id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 25 januari 2005 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.139.741 Rolnummer: A. 156504/XII-4280 Zaak: Arrest 139741 - - 25/01/2005 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2005-02-02 Raadplegingen: 53 - laatst gezien 2026-07-02 07:00 Fiche Arrest nr 139.741 van 25 januari 2005 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 139.741 van 25 januari 2005 in de zaak A. 156.504/XII-
- In zake : Stephane VERCRUYSSE, die woonplaats kiest bij advocaat B. Smagghe, kantoor houdende te Kortrijk, Burgemeester Nolfstraat 14 tegen : de STAD MENEN, die woonplaats kiest bij advocaat D. Van Heuven, kantoor houdende te Kortrijk, President Kennedypark 8b. --------------------------------------------------------------------------------------------------- DE Wnd. VOORZITTER VAN DE XIIe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat Stephane Vercruysse op 13 oktober 2004 heeft ingediend om de schorsing van de tenuitvoerlegging te vorderen van de beslissing van 15 juli 2004 van de gemeenteraad van Menen om geen convenant te sluiten met betrekking tot de uitbating van een kansspelinrichting klasse II op het adres Wervikstraat 224 te Menen; Gezien de nota van de verwerende partij; Gezien het verslag opgesteld door auditeur P. De Somere; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen; Gelet op de beschikking van 2 december 2004 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 21 december 2004; XII-4280-1/6 Gehoord het verslag van staatsraad J. Lust; Gehoord de opmerkingen van advocaat B. Smagghe, die verschijnt voor verzoeker, en van advocaat S. Ronse, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van auditeur B. Thys; Gelet op de artikelen 17 en 18 en titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; Overwegende dat de wet van 7 mei 1999 op de kansspelen, de kansspelinrichtingen en de bescherming van de spelers, de uitbating van een kansspelinrichting klasse II of speelautomatenhal onderwerpt aan een voorafgaande- lijk door de kansspelcommissie uit te reiken schriftelijke vergunning klasse B en bepaalt dat de exploitatie moet gebeuren krachtens een convenant met de gemeente; Overwegende dat verzoeker met brief van 15 januari 2001 aan de verwerende partij vraagt een convenant te sluiten met betrekking tot zijn speelautomatenhal “Hollywood” aan de Rijselstraat 242-246 te Menen; dat de gemeente tot drie keer toe weigert een convenant te sluiten, het laatst bij gemeenteraadsbesluit van 30 januari 2004; Overwegende dat met schrijven van 17 mei 2004 verzoeker aan de gemeente vraagt een convenant te sluiten voor de uitbating van een nieuwe kansspelinrichting klasse II, “Hollywood 2”, op het adres Wervikstraat 224 te Menen; dat de gemeenteraad op 15 juli 2004 beslist geen convenant te sluiten vanwege “de nabijheid van tal van kwetsbare inrichtingen” bedoeld in artikel 36, 4, van de wet van 7 mei 1999; Overwegende dat krachtens artikel 17, § 2, van de geco- ördineerde wetten op de Raad van State slechts tot schorsing van de tenuitvoerlegging kan worden besloten onder de dubbele voorwaarde dat ernstige middelen worden XII-4280-2/6 aangevoerd die de nietigverklaring van de aangevochten beslissing kunnen verantwoorden en dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen; Overwegende, wat de eerste voorwaarde betreft, dat verzoeker drie middelen aanvoert; dat hij in een derde middel de “niet naleving van de motiveringsplicht” doet gelden; dat het middel vijf onderdelen behelst; dat daarin de deugdelijkheid wordt betwist van de verschillende motieven van de bestreden beslissing; Overwegende dat de bestreden weigering steunt op de nabijheid van tal van kwetsbare inrichtingen bedoeld in artikel 36, 4, van de wet 7 mei 1999; dat die nabijheid in vijf overwegingen wordt beargumenteerd; dat van elk van die overwegingen de gemeenteraad expliciet stelt dat zij “op zich volstaat om het sluiten van de gevraagde convenant te weigeren”; Overwegende dat één van deze overwegingen luidt : “Overwegende dat zich in de onmiddellijke omgeving van de aangevraagde kansspelinrichting de alom bekende megadancing-discotheek 'Lagoa' bevindt, op een afstand van slechts 296 m, in dezelfde straat, met toegang via deze zelfde straat; dat deze inrichting ieder weekend zeer druk bezocht wordt door jongeren vanuit geheel Vlaanderen zelfs en ook vanuit Noord-Frankrijk; per avond wordt deze dancing bezocht door ongeveer 500 à 1000 bezoekers, wat kan oplopen tot zelfs meer dan 5.000 bezoekers tijdens mega-fuiven; dat deze dansgelegenheid reeds jaren overlast bezorgt, alsook enorme problemen creëert inzake druggebruik en dealen : gelet op het verslag en negatief advies van de politie terzake dd. 22 juni 2004; dat de vestiging van een kansspelinrichting op korte loopafstand van de grootste dancing van Menen, die een zeer grote concentratie van jongeren met zich meebrengt en bovendien heel wat problemen genereert, totaal onverantwoord is en bovendien strijdig met de bedoeling van de kansspelenwet; dat deze overweging op zich volstaat om het sluiten van de gevraagde convenant te weigeren”; Overwegende dat volgens artikel 36, 4, van de wet van 7 mei 1999 de aanvrager van een vergunning klasse B ervoor moet zorgen dat de kansspelinrichting klasse II niet gevestigd wordt in de nabijheid, onder andere, van XII-4280-3/6 plaatsen die vooral door jongeren worden bezocht; dat de voorwaarde er toe strekt te vermijden dat jongeren ertoe worden aangezet om de speelautomatenhal te bezoeken, inzonderheid omdat zij de inrichting niet ver verwijderd weten en het maar een geringe moeite kost om er zich naar toe te begeven; dat dan ook de beoordeling van de nabijheid van het artikel 36, 4, ipso facto de aantrekkingskracht van de kansspelinrichting lijkt te betreffen en in te sluiten; Overwegende dat op het eerste gezicht “megadancing-discotheek ‘Lagoa’” als een plaats mag worden beschouwd die vooral door jongeren wordt bezocht; dat, voorts, de bestreden beslissing formeel motiveert waarom zij die instelling aanziet als gelegen “in de onmiddellijke omgeving van de aangevraagde kansspelinrichting”; dat deze verantwoording, namelijk een verwijdering “van slechts 296 m”, niet feitelijk onjuist lijkt; dat het voorts niet de grenzen van de redelijkheid te buiten lijkt te gaan een inrichting die zich op die korte afstand bevindt, “in dezelfde straat, met toegang via deze zelfde straat”, te kwalificeren als gelegen “in de onmiddellijke omgeving”; dat de omstandigheid dat “[d]e inrichting zich discreet en onopvallend zou bevinden in een op zich geen drukke verkeersader naar het centrum van de Stad Menen” daar op het eerste gezicht niets aan afdoet; dat de eventualiteit dat de verwerende partij de dancing, al dan niet op voorwaarde van een aangepast convenant, in redelijkheid ook als niét nabij in de zin van het meer vermeld artikel 36, 4, had kunnen beschouwen, niet ipso facto aantoont dat zij, door het in de bestreden beslissing anders te zien, bij de uitoefening van haar beoordelingsvrijheid de redelijkheidsmarge heeft overschreden; dat beoordelingsvrijheid nu eenmaal per definitie de mogelijkheid inhoudt van verschillende oordelen die elk geacht kunnen worden binnen de perken van de vrijheid te blijven; dat, overigens, de raadsman van verzoeker ter terechtzitting zelf uitdrukkelijk verklaart dat het niet onredelijk is om wat binnen een afstand van 500 m ligt, als nabij te beschouwen; Overwegende dat het besproken motief zowel vormelijk als inhoudelijk lijkt te voldoen; dat het de bestreden beslissing lijkt te kunnen dragen; dat in dit licht verzoekers kritiek op de overige motieven niet tot vernietiging kan leiden; dat het derde middel in al zijn onderdelen niet ernstig is; XII-4280-4/6 Overwegende dat een tweede middel is afgeleid uit “machtsoverschrijding en schending van de Wet ingevolge een inbreuk op de bepaling van het art. 3 W. 29/07/1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen”; dat het middel de verwerende partij in essentie verwijt de door artikel 36, 4, van de wet van 7 mei 1999 bedoelde nabijheid verkeerd te hebben ingevuld, door op absolute wijze en zonder enig onderscheid élke kwetsbare inrichting automatisch te bestempelen als gelegen in de nabijheid van de voorgestelde vestigingsplaats; Overwegende dat uit de bespreking van het derde middel volgt dat de bestreden beslissing voorlopig voldoende steun vindt in het motief van de nabijheid van dancing “Lagoa” en dat zij ten minste wat dat motief betreft afdoende aangeeft op grond van welke gegevens, die uit een in-concreto-onderzoek zijn voortgekomen, de nabijheid in aanmerking wordt genomen; dat het tweede middel niet ernstig is; Overwegende dat in een eerste middel “onwettelijkheid van de beslissing en aantasting van de rechten van de bestuurde” wordt aangevoerd doordat de voortdurende en aanhoudende weigeringen van de stad tot het afsluiten van een convenant in werkelijkheid neerkomen “op een aanwending van een totale nuloptie ten overstaan van kansspelinrichtingen in de Stad Menen dit terwijl de vrijheid van handel de regel is en de beperkende handelingen ten aanzien van deze vrijheid de uitzondering moet zijn”; Overwegende dat vooralsnog met verzoeker mag worden aangenomen dat de stad Menen speelautomatenhallen op haar grondgebied niet gunstig gezind is; dat de bestreden beslissing niettemin niet op een principiële afwijzing van elke dergelijke inrichting is gesteund; dat de beslissing integendeel steun zoekt in de nabijheid van onder meer een “kwetsbare” inrichting als dancing Lagoa, en zulks, blijkens de hoger uitgevoerde eerste wettigheidstoetsing, niet ten onrechte; dat het eerste middel niet ernstig is; XII-4280-5/6 Overwegende dat geen ernstige middelen worden aangevoerd; dat aan alvast een grondvoorwaarde voor de schorsing niet voldaan is; dat deze vaststelling volstaat om de vordering te verwerpen, BESLUIT: Artikel
- De vordering tot schorsing wordt verworpen. Artikel
- De uitspraak over de bijdrage in de betaling van de kosten van de vordering tot schorsing wordt uitgesteld. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op vijfentwintig januari 2005, door : de HH. J. LUST, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, F. BONTINCK, griffier. De griffier, De voorzitter, F. BONTINCK. J. LUST. XII-4280-6/6 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.139.741 Gerelateerde publicatie(s) gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.182.877 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.