← België

Arrest 139678 - - 24/01/2005

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 24 januari 2005 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.139.678 Rolnummer: A. 125983/XIV-11450 Zaak: Arrest 139678 - - 24/01/2005 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2005-02-18 Raadplegingen: 52 - laatst gezien 2026-07-02 06:57 Fiche Arrest nr 139.678 van 24 januari 2005 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 139.678 van 24 januari 2005 in de zaak A. 125.983/XIV-11.

  1. In zake : XXX, die woonplaats kiest bij Advocaat E. VAN GERVEN, kantoor houdende te 9080 LOCHRISTI, Dorp-West 73 tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de Minister van Binnenlandse Zaken. --------------------------------------------------------------------------------------------------------- DE Wnd. VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX, geboren op 19 mei 1961 en van XXX nationaliteit, op 22 augustus 2002 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van de beslissing van de Minister van Binnenlandse Zaken van 23 juli 2002 tot weigering van regularisatie; Gelet op het administratief dossier; Gezien de regelmatig gewisselde memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door Auditeur STERCK, op grond van artikel 23 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan de partijen en gelet op het verzoek tot voortzetting teneinde te worden gehoord van de verzoekende partij; Gelet op de beschikking van 1 oktober 2004 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op woensdag 3 november 2004 om 10.00 uur; Gehoord het verslag van Staatsraad D. MOONS; Gehoord de opmerkingen van Advocaat E. VAN GERVEN, die verschijnt voor de verzoekende partij, en van Advocaat S. DE VRIEZE, die loco Advocaat C. DECORDIER verschijnt voor de verwerende partij. XIV-11.450-1/7 Gehoord het eensluidend advies van Eerste Auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
  2. Over de feitelijke gegevens van de zaak. 1.
  3. XXX heeft op 29 januari 2000 een regularisatieaanvraag ingediend op basis van de wet van 22 december 1999 betreffende de regularisatie van het verblijf van bepaalde categorieën van vreemdelingen verblijvend op het grondgebied van het Rijk (Regularisatiewet), meer in het bijzonder op basis van artikel 2, 4/. 1.
  4. Op 12 juli 2001 stelt het onderzoekssecretariaat van de Commissie voor regularisatie vast dat het bij de aanvraag gevoegde dossier onvolledig is, en zendt de aanvraag met een negatief advies naar de Minister van Binnenlandse Zaken. 1.
  5. Op 23 augustus 2001 deelt verzoeker zijn standpunt omtrent dit negatief advies mee aan de Minister van Binnenlandse Zaken, waarop deze de zaak aanhangig maakt bij een kamer van de Commissie voor regularisatie. 1.
  6. Op 5 februari 2002 wordt verzoeker door de Commissie voor regularisatie, in aanwezigheid van een Advocaat, gehoord. 1.
  7. Op 21 februari 2002 heeft de Kamer van de Commissie voor regularisatie een ongunstig advies verleend betreffende de aanvraag van verzoeker. Dit advies bevat de volgende overwegingen: “(...) Overwegende dat verzoeker zijn identiteit naar behoren aantoont; Overwegende dat verzoeker zijn aanvraag tot regularisatie baseert op art. 2.4 van de Wet van 22 december 1999 betreffende de regularisatie van het verblijf van sommige categorieën van vreemdelingen verblijvend op het grondgebied van het Rijk; Overwegende dat uit het dossier en het verhoor ter zitting blijkt dat verzoeker op 1 oktober 1999 in België verbleef; dat uit het dossier blijkt dat er een nieuwe huurovereenkomst werd onde(r)tekend op dat ogenblik zodat kan vermoed worden dat verzoeker inderdaad op dat ogenblik in het Rijk verbleef; Overwegende dat verzoeker minstens sedert 28 december 1994 in België verblijft en dit naar behoren aantoont, gelet op zijn paspoort en de inschrijving aan de universiteit; dat moet gezegd worden dat de periode geen zes jaar bedraagt zoals door de Wet vereist; Overwegende dat verzoeker bovendien geen blijk geeft van voldoende duurzame bindingen met België; dat verzoeker (over) (van) een onvoldoende kennis van de Nederlandse taal blijk geeft; dat verzoeker weliswaar actief is op de arbeidsmarkt maar zijn beroepsactiviteiten en persoonlijke contacten beperkt tot de XXX wereld; dat verzoeker geen sociale banden aantoont met België; dat er geen humanitaire redenen zijn om de toestand van verzoeker te regulariseren; (...)”. XIV-11.450-2/7 1.
  8. Op 23 juli 2002 heeft de Minister van Binnenlandse Zaken de aanvraag tot regularisatie verworpen door zich aan te sluiten bij de overwegingen van het advies van de Commissie voor Regularisatie. Dit is de thans bestreden beslissing.
  9. Over de gegrondheid van de zaak. 2.
  10. Overwegende dat verzoeker een enig middel aanvoert dat als volgt luidt: “Schending van : - art. 2, 4/ van de wet d.d. 22.12.1999 betreffende de regularisatie van het verblijf van bepaalde categorieën van vreemdelingen verblijvend op het grondgebied van het Rijk; - art. 2 en art. 3 van de wet dd. 29.07.1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van bestuurshandelingen en van de beginselen van behoorlijk bestuur, inzonderheid het redelijkheidsbeginsel en het motiveringsbeginsel evenals de materiële motiveringsplicht; Doordat de bestreden beslissing het verzoek tot regularisatie verwerpt, Terwijl het verzoek aan de wettelijke voorwaarden voldoet; Doordat de bestreden beslissing voorbijgaat aan belangrijke feitelijke gegevens die door verzoeker werden aangebracht; Terwijl de motivering van bestuurshandelingen draagkrachtig en afdoende dient te zijn. Toelichting : 1.
  11. Het wordt niet betwist dat verzoekende partij op 28.12.1994 België is binnengekomen (zie stuk l). Nog geen maand later, nl. op 17.01.1995, volgde zijn inschrijving in het vreemdelingenregister (zie stuk 12). Op het ogenblik van de aanvraag tot regularisatie d.d. 29.01.2000 verbleef verzoeker reeds meer dan 5 jaar in België zonder ooit een bevel te hebben gekregen om het grondgebied te verlaten. De memorie van toelichting bij de wet d.d. 22.12.1999 stelt dat "de persoon die het bewijs levert van een onwettig verblijf van net geen 6 of 5 jaar, kan toch van de toepassing van de huidige wet genieten wanneer hij elementen kan doen gelden die wijzen op humanitaire omstandigheden en duurzame sociale bindingen" (Parl. Toc., Kamer 1999-2000, nr. 0234/001, pag. 8). Op het ogenblik van de bestreden beslissing d.d. 13.07.2002 verbleef verzoekende partij trouwens reeds meer dan 7,5 jaar in België! De voorgeschreven termijnen werden dus wel degelijk nageleefd. 1.
  12. Bovendien heeft verzoekende partij wel degelijk duurzame sociale bindingen met België. Met name heeft hij gedurende drie jaren gestudeerd in België (1994 t.e.m. 1997 - zie stukken 8) en werkt hij reeds van bij het begin van zijn aankomst in de horeca (zie stukken 10, 11, 14, 15, 16, 17). Worden als duurzame bindingen aangemerkt : "een baan hebben of een werktoezegging kunnen inroepen; een beroepsopleiding volgen of gevolgd hebben" (Parl. St. Kamer 1999- 2000, nr. 234/005, pag. 740). Het valt op dat hoewel de Kamer van de Commissie voor Regularisatie in haar advies deze feitelijkheden van verblijf sedert 28.12.1994 + inschrijving aan de universiteit en de werksituatie van verzoekende partij erkent en zij nochtans goed bekend is met de memorie van toelichting bij de wet d.d. 22.12.1999, onbegrijpelijkerwijze concludeert dat verzoekende partij van onvoldoende duurzame bindingen blijft geeft. Verzoekende partij stelt dan ook terecht dat het advies en de beslissing die naar dit advies verwijst, intern tegenstrijdig is. 1.
  13. Daarnaast zijn er natuurlijk ook nog andere humanitaire redenen. Het is verzoeker met name onmogelijk om terug te keren naar XXX, en dit omwille van

(1)persoonlijke redenen (zie zijn verklaring stuk 13) die werden uiteengezet voor de Kamers van de Commissie voor regularisatie, en
(2)omwille van het regime in XXX zelf. Het is een gekend feit dat XXX het overgrote deel van 'haar' vluchtelingen niet 'terugneemt' (zie bv. http://www.euronet.nl/- stil/onuitzetbaar.html; http://www.afa.vuurwerk.nl/alert/Alert-2/mens2.html of recente mensenrechtenrapporten). Wordt men toch teruggenomen dan leidt men het leven van een tweederangsburger of riskeert men door het regime te worden geëlimineerd. Het is verzoeker dan ook onmogelijk om ooit nog een gewoon leven te leiden in XXX. Een terugkeer is dus uitgesloten. 2.
  1. De bestreden beslissing an sich d.d. 23.07.2002 die noch verzoekende partij noch zijn raadsman bereikt heeft, bevat géén enkele motivering. Er wordt enkel verwezen naar het advies van de Kamers van de Commissie voor Regularisatie d.d. 21.02.2002, met de XIV-11.450-3/7 stereotiepe nietszeggende formulering :“ ik heb beslist dit advies waarvan ik de overwegingen onderschrijf en tot de mijne neem, te volgen” (werd door een ambtenaar van de Commissie voor regularisatie al dusdanig aan de raadsman van de verzoekende partij telefonisch gedicteerd). De verwijzing in de motivering naar een voorbereidende handeling is slechts afdoende indien cumulatief aan de volgende voorwaarden voldaan is (zie Ingrid Opdebeeck, Benoemingen en Bevorderingen in de Raad van State) : - de inhoud van het stuk waarnaar wordt verwezen moet aan de betrokkene ter kennis zijn gebracht (in casu heeft verzoekende partij niet bereikt); - het stuk waarnaar wordt verwezen moet zelf afdoende gemotiveerd zijn (in casu is niet correct gemotiveerd want gebrekkig); - de voorstellen of adviezen moeten worden bijgevallen in de uiteindelijke beslissing; - er mogen geen tegenstrijdige adviezen zijn (in casu wel intern tegenstrijdig). In casu is het advies van de Kamers van de Commissie voor Regularisatie niet afdoende gemotiveerd en is bovendien intern tegenstrijdig. Het negatief advies wordt als volgt gemotiveerd; (...) Verzoekende partij wil er trouwens op wijzen dat hem op de hoorzitting d.d. 05.02.2002 geen vragen gesteld werden waaruit al dan niet zijn kennis van het Nederlands mocht blijken. Waarschijnlijk leidt de Kamer(s) van de Commissie voor Regularisatie de beweerde onvoldoende kennis van de Nederlandse taal af uit het feit dat verzoekende partij tijdens de zitting voor de Kamer werd bijgestaan door een tolk. Het is evident dat verzoekende partij, n(i)et zoals eenieder die geconfronteerd wordt met een danig belangrijke procedure waar er beslist wordt over regularisatie of uitzetting, zich op dat moment laat bijstaan door een tolk om een antwoord te geven op vragen en juridische zaken die zelfs in de moedertaal moeilijk te begrijpen zijn. Het klopt wel dat de beroepsactiviteiten van verzoekende partij eerder beperkt zijn tot de XXX wereld. Maar ook dit is logisch, gezien verzoekende partij kok is. Verzoekende partij kookt XXX gerechten en deze worden in België praktisch enkel opgediend in XXX restaurants. Ten onrechte wordt hieruit echter afgeleid dat de persoonlijke contacten van verzoekende partij beperkt zouden zijn tot de XXX wereld. Mat name had verzoekende partij quasi uitsluitend contact met Belgen (medestudenten) gedurende de jaren van studies in Leuven. Naderhand is hij deze contacten blijven onderhouden en heeft hij nieuwe Belgische vrienden gemaakt (zie stuk 18). De door de Kamers van de Commissie voor Regularisatie gemaakte deductie is dan ook niet geoorloofd. Men kan trouwens, in alle ernst, niet beweren dat iemand die drie jaren studeert in België en er meer dan 5 (ondertussen 7,5) jaren is tewerkgesteld geen duurzame bindingen heeft met dat land en haar inwoners waarmede hij dagelijks geconfronteerd wordt en zich verstaanbaar moet maken, zodat dit argument dan ook intern tegenstrijdig is. 2.
  2. Bovendien besluit het advies dat er geen humanitaire redenen zijn waarbij de minister verkeerdelijk de ogen sluit voor de argumenten en de stukken die de verzoekende partij heeft aangebracht bij aangetekend schrijven d.d. 23.08.2001 van zijn raadsman (zie stuk 21). 2.
  3. Tenslotte is het zo dat, los van de inhoudelijk incorrectheid van het advies, deze elementen ook op zich niet voldoende zijn om de aanvraag tot regularisatie af te wijzen. BESLUIT : De motivering van het advies is dus gebrekkig en intern tegenstrijdig hetgeen de bestreden beslissing die zelf niet gemotiveerd is en enkel naar het advies verwijst, onwettig maakt.” 2.
  4. Overwegende dat de verwerende partij in de memorie van antwoord repliceert dat de Raad van State de regularisatieaanvraag van verzoeker niet aan een volledig nieuw feitelijk onderzoek kan onderwerpen; dat de Raad van State enkel nagaat of er geen kennelijk onredelijke invulling werd gegeven aan de begrippen “duurzame sociale bindingen” en “humanitaire redenen”; dat in het advies en in de bestreden beslissing de elementen weergegeven zijn die aantonen waarom verzoeker niet voldoet aan artikel 2, 4/, van de Regularisatiewet; dat de feitelijke elementen die verzoeker aanhaalt allerminst overtuigend zijn; dat verzoeker geen bewijs voorlegt van zijn beweerde kennis van het Nederlands; dat de stukken die verzoekers advocaat heeft ingediend op 23 augustus 2001 overeenkomstig artikel 8, lid 2, van de Regularisatiewet laattijdig werden ingediend waardoor er geen rekening mee XIV-11.450-4/7 kon worden gehouden; dat de tewerkstelling van verzoeker binnen de XXX gemeenschap in België niet als een element van duurzame sociale bindingen kan worden beschouwd; dat het eerste onderdeel van het enig middel onontvankelijk is of minstens ongegrond; dat uit het verzoekschrift blijkt dat verzoeker de motieven van de bestreden beslissing kent, zodat de schending van de formele motiveringplicht niet dienstig wordt ingeroepen; dat de schending van het redelijkheidsbeginsel niet wordt uitgewerkt; 2.
  5. Overwegende dat de verzoekende partij in de memorie van wederantwoord vooreerst de schending van de rechten van de verdediging aanvoert omdat de verwerende partij geen inventaris voegt bij de memorie van antwoord en dat dit een schending inhoudt van artikel 86 van het Procedurereglement van de Raad van State; dat het administratief dossier niet gebundeld, noch duidelijk genummerd is; dat bepaalde stukken in het Frans zijn opgesteld; dat in het algemeen het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen de verdedigingsmogelijkheden van vreemdelingen enigszins beperkt in vergelijking met deze van Belgen die een procedure voeren voor de Raad van State; dat de verzoekende partij vervolgt met een herhaling van het middel zoals uiteengezet in het inleidend verzoekschrift en hieraan toevoegt dat de verwerende partij de feitelijke gegevens niet betwist, en dat er onvoldoende rekening werd gehouden met het feit dat verzoeker drie academiejaren ingeschreven was aan de Katholieke Universiteit Leuven, dat hij een beroepsactiviteit heeft uitgeoefend en dat hij zich verstaanbaar kan maken; 2.4.
  6. Overwegende dat, betreffende de opmerking in de memorie van wederantwoord dat de rechten van verdediging van verzoeker zijn geschonden omdat het administratief dossier van de verwerende partij geen inventaris bevat, de bepaling van artikel 86 van het Besluit van de Regent van 23 augustus 1948 tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling Administratie van de Raad van State (Algemeen Procedurereglement) niet op straffe van nietigheid is voorgeschreven en dat verzoeker het administratief dossier heeft kunnen raadplegen; dat, betreffende de opmerking inzake een verschil in behandeling tussen Belgen en vreemdelingen, deze opmerking van verzoeker neerkomt op een kritiek die niet dienstig wordt aangevoerd in het kader van het beroep voor de Raad van State tegen een individuele rechtshandeling, omdat het vreemdelingencontentieux wordt geconfronteerd met een zeer groot aantal zaken die een specifieke behandeling vereisen; 2.4.
  7. Overwegende dat verzoeker in het verzoekschrift inhoudelijke kritiek geeft op de bestreden beslissing; dat daaruit volgt dat hij op de hoogte is van de inhoud ervan; dat uit de gegevens van het administratief dossier blijkt dat de bestreden beslissing werd verstuurd naar het adres dat verzoeker had opgegeven, namelijk. H.straat 16 te S.; XIV-11.450-5/7 Overwegende dat de Minister van Binnenlandse Zaken gerechtigd is om voor de motivering van zijn beslissing te verwijzen naar de motieven van het advies van de kamer van de Commissie voor regularisatie, die hij overneemt en tot de zijne maakt en als uitdrukkelijk herhaald beschouwt; dat de overwegingen van dit advies omstandig, ter zake dienend en afdoende zijn; dat zoals hierna blijkt, de Commissie voor regularisatie alle voorwaarden heeft onderzocht waaraan verzoeker moet voldoen om de regularisatie te bekomen op grond van artikel 2, 4/, van de Regularisatiewet; Overwegende dat uit de samenlezing van artikel 2, 4/, en artikel 9, 9/, van de Regularisatiewet blijkt dat de vreemdeling die reeds daadwerkelijk op het grondgebied verbleef op 1 oktober 1999, voorafgaandelijk het bewijs dient te leveren van zijn aanwezigheid in het Rijk overeenkomstig één van de bewijsmogelijkheden voorzien in artikel 9, 9/, van de Regularisatiewet, alsook dient te bewijzen dat er duurzame sociale bindingen in het land werden ontwikkeld en dat er humanitaire redenen zijn voor regularisatie; dat de bestreden beslissing op afdoende wijze is gemotiveerd indien blijkt dat de aanvrager aan één van deze voorwaarden niet voldoet; dat de aanwezigheid van meer dan zes jaar, vereist door artikel 9, 9/, van de Regularisatiewet, evenals de aanwezigheid in het Rijk op 1 oktober 1999, een noodzakelijke voorwaarde is opdat de aanvraag zou kunnen worden onderzocht op basis van artikel 2, 4/, van de Regularisatiewet; Overwegende dat uit de gegevens van het administratief dossier blijkt dat verzoeker op het ogenblik van zijn regularisatieaanvraag op 29 januari 2000 een feitelijk verblijf in het Rijk kon aantonen van vijf jaar, en één maand, gelet op zijn inschrijving aan de universiteit; dat de Commissie voor regularisatie en in navolging hiervan de Minister van Binnenlandse Zaken, derhalve wettig konden vaststellen dat verzoeker niet voldoet aan de voorwaarde van artikel 9, 9/, van de Regularisatiewet; dat dit volstaat om de regularisatieaanvraag op grond van de artikelen 2, 4/, en 9, 9/, van de Regularisatiewet af te wijzen; dat de verwijzing door verzoeker naar de memorie van toelichting bij de Regularisatiewet, die het heeft over “de persoon die het bewijs levert van een onwettig verblijf van net geen 6 (...) jaar”, niet ter zake dienend is omdat verzoeker een verblijf kon aantonen van vijf jaar en één maand, wat niet kan worden gelijkgesteld met “net geen zes jaar”; Overwegende dat ten overvloede kan worden opgemerkt dat artikel 9, 9/, lid 2, van de Regularisatiewet uitdrukkelijk bepaalt dat het verblijf waartoe studenten gemachtigd zijn niet als een relevant wettig verblijf in de zin van de Regularisatiewet wordt beschouwd; Overwegende dat de bestreden beslissing steunt op pertinente, afdoende en ter zake dienende motieven; dat de bestreden beslissing geen schending inhoudt van de motiveringsplicht of van het redelijkheidsbeginsel; dat het enig middel ongegrond is, XIV-11.450-6/7 BESLUIT: Artikel
  8. Het beroep wordt verworpen. Artikel
  9. De kosten van het beroep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. Aldus te Brussel, na beraad, uitgesproken in openbare terechtzitting, op vierentwintig januari tweeduizend en vijf, door : de H. D. MOONS, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, Mevr. R. VAN DEN EECKHOUT, toegevoegd griffier. De griffier, De voorzitter, R. VAN DEN EECKHOUT. D. MOONS. XIV-11.450-7/7 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.139.678 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.