← België

Arrest 139718 - - 25/01/2005

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 25 januari 2005 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.139.718 Rolnummer: A. 144388/VII-32955 Zaak: Arrest 139718 - - 25/01/2005 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2005-01-31 Raadplegingen: 59 - laatst gezien 2026-07-02 06:59 Fiche Arrest nr 139.718 van 25 januari 2005 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 139.718 van 25 januari 2005 in de zaak A. 144.388/VII-32.955 In zake : XXX, die woonplaats kiest bij Advocaat F. JACOBS, kantoor houdende te 1050 BRUSSEL, Kroonlaan 207 tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de Minister van Binnenlandse Zaken. ------------------------------------------------------------------------------------------------------------- --- DE VOORZITTER VAN DE VIIe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX, van XXX nationaliteit, op 3 november 2003 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van de beslissing van de Minister van Binnenlandse Zaken van 2 oktober 2003 tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten, aan de verzoekende partij op dezelfde datum ter kennis gebracht; Gezien het verzoekschrift dat de verzoekende partij op dezelfde dag heeft ingediend om de schorsing van de tenuitvoerlegging te vorderen van dezelfde beslissing; Gelet op de beschikking van 3 december 2003 waarbij aan de verzoekende partij het voordeel van de kosteloze rechtspleging wordt verleend; Gelet op de artikelen 4 en 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; Gezien het verslag opgemaakt door Eerste Auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST, op grond van artikel 26 van voormeld koninklijk besluit; Gelet op de kennisgeving van dit verslag aan de partijen; Gelet op de beschikking van 19 oktober 2004 waarbij de terechtzitting wordt bepaald op 7 december 2004; VII-32.955-1/4 Gehoord het verslag van Kamervoorzitter M.-R. BRACKE; Gehoord de opmerkingen van Advocaat F. JACOBS, die verschijnt voor de verzoekende partij, en van Advocaat E. MATTERNE, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van Eerste Auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;

  1. Overwegende dat de voornaamste gegevens van de zaak als volgt kunnen worden samengevat : 1.
  2. De verzoekende partij kwam België binnen op 12 augustus 2003 en verklaarde zich diezelfde dag vluchteling. 1.
  3. Op 18 september 2003 stemde Oostenrijk in met de overname van het asielverzoek van de verzoekende partij. 1.
  4. Op 2 oktober 2003 werd aan de verzoekende partij een beslissing van de Minister van Binnenlandse Zaken tot weigering van verblijf van dezelfde datum ter kennis gebracht, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten. Dit is de bestreden beslissing, waarvan de motivering als volgt luidt : “(...)België is niet verantwoordelijk voor de behandeling van de asielaanvraag dat aan de Oostenrijkse autoriteiten toekomt, met toepassing van art. 51/5 van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen en van art. 8 van de Conventie van Dublin van 15 juni
  5. Betrokkene heeft in Oostenrijk een asielaanvraag ingediend en de Oostenrijkse overheid heeft op datum van 18/09/2003 ingestemd met de vraag tot overname van bovengenoemde persoon. Bovendien heeft betrokkene geen specifieke elementen aangehaald waarom zijn asielaanvraag in België behandeld zou moeten worden. Bijgevolg moet de bovengenoemde het grondgebied van het Rijk verlaten binnen de 10 (tien) dagen en dient hij zich aan te bieden bij de bevoegde Oostenrijkse autoriteiten.(...)”; 2.
  6. Overwegende dat de verzoekende partij een enig middel aanvoert dat als volgt luidt : “Schending van art. 2 par. 2 en 3 van de Wet van 29 juli 1991 betreffende de formele motiveringsplicht van administratieve akten en artikel 62 van de Wet van 15.12.1980 betreffende de toegang, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen, VII-32.955-2/4 Dat echter de motivering betrekking moet hebben op de ingeroepen feiten, waarbij melding moet worden gemaakt van de toepasselijke juridische regels en waarbij dient gemeld te worden hoe en waarom deze juridische regels aanleiding hebben gegeven tot de genomen beslissing; Bovendien stelt de wet dat de motivering afdoende dient te zijn. Teneinde als afdoende beschouwd te kunnen worden dient de motivatie steun te vinden in het administratief dossier en dienen alle elementen die ter kennis van de administratie werden gebracht in overweging genomen te worden. De aangevochten beslissing is als volgt gemotiveerd "België is niet verantwoordelijk voor de behandeling van de asielaanvraag die aan de Oostenrijkse autoriteiten toekomt, met toepassing van artikel 51/5 van de wet van 15.12.1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen en van artikel 8 van de Conventie van 15.12.1990 van Dublin. Betrokkene heeft in Oostenrijk een asielaanvraag ingediend en de Oostenrijkse overheid heeft in datum van 18.09.2003 ingestemd met de vraag tot overname van bovengenoemde persoon. Bovendien heeft betrokkene geen specifieke elementen aangehaald waarom zijn asiel aanvraag in België behandeld zou moeten worden. Bijgevolg moet de bovengenoemde het grondgebied van het Rijk verlaten binnen, de 10 dagen en dient hij zich aan te bieden bij de Oostenrijkse autoriteiten. -Overwegende dat verzoekende partij in Oostenrijk geenszins beseft heeft een “asielaanvraag te hebben ingediend”, gelet op de omstandigheden in dewelke zij in Oostenrijk opgepakt en behandeld werd; Hetgeen zij eerder als een controle kan beschouwen, dat op een brutale en oneerbiedige manier geschiedde, beperkte zich tot het afnemen van de vingerafdrukken; Op geen enkel ogenblik werd verzoekende partij duidelijk gemaakt dat de controle, in die omstandigheden, een asielaanvraag was; De onmiddellijke reactie van het koppel, onder de beschuldiging van terrorist te zijn en de bedreiging naar het moederland te worden teruggedreven, was identiek als in moederland, nl. zo gauw als mogelijk zijn vlucht verder te organiseren; In België heeft verzoekende partij verklaard België te hebben gekozen, omdat België een goed en menselijk asielbeleid heeft, waarmee verzoekende partij uiteindelijk bedoelde in tegenstelling tot Oostenrijk; Verzoekende partij heeft , zoals hoger gezegd is, specifieke redenen om te wensen dat haar asielaanvraag in België zou worden behandeld; Dat België de mogelijkheid heeft, op basis van artikel 3.4 van de Overeenkomst van Dublin, de asielaanvraag van verzoekende partij te onderzoeken; Dat in huidig specifiek geval er voldoende aanwijzingen bestaan over het feit dat verzoekende partij in Oostenrijk effectief geen kans heeft om haar asielaanvraag neutraal te zien behandelen, al was het maar door het feit dat verzoekende partij er, in de gegeven context, geen asielmotieven heeft kunnen vermelden.”; 2.
  7. Overwegende dat de bestreden beslissing steunt op artikel 51/5 van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen en op artikel 8 van de Conventie van Dublin van 15 juni 1990; dat die rechtsgronden expliciet in de bestreden beslissing worden opgenomen; dat in de bestreden beslissing wordt vermeld dat verzoeker in Oostenrijk een asielaanvraag heeft ingediend en dat de Oostenrijkse overheid op 18 september 2003 heeft ingestemd met de overname van verzoekers asielaanvraag, zodat Oostenrijk bevoegd is om de asielaanvraag van verzoeker te behandelen; dat gelet op het absolute karakter van de aanwijzing van de verantwoordelijke lidstaat, de beslissingnemende overheid (België), eens de verantwoordelijke lidstaat werd bepaald (Oostenrijk) en deze België niet heeft verzocht het asielverzoek te behandelen, wat blijkt uit de instemming van Oostenrijk met de overname, de Belgische overheid niet meer beschikt over een discretionaire bevoegdheid; dat voornoemde VII-32.955-3/4 overheid dan ook niet diende te antwoorden op eventueel door verzoeker aangehaalde redenen waarom hij zijn asielaanvraag in België behandeld wilde zien worden; dat de desbetreffende kritiek die verzoeker in het middel ontwikkelt dan ook gericht is tegen een overtollig motief van de bestreden beslissing; dat het enige middel niet gegrond is;
  8. Overwegende dat de verzoekende partij geen gegrond middel tot nietigverklaring heeft aangevoerd; dat er derhalve grond is om toepassing te maken van artikel 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; dat de vordering tot schorsing, als accessorium van de nietigverklaring, derhalve samen met het beroep tot nietigverklaring wordt verworpen, BESLUIT: Artikel
  9. De vordering tot schorsing en het beroep tot nietigverklaring worden verworpen. Artikel
  10. De kosten van het beroep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. Aldus te Brussel, na beraad, uitgesproken in openbare terechtzitting, op vijfentwintig januari tweeduizend en vijf, door: Mevr. M.-R. BRACKE, kamervoorzitter, Mevr. E. IMPENS, toegevoegd griffier. De griffier, De voorzitter, E. IMPENS. M.-R. BRACKE. VII-32.955-4/4 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.139.718 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.