niet langer betwist wordt, neemt niet weg dat u niet voldoet aan de criteria 2, 2/ en 2, 4/ van de wet van 22 december
- Het feit dat u zonder veel problemen een geboorteattest kon verkrijgen bij uw ambassade versterkt de stelling dat er in uw hoofde geen onmogelijkheid bestaat om terug te keren naar XIV-12.945-3/7 het land waarvan u de nationaliteit heeft. Bovendien geeft u geen reden aan waarom u niet zou terug kunnen naar G., het land waar u vóór uw aankomst in België heeft verbleven. Met andere woorden u voldoet niet aan de voorwaarde van artikel 2/2 en artikel 9/7 van de wet van 22 december
- Dat daarenboven in ondergeschikte orde moet worden vastgesteld dat niet voldaan werd aan één van de voorafgaandelijke voorwaarde(n), van artikel 9§9 van de wet van 22 december 1999, zodat het bestaan van duurzame sociale bindingen en humanitaire redenen op het ogenblik van het indienen van de aanvraag niet verder dient te worden onderzocht. De regularisatieaanvraag nr. 8500 2000 0120 01702, ingediend door mijnheer dhr. XXX wordt afgewezen. (...)”. 1.
- Op 1 oktober 2002 wordt aan de verzoekende partij het bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten van de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse Zaken ter kennis gebracht. Dit is de tweede bestreden beslissing.
- Overwegende dat verzoeker een enig middel afleidt uit de schending van de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen, van artikel 62 van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen (Vreemdelingenwet), van artikel 2 van de wet van 22 december 1999 betreffende de regularisatie van het verblijf van bepaalde categorieën van vreemdelingen verblijvend op het grondgebied van het Rijk (Regularisatiewet), en van de zorgvuldigheidsplicht; dat verzoeker daaraan toevoegt dat een manifeste appreciatiefout werd begaan; 2.
- Overwegende dat, wat de aangevoerde schending van artikel 62 van de Vreemdelingenwet betreft, dit artikel betrekking heeft op de beslissingen genomen in het kader van voornoemde wet; dat de thans bestreden beslissing werd genomen in het kader van de Regularisatiewet, zodat de schending van voormeld artikel niet dienstig kan worden ingeroepen en niet tot de nietigverklaring van de eerste bestreden beslissing kan leiden; 2.
- Overwegende dat verzoeker in een eerste onderdeel in essentie aanvoert dat de Minister van Binnenlandse Zaken in de eerste bestreden beslissing niet afdoende motiveert waarom de stukken, die waren gevoegd bij de brieven van zijn Advocaat van respectievelijk 7 juni 2002 en 9 juli 2002, niet werden weerhouden als bewijs van het bestaan van duurzame sociale bindingen of humanitaire redenen in zijnen hoofde en waarom zij niet kunnen in aanmerking worden genomen voor een stelselmatige verlaging van de grens van zes jaar, zoals gesteld in de niet-cumulatieve voorwaarden van het artikel 9, 9/, van de Regularisatiewet; Overwegende dat uit de samenlezing van artikel 2, 4/, van de Regularisa- tiewet en artikel 9, 9/, van voormelde wet blijkt dat de vreemdeling die reeds daadwerkelijk op het grondgebied verbleef op 1 oktober 1999, voorafgaandelijk het bewijs dient te leveren van zijn aanwezigheid in het Rijk overeenkomstig één van de bewijsmogelijkheden voorzien in artikel 9, 9/, van de Regularisatiewet, alsook dient te bewijzen dat er duurzame sociale XIV-12.945-4/7 bindingen in het land werden ontwikkeld en dat er humanitaire redenen zijn voor regularisatie; dat de eerste bestreden beslissing op afdoende wijze is gemotiveerd indien blijkt dat de aanvrager aan één van deze voorwaarden niet voldoet; dat de aanwezigheid van meer dan zes jaar, vereist door artikel 9, 9/, van de Regularisatiewet, evenals de aanwezigheid in het Rijk op 1 oktober 1999, een noodzakelijke voorwaarde zijn, opdat de aanvraag zou kunnen worden onderzocht op basis van artikel 2, 4/, van de Regularisatiewet; dat aangezien verzoeker in casu niet betwist dat aan geen enkele voorwaarde van voornoemd artikel 9, 9/ is voldaan, de Minister van Binnenlandse Zaken niet verder hoefde te onderzoeken of verzoeker duurzame sociale bindingen en humanitaire redenen kon laten gelden; dat de Minister van Binnenlandse Zaken evenmin diende te motiveren waarom de neergelegde stukken niet in aanmerking kwamen; dat het eerste onderdeel van het enig middel niet tot de nietigverklaring van de eerste bestreden beslissing kan leiden; 2.
- Overwegende dat verzoeker in een tweede onderdeel aanvoert dat de Minister van Binnenlandse Zaken niet afdoende motiveert waarom “het verkrijgen van een geboorteattest bij de ambassade de stelling versterkt dat in hoofde van verzoeker geen onmogelijkheid bestaat om terug naar S. te keren”; dat hij betoogt dat de Minister van Binnenlandse Zaken heeft nagelaten “ambtshalve een onderzoek in te stellen naar de (on)mogelijkheid en de manier van terugkeer van verzoeker naar zijn land van herkomst en G.” (cfr. artikel 2, 2/, van de Regularisatiewet); dat hij tevens betoogt dat de Minister van Binnenlandse Zaken vooreerst een onderzoek had dienen in te stellen naar de politieke situatie en de toestand van de mensenrechten in S. en naar zijn verblijfsmogelijkheden in G.; dat hij ten slotte aanvoert dat aan de vereiste van een verblijf van vijf of zes jaar zoals bepaald in artikel 9, 9/, van de Regularisatiewet niet “persé” moet zijn voldaan volgens de rechtspraak en de parlementaire voorbereidingen; Overwegende dat, wat het tweede onderdeel van verzoekers middel betreft, artikel 2, 2/, van de Regularisatiewet bepaalt dat deze wet van toepassing is op de aanvragen tot regularisatie van verblijf die ingediend worden door vreemdelingen die reeds daadwerkelijk in België verbleven op 1 oktober 1999 en die op het ogenblik van de aanvraag, om redenen onafhankelijk van hun wil niet kunnen terugkeren naar het land of de landen waar ze vóór hun aankomst in België gewoonlijk hebben verbleven, noch naar het land van herkomst, noch naar het land waarvan ze de nationaliteit hebben; dat de overwegingen hieromtrent in het advies van de Commissie voor regularisatie, als volgt luiden: “Hij toont zijn onmogelijkheid tot terugkeer niet aan en evenmin humanitaire redenen of dat hij voldoende duurzame sociale bindingen heeft ontwikkeld in ons land. Het is niet omdat S. op de IOM-lijst staat, dat de aanvrager niet naar zijn land van oorsprong kan terugkeren. Hij heeft dit land verlaten via een buurland, waar hij enkele maanden verbleef (zie zijn stuk 10), zodat hij in beginsel via dezelfde weg kan terugreizen. Niets belet de aanvrager vrijwillig naar S. of G. terug te keren.”; XIV-12.945-5/7 dat de Minister van Binnenlandse Zaken deze overwegingen overneemt en als de zijne onderschrijft; dat hij, gezien de kopie van het geboortecertificaat, dat werd ingediend door verzoekers raadsman bij brief van 6 juni en 9 juli 2002, daaraan het volgende toevoegt : “Het feit dat uw raad(sman) bij schrijven van 6 juni en 9 juli 2002 alsnog een kopij van een geboortecertificaat voorlegt, en men dus zou kunnen stellen dat uw identiteit als dusdanig niet langer betwist wordt, neemt niet weg dat u niet voldoet aan de criteria 2,/2/ en 2,/4/ van de wet van 22 december
- Het feit dat u zonder veel problemen een geboorteattest kon verkrijgen bij uw ambassade versterkt de stelling dat er in uw hoofde geen onmogelijkheid bestaat om terug te keren naar het land waarvan u de nationaliteit heeft. Bovendien geeft u geen reden aan waarom u niet zou terug kunnen naar G., het land waar u vóór uw aankomst in België heeft verbleven. Met andere woorden u voldoet niet aan de voorwaarde van artikel 2/2 en artikel 9/7 van de wet van 22 december 1999.”; dat hieruit blijkt dat de Minister van Binnenlandse Zaken afdoende motiveert waarom verzoeker niet in aanmerking komt voor een regularisatie op grond van artikel 2, 2/, van de Regularisatiewet; dat verzoeker betoogt dat hij onmogelijk naar S. terug kan keren en hiertoe een attest van het I.O.M. toevoegt; dat de Commissie voor regularisatie, en in navolging de Minister van Binnenlandse Zaken, evenwel bepaalt dat “het (...) niet (is) omdat S. op de IOM- lijst staat, dat de aanvrager niet naar zijn land van oorsprong kan terugkeren.”; dat het bovendien niet aan de Minister van Binnenlandse Zaken toekomt om ambtshalve de onmogelijkheid tot terugkeer na te gaan, maar aan verzoeker om de nodige bewijsstukken aan te brengen; dat de Commissie voor regularisatie en de Minister van Binnenlandse Zaken verder overwegen dat verzoeker geen reden aangeeft waarom hij niet terug zou kunnen naar G., het land waar hij vóór zijn aankomst in België heeft verbleven; dat verzoeker geen enkel concreet argument aanreikt waaruit de onmogelijkheid tot terugkeer naar G. blijkt, zoals bepaald door artikel 2, 2/, van de Regularisatiewet; dat het tweede onderdeel van het enig middel niet tot de nietigverklaring van de bestreden beslissing kan leiden; 2.
- Overwegende dat de Minister van Binnenlandse Zaken op grond van de motieven van de eerste bestreden beslissing op goede gronden kon besluiten om de regularisatie van de verblijfstoestand van verzoeker te weigeren; dat uit het administratief dossier blijkt dat voormelde motieven draagkrachtig, pertinent en deugdelijk zijn; dat verzoeker niet aantoont dat de eerste bestreden beslissing een manifeste beoordelingsfout inhoudt en dat zij de zorgvuldigheidsplicht schendt; dat het bestreden bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten rechtsgeldig steunt op de eerste bestreden beslissing; dat tegen dit bevel geen middel wordt ontwikkeld; dat het enig middel ongegrond is;
- Overwegende dat de verzoekende partij geen middel heeft aangevoerd dat tot de nietigverklaring van de bestreden beslissingen kan leiden; dat er derhalve grond is om toepassing te maken van artikel 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelin-gen; dat de XIV-12.945-6/7 vordering tot schorsing, als accessorium van de nietigverklaring, derhalve samen met het beroep tot nietigverklaring wordt verworpen, BESLUIT: Artikel
- De vordering tot schorsing en het beroep tot nietigverklaring worden verworpen. Artikel
- De kosten van het beroep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. Aldus te Brussel, na beraad, uitgesproken in openbare terechtzitting, op vierentwintig januari tweeduizend en vijf, door : de H. D. MOONS, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, Mevr. R. VAN DEN EECKHOUT, toegevoegd griffier. De griffier, De voorzitter, R. VAN DEN EECKHOUT. D. MOONS. XIV-12.945-7/7 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.139.676 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.