id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 24 januari 2005 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.139.696 Rolnummer: A. 72069/IX-1744 Zaak: Arrest 139696 - - 24/01/2005 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2005-02-07 Raadplegingen: 52 - laatst gezien 2026-07-02 06:58 Fiche Arrest nr 139.696 van 24 januari 2005 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 139.696 van 24 januari 2005 in de zaak A. 72.069/IX-
- In zake : Robert DRUYTS, wonende te TURNHOUT, Elf Novemberlaan 32 tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de staatssecretaris voor Ontwikkelingssamenwerking, thans de minister van Ontwikkelingssamenwerking, die woonplaats kiest bij advocaat X. LEURQUIN, kantoor houdende te BRUSSEL, Tedescolaan
- tussenkomende partij : Jozef HENDRIX, die woonplaats kiest bij advocaat D. LINDEMANS, kantoor houdende te BRUSSEL, Keizerslaan
- --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, IXe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat Robert DRUYTS op 14 november 1996 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van de beslissing van 16 september 1996 van de staatssecretaris voor Ontwikkelingssamenwerking houdende de taakverdeling tussen de inspecteurs-generaal van Financiën, toegevoegd aan de staatssecretaris voor Ontwikkelingssamenwerking, waarbij hem programma 0 wordt toegewezen en Jozef HENDRIX programma 1 tot en met 6; IX-1744-1/12 Gelet op het arrest nr. 65.891 van 17 april 1997 waarbij de vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing wordt verworpen; Gezien het verzoek tot voortzetting van de rechtspleging ingediend op 16 mei 1997 door verzoeker; Gezien het verzoekschrift tot tussenkomst van 23 juni 1997, ingediend door Jozef HENDRIX; Gelet op de beschikking van 2 juli 1997 die de tussenkomst van Jozef HENDRIX toelaat; Gezien de regelmatig gewisselde memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien de memorie van de tussenkomende partij; Gezien het verslag opgemaakt door auditeur R. AERTGEERTS; Gelet op de beschikking van 3 juni 1999 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen en gezien de regelmatig gewisselde laatste memories; Gelet op de beschikking van 27 oktober 2004 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 22 november 2004; Gehoord het verslag van kamervoorzitter J. DE BRABANDERE; IX-1744-2/12 Gehoord de opmerkingen van advocaat H. VERMEIRE, die loco advocaat I. MARTENS verschijnt voor verzoeker, van advocaat P. DE MAEYER, die loco advocaat X. LEURQUIN verschijnt voor de verwerende partij, en van advocaat J. JOOS, die loco advocaat D. LINDEMANS verschijnt voor de tussenkomende partij; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur- afdelingshoofd R. AERTGEERTS; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
- Overwegende dat de gegevens van de zaak als volgt kunnen worden samengevat : 1.
- Met een brief van 24 november 1995 meldt de minister van Begroting aan de staatssecretaris voor Ontwikkelingssamenwerking dat hij heeft kennis genomen van de beslissing van de staatssecretaris om de zending van R. DRUYTS, inspecteur-generaal van Financiën, in het kader van de Task Force Inspectie van Financiën/Hoog Comité van Toezicht, te verlengen. Om tegemoet te komen aan de wens van de staatssecretaris dat R. DRUYTS zich bij voorrang van die opdracht zou kwijten, beslist de minister van Begroting J. HENDRIX, inspecteur-generaal van Financiën, eveneens bij de staatssecretaris te accrediteren, met ingang van 27 november 1995, voor het behandelen van de dossiers betreffende de Ontwikkelingssamenwerking. In bijlage zendt de minister van Begroting een afschrift van zijn ministerieel besluit van 24 november 1995 waarbij J. HENDRIX wordt aangesteld om de taak van inspecteur van Financiën uit te oefenen bij de staatssecretaris voor Ontwikkelingssamenwerking. In dat besluit wordt onder meer bepaald dat bij afwezigheid van J. HENDRIX in zijn vervanging wordt voorzien door IX-1744-3/12 K. DIELTJENS, inspecteur-generaal van Financiën, geaccrediteerd bij de minister van Buitenlandse Handel. 1.
- Met een brief van 1 december 1995 meldt de minister van Begroting aan de staatssecretaris voor Ontwikkelingssamenwerking dat hij besloten heeft F. PIRARD, inspecteur-generaal van Financiën, met ingang van 1 december 1995, eveneens bij de staatssecretaris te accrediteren teneinde tegemoet te komen aan zijn wens de Task Force Inspectie van Financiën / Hoog Comité van Toezicht, verder te laten werken. In bijlage zendt de minister van Begroting een afschrift van zijn ministerieel besluit van 1 december 1995 waarbij F. PIRARD wordt aangesteld om de taak van inspecteur van Financiën uit te oefenen bij de staatssecretaris voor Ontwikkelingssamenwerking. In dat besluit wordt onder meer bepaald dat bij afwezigheid van F. PIRARD in zijn vervanging wordt voorzien door J. HENDRIX, inspecteur-generaal van Financiën, geaccrediteerd bij de staatssecretaris voor Ontwikkelingssamenwerking. 1.
- Op 16 september 1996 zendt de staatssecretaris voor Ontwikkelingssamenwerking de volgende nota aan de dd. administrateur-generaal bij het Algemeen Bestuur van de Ontwikkelingssamenwerking (ABOS) met betrekking tot de taakverdeling tussen de inspecteurs-generaal van Financiën, toegevoegd aan de staatssecretaris voor Ontwikkelingssamenwerking : “Rekening houdend met suggesties geformuleerd tijdens de O.S. contactdagen en na overleg met de Korpschef van de Inspecteurs van Financiën, heb ik besloten dat de taakverdeling tussen de Inspecteurs-financiën, aangesteld bij mijn persoon, vanaf heden, behoudens de door mij bepaalde uitzonderingen, als volgt zal gebeuren : - Programma 0 : Inspecteur van Financiën R. Druyts - Programma 1 tot en met 6 : Inspecteur van Financiën J. Hendrix. Ik vraag U dan ook de instructies te willen geven opdat de dossiers, zoals hierboven beslist, door het ABOS aan de Inspecteurs van Financiën zouden worden voorgelegd. Hierbij wordt er eveneens aan herinnerd dat, bij afwezigheid van de Heer J. Hendrix, in zijn vervanging wordt voorzien door de Heer K. Dieltjens”. IX-1744-4/12 Dat is de bestreden beslissing. Met nota’s van 16 september 1996 meldt de staatssecretaris voor Ontwikkelingssamenwerking aan R. DRUYTS en J. HENDRIX dat hij besloten heeft een preciezere taakverdeling onder de bij hem aangestelde inspecteurs van Financiën in te stellen “teneinde Uw werkzaamheden organisatorisch te vergemakkelijken”. 1.
- Met een nota van 1 oktober 1996 vraagt de directeur-generaal van het ABOS aan de staatssecretaris voor Ontwikkelingssamenwerking, naar aanleiding van een concreet dossier waarin moeilijkheden zijn ontstaan, “teneinde ons toe te laten uw instructie (van 16 september 1996) betreffende de taakverdeling op het niveau van de I.F. correct te interpreteren” “te willen preciseren tot welk administratief echelon een I.F. zich voortaan mag richten om complementaire informatie over dossiers op te vragen, en desgevallend onder welke vorm”. 1.
- Met een nota van 8 oktober 1996 vraagt de staatssecretaris voor Ontwikkelingssamenwerking aan R. DRUYTS, “met het oog op het uitwerken van een harmonieuze en doeltreffende verstandhouding tussen uzelf en het ABOS”, zijn aanvragen tot onderzoek enkel in te leiden bij, en te regelen met de bevoegde directeur-generaal of, bij afwezigheid van deze laatste voor een langere periode, bij en met zijn plaatsvervangende bestuursdirecteur. Eveneens met een nota van 8 oktober 1996 deelt de staatssecretaris voor Ontwikkelingssamenwerking aan de dd. administrateur- generaal bij het ABOS mede, “verwijzend naar bepaalde incidenten die (hem) werden gemeld betreffende de kontakten tussen de ABOS-administratie en de Inspecteurs-Generaal van Financiën, en met het oog op het uitwerken van een harmonieuze en doeltreffende verstandhouding tussen beide instanties”, dat hij aan de inspecteurs-generaal gevraagd heeft hun kontakten met de administratie te regelen met, en aan te vangen bij de bevoegde directeur-generaal en, bij afwezigheid van deze laatste voor een langere periode, met en bij de plaatsvervangende IX-1744-5/12 bestuursdirecteurs of hun onmiddellijke plaatsvervangers, aangeduid als contactpersoon. Hij bevestigt nogmaals zijn nota van 16 september 1996 over de taakverdeling tussen de inspecteurs-generaal van Financiën, waarbij er eveneens aan herinnerd wordt dat inspecteur-generaal R. DRUYTS eveneens belast is met een studie over de internationale juridische aspecten van de Belgische Ontwikkelingssamenwerkings- contracten in het buitenland. 1.
- Met een nota van 23 oktober 1996 meldt R. DRUYTS aan de staatssecretaris voor Ontwikkelingssamenwerking dat hij niet akkoord kan gaan met de regeling van de taakverdeling tussen de inspecteurs-generaal van Financiën, zoals bedoeld in de nota van 16 september
- Hij vraagt met aandrang die beslissing te willen herzien in de zin van een billijke werkverdeling tussen hem en J. HENDRIX en voegt eraan toe dat, indien de staatssecretaris van oordeel mocht zijn dat een herziening van de taakverdeling niet nodig is, verzoeker zich verplicht zal zien de zaak aanhangig te maken bij de Raad van State teneinde de schorsing van de beslissing te verkrijgen. 1.
- Met een nota van 25 oktober 1996 meldt de staatssecretaris voor Ontwikkelingssamenwerking aan R. DRUYTS dat hij de nota van 23 oktober 1996 betreffende het bezwaar tegen de vastgelegde regeling der werkzaamheden heeft ontvangen. Hij stelt : “Ik dien mijn verwondering uit te drukken over het feit dat U mij nu pas, ruim een maand na het ingaan van vernoemde regeling, bezwaren oppert tegen deze werkorde, ofschoon ik van U in de tussenperiode reeds meerdere nota’s mocht ontvangen. Ik kan enkel vaststellen dat uit Uw mij op 24 oktober toegezonden brief blijkt dat U op maandag 28 oktober een klacht in zal dienen voor de Raad van State, mij aldus niet redelijkerwijze in de mogelijkheid stellend hierover met U in dialoog te treden. Ik van mijn kant ben bereid ieder voorstel van de Inspectie van Financiën over een goede regeling der werkzaamheden van de IF, geaccrediteerd op mijn administratie, in overweging te nemen”. 1.
- Met een nota van 30 oktober 1996 meldt de staatssecretaris voor Ontwikkelingssamenwerking aan verzoeker de ontvangst van zijn nota van IX-1744-6/12 29 oktober 1996 betreffende de regeling der werkzaamheden van de inspecteurs- generaal. Hij herhaalt dat hij bereid is “ieder mij voorgelegd voorstel van de Inspectie van Financiën over een goede regeling der werkzaamheden van de IF, geaccrediteerd op mijn administratie, in overweging te nemen”. 1.
- Met een nota van 6 november 1996 doet verzoeker de staatssecretaris een voorstel voor taakverdeling tussen de inspecteurs van Financiën geaccrediteerd bij Ontwikkelingssamenwerking. 1.
- Op 14 november 1996 zendt verzoeker zijn verzoekschrift tot nietigverklaring en zijn verzoekschrift tot schorsing van de tenuitvoerlegging aan de Raad van State. 1.
- Met een brief van 20 december 1996 meldt de minister van Begroting aan de staatssecretaris voor Ontwikkelingssamenwerking het volgende : “Ik heb besloten de accreditatie bij uw diensten van Dhr. Druyts, Inspecteur- generaal van Financiën, te bestendigen tot einde maart 1997 gelet op de afwerking, in het kader van de studie die U hem heeft toevertrouwd, van de dossiers die aan het OSI-team werden overgemaakt en de eventuele voorlegging ervan aan de Parlementaire Opvolgingscommissie. Dhr. Pirard zal de opvolging van voormelde dossiers verzekeren tot deze zijn ambt voltijds zal opnemen als Inspecteur van Financiën bij de Minister van Landsverdediging”. 2.
- Overwegende dat de verwerende partij en de tussenkomende partij een exceptie opwerpen waarin zij aanvoeren dat de vordering niet ontvankelijk is aangezien de bestreden beslissing een maatregel van inwendige orde is die niet voor annulatie vatbaar is; dat de verwerende partij hierbij uiteenzet dat de bestreden beslissing louter een taakverdeling inhoudt tussen twee inspecteurs-generaal aangesteld bij de staatssecretaris voor Ontwikkelingssamenwerking en dat die taakverdeling noch de administratieve noch de geldelijke toestand van verzoeker wijzigt; dat zij erop wijst dat de bestreden beslissing het gevolg is van het feit dat meer dan één inspecteur-generaal van Financiën bij de staatssecretaris voor Ontwikkelingssamenwerking is aangesteld, dat daarom de taken tussen hen verdeeld IX-1744-7/12 moesten worden en in feite reeds verdeeld waren vóór de bestreden beslissing, dat de huidige verdeling deze feitelijke toestand niet wezenlijk en bijgevolg ook de juridische toestand van betrokkenen helemaal niet wijzigt; dat de verwerende partij en de tussenkomende partij bovendien aanvoeren dat zich sinds het instellen van het beroep een nieuw feit heeft voorgedaan, namelijk het einde van de accreditatie van verzoeker bij de diensten van de staatssecretaris voor Ontwikkelingssamenwerking en zij menen dat daardoor verzoeker geen blijk meer geeft van het actueel vereiste belang bij de nietigverklaring van de beslissing betreffende de taakverdeling van de bij het ABOS geaccrediteerde inspecteurs-generaal van Financiën; 2.2.
- Overwegende dat verzoeker in zijn memorie van wederantwoord repliceert dat de bestreden beslissing wel degelijk raakt aan zijn persoonlijk administratief statuut, aangezien hij uit zijn administratief statuut, in zijn ruimste betekenis, ook rechten kan putten, zo onder meer het recht om opdrachten toegewezen te krijgen die in verhouding staan tot de plaats die de verzoeker in de hiërarchie bekleedt; dat volgens hem precies aan dat laatste recht werd geraakt zonder deugdelijke materiële motivering en dat bovendien duidelijk uit de evolutie der feiten blijkt dat de bestreden beslissing de inhoudelijke bevoegdheden van de verzoeker heeft ingetrokken; dat de bestreden beslissing bovendien volledig voorbijgaat aan de rechten die de verzoeker kon putten uit de dienstnota van 29 augustus 1996 van de inspecteur-generaal van Financiën, korpschef, namelijk dat "tenzij er een dringend geval is en de collega die het dossier behandelt afwezig is, moeten de verschillende fasen van eenzelfde dossier behandeld worden door dezelfde Inspecteur"; dat verzoeker ook nog stelt dat hij na het einde van zijn accreditatie bij de diensten van de staatssecretaris voor Ontwikkelingssamenwerking wel degelijk nog steeds een actueel vereist belang heeft bij de nietigverklaring van de bestreden beslissing, daar hij tegen die beëindiging voorbehoud heeft gemaakt; 2.2.
- Overwegende dat verzoeker in zijn laatste memorie een uitgebreid betoog ontwikkelt teneinde aan te tonen, aan de hand van de feiten die de bestreden beslissing voorafgingen en gevolgd zijn, dat het de bedoeling was hem te verhinderen een grondig onderzoek te verrichten met betrekking tot een aantal IX-1744-8/12 dossiers, dat eensdeels daardoor zijn rechtstoestand werd gewijzigd en anderdeels hem in feite een verdoken tuchtstraf werd opgelegd; dat wat het eerste betreft verzoeker aanvoert dat hij op het ogenblik van de bestreden beslissing naast zijn reguliere taak als inspecteur van Financiën, geaccrediteerd bij het ABOS, ook een specifieke opdracht uitoefende binnen de Task Force Ontwikkelingssamen- werkingsinspectie (OSI) en dat door het limiteren van zijn bevoegdheden tot de programma's van categorie '0' de staatssecretaris wel degelijk beperkingen heeft aangebracht aan de manier waarop verzoeker zijn functie moest uitoefenen, zowel voor wat betreft zijn reguliere opdracht als zijn specifieke opdracht bij het OSI-team; dat hij voorts stelt dat de bestreden taakverdeling hem wel degelijk overtollig heeft gemaakt en hem opdrachten werden toegekend die niet in verhouding stonden tot zijn ambt, wijl zijn bevoegdheden bij de ABOS-administratie zeer sterk werden beknot ten voordele van zijn collega J. HENDRIX, die nochtans veel minder ervaring had met dergelijke dossiers, dat de opdracht die aan verzoeker binnen het OSI-team was toevertrouwd werd ontdaan van alles wat met het onderzoek van concrete dossiers te maken had; dat verzoeker ook de stelling betwist als zou zijn loopbaan niet ongunstig zijn beïnvloed, nu hij door de bestreden beslissing zijn onderzoeken naar onregelmatigheden in de ABOS- dossiers niet heeft kunnen voortzetten en zijn carrière daar - op zijn zachtst uitgedrukt - in mineur is geëindigd en hij daarna voltijds is geaccrediteerd bij de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening (RVA), wat bezwaarlijk als een promotie beschouwd kan worden; dat wat zijn stelling betreft dat de bestreden beslissing een verdoken tuchtsanctie inhield, verzoeker verwijst naar diverse verklaringen van de staatssecretaris, naar een parlementaire vraag die hieromtrent werd gesteld, naar de gebeurtenissen vóór en ná de bestreden beslissing, zijn accreditatie naderhand voltijds bij Pensioenen en bij de RVA, de volgehouden weigering van de staatssecretaris om verzoeker in de mogelijkheid te stellen de punctuele studie in opdracht van de Parlementaire Opvolgingscommissie uit te voeren en de omstandigheden waarmee hij zijn kantoor op het ABOS heeft moeten verlaten; dat verzoeker uit dat kenmerk van verdoken tuchtsanctie van de bestreden beslissing afleidt dat hij nog steeds belang behoudt bij de nietigverklaring ervan en dat hij hoe IX-1744-9/12 dan ook een moreel belang behoudt bij het bestrijden van een beslissing die zijn reputatie ernstige schade heeft toegebracht; 2.3.
- Overwegende dat uit de stukken van het dossier blijkt en verzoeker niet betwist dat aan zijn accreditatie bij de staatssecretaris voor Ontwikkelingssamenwerking einde maart 1997 volledig een einde is gekomen en hij toen werd geaccrediteerd bij het ministerie van Pensioenen, met een bijkomende opdracht bij de RVA; dat verzoeker weliswaar stelt dat hij "ten aanzien van het einde van zijn accreditatie bij de diensten van de Staatssecretaris voor Ontwikkelingssamenwerking voorbehoud heeft gemaakt", zodat hij nog steeds een actueel belang heeft bij de nietigverklaring van de bestreden beslissing; dat hij echter geen annulatieberoep blijkt te hebben ingesteld tegen de beslissing waarbij een einde werd gemaakt aan zijn accreditatie bij de staatssecretaris voor Ontwikkelingssamenwerking; dat die beslissing derhalve definitief en onaantastbaar is; 2.3.
- Overwegende dat, wanneer in de visie van verzoeker, het hem ontnemen van een deel van zijn opdrachten bij het ABOS een grievend karakter heeft zodat zulks hem reeds een belang oplevert om bij de Raad van State een annulatieberoep in te stellen, dit zeker en in nog grotere mate het geval moet zijn wanneer ten gevolge van het beëindigen van zijn accreditatie aan die opdrachten volledig een einde wordt gemaakt; dat verzoeker die laatste beslissing, welke hij eveneens situeert binnen de tegen hem gevoerde hetze, echter niet bestrijdt, zelfs niet door te verklaren dat hij het voorwerp van het onderhavige beroep tot die beslissing uitbreidt; dat die beslissing bovendien wegens haar nog verdergaande gevolgen niet kan worden beschouwd als louter een uitvoerings- of gevolgakte van die welke verzoeker bestrijdt; dat haar onaantastbaarheid niet alleen meebrengt dat een vernietiging van de in dezen bestreden beslissing voor verzoeker geen herstel in de vorige toestand meer teweeg kan brengen, aangezien hij niet meer geaccrediteerd is bij het ABOS of zijn rechtsopvolger, maar ook dat hij niet meer doet blijken van het moreel belang dat hij had bij de vernietiging van een verdoken tuchtsanctie of de aantasting van zijn reputatie; dat om dat belang te vrijwaren hij IX-1744-10/12 immers ook een annulatieberoep had moeten instellen tegen een beslissing die, in zijn visie, op dat stuk nog ernstiger gevolgen moet hebben gehad; 2.3.
- Overwegende dat de exceptie in haar tweede onderdeel gegrond is; dat verzoeker niet langer het rechtens vereiste actueel belang heeft om de nietigverklaring te vorderen van de beslissing van 16 september 1996 houdende taakverdeling tussen de bij de staatssecretaris voor Ontwikkelingssamenwerking geaccrediteerde inspecteurs-generaal van Financiën, BESLUIT: Artikel
- Het beroep wordt verworpen. Artikel
- De kosten van het beroep, bepaald op 99,16 euro, komen ten laste van verzoeker. De kosten van de tussenkomst, bepaald op 74,37 euro, komen ten laste van de tussenkomende partij. IX-1744-11/12 Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op vierentwintig januari 2000 en vijf, door de IXe kamer, die was samengesteld uit : de HH. J. DE BRABANDERE, kamervoorzitter, L. HELLIN, staatsraad, A. VANDENDRIESSCHE, staatsraad, Mevr. S. VAN AELST, griffier. De griffier, De voorzitter, S. VAN AELST. J. DE BRABANDERE. IX-1744-12/12 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.139.696 Gerelateerde publicatie(s) voorafgegaan door: ECLI:BE:RVSCE:1997:ARR.65.891 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.