id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 25 januari 2005 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.139.712 Rolnummer: A. 103424/VII-32947 Zaak: Arrest 139712 - - 25/01/2005 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2005-01-31 Raadplegingen: 52 - laatst gezien 2026-07-02 06:59 Fiche Arrest nr 139.712 van 25 januari 2005 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 139.712 van 25 januari 2005 in de zaak A. 103.424/VII-32.947 In zake : XXX, die woonplaats kiest bij Advocaat P. MEULEMANS, kantoor houdende te 2800 MECHELEN, Koningin Astridlaan 143 tegen :
- de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen,
- de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de Minister van Binnenlandse Zaken. --------------------------------------------------------------------------------------------------------------- - DE VOORZITTER VAN DE VIIe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX, van Servisch-Montenegrijnse nationaliteit, op 13 april 2001 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van de beslissing van de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen van 2 april 2001 tot bevestiging van de beslissing van de Minister van Binnenlandse Zaken van 27 november 2000 tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten; Gezien het verzoekschrift dat de verzoekende partij op dezelfde dag heeft ingediend om de schorsing van de tenuitvoerlegging te vorderen van dezelfde beslissing; Gelet op de beschikking van 6 juni 2001 waarbij aan de verzoekende partij het voordeel van de kosteloze rechtspleging wordt verleend; Gelet op de artikelen 4 en 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; Gezien het verslag opgemaakt door Eerste Auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST, op grond van artikel 26 van voormeld koninklijk besluit; Gelet op de kennisgeving van dit verslag aan de partijen; VII-32.947-1/6 Gelet op de beschikking van 19 oktober 2004 waarbij de terechtzitting wordt bepaald op 7 december 2004; Gehoord het verslag van Kamervoorzitter M.-R. BRACKE; Gehoord de opmerkingen van Advocaat P. MEULEMANS, die verschijnt voor de verzoekende partij, van Adjunct-adviseur L. VANDERVOORT, die verschijnt voor de eerste verwerende partij, en van Advocaat E. MATTERNE, die verschijnt voor de tweede verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van Eerste Auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
- Overwegende dat de voornaamste gegevens van de zaak als volgt kunnen worden samengevat : 1.
- De verzoekende partij kwam België binnen op 20 juni 1999 en verklaarde zich vluchteling op 21 juni
- 1.
- Op 27 november 2000 nam de Minister van Binnenlandse Zaken een beslissing tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten. 1.
- Op 2 april 2001 bevestigde de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen deze beslissing als volgt : “Ingevolge uw dringend beroep betreffende de weigering van verblijf ingediend op 4 december 2000 heeft de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen de eer U de volgende beslissing mede te delen: Volgens haar opeenvolgende verklaringen zou betrokkene een etnisch Albanese uit Kosovo, meerbepaald uit Pejë zijn. Betrokkenes echtgenoot zou lid zijn van de nationalistische partij “Balli-Kombetar”. Tijdens de oorlog zou betrokkene met haar gezin in Pejë verbleven hebben. Gedurende de eerste nacht van de bombardementen zouden 4 gemaskerde mannen zonder resultaat getracht hebben bij betrokkene thuis binnen te breken. Hierop zou betrokkene met haar gezin direct vertrokken zijn naar haar schoonzus in Pejë, waar ze twee dagen zou hebben verbleven alvorens naar huis terug te keren. Na hun terugkeer zou de Servische politie zijn langsgekomen en betrokkene en haar gezin de opdracht gegeven hebben om Pejë te verlaten. Vanuit Pejë zouden ze eerst bij een andere schoonzus in Rozhaj (Montenegro) ingetrokken zijn. Daarna zouden ze een aantal dagen in Ulqin verbleven hebben alvorens naar. Albanië verder te reizen. Na een verblijf van drie maanden in Tirana zouden ze via Vlorë naar Italië zijn gereisd, waar ze gedurende ongeveer een maand zouden hebben verbleven alvorens naar België te reizen. Op 21 juni 1999 diende betrokkene een asielaanvraag in. Betrokkene zou niet naar Kosovo kunnen terugkeren uit schrik voor haar leven, de aanwezige mijnen en het gebrek aan een woning. VII-32.947-2/6 Er dient te worden gewezen op een aantal fundamentele tegenstrijdigheden tussen betrokkenes verklaringen en de verklaringen door haar echtgenoot afgelegd op de Dienst Vreemdelingenzaken. Zo verklaarde betrokkene dat haar man lid is van de “Balli-Kombetar”, terwijl haar echtgenoot daarentegen beweerde lid te zijn van de “Democratische Liga van Kosovo” (LDK). Verder beweerde betrokkene dat tijdens de eerste nacht van de bombardementen vier gemaskerde mannen trachten bij haar binnen te breken, waarna ze direct met haar gezin vertrok naar haar schoonzus in Pejë, waar ze twee dagen verbleven alvorens naar huis terug te keren. Betrokkenes echtgenoot verklaarde daarentegen dat hij bij het begin van de oorlog vanuit Montenegro, waar hij van 1992 tot 1998 verbleef wegens problemen met de Servische politie in Kosovo, naar zijn gezin in Pejë terugkeerde en vervolgens met hen naar Rucoxë ging. Daar zouden ze een maand verbleven hebben alvorens direct naar Albanië te vertrekken. De door betrokkene aangehaalde inbraakpoging werd door haar echtgenoot echter nergens vermeld als vluchtmotief. Verder beweerde betrokkene na een verblijf van twee dagen bij haar schoonzus naar huis te zijn teruggekeerd, waarna ze, na een bezoek van de Servische politie, Kosovo ontvluchtte. Betrokkenes echtgenoot verklaarde daarentegen omwille van de bombardementen Kosovo te hebben verlaten richting Albanië en vermeldde nergens te zijn verjaagd door de Serviërs. Voor het overige dient te worden opgemerkt dat betrokkene haar verklaringen steunt op de door haar echtgenoot, XXX, aangehaalde motieven. Daar in hoofde van deze laatste een bevestigende beslissing van weigering van verblijf genomen werd, kan ten aanzien van betrokkene evenmin gesteld worden dat zij haar land verlaten heeft uit een gegronde vrees voor vervolging in de zin van de vluchtelingenconventie. Uit wat voorafgaat blijkt dat de aanvraag van betrokkene bedrieglijk en kennelijk ongegrond is, omdat de vreemdeling geen gegevens heeft aangebracht dat er, wat hem betreft, ernstige aanwijzingen bestaan van een gegronde vrees voor vervolging in de zin van de Conventie van Genève. Wat er ook van zij, betrokkene heeft niet aangetoond dat de gemachtigde van de Minister zijn appreciatiebevoegdheid heeft overschreden door haar het verblijf op het grondgebied te weigeren. In elk geval, de Commissaris-generaal ontwaart geen ernstige en aantoonbare gronden die laten geloven in een risico van schending van de Conventie van Genève in geval van verwijdering van betrokkene. Bijgevolg bevestigt de Commissaris-generaal de verblijfsweigering besloten door de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse Zaken op 27 november
- De Commissaris-generaal meent dat de betrokken vreemdeling in de huidige omstandigheden mag worden teruggeleid naar de grens van het land dat hij ontvlucht is, en waar, volgens zijn verklaring, zijn leven, zijn fysieke integriteit of zijn vrijheid in gevaar zou verkeren." Behoudens andersluidende onderrichting van de bevoegde Minister of van diens gemachtigde, is, overeenkomstig art. 17, par. 2, al. 2, van het Koninklijk Besluit van 19 mei 1993, de termijn om het grondgebied te verlaten deze bepaald in de aangevochten beslissing, te weten 5 dagen ingaand op de datum van de betekening van onderhavige bevestigende beslissing.”. Dit is de bestreden beslissing;
- Overwegende dat de verzoekende partij ter terechtzitting bijkomende overtuigingsstukken heeft neergelegd; dat het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen niet in de mogelijkheid voorziet om dergelijke stukken ter terechtzitting neer te leggen; dat, gelet op de gelijke behandeling van de partijen, de stukken uit de debatten worden geweerd; 3.
- Overwegende dat de verzoekende partij in het verzoekschrift het volgende uiteenzet : VII-32.947-3/6 “Exposé de mes motifs : Moi, la requérante XXX, épouse de Monsieur XXX et mère de quatre enfants mineurs d'âge, d'origine ethnique albanaise de la Kosove, j'ai été obligé de fuir mon pays natal ensemble avec ma famille, en juin 1999, via l'Italie pour demander asile politique le 21 juin 1999 en Belgique. Car : mon pays a été dévasté par les criminels de l'humanité, je veux dire les Serbes, ainsi que par le monde entier qui bombardait et tuait un petit peuple de même pas 3.000.000 d'habitants et non armé, et ce pour donner un coup de main au Serbes sauvages. Les problèmes de notre famille ont commencés en 1989 quand la Serbie avait ôté l'autonomie à la Kosove et avait annexé notre térritoire à la Serbie pour créer une grande Serbie technique; C'est à Deçan (ville située entre Pejë et Gjakovë) que dans une protestation de mécontentement concernant le retrait de notre autonomie, la police serbe tirait sur la foule de gens et mon mari a été blessé par balle dans sa jambe droite et il restera à vie invalide. Une instruction a été ouverte à son encontre et un avis de recherche a été lancé contre lui. Attendu qu'il était toujours recherché par les autorités serbes, il a du fuir son pays natal, la Kosove, pour se réfugier chez une de ses soeurs à Rozhajë au Monténégro, qui se prénomme XXX. Depuis 1989 et jusqu'en 1992, il circula en clandestinité dans les territoires de l'ex-Yougoslavie; il était un hors-la-loi. Attendu que la police serbe avait retrouvé ses traces jusqu'au Monténégro, il a été obligé de fuir le Monténégro pour se rendre en Albanie et plus précisément à Durres, où il a passé deux mois auprès des membres de sa famille, pour retourner ensuite dans sa ville natale à Pejë. Durant son séjour en Kosove, il a été arrêté et emmené au poste de police plusieurs fois, où il a été maltraité et accusé de toutes sortes ... Il a été remis en liberté à condition de se présenter tous les matins au bureau de police. Il en a eu assez et a décidé de retourner chez sa soeur (en 1992) au Monténégro, où il a séjourné jusqu'en
- Lorsque la guerre commence en Kosove, il est revenu vers nuit à Pejë et ensemble nous nous sommes réfugié à Rugovë durant un mois. S'inquiétant pour notre maison et nos biens, nous sommes revenus à Pejë. Attendu que la Kosove est en guerre depuis 1981 et que cette guerre s'est soi-disant terminée le 5 mars 1999 par les bombardements de l'OTAN, durant ce laps de temps, moi et ma famille avons vécu dans les territoires de l'ex-Yougoslavie, à part les deux mois en 1992 où mon époux a vécu à Durres en Albanie. Les bombardements ont commencés le 5 mars 1999 et deux jours après, la police serbe a donné ordre à la population de la ville de Pejë de quitter le territoire vers l'Albanie ou la Macédoine; autrement dit, ils ont pratiqué un nettoyage ethnique, c'est-à-dire: ils ont tué, massacré, égorgé, aussi des femmes que des enfants et des vieillards, et ce devant nos propres yeux, ce qui a perturbé et perturbé encore énormément mes enfants. Nous avons été conduits de force à Dacaj au Monténégro, tout près de la ville de Rozhajë et ensuite via Ulqin, nous avons été dirigé vers l'Albanie. Moi et ma famille avons vécu pendant environ trois mois en Albanie à Tirana et puis, nous nous sommes rendus à la ville de Vlorë pour nous rendre en zodiaque vers l'Italie et ensuite nous ,avons pris la direction de la Belgique, pour demander l'asile politique le 21 juin 1999."; dat verzoekster vervolgens de motieven van de bestreden beslissing citeert en haar uiteenzetting als volgt verder zet : “A ces causes, J'ai été adhérante du parti “Balli-Kombetar” et pour l'instant, je suis membre du parti “Ballist Kosovar”. Les deux seuls partis non immatriculés sont des partis purement nationalistes ayant pour seul but l'unification des territoires albanais dispersés un peu partout (en Serbie, au Monténégro, en Macédoine, et en Grêce); ce n’est pas pour créer une grande Albanie comme ils disent mais pour recréer la vraie Shypni, comme les autres pays l'appelle l'Albanie. C'est la raison pour laquelle je n'oserais plus retourner dans mon pays natal, en tout cas pas pour l'instant, car les autre leaders Albanais - Kosovars et ceux de l’Albanie d'aujourd'hui sont devenus la manche des divers VII-32.947-4/6 représentants des pays européens en Kosove et alliés des Serbes, Grecs, Monténégrins et Macédoniens; ils travaillent contre les intérêts de notre peuple. Attendu que je suis Ballist, je les dérange et ils veulent avoir notre peau. C'est ici que ma vie est à l'abri, ainsi que la vie de mon époux et de mes enfants. Je vous prie, Monsieur le Premier Président, de recevoir mon présent recours et, y faisant droit de prononcer l'annulation de la décision confirmant le refus de séjour prise par le Commissariat général. De condamner la partie adverse aux dépens.”; 3.
- Overwegende dat luidens artikel 20, tweede lid, 2/, van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen, het verzoekschrift tot nietigverklaring onder meer een “uiteenzetting van de feiten en de middelen” dient te bevatten; dat de uiteenzetting van een middel in principe vereist dat zowel de rechtsregel of het rechtsbeginsel wordt aangeduid die zou zijn geschonden als de wijze waarop die rechtsregel of dat rechtsbeginsel door de bestreden handeling wordt geschonden; dat verzoekster in het verzoekschrift slechts een uiteenzetting van haar asielrelaas en -motieven geeft; dat verzoekster nalaat aan te duiden welke rechtsregel of welk rechtsbeginsel zij geschonden acht; dat verzoekster evenmin verduidelijkt op welke wijze de bestreden beslissing een bepaalde rechtsregel of een bepaald rechtsbeginsel zou schenden; dat een aantal feitelijke gegevens en beschouwingen, zonder aan te duiden welke rechtsregel door de bestreden beslissing wordt geschonden, niet als een middel kan worden beschouwd; dat het beroep derhalve onontvankelijk is; dat er grond is om toepassing te maken van artikel 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; dat de vordering tot schorsing, als accessorium van de nietigverklaring, derhalve samen met het beroep tot nietigverklaring wordt verworpen, BESLUIT: Artikel
- De vordering tot schorsing en het beroep tot nietigverklaring worden verworpen. Artikel
- De kosten van het beroep, bepaald op 173,53 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. Aldus te Brussel, na beraad, uitgesproken in openbare terechtzitting, op vijfentwintig januari tweeduizend en vijf, door: VII-32.947-5/6 Mevr. M.-R. BRACKE, kamervoorzitter, Mevr. E. IMPENS, toegevoegd griffier. De griffier, De voorzitter, E. IMPENS. M.-R. BRACKE. VII-32.947-6/6 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.139.712 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div