← België

Arrest 139742 - - 25/01/2005

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 25 januari 2005 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.139.742 Rolnummer: A. 153051/XII-4175 Zaak: Arrest 139742 - - 25/01/2005 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2005-01-31 Raadplegingen: 50 - laatst gezien 2026-07-02 07:00 Fiche Arrest nr 139.742 van 25 januari 2005 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 139.742 van 25 januari 2005 in de zaak A. 153.051/XII-

  1. In zake : Stephane VERCRUYSSE, die woonplaats kiest bij advocaat B. Smagghe, kantoor houdende te Kortrijk, Burgemeester Nolfstraat 14 tegen :
  2. de BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Justitie,
  3. de KANSSPELCOMMISSIE bij de Federale Overheidsdienst Justitie, die woonplaats kiezen bij advocaat B. Bronders, kantoor houdende te Oostende, E. Beernaertstraat
  4. --------------------------------------------------------------------------------------------------- DE Wnd. VOORZITTER VAN DE XIIe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat Stephane Vercruysse op 23 juni 2004 heeft ingediend om de schorsing van de tenuitvoerlegging te vorderen van de beslissing van 5 mei 2004 van de kansspelcommissie waarbij geweigerd wordt haar een vergunning klasse B uit te reiken voor de uitbating van een kansspelinrichting klasse II te Menen, Rijselstraat 242-246; Gezien de nota van de eerste verwerende partij; Gezien het verslag opgesteld door adjunct auditeur S. De Taeye; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen; XII-4175-1/6 Gelet op de beschikking van 14 december 2004 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 11 januari 2005; Gehoord het verslag van staatsraad J. Lust; Gehoord de opmerkingen van advocaat B. Smagghe, die verschijnt voor verzoeker, en van advocaat P. Louage, die verschijnt voor de verwerende partijen; Gehoord het eensluidend advies van auditeur L. Vermeire; Gelet op de artikelen 17 en 18 en titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; Overwegende dat de wet van 7 mei 1999 op de kansspelen, de kansspelinrichtingen en de bescherming van de spelers, de uitbating van een kansspelinrichting klasse II of speelautomatenhal onderwerpt aan een voorafgaandelijk door de kansspelcommissie uit te reiken schriftelijke vergunning klasse B en bepaalt dat de exploitatie moet gebeuren krachtens een convenant met de gemeente; Overwegende dat verzoeker met brief van 15 januari 2001 aan de stad Menen vraagt een convenant te sluiten met betrekking tot zijn speelautomatenhal “Hollywood” aan de Rijselstraat 242-246 te Menen, en met schrijven van 26 januari 2001 aan de kansspelcommissie vraagt voor de inrichting een vergunning klasse B uit te reiken; dat de stad tot drie keer toe weigert een convenant te sluiten, het laatst bij gemeenteraadsbesluit van 30 januari 2004; dat de kansspelcommissie vanwege die weigering op 5 mei 2004 beslist verzoeker geen vergunning klasse B te verlenen; dat bij arrest nr. 136.157 van 15 oktober 2004, de Raad van State verzoekers vordering tot schorsing van het gemeenteraadsbesluit van 30 januari 2004 tot weigering van een convenant verwerpt (zaak A.150.221/XII-4113); XII-4175-2/6 Overwegende dat de nota blijkens zijn formele vermeldingen alleen van de Belgische Staat uitgaat; dat een louter telefoontje, waarin een raadsvrouw van de kansspelcommissie meedeelt dat de nota “voor de 2 tegenpartijen” geldt, niet volstaat om het stuk ook aan de tweede tegenpartij te kunnen toerekenen; dat de Belgische Staat de nota buiten de gestelde termijn indiende; dat de nota uit de debatten wordt geweerd; Overwegende dat krachtens artikel 17, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State slechts tot schorsing van de tenuitvoerlegging kan worden besloten onder de dubbele voorwaarde dat ernstige middelen worden aangevoerd die de nietigverklaring van de aangevochten beslissing kunnen verantwoorden en dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen; Overwegende, met betrekking tot de eerste voorwaarde, dat verzoeker vier middelen aanvoert; dat hij in een eerste middel de “flagrante miskenning van het gelijkheidsprincipe” aanklaagt; dat hij onder meer toelicht dat “door de beslissing van de Kansspelcommissie een manifest onevenwicht voorhanden is tussen de situatie van de verzoeker en de situatie voor de exploitant van de kansspelinrichting Palladium waarmede de Stad Menen evenwel eveneens geen convenant heeft afgesloten en desniettemin betrokkene zijn exploitatie verder kan zetten terwijl de verzoeker zich een sluiting ziet opgelegd”; Overwegende dat de bestreden beslissing verzoeker op 5 mei 2004 de vergunning klasse B weigert, iets meer dan vier maanden nadat de gemeenteraad van Menen op 30 januari 2004 een convenant met hem afwees; dat in het geval van de kansspelinrichting Palladium de (laatste) beslissing van de gemeenteraad tot afwijzing van een convenant, 15 juli 2004 is gedateerd; dat de kansspelcommissie op 10 november 2004 de vergunning klasse B heeft geweigerd, hetzij zelfs nog bínnen vier maanden na de gemeenteraadsbeslissing; dat vooralsnog in die gang van zaken geen schending van de gelijkheid ten nadele van verzoeker wordt ontwaard; dat het eerste middel niet ernstig is; XII-4175-3/6 Overwegende dat in een tweede middel wordt aangevoerd dat “de beslissing inzake weigering tot het afsluiten van het convenant van de Stad Menen gebaseerd is op de omstandigheid dat de voorgestelde plaats van exploitatie niet voldoet aan de bepaling vastgelegd in het artikel 36 alinea 4 van de W. 07/05/1999; terwijl het ingevolge de bepaling van de art. 20 en 21 van de W. 07/05/1999 het de Kansspelcommissie is dewelke de bevoegdheid heeft te beslissen of er een vergunning wordt toegekend aan de aanvrager voor het bekomen van een vergunning klasse B”; Overwegende dat verzoeker eenzelfde bezwaar ook al rechtstreeks tegen de beslissing tot weigering van een convenant deed gelden; dat het bij arrest nr. 136.157 van 15 oktober 2004 als niet ernstig werd verworpen om de aldaar sub 5.
  5. vermelde redenen; dat de Raad vooralsnog bij dat oordeel blijft; dat het tweede middel niet ernstig is; Overwegende dat volgens een derde middel de kansspelcommissie, door afbreuk te doen aan de verworven economische rechten van verzoeker, haar essentiële zorgvuldigheidsplicht niet is nagekomen en een inbreuk heeft gepleegd op het vertrouwensbeginsel; Overwegende dat, gelet op artikel 36, 5, van de wet van 7 mei 1999 een van de voorwaarden om een vergunning klasse B te kunnen verkrijgen is: “het convenant kunnen voorleggen dat werd gesloten tussen de kansspelinrichting klasse II en de gemeente waar die inrichting gevestigd is onder de voorwaarde dat de vergunning van klasse B wordt verkregen”; dat verzoeker niet over een dergelijk convenant beschikt; dat, getuige het meer vermeld arrest van de Raad van State nr. 136.157, de weigering van het convenant een eerste wettigheidstoetsing heeft doorstaan; Overwegende dat in deze omstandigheden voorlopig wordt aangenomen dat de beweerde aantasting van verzoekers verworven rechten wezenlijk terug te voeren is tot de wet van 7 mei 1999 zelf, die voor het verkrijgen van een vergunning voor een speelautomatenhal geen onderscheid maakt naargelang het om XII-4175-4/6 een bestaande inrichting gaat dan wel een nieuwe, noch in overgangs- of begeleidingsbepalingen voorziet ten behoeve van inrichtingen die al van vóór de wet bestaan; dat de wet evenwel niet tot het voorwerp van de vordering behoort; Overwegende dat het derde middel niet ernstig is; Overwegende dat een vierde middel wezenlijk bekritiseert dat de kansspelcommissie, ofschoon daar beweerdelijk niet toe verplicht, reeds een besluit over verzoekers aanvraag van een vergunning klasse B nam “vooraleer er een uitspraak werd verleend in verband met de schorsing en de nietigverklaring van de gemeenteraadsbeslissing van de Stad Menen dd. 30/01/2004”; Overwegende dat de vordering tot schorsing en tot nietigverklaring die verzoeker tegen de weigering van een convenant instelde, niet als zodanig de uitvoerbaarheid van die beslissing aantasten; dat het de kansspelcommissie dan ook op het eerste gezicht niet verboden was zich op die weigering te steunen; dat tenminste het tegendeel niet aannemelijk wordt gemaakt, noch door een beroep op “de rechtszekerheid”, noch door een beroep op “de W. 07/05/1999”; dat, meer nog, artikel 2, eerste lid, van het koninklijk besluit van 22 december 2000 betreffende de werking en het beheer van de kansspelinrichtingen klasse II, de wijze van aanvraag en de vorm van de vergunning klasse B juist voorschrijft dat de kansspelcommissie de aanvraag voor een vergunning klasse B -te dezen 21 januari 2001 gedateerd- behandelt binnen een termijn van zes maanden vanaf de dag van de ontvangst; dat er overigens, zoals gezien, intussen wel al uitspraak over de vordering tot schorsing van de weigering van het convenant gedaan werd; dat de vordering verworpen is; dat het vierde middel niet ernstig is; Overwegende dat verzoeker geen ernstige middelen aanvoert; dat tenminste aan één van de cumulatieve grondvoorwaarden voor een schorsing niet is voldaan; dat deze vaststelling volstaat om de vordering te verwerpen, BESLUIT: XII-4175-5/6 Artikel
  6. De vordering tot schorsing wordt verworpen. Artikel
  7. De uitspraak over de bijdrage in de betaling van de kosten van de vordering tot schorsing wordt uitgesteld. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op vijfentwintig januari 2005, door : de HH. J. LUST, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, F. BONTINCK, griffier. De griffier, De voorzitter, F. BONTINCK. J. LUST. XII-4175-6/6 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.139.742 Gerelateerde publicatie(s) gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.192.447 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.