id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 24 januari 2005 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.139.677 Rolnummer: A. 145178/XIV-17964 Zaak: Arrest 139677 - - 24/01/2005 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2005-02-18 Raadplegingen: 54 - laatst gezien 2026-07-02 06:56 Fiche Arrest nr 139.677 van 24 januari 2005 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 139.677 van 24 januari 2005 in de zaak A. 145.178/XIV-17.
- In zake : XXX, die woonplaats kiest bij Advocaat A. DE POURCQ, kantoor houdende te 2060 ANTWERPEN, Nachtegaalstraat 47 tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de Minister van Binnenlandse Zaken. ---------------------------------------------------------------------------------------------------------- DE Wnd. VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX, geboren op 2 november 1970 en van XXX nationaliteit, op 11 december 2003 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van de beslissing van de Minister van Binnenlandse Zaken van 12 november 2003 tot weigering van regularisatie; Gezien het verzoekschrift dat de verzoekende partij op dezelfde dag heeft ingediend om de schorsing van de tenuitvoerlegging te vorderen van dezelfde beslissing; Gelet op de artikelen 4 en 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelin-gen; Gezien de nota van de verwerende partij; Gezien het verslag opgemaakt door Auditeur M. STERCK, op grond van artikel 26 van voormeld koninklijk besluit; Gelet op de kennisgeving van dat verslag aan de partijen; Gelet op de beschikking van 1 oktober 2004 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op woensdag 3 november 2004 om 10.00 uur; Gehoord het verslag van Staatsraad D. MOONS; XIV-17.964-1/8 Gehoord de opmerkingen van Advocaat A. VERSTRAELEN, die loco Advocaat A. DE POURCQ verschijnt voor de verzoekende partij, en van Advocaat E. MATTERNE, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van Eerste Auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
- Overwegende dat de voornaamste gegevens van de zaak als volgt kunnen worden samengevat : 1.
- De verzoekende partij dient op 26 januari 2000 een regularisatieaanvraag in op basis van artikel 2, 4/, van de wet van 22 december 1999 betreffende de regularisatie van het verblijf van bepaalde categorieën van vreemdelingen verblijvend op het grondgebied van het Rijk (Regularisatiewet). 1.
- De verzoekende partij wordt door de Commissie voor regularisatie op 13 februari 2003 gehoord, bijgestaan door een raadsman en een tolk. 1.
- De Kamer van de Commissie voor regularisatie verleent op 16 april 2003 een ongunstig advies betreffende de aanvraag van verzoekster. Dit advies bevat de volgende overwegingen: “(...) Gelet op de beschikking van 23 januari 2003 van Mw. Carla Vercammen, Vice-Eerste- voorzitter van de Commissie, met toewijzing van de behandeling van dit ingediende verzoek tot regularisatie aan de Nederlandstalige kamer op de zitting van 13 februari
- Op deze zitting verscheen de verzoekende partij in persoon en werd bijgestaan door zijn raadsman mr. Stijn Schütt advocaat aan de balie van Antwerpen en kon worden gehoord met de bijstand van een tolk. Reeds eerder had de verzoekende partij kennis kunnen nemen van de nota van het onderzoekssecretariaat van 3 oktober 2002 en daarin stond te lezen dat het bij de aanvraag gevoegde dossier volledig was maar dat prima facie bleek dat de aanvraag niet kon leiden tot een gunstig advies zodat de aanvraag aanhangig werd gemaakt bij een kamer van de Commissie op grond van artikel 12 § 3 van de Wet van 22 december
- De Commissie kon, zoals voorzien is in artikel 14 § 1 van het koninklijk besluit van 5 januari 2000 betreffende de samenstelling en de werking van de Commissie voor Regularisatie, kennis nemen van een dossier van betrokkene bij de Dienst Vreemdelingenza- ken met het nummer 4.744.152 en welk dossier verband hield met het verblijf van betrokkene in het Rijk zodat deze ook bekend was met die gegevens. Haar toenmalige advocaat Werner Mertens kwam bij brief van 13 mei 1998 tussen voor verzoekster. Zij wilde toen blijkbaar huwen met de Belgische onderdaan J. die geboren was te E. op 22 oktober 1960 en ze zou toen gezin hebben gevormd op het adres K.straat 19 te A. Op de stad A. bleek hiervan evenwel toen niets bekend te zijn. Ze kreeg op 18 juni 1998 een bevel om het grondgebied te verlaten en bleek daarna op 30 juli 1998 niet meer aan te treffen. Verzoekster heeft voor haar aanvraag tot regularisatie van verblijf het artikel 2,4/ van de wet van 22 december 1999 ingeroepen hetzij humanitaire redenen kunnen laten gelden en duurzame sociale bindingen in het land ontwikkeld hebben. XIV-17.964-2/8 Bij het inroepen van dit artikel moest de betrokken vreemdeling volgens artikel 9,9/ van de Wet van 22 december 1999 het bewijs leveren van een bestendige aanwezigheid in België die teruggaat tot meer dan zes jaar, of tot meer dan vijf jaar voor een gezin met minderjarige kinderen die op 1 oktober 1999 in België verblijven en die de leeftijd hebben om naar school te gaan, en/of in voorkomend geval het bewijs leveren van een wettig verblijf in België en/of een schriftelijke verklaring waaruit blijkt dat in de loop van vijf jaar voorafgaand aan de aanvraag geen bevel gekregen was om het grondgebied te verlaten. Als een relevant wettig verblijf worden niet beschouwd, het verblijf op grond van een toeristenvisum, het verblijf waartoe de kandidaat-vluchtelingen in afwachting van een beslissing over de ontvankelijkheid van hun asielaanvraag zijn toegelaten en het verblijf waartoe studenten gemachtigd zijn. Uit de gegevens waarvan de Commissie kennis kon krijgen blijkt dat de Antwerpse geneesheer Dokter Elarbi vermeld heeft dat zij sinds 1993 bij hem op raadpleging kwam en met verder niet toetsbare getuigenissen wil verzoekster haar verblijf aantonen in dit land gedurende de jaren 1993, 1994 en
- Betrokkene is nog steeds ongehuwd en werkt niet in het officiële arbeidscircuit wel in het zwarte circuit. Toch is ze aangesloten bij het ABVV te Antwerpen bij de Centrale Voeding. Haar familie vertoeft nog in XXX waar haar vader reeds overleden is. Een zuster van haar leeft reeds vijfentwintig jaar in België en ze is een gehuwde moeder van acht kinderen. Het is dan ook wel erg verrassend dat de Commissie verder weinig of niets kon vernemen over de relatie van verzoekster met haar rechtstreekse familie die volgens haar ter zitting gegeven uitleg in België leeft. Ze is, wanneer ze ter zitting verschijnt, niet in het bezit van een huurovereenkomst noch van door haar betaalde rekeningen voor gas, water of elektriciteit omdat ze met haar zwakke gezondheid volgens haar verklaring door de gemeenschap waarin ze leeft wordt onderhouden. Waar ze sprak over een zwakke gezondheid was ze wel nalatig daarover verder nuttige elementen aan te brengen. Op 19 februari 2003 werd aan de Commissie kopij bezorgd van een huurcontract afgesloten op 14 februari 2003 voor een gemeubelde kamer V.straat 10 te A. waar ook de verhuurder Frank Schrickx woont en die er een geschreven verklaring aan toevoegt dat betrokkene er voordien op een gemeubelde studio verbleef sedert 1995 met een mondelinge huurovereenk- omst waarbij de regelmatig betaalde huurgelden eveneens dienden voor betaling van de nutsvoorzieningen. Dit is een nieuwe verklaring van Frank Schrickx die eerder aan de Commissie verklaarde dat hij verzoekster sinds 1993 kent en haar sindsdien regelmatig in Antwerpen heeft ontmoet. Toen liet hij helemaal niet blijken dat betrokkene zijn huurster was noch sinds wanneer dat dit het geval was. Beide verklaringen lijken dan ook wel wat vreemd van mekaar. De recentste verklaring van deze Frank Schrickx is al evenmin in overeenstemming te brengen met wat voor verzoekster in haar aanvraag tot regularisatie werd genoteerd namelijk dat ze woonplaatskeuze deed op het adres van haar feitelijke verblijfplaats A.laan nr 66 te D. Waarom voor verzoekster door de stad A. een woonstcontrole gebeurd is op het adres S.brug 76 te A. op 18 maart 2000, en waar verzoekster toen ook niet woonachtig bleek, is door de Commissie helemaal niet te begrijpen. Na de zitting bezorgde verzoekster ook nog een kopij van het stuk waarmee ze een wijziging van adres op haar XXX identiteitskaart door het Consulaat van XXX in Antwerpen wil aantonen. Te Brussel werd op 15 juni 1998 de handtekening van betrokkene gelegaliseerd door een beambte van het Belgische Ministerie van Buitenlandse Zaken. Zoals hoger vermeld werd haar slechts daarna op 18 juni 1998 bevel betekend om het land te verlaten en kon ze daarna niet teruggevonden worden door de Belgische overheid. Betrokkene legt een door de Préfecture de S. in XXX op 7 mei 1998 afgeleverd attest voor van celibaat van betrokkene en vermeldde daarbij haar woonplaats in S. Verzoekster bezorgde aan de Commissie eveneens een "Certificat de Résidence" gedateerd op 7 mei 1998 en afgeleverd door de Préfecture de S. in XXX en waarin te lezen staat dat haar beroep dit van "brodeuse" was en woonachtig was H. nr
- Dit officiële stuk is dus niet direct van aard om een verblijf van betrokkene in het Rijk in die periode te bevestigen. In dezelfde periode op 13 mei 1998 liet verzoekster zich een uittreksel uit haar geboorteak- te afleveren in XXX maar ook in dat stuk kan geen bevestiging gevonden worden van een continu verblijf van betrokkene in dit land. Betrokkene bezit thans de XXX identiteitskaart AB124721 met woonplaats (zoals) in A. zoals vermeld. Ze is geldig van 13 juni 2001 tot 12 juni 2011 en was nog niet in bezit van verzoekster wanneer ze haar verzoek tot regularisatie te A. ingediend heeft. Haar XXX paspoort M.937405 vermeldt dat ze op het Consulaat van XXX te A. geïmmatriculeerd werd op 18 april 2001 en dit nieuwe paspoort is geldig van 30 mei 2001 tot 29 mei 2002 maar te A. nog verlengd tot 27 mei
- Hierbij is het minstens eigenaardig dat betrokkene niet eerder bij dat consulaat werd geïmmatriculeerd vooral omdat ze daar eerder in 1998 toch contact mee had. Bij het indienen van haar verzoek tot regularisatie voegde verzoekster ook kopij van slechts de bladzijden 2 en 3 uit haar XXX paspoort met nummer F.
- Daarop staat haar XIV-17.964-3/8 woonplaats in S. in XXX vermeld. De Commissie heeft geen inzage kunnen krijgen van dit volledige paspoort zodat het onmogelijk is om na te gaan welk gebruik er van dat paspoort werd gemaakt en wanneer (dat) dit gebeurde. Evenmin werd de moeite gedaan om dat oude paspoort volledig te kopiëren zodanig dat de Commissie kon nagaan welk gebruik er van dat paspoort gemaakt was sinds de aflevering ervan. Hieruit had kunnen blijken of ze al dan niet heen en weer gereisd had tussen haar land van herkomst en België waar ze een motief kon hebben om er op familiebezoek te komen. Bij het indienen van haar verzoek tot regularisatie bezorgde verzoekster kopij van een duplicata van haar XXX identiteitskaart AB124721 geldig van 5 februari 1990 tot 4 februari 2000 waarop haar woonplaats deze is in S. in haar land van herkomst. Dit gegeven is niet in overeenstemming te brengen met hetgeen voor (door) verzoekster zelf wordt voorgehouden wanneer ze kopij voorlegt van een stuk uitgaande van het consulaat van het koninkrijk M. in A. gedateerd op 30 november 1995 vergezeld van de interpretatie ervan als bedoeld voor een wijziging van het adres dat vermeld stond op haar XXX identiteitskaart. De Commissie kan vaststellen dat verzoekster zich sinds het indienen van haar verzoek tot regularisatie op verschillende punten een bereidheid heeft getoond om zich in de Belgische samenleving in te schakelen. Dit zijn echter elementen die de beoordeling van de periode voorafgaand aan het indienen van haar verzoek niet echt mogen beïnvloeden. Uit geen enkel toetsbaar gegeven kan er met voldoende zekerheid worden gesteld of verondersteld dat verzoekster de duur van een ononderbroken verblijf van zes jaar voorafgaand aan het indienen van haar verzoek bereikt had. Dat ze in het begin der negentiger jaren in België vertoefd heeft kan wel worden aangenomen maar nergens is er een ernstige aanduiding dat ze na het haar gegeven bevel om het land te verlaten hier nog gebleven is. Dit brengt dan wel met zich mee dat de duur van het werkelijk aan te nemen verblijf in het land te kort is om op basis van de duur ervan tot een regularisatie te kunnen komen. Indien verzoekster sinds het begin van de jaren negentig ononderbroken in België zou verbleven hebben dat (dan) moest ze (zich) in de loop der jaren zeker beter het Nederlands hebben kunnen leren kennen als taal van de streek waar ze voorhoudt verbleven te hebben dan dat dit het geval is meer dan twee jaren na het indienen van haar verzoek tot regularisatie. Immers verzoekster heeft geen enkel echt toetsbaar element kunnen bezorgen aan de Commissie om haar verblijf in dit land op en voorafgaand aan 1 oktober 1999 voldoende geloofwaardig te maken en hierbij moest zij dit doen voor een periode van zes ononderbroken jaren zoals de wetgever in haar geval vereist bij criterium 2,4/. Anderzijds kan er al evenmin gesteld worden dat er echt waarneembare elementen konden gevonden worden waaruit kon blijken dat verzoekster hier persoonlijk duurzame sociale bindingen had opgebouwd of een uitgesproken motivatie liet blijken. Het blijft vanzelfsprekend dat alle tot einde januari 2000 ingediende aanvragen tot regularisatie op grond van gelijkheid dienen behandeld te worden hetgeen betekent dat er voor alle aanvragen rekening moet worden gehouden met de elementen van de situatie zoals deze zich eind januari 2000 voordeed voor de verzoekende partij zoniet zou er mogelijkheid bestaat dat verzoekers die op de eerste zittingen van de Commissie voor behandeling van hun verzoek werden opgeroepen in een nadeliger situatie zouden vertoefd hebben dan diegenen die veel later voor de Commissie konden verschijnen. Aangezien deze vaststellingen hebben geleid tot het hiernavolgend advies dat, na beraadslaging, uitgebracht wordt overeenkomstig artikel 17 van het Koninklijk Besluit van 5 januari 2000 betreffende de samenstelling en de werking van de Commissie voor Regularisatie en houdende de uitvoering van de Wet van 22 december 1999 betreffende de regularisatie van verblijf van bepaalde categorieën van vreemdelingen, verblijvend op het grondgebied van het Rijk (Belgisch Staatsblad van 10 januari 2000 p.588-592) en volgens artikel 19 in werking getreden op 10 januari
- (...).”. 1.
- Op 12 november 2003 verwerpt de Minister van Binnenlandse Zaken de aanvraag tot regularisatie door zich aan te sluiten bij de overwegingen van het advies van de Commissie voor regularisatie. Dit is de thans bestreden beslissing, die als volgt luidt: “(...) Mevrouw, De Kamer van de Commissie voor Regularisatie heeft mij, overeenkomstig de wet van 22 december 1999 betreffende de regularisatie van het verblijf van sommige categorieën van vreemdelingen verblijvend op het grondgebied van het Rijk, gevat met een ongunstig advies voor beslissing inzake uw aanvraag tot regularisatie, door U ingediend bij de Burgemeester te A., op 26/01/2000 en dat het nummer 21402000012602158 draagt. XIV-17.964-4/8 Ik heb beslist dit advies, waarvan ik de overwegingen onderschrijf en als de mijne overneem, en waarvan U in bijlage een kopie vindt, te volgen. Overeenkomstig artikel 14 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State beschikt U over 30 dagen om een verzoekschrift tegen deze beslissing in te dienen. (...).”. 2.
- Overwegende dat verzoekster in het eerste middel aanvoert dat er een manifeste appreciatiefout werd begaan en dat de artikelen 1 tot 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen werden geschonden, omdat uit het advies van de Commissie voor regularisatie, overgenomen door de Minister van Binnenlandse Zaken, niet blijkt dat de brief van Mr. SCHÜTT van 19 februari 2003 werd gelezen en beantwoord; dat verzoekster betoogt dat de Commissie voor regularisatie zich heeft beperkt tot “een zeer letterlijke analyse van de voorgelegde documenten om hieruit af te leiden dat het bewijs niet voorlag dat verzoekster ononderbroken in België was verbleven”; dat verzoekster vervolgens betoogt dat de Minister van Binnenlandse Zaken geen rekening heeft gehouden met de brief met bijkomende stukken van 19 mei 2003; dat hiervoor wordt verwezen naar de uiteenzetting onder het tweede middel; Overwegende dat de brief van 19 februari 2003 van verzoeksters toenmalige Advocaat een uiteenzetting bevat met betrekking tot “twee documenten aan de Commissie voorgelegd, uitgaande van het Consulaat van M. te A.”, namelijk een document van 30 november 1995 betreffende de wijziging van het adres op haar XXX identiteitskaart, en een attest van nationaliteit afgeleverd op 4 juni 1998 en gelegaliseerd door het Ministerie van Buitenlandse Zaken op 15 juni 1998; dat de Commissie voor regularisatie kennis had van deze brief, met bijlagen, wat blijkt uit de volgende passus van het advies : “Na de zitting bezorgde verzoekster ook nog een kopij van het stuk waarmee ze een wijziging van adres op haar XXX identiteitskaart door het Consulaat van XXX in A. wil aantonen. Te Brussel werd op 15 juni 1998 de handtekening van betrokkene gelegaliseerd door een beambte van het Belgische Ministerie van Buitenlandse Zaken.”; Overwegende dat uit het advies van de Commissie voor regularisatie blijkt dat zij de voornoemde stukken heeft in overweging genomen en ze bij de beoordeling van verzoeksters regularisatieaanvraag heeft betrokken; dat uit het advies eveneens blijkt dat de Commissie voor regularisatie kennis nam van de argumentatie van verzoekster, zoals ontwikkeld in de brief van 19 februari 2003: “Bij het indienen van haar verzoek tot regularisatie bezorgde verzoekster kopij van een duplicata (duplicaat) van haar XXX identiteitskaart AB124721 geldig van 5 februari 1990 tot 4 februari 2000 waarop haar woonplaats deze is in S. in haar land van herkomst. Dit gegeven is niet in overeenstemming te brengen met hetgeen voor (door) verzoekster zelf wordt voorgehouden wanneer ze kopij voorlegt van een stuk uitgaande van het consulaat van het koninkrijk XXX in A. gedateerd op 30 november 1995 vergezeld van de interpretatie ervan als bedoeld voor een wijziging van het adres dat vermeld stond op haar XXX identiteits- kaart.”; dat uit het advies evenwel blijkt dat de argumentatie van verzoeksters toenmalige raadsman de Commissie voor regularisatie niet heeft kunnen overtuigen; dat dit evenwel geen afbreuk XIV-17.964-5/8 doet aan de wettigheid van het advies; dat verzoekster niet aantoont dat het advies van de Commissie voor regularisatie, en in navolging de beslissing van de Minister van Binnenlandse Zaken, niet draagkrachtig is; dat het eerste middel ongegrond is; 2.
- Overwegende dat verzoekster in een tweede middel aanvoert dat de Minister van Binnenlandse Zaken het zorgvuldigheidsbeginsel heeft geschonden door in de bestreden beslissing niet te verwijzen naar de, na het advies van de Commissie voor regularisatie, aan de Minister toegestuurde brief van haar Advocaat A. DE POURCQ, met bijkomende stukken van 19 mei 2003; dat verzoekster aanvoert dat “er geen spoor (is) van de ontvangst, laat staan van de analyse en de evaluatie van de inhoud ervan”; dat zij hieraan toevoegt dat de brief betrekking had op “belangrijke onderdelen van de regularisatieaanvraag, die niet zomaar als onbelangrijk terzijde konden worden geschoven”; dat zij tenslotte betoogt dat de redelijke termijn werd overschreden aangezien tussen de regularisatieaanvraag en de bestreden beslissing een tijdspanne ligt van 3 jaar en 9 maanden; dat dit, aldus verzoekster, impliceert dat “verweerder moest afzien van het nemen van de negatieve beslissing (...)”; Overwegende dat de brief van de Advocaat van verzoekster een uitgebreide kritiek bevat op het advies van de Commissie voor regularisatie; dat uit de lezing van de brief en de bedoelde bijkomende stukken evenwel blijkt dat daaruit geen gegevens naar voor komen die verzoekster niet reeds ten tijde van de behandeling van haar regularisatieaan- vraag heeft aangebracht of had kunnen aanbrengen; dat zij evenmin nieuwe elementen aanbrengt die de Commissie voor regularisatie niet heeft besproken in haar advies; dat zij evenmin aantoont dat haar argumenten en documenten die zij aan de Minister van Binnenland- se Zaken heeft overgemaakt van die aard zijn dat zij de bestreden beslissing hadden kunnen wijzigen; dat het advies van de Regularisatiecommissie, dat wordt gevolgd door de Minister van Binnenlandse Zaken, gedetailleerd is uitgewerkt en grondig werd gemotiveerd; dat het met betrekking tot verzoeksters regularisatieaanvraag ondermeer overweegt dat: “Uit geen enkel toetsbaar gegeven kan er met voldoende zekerheid worden gesteld of verondersteld dat verzoekster de duur van een ononderbroken verblijf van zes jaar voorafgaand aan het indienen van haar verzoek bereikt had. Dat ze in het begin der negentiger jaren in België vertoefd heeft kan wel worden aangenomen maar nergens is er een ernstige aanduiding dat ze na het haar gegeven bevel om het land te verlaten hier nog gebleven is. Dit brengt dan wel met zich mee dat de duur van het werkelijk aan te nemen verblijf in het land te kort is om op basis van de duur ervan tot een regularisatie te kunnen komen. Indien verzoekster sinds het begin van de jaren negentig ononderbroken in België zou verbleven hebben dat (dan) moest ze (zich) in de loop der jaren zeker beter het Nederlands hebben kunnen leren kennen als taal van de streek waar ze voorhoudt verbleven te hebben dan dat dit het geval is meer dan twee jaren na het indienen van haar verzoek tot regularisatie. Immers verzoekster heeft geen enkel echt toetsbaar element kunnen bezorgen aan de Commissie om haar verblijf in dit land op en voorafgaand aan 1 oktober 1999 voldoende geloofwaardig te maken en hierbij moest zij dit doen voor een periode van zes ononderbroken jaren zoals de wetgever in haar geval vereist bij criterium 2,4/. Anderzijds kan er al evenmin gesteld worden dat er echt waarneembare elementen konden gevonden worden waaruit kon blijken dat verzoekster hier persoonlijk duurzame sociale bindingen had opgebouwd of een uitgesproken motivatie liet blijken.”; XIV-17.964-6/8 dat verzoekster niet verduidelijkt hoe de brief van de Advocaat de bestreden beslissing in positieve zin had kunnen ombuigen; dat de Minister derhalve op goede gronden zijn beslissing heeft gemotiveerd door daarin te vermelden dat hij de overwegingen vervat in het advies van de Commissie voor regularisatie, onderschrijft en overneemt; dat wat het beweerde overschrijden van de redelijke termijn betreft, de Raad van State geen bepaling bekend is die de regularisatieaanvrager automatisch de regularisatie toekent wanneer er geen beslissing zou zijn genomen binnen een bepaalde termijn; dat bovendien de redelijke termijn niet werd overtreden, gelet op het zeer groot aantal regularisatieaanvragen die werden ingediend en gelet op de individuele behandeling en beoordeling van elke regularisatieaanvraag; dat het tweede middel niet gegrond is,
- Overwegende dat de verzoekende partij geen middel heeft aangevoerd dat tot de nietigverklaring van de bestreden beslissing kan leiden; dat er derhalve grond is om toepassing te maken van artikel 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; dat de vordering tot schorsing, als accessorium van de nietigverklaring, derhalve samen met het beroep tot nietigverklaring wordt verworpen, BESLUIT: Artikel
- De vordering tot schorsing en het beroep tot nietigverklaring worden verworpen. Artikel
- De kosten van het beroep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. Aldus te Brussel, na beraad, uitgesproken in openbare terechtzitting, op vierentwintig januari tweeduizend en vijf, door : de H. D. MOONS, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, Mevr. R. VAN DEN EECKHOUT, toegevoegd griffier. XIV-17.964-7/8 De griffier, De voorzitter, R. VAN DEN EECKHOUT. D. MOONS. XIV-17.964-8/8 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.139.677 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.