id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 24 januari 2005 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.139.697 Rolnummer: A. 69095/IX-2299 Zaak: Arrest 139697 - - 24/01/2005 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2005-02-07 Raadplegingen: 54 - laatst gezien 2026-07-02 06:59 Fiche Arrest nr 139.697 van 24 januari 2005 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 139.697 van 24 januari 2005 in de zaak A. 69.095/IX-2299. In zake : Kris VAN HAUWERMEIREN, die woonplaats kiest bij advocaat D. VAN HERZEELE, kantoor houdende te ZOTTEGEM, Sint-Annastraat 19 tegen : het Openbaar Centrum voor Maatschappelijk Welzijn van LEDE. --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, IXe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat Kris VAN HAUWERMEIREN op 24 mei 1996 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van het besluit genomen op 21 maart 1996 door de raad voor maatschappelijk welzijn van Lede om verzoeker niet in aanmerking te laten komen voor benoeming in vast dienstverband wegens ongunstige proeftijdbeoordeling en hem vanaf 22 maart 1996 van rechtswege uit dienst te beschouwen; Gelet op het arrest nr. 102.337 van 21 december 2001 waarbij de debatten worden heropend en het door de auditeur-generaal aan te stellen lid van het auditoraat ermede wordt belast het onderzoek van de zaak te vervolledigen; Gezien het aanvullend verslag opgemaakt door auditeur D. MAREEN; Gelet op de beschikking van 3 februari 2004 die de neerlegging ter griffie van het aanvullend verslag en van het dossier gelast; IX-2299-1/16 Gelet op de kennisgeving van dat verslag aan partijen en gezien de regelmatig gewisselde laatste memories; Gelet op de beschikking van 26 oktober 2004 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 22 november 2004; Gehoord het verslag van kamervoorzitter J. DE BRABANDERE; Gehoord de opmerkingen van advocaat C. HEERMAN, die loco advocaat D. VAN HERZEELE verschijnt voor verzoeker, en van advocaat M. DE LAT, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van auditeur D. MAREEN; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; 1. Over de gegevens van de zaak. Overwegende dat de gegevens van de zaak zijn samengevat in het arrest nr. 102.337, waarin is vastgesteld dat verzoeker in zijn derde middel de schending van de formele motiveringsplicht niet aanvoert, de debatten worden heropend en het auditoraat gelast wordt het onderzoek van de zaak te vervolledigen; 2. Over de gegrondheid van het beroep. 2.1.1. Overwegende dat verzoeker als eerste middel onder de hoofding "procedure" vooreerst aanvoert dat, nu hij op 1 januari 1995 tot de stage was toegelaten, zijn op 19 januari 1996 gedateerd evaluatieverslag werd opgemaakt op een ogenblik dat de stage was verstreken, dat hij weliswaar 32 ziektedagen had, maar er 5 van recupereerde door werk tijdens weekends, zodat het aantal ziektedagen werd herleid tot 27 en er geen verlenging van de proefperiode plaats IX-2299-2/16 kon vinden; dat hij voorts in wat als een tweede onderdeel van het middel kan worden beschouwd, betoogt dat volgens artikel 33 van het personeelsstatuut de raad voor maatschappelijk welzijn zich voor zijn oordeel omtrent de wijze waarop de proeftijd is doorgebracht baseert op het schriftelijk voorstel van de hiërarchische meerdere, daartoe bij de aanvang van de proeftijd aangeduid (...) terwijl nergens bij de aanvang van de proeftijd de hiërarchische meerderen van verzoeker werden aangeduid voor de beoordeling van diens proefperiode en dat, zelfs indien dit het geval zou zijn geweest, nooit aan verzoeker ter kennis werd gebracht wie dit was; dat verzoeker ook nog stelt dat hij nooit een opmerking kreeg of persoonlijk werd geïnterpelleerd, dat hij niet de tussentijdse evaluatie heeft verkregen waar hij om gevraagd had; dat hij in zijn memorie van wederantwoord nog verduidelijkt dat hij de auteurs van het evaluatieverslag, Joris VAN DER LINDEN en Martine RENNEBOOG, wel ontmoet heeft als collega's, maar dat de vraag is of deze bij de aanvang van de proeftijd werden aangeduid als hiërarchische meerderen en zulks zeker niet het geval is, welk gebrek niet kan worden opgevangen door te verwijzen naar een in de personeelsrefter uithangend organigram, dat de verklaring van die personen in het evaluatieverslag geen advies bevat over het al dan niet benoemen van verzoeker en dat hij, gedurende één jaar gefunctioneerd te hebben zonder dat ook maar één opmerking werd gemaakt, weinig contact had met Martine RENNEBOOG of Joris VAN DER LINDEN daar hij regelmatig 's nachts werkte in tegenstelling tot voornoemden, maar dat de verwerende partij weigert de bewijsstukken daarvan over te leggen; 2.1.2.1. Overwegende, wat het eerste onderdeel van het middel betreft, dat volgens artikel 32, § 6, van het personeelsstatuut de proefperiode kan worden verlengd met de werkelijke duur van de afwezigheid; dat verzoeker tot de stage werd toegelaten met ingang van 1 januari 1995 voor de duur van één jaar, zodat normaal zijn stageperiode zou zijn beëindigd op 1 januari 1996; dat hij 32 kalenderdagen afwezig is geweest wegens ziekte en arbeidsongeval; dat ook indien men de 5 inhaaldagen tijdens het weekend in mindering brengt, het op 19 januari 1996 aan verzoeker overhandigde evaluatieverslag hoe dan ook opgesteld is minder IX-2299-3/16 dan 27 kalenderdagen na 1 januari 1996, dus tijdens de verlengde proefperiode; dat het onderdeel feitelijke grondslag mist; 2.1.2.2. Overwegende, wat het tweede onderdeel betreft, dat ook al mocht artikel 33 van het statuut geschonden zijn doordat verzoekers hiërarchische meerderen niet waren aangeduid bij de aanvang van de proefperiode, hij niet aantoont hoe hij door de niet-expliciete aanduiding of de niet-kennisname van de identiteit van de hiërarchische oversten die over hem een beoordeling zouden uitbrengen, geschaad is geweest; dat bovendien artikel 33 onder meer bepaalt dat de raad voor maatschappelijk welzijn zich "baseert (...) op het schriftelijk voorstel van de hiërarchische meerdere daartoe bij de aanvang van de proeftijd aangeduid, eventueel het schriftelijk advies van het hoofd van de dienst"; dat bij die laatste vermelding van "het hoofd van de dienst" niet is gespecifieerd dat deze bij de aanvang van de proeftijd moet zijn aangewezen; dat verzoeker overigens van in den beginne kon weten wie de verantwoordelijke van de dienst was, aangezien Joris VAN DER LINDEN en Martine RENNEBOOG respectievelijk de verantwoordelijke van het rusthuis en de gegradueerde verpleegster waren aan wie hij ondergeschikt was; dat voorts verzoeker nadat hij het evaluatieverslag had gekregen verklaart: "Ondergetekende, Van Hauwermeiren Kris, verklaart hierbij te hebben ontvangen : het voorstel van zijn hiërarchische oversten betreffende zijn benoeming (...) ", welke term hij meermaals herneemt, ook stellende dat "op geen enkel moment (...) door de hiërarchische oversten enige opmerkingen (werden) geuit betreffende de uitvoering van zijn functie"; dat wat de vraag naar een tussentijdse evaluatie betreft, geen bepaling voorhanden is die verzoeker een recht daarop verschaft; dat wat de aanwezigheid van een advies tot niet-benoemen aangaat, het evaluatieverslag opgesteld door Joris VAN DER LINDEN en Martine RENNEBOOG in de hoofding als onderwerp vermeldt : "Voorstel vaste benoeming Dhr. Van Hauwermeiren Kris ..." en aan het einde van hun evaluatieverslag de verklaring wordt geformuleerd dat "op basis van voornoemde elementen gedurende de proefperiode is gebleken dat betrokkene niet over de nodige attitudes en vaardigheden beschikt om in Villa Letha als ziekenhuisassistent te fungeren", wat IX-2299-4/16 duidelijk te beschouwen is als een advies om verzoeker niet te benoemen; dat het middel niet gegrond is; 2.2.1. Overwegende dat verzoeker onder "rechten van verdediging" als tweede middel eerst dezelfde argumenten herneemt als die welke bij het vorig middel aan bod gekomen zijn, met name de niet-aanduiding van bij de aanvang van de proeftijd van een hiërarchische meerdere en het niet voorhanden zijn van een schriftelijk advies over het al dan niet benoemen van verzoeker; dat hij dan aanvoert dat hij zich nooit heeft kunnen verweren tegen de verweten tekortkomingen daar deze hem nooit eerder ter kennis werden gebracht, nu de hiërarchische oversten er nooit een opmerking over hebben geformuleerd en hij nooit werd ondervraagd; dat hij trouwens gevraagd had om een tussentijdse evaluatie; dat hij verklaart dat alle relevante documenten, zoals dag- en nachtboek, uurschema's betrekkelijk de bedtijd, uurroosters, lijsten met vervangingen, compensatiedagen, werkschema's, uit het dossier gehouden werden en dat dit dossier daags voor de hoorzitting niets meer bevatte dan een kopie van het personeelsstatuut; dat verzoeker in zijn memorie van wederantwoord nog beklemtoont dat hij wel degelijk meermaals om een tussentijdse evaluatie heeft gevraagd, dat men van een werkgever zou mogen verwachten dat hij spontaan een evaluatie zou geven, dat het gemis aan tussentijdse evaluatie aantoont dat er geen problemen waren en de opmerkingen ten aanzien van verzoeker pas naar boven kwamen op het ogenblik dat een familielid van een lid van de raad voor maatschappelijk welzijn aangeworven moest worden; 2.2.2. Overwegende dat de niet-aanduiding van bij de aanvang van de proeftijd van een hiërarchische meerdere en het niet voorhanden zijn van een schriftelijk advies over het al dan niet benoemen van verzoeker behandeld zijn bij de bespreking van het eerste middel; dat wat betreft de grief zich niet te hebben kunnen verweren tegen de aantijgingen daar deze verzoeker nooit eerder ter kennis werden gebracht nu de hiërarchische oversten nooit enige opmerking hebben geformuleerd, het rechtens voldoende is dat verzoeker zich op het einde van zijn proefperiode aangaande de hem aangewreven tekortkomingen kon verdedigen; dat hij zulks heeft kunnen doen, zowel bij de op 26 januari 1996 geformuleerde IX-2299-5/16 opmerkingen als in de op 21 maart 1996 neergelegde nota naar aanleiding van zijn beroep bij de raad voor maatschappelijk welzijn; dat, zoals reeds is vastgesteld, geen bepaling voorziet in het recht op een tussentijdse evaluatie en de afwezigheid daarvan niet aantoont dat er geen tekortkomingen zouden zijn vastgesteld tijdens de stage; dat wat het ontbreken van documenten in het administratief dossier betreft, verzoeker zulks niet heeft aangevoerd in zijn verweernota; dat de notulen van de hoorzitting verwijzen naar deze door verzoeker en zijn raadsman ondertekende nota maar niet vermelden dat daarnaast nog gewezen zou zijn op de onvolledigheid van het dossier; dat verzoeker in zijn verweernota met betrekking tot een drietal aantijgingen weliswaar stelt dat de verificatie van wat hij aanvoert mogelijk is maar daarin het neerleggen van de stukken niet vordert of er zelf geen afschrift van heeft aangevraagd; dat hij die mogelijke onregelmatigheid tijdens de voorafgaande procedure dan ook niet meer voor het eerst tijdens de procedure voor de Raad van State kan aanvoeren; 2.3.1. Overwegende dat verzoeker als derde middel onder het opschrift “ten gronde” het volgende aanvoert : "Bij lectuur van het evaluatieverslag (...), dient te worden vastgesteld dat deze hoofdzakelijk gebaseerd is op basis van 'indirecte gegevens'. Bovendien zijn welbepaalde woordspelingen zo geformuleerd dat deze persoonlijk zeer kwetsend zijn voor verzoeker en vooral doorslaggevend voor de verdere beroepsloopbaan van verzoeker als ziekenhuisassistent. 1. Zich voorstellen als verantwoordelijke rustoord. Verzoeker begrijpt niet goed waarom hem dergelijk verwijt wordt gemaakt temeer daar hem verscheidene malen uitdrukkelijk werd opgedragen als verantwoordelijke van de dienst op te treden. Daarnaast is het zo dat wanneer enkel de 2 bejaardenhelpsters aanwezig zijn en geen hiërarchische oversten, bv. bij weekenddienst, iemand toch als verantwoordelijke dient op te treden, een element wat trouwens een onderdeel uitmaakte van de scholing welke verzoeker als ziekenhuisassistent heeft genoten. Wanneer een dokter langskomt en naar de verantwoordelijke vraagt, diende verzoeker dan te stellen dat er geen verantwoordelijke was of diende hij een bejaardenhelpster te sturen ? Als er mensen bellen voor een opname, vertelde verzoeker hen dat de rusthuisverantwoordelijke niet aanwezig was en dat ze hem kunnen bereiken tijdens de kantooruren. IX-2299-6/16 2. Zelf diagnose stellen. Verzoeker ontkent ten stelligste dat hij ooit zelf een diagnose heeft gesteld; het behoort echter wel tot zijn taak wanneer de bejaarde of familie uitleg vragen over bepaalde zaken, deze in de mate van mogelijk zoveel mogelijk uitleg te verschaffen en - het belangrijkste - de familie gerust te stellen. Voor een juiste diagnose werd steeds doorverwezen naar de behandelende geneesheer. 3. Bepaalde handelingen die regulier dienen gesteld worden niet uitgevoerd. Verzoeker heeft in het begin van zijn proefperiode, na overleg met de hoofdverpleegster, bij patiënt De Pauw een schriftelijk schema opgesteld met de uren van wisselhouding omdat er niets genoteerd werd op het blad. Wanneer iemand zich niet goed voelde vroeg verzoeker eerst aan de hoofdverpleegster of het aan te raden was om die bejaarde op te zetten. Wanneer niemand van het verplegend personeel aanwezig was en een bejaarde zich niet goed voelde, nam verzoeker eerst de bloeddruk, de polsslag en zonodig de temperatuur (bij een diabetes zelfs de glucosewaarde). Dit werd steeds door verzoeker genoteerd in het dagboek (wat kan geverifieerd worden); indien deze bejaarde niet beter werd, belde verzoeker de dokter, om raad of om langs te komen. Alles werd steeds weergegeven in het dag- of nachtboek. 4. Beslist eigenmachtig dat een resident zichzelf dient te wassen. In zijn opleiding als ziekenhuisassistent werd aan verzoeker de ADL-training of zelfstandigheidstraining onderwezen. Dit houdt in dat wanneer bejaarden zichzelf kunnen wassen gemotiveerd worden om dat te doen; om de motoriek van bejaarden te onderhouden is het noodzakelijk dat deze gestimuleerd worden om zichzelf te behelpen. Wanneer dit niet ging, werden deze uiteraard geholpen door verzoeker. Verzoeker deed dit ondermeer bij patiënt Coppens Bertha met gevolg dat zij zichzelf kon wassen. 5. Oppervlakkig te werk gaan bij toedienen van hygiënische verzorging. Verzoeker begrijpt niet wat ook hier hem kan worden verweten. Bij het toedienen van hygiënische zorgen was de heer Van Hauwermeiren gemiddeld een kwartuur per patiënt bezig (hij wast niet met droge washandjes). De bejaarden worden onder hun borsten verzorgd, ze zijn ingewreven met een crème en geschoren. Als er een bewoner uitslag heeft, wordt dit door verzoeker overgemaakt aan de hoofdverpleegster. Stomaverzorging gebeurde grondig (ref. Brondeel Alma). 6. Observatie van residenten die speciaal dienen gevolgd te worden laat te wensen over, met de medische gevolgen vandien. Verzoeker kan zich absoluut niet herinneren dat ten gevolge van zijn handelingen er medische gevolgen zouden zijn ontstaan. Bovendien werd geen specifiëring gegeven wanneer, bij welke patiënt en welke medische gevolgen zouden zijn geweest. 7. Gedraagt zich autoritair. Wanneer verzoeker in de L-dienst verantwoordelijk was, verdeelden bejaardenhelpsters de taken en delen medicatie uit. Door verzoeker werd regelmatig vastgesteld dat dit niet op de juiste manier gebeurde. IX-2299-7/16 Zo stelde verzoeker vast dat bepaalde bejaardenhelpster(
- s)sommige bejaarden veel te vroeg in bed legde(n), wat verzoeker mededeelde aan de hoofdverpleegster. Hierop werd een schema opgesteld met daarin de tijdstippen waarop elke bejaarde naar bed moest. Verzoeker diende echter vast te stellen dat sommige bejaardenhelpsters met de schema weigerden rekening te houden. Wanneer hij hen er toen attent op maakte werd hij uitgelachen. 8. Laat geregeld collega's opdraaien voor het werk. Wanneer verzoeker de bejaarden liet baden, hielp hij nadien bij het opzetten van de bejaarden. Er waren echter bejaardenhelpsters die tegen de heer Van Hauwermeiren zegden : 'ik zal dat wel doen' (omdat hij nog ander werk had), doch nadien achter zijn rug vertelden ze dat hij die bepaalde taak niet had gedaan, of dat de heer Van Hauwermeiren hen verplichtte van die ronde te doen. 9. Geen collegiale houding wanneer vervangingen noodzakelijk zijn. Dat verzoeker zich niet collegiaal zou hebben opgesteld wat betreft de vervangingen, verbaast hem ten zeerste. Verzoeker verwijst dan ook naar de uurroosters (januari tot december - ook deze vervangingen kunnen nog geverifieerd worden). Bijvoorbeeld, zo belde een collega om half twee dat ze niet kon werken, waarvoor verzoeker insprong. Ook gebeurde het meermaals dat verzoeker na de v-dienst, presteerde van 17u tot 21u30. In het groot verlof heeft verzoeker uit collegialiteit geen verlof genomen en dit tot einde september. Soms deed hij na een vroegdienst nog een halve dienst. Indien verzoeker geen vervangingen zou hebben gedaan, hoe verklaart men dan dat hij op het einde van het jaar nog talrijke compensatiedagen over had. Dit komt juist doordat hij meermaals insprong voor anderen. Indien hij deze vervangingen niet zou hebben gedaan, kon de hoofdverpleegster hem op regelmatige tijdstippen deze compensatie geven. 10. Gedurende nachtdienst slapen op het bureel. Verzoeker deed bijna steeds nachtdienst samen met Paula (bejaardenhelpster) of Lucie (verpleegster). Verzoeker verzoekt uitdrukkelijk dat aan hen zou worden gevraagd of hem tekortkomingen kunnen worden aangewreven. Betreffende het slapen op bureel wenst verzoeker de werkelijke toedracht te melden: op een nacht had hij zware hoofdpijn waarop hij na zijn taken volbracht te hebben zich in de zetel zette. Verzoeker lag echter niet te slapen doch had enkel de ogen gesloten ... hij kon zich ook ziek gemeld hebben ! 11. Prioriteit geven aan het nemen van eigen pauze. Wanneer de hoofdverpleegster niet aanwezig is, staat er in de dagboek genoteerd wie er om welk uur boven moet blijven voor toezicht tijdens de pauzes. Ook dit kan nagekeken worden. Verzoeker wenst tenslotte nog het volgende te melden : Na zijn indiensttreding kreeg hij een opleiding van welgeteld 3 dagen en dit door een ziekenhuisassistent. IX-2299-8/16 In deze korte periode werd verzoeker geacht alles te kennen, dit terwijl hij soms verantwoordelijk werd gesteld over 93 patiënten. Dit vereist minstens een degelijke opleiding en begeleiding. Bovendien is het menselijk dat bijvoorbeeld bejaardenhelpsters, die reeds 6, 7 of meer jaren anciënniteit telden, het niet altijd gemakkelijk hebben wanneer iemand met een 'hogere functie' wordt aangeworven, temeer hij de enige man was in de verpleging. Dat zulks enige aanpassing vraagt - van eenieder - is niet meer dan logisch."; Overwegende dat verzoeker in zijn memorie van wederantwoord nog aanvoert dat van alle beweringen geen bewijsstuk werd overgelegd, daar waar die bewijsstukken wel degelijk bestaan, doch geweigerd wordt ze voor te leggen; 2.3.2. Overwegende dat aan een overheidsonderzoek het vermoeden van objectiviteit kleeft; dat de rechtzoekende zich niet kan beperken tot blote beweringen om dat vermoeden te weerleggen, maar een minimum aan gegevens moet voorleggen; dat het niet de taak van de Raad van State is om zich bij de beoordeling van feitelijke gegevens in de plaats van de bevoegde bestuursoverheid te stellen; dat hij enkel vermag na te gaan of die overheid volgens de regelen der bewijsvoering naar recht en redelijkheid tot haar voorstelling van die feiten is gekomen; dat hierna telkens voor ieder feit wordt nagegaan of dat terzake het geval is geweest; 2.3.2.1. Overwegende wat betreft het feit zich voorstellen als verantwoordelijke van het rusthuis, dat verzoeker in wezen niet betwist dat hij zich als verantwoordelijke van het rusthuis heeft voorgesteld; dat hij vragen stelt rond die aantijging, onder meer of, wanneer een arts langskomt en naar de verantwoordelijke vraagt, hij dan diende te antwoorden dat er geen verantwoordelijke was of dat hij een bejaardenhelpster moest sturen; dat hij met andere woorden slechts poogt te verklaren dat de omstandigheden hem er soms toe dwongen op te treden als verantwoordelijke; dat de verwerende partij daarop repliceert door aan de volgende bewoordingen in het evaluatieverslag te refereren: "reeds bij een eerste contactname met een welbepaalde huisarts stelde verzoeker zich ongevraagd zelf voor als verantwoordelijke van het rustoord"; dat verzoeker IX-2299-9/16 daar niet meer in concreto op antwoordt, doch enkel verwijst naar zijn verzoekschrift tot annulatie; dat bijgevolg, waar de verwerende partij een concrete aantijging formuleert deze in haar concreetheid niet wordt ontkend door verzoeker, maar hij haar alleen tracht te verschonen, terwijl hij blijkens zijn omschrijving van het middel er zich goed van bewust is dat er een rusthuisverantwoordelijke is en waar die bereikt kan worden; dat de Raad van State dit aspect van de motieven niet als feitelijk onjuist kan aanmerken; 2.3.2.2. Overwegende wat betreft het zelf een diagnose stellen, dat volgens het evaluatieverslag verzoeker zelf een diagnose tracht te stellen ten aanzien van een resident en deze mededeelt aan de familie nog voor de behandelende arts de patiënt heeft onderzocht; dat verzoeker ontkent dat hij ooit zelf een diagnose heeft gesteld, wel verklaart dat hij ten overstaan van de familie zoveel mogelijk uitleg verschafte en voor een juiste diagnose doorverwees naar de arts; dat de verwerende partij hierop repliceert dat “op een gegeven ogenblik (...) een patiënt zich blijkbaar niet goed (voelde)” en “vooraleer de dokter deze patiënt had onderzocht, had verzoeker reeds aan de familie een diagnose meegedeeld waardoor deze allerminst gerust waren gesteld”; dat verzoeker daar niet op terugkomt in zijn memorie van wederantwoord, meer bepaald om de identiteit van de betreffende patiënt op te vragen of om te informeren naar de reden waarom de familie niet gerust was gesteld; dat de twijfel omtrent de waarachtigheid van het door verzoeker aangehaalde derhalve blijft bestaan en de feitelijke onjuistheid van dit tweede aspect niet is aangetoond; 2.3.2 3. Overwegende wat betreft het feit dat bepaalde, regulier te stellen handelingen niet worden uitgevoerd, dat het evaluatieverslag stelt: "geen wisselhoudingen geven, niet "opzetten ", geen temperatuur meten ..."; dat verzoeker hierop repliceert dat hij aan de hoofdverpleegster vroeg of het aan te raden was iemand die zich niet goed voelde, op te zetten en dat, wanneer niemand van het verplegend personeel aanwezig was, de bloeddruk, de polsslag en de temperatuur genoteerd werd in het dag- of nachtboek, dat wanneer de bejaarde niet beter werd, hij dan de dokter belde; dat de repliek van de verwerende partij hierop alweer IX-2299-10/16 concreter is waar ze het over de opvolging van een bepaalde patiënt heeft, over het negeren door verzoeker van de vraag van twee bejaardenhelpsters om de dokter op te roepen, over het liever slapen dan patiënten op te volgen, ook ondanks de opdracht van de dokter; dat verzoeker daartegen dan enkel refereert aan de weerlegging van de aantijging in het verzoekschrift, zonder in te gaan op de repliek die het over een concreet geval heeft en over zijn negeren van de vraag van twee bejaardenhelpsters om de dokter op te roepen; dat, zo weliswaar verzoeker aangeeft dat alles werd genoteerd in het dag- en nachtboek en de verwerende partij dit niet in het administratief dossier heeft neergelegd, haar aantijging toch overeind blijft omdat verzoeker ze enkel in haar algemeenheid heeft weerlegd; dat in die omstandigheden niet kan worden besloten dat de verwerende partij dat feit niet in aanmerking kon nemen; 2.3.2.4. Overwegende wat betreft het feit "beslist eigenmachtig dat een resident zichzelf dient te wassen", dat verzoeker toegeeft dat tengevolge de in zijn opleiding voorkomende ADL-training of zelfstandigheidstraining hij de patiënten stimuleerde om zich zelf te wassen en dat als dit niet ging ze door hem geholpen werden; dat de verwerende partij daarop repliceert dat verzoeker zonder onderscheid wilde dat elke patiënt zich opnieuw zelf kon wassen, ook een hartpatiënte; dat ook hier weer de memorie van wederantwoord terzake geen repliek meer verschaft; dat, los van de vraag naar de medische toelaatbaarheid van deze handelwijze, verzoeker niet ontkent dat hij eigenmachtig besliste dat een patiënt zich zelf diende te wassen en ook niet dat hij dit tevens bij een hartpatiënte heeft voorgesteld; dat dit onderdeel van de motieven derhalve op het stuk van de feitelijke juistheid ervan niet wordt ontkracht; 2.3.2.5. Overwegende wat betreft het feit "oppervlakkig te werk gaan bij het toedienen van hygiënische verzorging", dat verzoeker niet zou begrijpen wat hem kan worden verweten en hij somt op welke hygiënische zorgen hij toediende : gemiddeld een kwartier per patiënt; dat daartegen de verwerende partij enkel stelt dat verzoeker duidelijk een aversie had voor het toedienen van de essentiële hygiënische verzorging aan de patiënten; dat ten opzichte van dat punt waarvan de IX-2299-11/16 al dan niet feitelijke juistheid van het aangehaalde niet kan worden nagegaan, de verwerende partij verzoeker oppervlakkigheid verwijt, en verzoeker uitlegt waarom hij dat verwijt niet verdient; dat aansluitend bij het vorig punt wel de vraag kan worden gesteld hoe verzoeker enerzijds "niet met droge washandjes wast" en anderzijds systematisch eerst vraagt aan de patiënten dat ze zich zelf zouden wassen, gegeven dat dan weer steun verleent aan dit onderdeel van de motieven; dat verzoeker in de memorie van wederantwoord weer nalaat in concreto aan te geven dat hij helemaal geen aversie had voor het toedienen van de essentiële verzorging; 2.3.2.6. Overwegende wat betreft het feit "observatie van residenten die speciaal dienen gevolgd te worden laat te wensen over, met de medische gevolgen vandien", dat verzoeker verklaart zich dit niet te herinneren en aanvoert dat geen specifiëring werd gegeven; dat de verwerende partij verwijst naar punt 3 sub 2.3.2.3. hierboven vermeld waarin zij het wel over welbepaalde patiënten heeft; dat verzoeker hierop in zijn memorie van wederantwoord dan weer niet ingaat, zodat de specifiëring waarom hij vroeg geen opvolging in de repliek heeft gekregen; dat in die omstandigheden de Raad van State niet kan vaststellen dat de feitelijke juistheid van dit onderdeel niet is aangetoond; 2.3.2.7. Overwegende dat inzake het punt "gedraagt zich autoritair", verzoeker uiteenzet dat de bejaardenhelpsters niet op de juiste manier de taken verdeelden en de medicatie uitdeelden, dat met het ten gevolge daarvan opgesteld schema door sommigen geen rekening werd gehouden en dat, wanneer verzoeker hen daarop attent maakte, hij uitgelachen werd; dat de verwerende partij hierop antwoordt dat hij meende de schema's zelf te mogen veranderen of interpreteren en bijvoorbeeld wilde dat een hoogbejaarde patiënte op een ander uur naar bed ging; dat wijl, zoals gezien, verzoeker in zijn memorie van wederantwoord terzake niet meer repliceert, geen antwoord komt op de aantijging dat verzoeker niet zelf de schema's mocht veranderen en interpreteren; dat de onjuistheid van het motief dan ook niet is aangetoond; IX-2299-12/16 2.3.2.8. Overwegende wat betreft het feit dat verzoeker geregeld collega's laat opdraaien voor het werk, dat hij in zijn verzoekschrift stelt dat bepaalde bejaardenhelpsters vrijwillig taken van hem overnamen doch nadien vertelden dat hijzelf die taak niet had uitgevoerd of hen ertoe had verplicht die ronde te doen, waarop de verwerende partij antwoordt dat omwille van het feit dat de collega's klaagden over de omstandigheid dat verzoeker in de nacht liever sliep, hij dan niet meer werd ingezet; dat daarop geen reactie van verzoeker komt, nochtans ten aanzien van een concreet gegeven; dat dit onderdeel dan ook niet kan worden aangenomen; 2.3.2.9. Overwegende betreffende het feit "geen collegiale houding wanneer vervangingen noodzakelijk zijn", dat verzoeker in zijn middel verwijst naar de uurroosters, voorbeelden geeft van zijn bereidheid tot vervanging en verwijst naar zijn talrijke compensatiedagen op het einde van het jaar, waarop de verwerende partij dan weer antwoordt dat verzoeker zich slechts de eerste maanden collegiaal opstelde, dat hij vanaf mei weigerde nog collega's te vervangen wanneer deze erom vroegen als wederdienst en tijdens zijn wacht niet bereikbaar was, terwijl hij als argument hiervoor opgaf dat zijn semafoon niet gewerkt zou hebben; dat ook hierop geen repliek meer volgt in de memorie van wederantwoord, waardoor de eventuele onjuistheid van wat de verwerende partij aanvoert niet is aangetoond en niet tot de feitelijke onjuistheid van dit onderdeel van de motieven kan worden besloten; 2.3.2.10. Overwegende betreffende het feit “gedurende de nachtdienst slapen op bureau”, verzoeker de namen opgeeft van wie bijna steeds wachtdienst met hem deed en om hun getuigenis verzoekt en dat wat het slapen op het bureau betreft dit naar verzoekers zeggen te wijten is aan zware hoofdpijn waardoor hij zijn ogen had gesloten na zijn taken volbracht te hebben; dat de verwerende partij verwijst naar eerdere replieken, zo onder meer dat de collega's klaagden over verzoekers slapen in de nacht, zodat hij dan niet meer werd ingezet; dat verzoeker daarop niet meer aandringt in de memorie van wederantwoord, meer bepaald ook niet meer verzoekt om de getuigenissen die hij overigens te gelegener tijd zelf niet IX-2299-13/16 heeft gepoogd bij te brengen; dat aldus ook niet naar genoegen van recht ontkracht is wat verzoeker wordt aangewreven; 2.3.2.11. Overwegende betreffende het feit prioriteit geven aan het nemen van een eigen pauze, dat verzoeker verwijst naar het dagboek; dat de verwerende partij hier niet blijkt op in te gaan, maar wel ingaat op de eronder geformuleerde bemerking en verzoeker daarop niet repliceert; dat verzoeker te zijner verschoning nog aangeeft dat hij een opleiding kreeg van slechts drie dagen door een ziekenhuisassistent, dat het menselijk is dat bejaardenhelpsters die reeds verscheidene jaren anciënniteit tellen het niet gemakkelijk hebben met iemand met een "hogere functie", temeer daar hij de enige man was in de verpleging; dat de verwerende partij de beperktheid van de opleiding ontkent, aanvoert dat verzoeker geen raad wou aanvaarden en zeker niet van de bejaardenhelpsters en dat de tekortkomingen van verzoeker perfect geïllustreerd worden door zijn eerste reacties op zijn ongunstig evaluatieverslag; dat ook hier geen repliek op volgt; dat, nu noch verzoeker noch de verwerende partij de feitelijke juistheid van deze elementen, voor zover dit mogelijk zou zijn, aantonen aan de hand van stukken, de Raad van State zich dient te baseren op de wijze waarop woord en wederwoord worden gepleegd; 2.3.3. Overwegende, samenvattend, dat in dezen moet worden vastgesteld dat verzoeker verscheidene van de motieven, die in hun geheel in aanmerking moeten worden genomen, niet weerlegt doch enkel poogt ze te verklaren; dat dit geldt met betrekking tot het zich voorstellen als verantwoordelijke van het rusthuis, het eigenmachtig beslissen dat een resident zich zelf dient te wassen, het zich autoritair gedragen, het laten opdraaien van collega's voor het werk en het slapen op het bureau tijdens de nachtdienst; dat daarenboven verzoeker niets inbrengt tegen de overweging van het evaluatieverslag "dat de omgang met de residenten afhankelijk blijkt te zijn van de stemming van betrokkene", dat dit zich "in negatieve zin uit (...) in een verlies van zelfbeheersing, tekeergaan tegen demente bejaarden, uitschelden van residenten, verliezen van kalmte t.o.v. familie van residenten"; dat dit motief derhalve rechtsgeldig in aanmerking kan worden genomen; dat nu verzoeker de feitelijke onjuistheid van de andere ontlede motieven IX-2299-14/16 grotendeels niet heeft aangetoond en deze motieven rechtens in aanmerking genomen kunnen worden, het geheel van de motieven samengenomen - ook al zou over een onderdeel van de motieven kunnen worden geoordeeld dat het feitelijk niet is aangetoond, incluis hetgeen zopas is geciteerd - volstaat om te besluiten dat die motieven niet in een kennelijke wanverhouding staan tot de bestreden beslissing; dat daarbij ook in aanmerking moet worden genomen dat het niet gaat om een ontslag om tuchtredenen maar om het niet geschikt bevinden voor vaste benoeming van een stagedoend personeelslid; dat het middel niet tot vernietiging kan leiden; 2.4.1. Overwegende dat verzoeker in een vierde middel onder de hoofding "bewijsvoering" aanvoert dat noch Joris VAN DER LINDEN, noch Martine RENNEBOOG, regelmatig met hem in contact stonden tijdens de uitoefening van zijn functie, zodat zij alle informatie moesten inwinnen via derden, wat steeds een subjectief oordeel oplevert waaraan dan nog een interpretatie gegeven moet worden, hetgeen des te erger is nu meerdere geschriften bestaan om dienaangaande duidelijkheid te scheppen: dag- en nachtboek, uurroosters, lijsten met vervangingen, enz. ; dat verzoeker opnieuw aanstipt dat daags voor de zitting geen enkel stuk in het dossier stak, behoudens het statuut; dat hij in zijn memorie van wederantwoord herhaalt dat hij vooral 's nachts werkte, in tegenstelling met de beweringen van de verwerende partij, die stelt dat hij vooral tijdens de dag werkzaam was; 2.4.2. Overwegende, vooreerst, dat verzoeker het middel vaag en in voorwaardelijke zin formuleert; dat hij noch sluitend kan aangeven dat wie hem heeft beoordeeld nooit met hem heeft gewerkt, noch waarom hetgeen de beoordelaars bereikt heeft te subjectief was om er rekening mee te houden; dat hij niet aangeeft in welke mate dit de feitelijke juistheid van de aangeklaagde tekortkomingen in vraag stelt; dat daarentegen kan worden vastgesteld dat in het stageverslag de meeste tekortkomingen vrij concreet zijn beschreven, derwijze ook dat het mogelijk is de naam van degene die ze heeft vastgesteld eraan te verbinden; dat bijgevolg het niet zo moeilijk is om te bepalen op welke wijze de tekortkomingen die verzoeker door de ondertekenaars van het evaluatieverslag IX-2299-15/16 werden aangerekend hen bekend zijn geworden, hetzij dat één van beiden ze zelf had vastgesteld, hetzij ze had vernomen van een collega; dat zoals uit de bespreking van het derde middel blijkt verzoeker overigens met kennis van zaken kon repliceren en derhalve zijn versie van de feiten daartegenover kon stellen; dat ook het vierde middel niet gegrond is, BESLUIT: Artikel 1. Het beroep wordt verworpen. Artikel 2. De kosten van het beroep, bepaald op 99,16 euro, komen ten laste van verzoeker. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op vierentwintig januari 2000 en vijf, door de IXe kamer, die was samengesteld uit : de HH. J. DE BRABANDERE, kamervoorzitter, L. HELLIN, staatsraad, A. VANDENDRIESSCHE, staatsraad, Mevr. S. VAN AELST, griffier. De griffier, De voorzitter, S. VAN AELST. J. DE BRABANDERE. IX-2299-16/16 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.139.697 Gerelateerde publicatie(
- s)voorafgegaan door: ECLI:BE:RVSCE:2001:ARR.102.337 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div