← België

Arrest 139721 - - 25/01/2005

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 25 januari 2005 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.139.721 Rolnummer: A. 144102/VII-32958 Zaak: Arrest 139721 - - 25/01/2005 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2005-02-15 Raadplegingen: 48 - laatst gezien 2026-07-02 06:59 Fiche Arrest nr 139.721 van 25 januari 2005 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 139.721 van 25 januari 2005 in de zaak A. 144.102/VII-32.958 In zake : XXX, die woonplaats kiest bij Advocaat N. BOWMAN, kantoor houdende te 1060 BRUSSEL, Defacqstraat 78-80 tegen : de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen. --------------------------------------------------------------------------------------------------------------- - DE VOORZITTER VAN DE VIIe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX, van Kameroense nationaliteit, op 18 november 2003 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van de beslissing van de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen van 13 oktober 2003 tot bevestiging van de beslissing van de Minister van Binnenlandse Zaken van 7 juli 2003 tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten, aan de verzoekende partij ter kennis gebracht op 21 oktober 2003; Gezien het verzoekschrift dat de verzoekende partij op dezelfde dag heeft ingediend om de schorsing van de tenuitvoerlegging te vorderen van dezelfde beslissing; Gelet op de beschikking van 21 november 2003 waarbij aan de verzoekende partij het voordeel van de kosteloze rechtspleging wordt verleend; Gelet op de artikelen 4 en 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; Gezien het verslag opgemaakt door Eerste Auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST, op grond van artikel 26 van voormeld koninklijk besluit; Gelet op de kennisgeving van dit verslag aan de partijen; VII-32.958-1/9 Gelet op de beschikking van 19 oktober 2004 waarbij de terechtzitting wordt bepaald op 7 december 2004; Gehoord het verslag van Kamervoorzitter M.-R. BRACKE; Gehoord de opmerkingen van Advocaat N. BOWMAN, die verschijnt voor de verzoekende partij, en van Adjunct-adviseur L. VANDERVOORT, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van Eerste Auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;

  1. Overwegende dat de voornaamste gegevens van de zaak als volgt kunnen worden samengevat : 1.
  2. De verzoekende partij kwam België binnen op 3 juni 2003 en verklaarde zich diezelfde dag vluchteling. 1.
  3. Op 7 juli 2003 nam de Minister van Binnenlandse Zaken een beslissing tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten. 1.
  4. Op 13 oktober 2003 bevestigde de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen deze beslissing als volgt : “A. Vluchtrelaas U verklaart een Kameroens staatsburger te zijn, behorend tot de Bawock-stam en afkomstig van Buea. Op 2 juni 2003 heeft u Kameroen verlaten om de volgende dag in België aan te komen, waar u diezelfde dag nog asiel aanvroeg. Volgens uw verklaringen voor het Commissariaat-generaal op 7 augustus 2003, werd u midden 1999 lid van de oppositiebeweging SCNC, Southern Cameroons National Council, een Engelstalige afscheidingsbeweging. Op 30 december 1999 nam u deel aan de Independence Declaration van Justice Alobwede Frederic op de radio. Uw taak bestond uit het opsluiten van de bewakers. Op 2 januari 2000 ging u, met nog vier anderen, naar de Mungo-brug om de SCNC-vlag te hijsen. Jullie wagen werd echter tegengehouden en de gendarmes vonden jullie lidkaarten van het SCNC en de vlag. Jullie werden meegenomen naar de gendarmerie van Limbé, waar jullie apart werden opgesloten. U verbleef daar 14 dagen, vervolgens werd u overgebracht naar de gerechtelijke politie in Buea waar u meer dan twee maanden verbleef. Midden maart 2000 werd u overgebracht naar Buea Central Prison. Na twee weken in de gevangenis te hebben verbleven, kon u een bezoeker overtuigen om uw familie op de hoogte te brengen. Twee dagen hierna kreeg u bezoek van uw vader en een paar weken nadien van uw broer XXX. Rond 2 september 2000 ontmoette u de bewaker J M, die u reeds eerder had ontmoet. Op 5 september 2000 kon u ontsnappen dankzij zijn hulp. U vluchtte vervolgens naar Bamenda en vandaar naar Bali, een buurdorp van uw dorp Bawock, waar u onderdak kreeg bij XXX, de grootvader van een schoolvriend. U VII-32.958-2/9 werkte er op de boerderij en vermeed de autoriteiten. In 2002 bracht u uw broer XXX op de hoogte dat u in Bali was. Uw broer bezocht u vervolgens en vertelde u dat de politie verschillende keren naar huis was gekomen, dat er een arrestatiebevel was uitgevaardigd tegen u en dat uw vader in november 2000 werd gearresteerd op beschuldiging van het niet verlenen van medewerking aan het politieonderzoek. Op 25 december 2000 kwam uw vader vrij door tussenkomst van zijn advocaat. Hij werd hierna echter ziek en stierf uiteindelijk op 15 september
  5. Uw broer XXX kwam u op de hoogte brengen van zijn overlijden en vertelde u dat u aanwezig moest zijn op de begrafenis omdat uw vader u had aangeduid als opvolger. Op 28 september 2002 ging u naar Bawock. U kreeg diezelfde avond nog bezoek van negen leden van de “Ngoh Mobwo”, een groep waarvan uw vader ook lid zou zijn geweest maar waar u voordien nooit iets over vernomen had. Op 29 september had u een afspraak met deze groep, daar werd u verteld dat u uw vader moest opvolgen in de groep. U weigerde echter omdat u christen bent en de rituelen van de groep indruisten tegen uw geloof. U liep weg. U vertrok onmiddellijk naar Bali. Twee maanden na de begrafenis kreeg u nachtmerries en hoorde u overdag stemmen. Op 11 februari 2003 brak er brand uit in uw kamer, toen u met P D in het woud was. Een tovenaar beschuldigde u ervan verantwoordelijk te zijn voor de brand omdat u behekst was. P D stuurde u vervolgens weg. Gedurende twee weken leefde u op straat, totdat u G ontmoette. G liet u bij hem logeren. Ondertussen had u hulp gezocht bij een predikant, maar ook dat bracht geen verbetering. In maart 2003 kwam XXX u bezoeken, hij had een brief van de Ngoh Mobwo mee voor u, waarin stond dat u de plaats van uw vader in de groep moest innemen omdat de lege plaats de activiteiten van de groep verstoorde. Toen u de brief las begonnen uw ogen te tranen. Diezelfde nacht nog zag u de geest van uw vader die u beval bij de groep te gaan. Hierop besloten u en uw broer dat u Kameroen moest verlaten. Uw broer regelde vervolgens uw vertrek. Na uw aankomst in België vernam u van uw broer dat de politie u nog steeds zocht omwille van uw politieke activiteiten. B. Motivering Er dient te worden opgemerkt dat uw vermeend lidmaatschap van en uw vermeende activiteiten voor de SCNC, volgens uw verklaringen, aan de basis zouden liggen van de door u aangehaalde problemen met de Kameroense autoriteiten, namelijk uw arrestatie op 2 januari 2000 en de daaropvolgende detentie. Echter, gezien de verklaringen die u hebt afgelegd voor het Commissariaat-generaal (CGVS) niet stroken met de informatie waarover het Commissariaat-generaal beschikt en waarvan een kopie aan uw administratief dossier werd toegevoegd, kan er geen geloof gehecht worden aan uw bewering dat u actief zou zijn geweest binnen de SCNC. Zo verklaarde u, met betrekking tot de onafhankelijkheidsverklaring op 30 december 1999 op Radio Buea waaraan u persoonlijk zou hebben deelgenomen, dat Justice Ebong, Martin Luma, Pa Sabon, en nog vele anderen op 2 januari 2000 werden gearresteerd in Limbé (zie gehoorverslag CGVS p 17), terwijl uit de informatie waarover het Commissariaat-generaal beschikt, blijkt dat pas tijdens manifestaties op 8 en 9 januari 2000 er een aantal mensen, waaronder Justice Ebong en James Sabum, werden gearresteerd en opgesloten. Toen u verder werd gevraagd hoeveel mensen er juist werden gearresteerd en of u nog andere namen van gearresteerden kende, bleef u het antwoord schuldig (zie gehoorverslag CGVS p 17). Toen u werd gevraagd of er mensen voor de rechtbank waren verschenen en waren berecht voor dit incident, antwoordde u dat u dacht van niet (zie gehoorverslag CGVS p 18), terwijl uit de informatie blijkt dat de gearresteerden uiteindelijk werden vrijgesproken door de militaire rechtbank. Bovendien blijkt uit uw verklaringen voor het Commissariaat-generaal dat u denkt dat Justice Ebong en Justice Alobwede Frederick twee verschillende personen zijn, terwijl uit de informatie blijkt dat Justice Alobwede Frederick Ebong wel degelijk één en dezelfde persoon is, namelijk de persoon die de onafhankelijkheid afkondigde op Radio Buea en die, tijdens zijn daaropvolgend verblijf in de gevangenis, werd verkozen tot voorzitter van het SCNC. Zo verklaarde u dat Justice Alobwede Frederick aanwezig was tijdens het Radio Buea-incident, aangezien hij de persoon was die de onafhankelijkheid afkondigde op de radio (zie gehoorverslag CGVS p 16), terwijl u verder stelde dat u niet wist of Justice Ebong aanwezig was tijdens het incident op de radio (zie gehoorverslag CGVS p 17). Ook verder in het interview maakte u een duidelijk onderscheid tussen Justice Alobwede en Justice Ebong (zie gehoorverslag CGVS p 18-19). Het is niet aannemelijk dat een VII-32.958-3/9 SCNC-lid, en zeker iemand die beweert persoonlijk te hebben deelgenomen aan de onafhankelijkheidsverklaring op Radio Buea, zich hieromtrent zou vergissen. Ten slotte kon u niet zeggen wanneer Justice Ebong vrij kwam en hoe hij juist is vrijgekomen, of hij voor de rechtbank was verschenen of niet (zie gehoorverslag CGVS p 18-19). De geloofwaardigheid van uw politiek engagement voor de SCNC wordt nog verder ondermijnd door uw gebrekkige kennis over de werking en geschiedenis van de beweging. Zo verklaarde u verkeerdelijk dat chief Ayamba de voorzitter van de SCNC was, toen u lid werd van de beweging (zie gehoorverslag CGVS p 10), terwijl uit informatie waarover het Commissariaat-generaal beschikt, en waarvan een kopie is toegevoegd aan het administratief dossier, blijkt dat de toenmalige voorzitter Ndoki Muketé was. Toen u later in het interview werd gevraagd wie Ndoki Muketé was, kon u slechts zeggen dat hij ooit een leider van de SCNC was, bovendien kon u niet zeggen wanneer (zie gehoorverslag CGVS p 52). Ook toen u werd gevraagd wie de schatbewaarder van de SCNC was toen u lid werd, moest u het antwoord schuldig blijven (zie gehoorverslag CGVS p 10). Het is niet aannemelijk dat u niet weet wie de toenmalige voorzitter en schatbewaarder van de SCNC waren, aangezien u zelf uitdrukkelijk heeft verklaard dat deze twee personen uw lidkaart hebben ondertekend (zie gehoorverslag CGVS p 9). Toen u daarnaast werd gevraagd wie de huidige voorzitter en schatbewaarder van de SCNC zijn, kon u geen antwoord geven (zie gehoorverslag CGVS p 10). Bovendien slaagde u er niet in de andere functies, naast voorzitter en chairman, binnen de SCNC te geven (zie gehoorverslag CGVS p 11). Later in het interview voor het Commissariaat-generaal maakte u wel gewag van de functie van secretary-general, maar toen u gevraagd werd wie deze functie bekleedde toen u lid werd, antwoordde u dat het chief Ayamba was (zie gehoorverslag CGVS p 52). Dit is uiterst merkwaardig aangezien u eerder had verklaard dat chief Ayamba de voorzitter/chairman was toen u lid werd (zie gehoorverslag CGVS p 10). Hieruit blijkt dat u geen onderscheid maakt tussen de functies van voorzitter en secretary-general, terwijl uit de informatie blijkt dat het wel degelijk twee verschillende functies zijn. Betreffende de structuur van de SCNC kon u alleen vertellen dat er een Northern en een Southern Zone bestaat (zie gehoorverslag CGVS p 52). Verder stelde u verkeerdelijk dat de CAM, Cameroon Anglophoon Movement, niet tot de SCNC behoort maar onafhankelijk is (zie gehoorverslag CGVS p 8), terwijl uit de informatie blijkt dat de SCNC, als koepelorganisatie, wel degelijk de CAM herbergt. Toen u tevens werd gevraagd of er, naast de SCYL, nog andere bewegingen tot de SCNC behoren, antwoordde u foutief dat u dacht van niet (zie gehoorverslag CGVS p 9). Deze vaststellingen doen grondig afbreuk aan de geloofwaardigheid van uw lidmaatschap van en activiteiten voor de SCNC, en bijgevolg ook aan de geloofwaardigheid van uw vermeende arrestatie en detentie omwille van dit lidmaatschap en deze activiteiten. De geloofwaardigheid van uw verklaringen betreffende uw detentie wordt nog verder ondermijnd door volgende tegenstrijdige verklaringen: zo stelde u voor de DVZ uitdrukkelijk dat u, gedurende uw detentie van zeven maanden in Buea Central Prison, geen bezoek kreeg, aangezien dat niet was toegestaan en dat u later, via uw broer, vernam dat uw vader vaak naar de gevangenis was gekomen, maar dat hij nooit toestemming had gekregen om u te bezoeken (zie gehoorverslag DVZ p 13). Echter, voor het CGVS verklaarde u dat u in die periode wel degelijk uw vader en broer had gezien toen ze op bezoek kwamen, het was meestal uw vader die kwam, uw broer is slechts twee á drie keer gekomen (zie gehoorverslag CGVS p 27). Met betrekking tot uw vrees voor de groep Ngoh Mobwo die u zou dwingen de plaats van uw vader in te nemen in de groep, dient te worden opgemerkt dat het hier gaat om problemen van lokale aard, en de opvolgingstradities binnen uw stam betreffen. Ze houden echter geen verband met de Conventie van Genève. Dit wordt verder bevestigd door uw verklaring dat u, als u niet zou gezocht worden door de politie omwille van uw politieke activiteiten, deze mensen, namelijk de groep Ngoh Mobwo, zou kunnen aangeven bij de politie (zie gehoorverslag CGVS p 49). Aangezien er geen geloof meer kan worden gehecht aan uw politieke activiteiten en de daaruit volgende problemen, gezien bovenstaande argumentatie, belet niets u om bescherming te zoeken bij de Kameroense autoriteiten. VII-32.958-4/9 Het door u neergelegde document, namelijk de kopie van uw geboorteakte, is niet van die aard om bovenstaande argumentatie te wijzigen, gezien het een document betreft dat identiteitsgegevens bevat, die hier niet ter discussie staan. Aan het krantenartikel uit “the Post” daterend van 8 januari 2001, waarin uw naam staat vermeld als SCNC-lid op de vlucht voor de veiligheidstroepen, kan, gezien bovenstaande vaststellingen betreffende de ongeloofwaardigheid van uw politiek engagement en de daaruit volgende problemen, geen bewijswaarde worden gehecht. Temeer daar uit informatie waarover het Commissariaat-generaal beschikt, en waarvan een kopie is toegevoegd aan het administratief dossier, blijkt dat Kameroen tot de meest corrupte landen in de wereld behoort en dat documenten er openlijk te koop zijn. C. Conclusie Op basis van de elementen uit uw dossier, bevestig ik de beslissing van de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse zaken waarbij u het verblijf op het grondgebied werd geweigerd. Steunend op artikel 52 van de vreemdelingenwet meen ik dat uw asielaanvraag bedrieglijk is. Bovendien ben ik de mening toegedaan: dat uw asielaanvraag onontvankelijk is omdat ze geen verband houdt met de criteria van het Internationaal Verdrag betreffende de status van vluchtelingen noch met andere criteria die de toekenning van asiel wettigen.”. Dit is de bestreden beslissing; 2.1.
  6. Overwegende dat de verzoekende partij een eerste middel aanvoert dat als volgt luidt : “A: Eerste middel: schending van substantiële vormen: de materiële motiveringsplicht als algemeen beginsel van behoorlijk bestuur. De formele motiveringsplicht, zoals opgelegd door de artikelen 2 en 3 van de Wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van bestuurshandelingen is alleszins een substantiële vorm. De materiële motiveringsplicht is een algemeen beginsel van behoorlijk bestuur. In casu werd de beslissing niet, minstens onvoldoende gemotiveerd. De feitelijke en juridische overwegingen die aan de grondslag liggen moeten in de beslissing afdoende en juist worden vermeld. Doordat, eerste onderdeel, in de bestreden beslissing gesteld wordt dat er geen voldoende aanwijzingen zijn die kunnen aantonen dat de asielaanvraag van verzoeker gegrond is. Verzoeker zou onvoldoende kunnen aantonen lid te zijn geweest en deel te hebben genomen aan activiteiten van de SCNC. In een krantenartikel (zie The Post dd. 08/01/2001 in bijlage) wordt verzoeker bij naam aangeduid als één van de helden van SCNC, die slachtoffer werd van de veiligheidsdiensten. Zijn identiteit blijkt uit de bijgevoegde geboorteakte (zie bijlage). Het relaas van verzoeker is geloofwaardig en samenhangend. De bestreden beslissing tracht in zijn relaas fouten te vinden om zijn geloofwaardigheid te ondermijnen. Enerzijds kunnen dergelijke foutjes het gevolg zijn van een foutief begrip (vertalingen e.d.) anderzijds kan verzoeker niet verweten worden de volledige structuur van de partij, de geschiedenis, de leden,... in detail te kunnen beschrijven. Overeenkomstig het Verdrag van Genève moet de geloofwaardigheid van de verklaringen van een asielzoeker genoegzaam worden vastgesteld, maar dienen de aangevoerde feiten niet in detail worden nagegaan en moet hem het voordeel van de twijfel worden gegund, tenzij gegronde redenen zich daartegen verzetten. In casu zijn dergelijke redenen niet voorhanden. In plaats van verzoeker het voordeel van de twijfel te hebben gegund, werd hij aan een kruisverhoor onderworpen, en ondervraagd over de geringste details. VII-32.958-5/9 Doordat, wat het tweede onderdeel betreft, in de bestreden beslissing, er van uit wordt gegaan dat de vervolgingen door de groep 'Ngoh Mobwo' geen verband houden met de Conventie van Genève. Terwijl deze vervolgingen dienen beschouwd te worden als vervolgingen van de lokale overheid, verband houdende met de religieuze overtuiging van verzoeker. Hij heeft het protestants geloof en kan zich niet vinden in de heidense rituelen van zijn stam. In zijn dorp wordt de groep ‘Ngoh Mobwo’ als gezaghebbend beschouwd en dient derhalve als een lokale overheid in de zin van het verdrag van Genève worden beschouwd. Ten slotte doordat wat het derde onderdeel betreft, de bestreden beslissing geen geloof wil hechten aan de voorgelegde documenten. De enige reden daartoe zou zijn dat Kameroen een corrupt land is en dat de kans op vervalsing reëel is. Het is evident dat corruptie of vervalsing geen uitgangspunt of vooronderstelling kan zijn om een beslissing op te baseren, maar dient hard te worden gemaakt.”; 2.1.
  7. Overwegende dat de Commissaris-generaal op grond van zijn in artikel 52 van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen vervatte appreciatiebevoegdheid, tot de bedrieglijkheid van verzoekers asielaanvraag heeft besloten, omdat de verklaringen die hij aflegde voor het Commissariaat-generaal niet stroken met de informatie waarover het Commissariaat-generaal beschikt, waardoor geen geloof kan worden gehecht aan zijn lidmaatschap van en activiteiten voor de SCNC, en bijgevolg evenmin aan zijn vermeende arrestatie en detentie omwille van dit lidmaatschap en deze activiteiten; dat verzoeker de vastgestelde tegenstrijdigheden wijt aan een foutief begrip of verkeerde vertalingen; dat uit de stukken van het administratief dossier echter blijkt dat verzoeker op het einde van zijn verhoor op het Commissariaat-generaal verklaarde alle vragen te hebben begrepen (verhoorverslag CGVS, p. 53); dat niets erop wijst dat verzoekers verklaringen niet getrouw werden vertaald; dat verzoeker bovendien nalaat zijn blote bewering met enige concrete gegevens te staven; Overwegende dat uit verzoekers verklaringen blijkt dat hij beweert sinds 1999 een actief lid te zijn van de SCNC; dat van verzoeker dan ook redelijkerwijze kon worden verwacht dat hij over een wezenlijke kennis beschikt van de partij waarvan hij beweert lid te zijn; dat de bestreden beslissing zeer duidelijk en op uitgebreide en gedetailleerde wijze aantoont dat verzoekers kennis aangaande de SCNC uitermate beperkt is; dat verzoeker er in het middel geenszins in slaagt aan te tonen dat de feitelijke vaststellingen van de Commissaris-generaal onjuist zouden zijn, noch dat de gevolgtrekkingen die hij daaruit afleidt kennelijk onredelijk zouden zijn; dat waar verzoeker zijn ongenoegen uit over het “kruisverhoor” waaraan hij werd onderworpen, dient te worden opgemerkt dat de asielprocedure een procedure is welke ten dienste van kandidaat- vluchtelingen zoals verzoeker werd ontwikkeld, en dat de Commissaris-generaal, om een exact beeld te krijgen van de situatie waarin de vreemdeling zich bevindt op het tijdstip van zijn vluchtelingenverklaring, dienaangaande de mogelijkheid heeft om alle gegevens na te gaan die hij noodzakelijk acht om zijn beslissing te kunnen nemen; dat de omstandigheid VII-32.958-6/9 dat de Commissaris-generaal verzoeker ondervraagt “over de geringste details” hem dan ook bezwaarlijk kan worden verweten, nu de Commissaris-generaal precies op grond van de door verzoeker gegeven inlichtingen tot een redelijke beoordeling van de asielaanvraag dient te komen; dat er, gelet op de gegevens van het dossier, geen redenen voorhanden zijn om er aan te twijfelen dat dit in casu is gebeurd; Overwegende dat verzoeker betwist dat zijn problemen met de groep “Ngoh Mobwo” vreemd zouden zijn aan de Conventie van Genève; dat verzoekers argument echter geen steun vindt in het administratief dossier; dat uit verzoekers verklaringen immers enkel blijkt dat zijn vader lid was van de groep “Ngoh Mobwo”, dat na diens overlijden hij als opvolger werd aangeduid, dat hij weliswaar weigerde omwille van zijn religieuze overtuiging, maar dat de leden van de groep bleven aandringen omdat de lege plaats de activiteiten van de groep verstoorde; dat de vaststelling van de Commissaris-generaal dat de problemen van lokale aard zijn en de opvolgingstradities binnen de stam betreffen, dan ook niet als kennelijk onredelijk kan worden beschouwd; dat, voorts, verzoekers stelling dat deze groep een lokale autoriteit vormt wordt tegengesproken door zijn eigen verklaring dat mocht hij niet gezocht worden door de politie, hij deze mensen bij de politie zou kunnen aangeven; dat het oordeel van de Commissaris-generaal derhalve niet kennelijk onredelijk is, gelet op de feitelijke gegevens van het dossier; Overwegende dat, wat het kwestieuze krantenartikel betreft, de Commissaris-generaal in de bestreden beslissing stelt dat er geen bewijswaarde aan kan worden gehecht “temeer” daar uit de informatie waarover het Commissariaat-generaal beschikt blijkt dat Kameroen tot de meest corrupte landen in de wereld behoort en dat documenten er openlijk te koop zijn; dat verzoeker deze informatie waarover het Commissariaat-generaal beschikt geenszins betwist, doch stelt dat de Commissaris-generaal niet bewijst dat het krantenartikel vals is; dat het evenwel, zoals terecht in de bestreden beslissing wordt weergegeven, reeds gelet op de verscheidene vaststellingen van de Commissaris-generaal betreffende de ongeloofwaardigheid van verzoekers politiek engagement en de daaruit volgende problemen, niet kennelijk onredelijk voorkomt om te stellen dat geen bewijswaarde kan worden gehecht aan het krantenartikel; dat verzoeker niet aantoont dat de motivering gebrekkig zou zijn; Overwegende dat, gelet op het voorgaande, dient te worden besloten dat de bestreden beslissing uitgebreid de motieven bevat op grond waarvan wordt geoordeeld dat verzoekers asielaanvraag bedrieglijk is en vreemd aan de criteria van de Conventie van Genève en andere criteria die de toekenning van asiel wettigen; dat de motieven worden gestaafd door precieze voorbeelden; dat verzoeker er niet in slaagt de juistheid en pertinentie ervan te weerleggen; dat de motivering de beslissing blijkt te kunnen dragen en afdoende en deugdelijk is; dat het eerste middel niet gegrond is; VII-32.958-7/9 2.2.
  8. Overwegende dat de verzoekende partij een tweede middel als volgt uiteenzet : “B: Tweede middel: schending van artikel 63/5 van de wet betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen en de algemene motiveringswet Doordat de bestreden beslissing oordeelt “dat de betrokken vreemdeling in de huidige omstandigheden mag worden teruggeleid naar de grens van het land dat hij ontvlucht is en waar, volgens zijn verklaring, zijn leven, zijn fysieke integriteit of zijn veiligheid in gevaar zou verkeren.” Terwijl voor dit advies geen enkel motief wordt aangehaald en dat dit anderzijds in strijd is met de overweging dat verzoeker, zij het omwille van motieven die al dan niet terecht gekwalificeerd worden als redenen van gemeen recht, vreest voor zijn leven of fysieke integriteit bij terugkeer naar Kameroen. Artikel 63/5 voorziet dat “in geval van bevestiging van de aangevochten beslissing (geeft) de Commissaris-generaal voor de Vluchtelingen en Staatlozen of één van zijn adjuncten tevens uitdrukkelijk advies over de eventuele terugleiding van de betrokkene naar de grens van het land dat hij ontvlucht is en waar volgens zijn verklaring zijn leven, zijn fysieke integriteit of zijn vrijheid in gevaar zou verkeren”. De wetgever heeft duidelijk geoordeeld dat ook wanneer een asielaanvraag onontvankelijk wordt verklaard en het voorwerp uitmaakt van een bevestigende beslissing, een terugleiding naar het land van herkomst niet automatisch is. De wetgever heeft er rekening mee gehouden dat een strikte toepassing van de wetgeving een schending van elementaire mensenrechten zou kunnen inhouden. Met name dient de Commissaris-generaal hierbij te waken over een eventuele schending van artikel 3 EVRM (zie M. Bossuyt, Het Arbitragehof en de opschortingsmogelijkheid door de Raad van State van de bevestigende beslissing van de Commissaris-generaal voor de Vluchtelingen en Staatlozen in K. De Feyter e.a., Migratie- en Migrantenrecht 2000 p. 155). De Commissaris-generaal blijft in de bestreden beslissing volkomen in gebreke te motiveren waarom hij van oordeel is dat een terugleiding naar Kameroen zich opdringt, ondanks het feit dat verzoeker aldaar gevaar voor zijn leven loopt. Alhoewel het hier slechts een verplichte adviesmogelijkheid betreft, die geen definitief obstakel is voor de uitvoering van een eventuele repatriëring, heeft verzoeker toch belang bij dit middel, vermits de toepassing van de omzendbrief inzake ‘onverwijderbaren’ onder meer rekening houdt met een dergelijk advies geformuleerd door de Commissaris-generaal. De omzendbrief van
  9. 1997 betreffende de vreemdelingen die tengevolge van buitengewone omstandigheden onafhankelijk van hun wil voorlopig geen gevolg kunnen geven aan het bevel om het grondgebied te verlaten (B.S. 14.11.1997) stelt aldus: “het feit dat de Commissaris-generaal voor de Vluchtelingen en Staatlozen in geval van bevestiging van de beslissing van de Dienst vreemdelingenzaken waaruit de betrokkene het verblijf in het Rijk in de hoedanigheid van kandidaat-vluchteling geweigerd wordt, aangeeft dat de betrokkene onmogelijk kan teruggeleid worden naar de grens van het land waar volgens zijn verklaring zijn leven, fysieke integriteit of zijn vrijheid in gevaar zou verkeren, kan de bewijslast van de betrokkene verlichten... De niet-terugleidingsclausule zal niet per definitie leiden tot de inwilliging van de aanvraag. Elke aanvraag wordt immers individueel beoordeeld door de Dienst Vreemdelingenzaken die op het moment van de behandeling van de aanvraag de niet- terugleidingsclausule zal beoordelen, rekening houdend met de op dat moment geldende omstandigheden. " Door geen enkele reserve te formuleren met betrekking tot de terugleiding naar de grens van Kameroen, heeft de bestreden beslissing als gevolg dat het voor verzoeker wel uitzonderlijk moeilijk wordt een eventuele schending van artikel 3 op te werpen als een reden voor regularisatie of uitstel van vertrek in het kader van een aanvraag gericht tot het Ministerie van Binnenlandse Zaken.”; VII-32.958-8/9 2.2.
  10. Overwegende dat het tweede middel gericht is tegen een overweging die niet in de bestreden beslissing voorkomt; dat het tweede middel derhalve niet tot nietigverklaring kan leiden;
  11. Overwegende dat de verzoekende partij geen gegrond middel tot nietigverklaring heeft aangevoerd; dat er derhalve grond is om toepassing te maken van artikel 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; dat de vordering tot schorsing, als accessorium van de nietigverklaring, derhalve samen met het beroep tot nietigverklaring wordt verworpen, BESLUIT: Artikel
  12. De vordering tot schorsing en het beroep tot nietigverklaring worden verworpen. Artikel
  13. De kosten van het beroep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. Aldus te Brussel, na beraad, uitgesproken in openbare terechtzitting, op vijfentwintig januari tweeduizend en vijf, door: Mevr. M.-R. BRACKE, kamervoorzitter, Mevr. E. IMPENS, toegevoegd griffier. De griffier, De voorzitter, E. IMPENS. M.-R. BRACKE. VII-32.958-9/9 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.139.721 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.