id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 25 januari 2005 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.139.748 Rolnummer: A. 132781/XIV-13760 Zaak: Arrest 139748 - - 25/01/2005 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2005-02-21 Raadplegingen: 52 - laatst gezien 2026-07-02 07:01 Fiche Arrest nr 139.748 van 25 januari 2005 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 139.748 van 25 januari 2005 in de zaak A. 132.781/XIV-13.
- In zake : XXX, wonende te B., tegen : de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen. --------------------------------------------------------------------------------------------------------- DE Wnd. VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX, geboren op 4 juli 1969 en van Belarussische nationaliteit, op 22 januari 2003 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van de beslissing van de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen van 20 december 2002 tot bevestiging van de beslissing van de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse Zaken van 26 november 2002 tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten, naar de verzoekende partij aangetekend verstuurd op dezelfde dag; Gelet op de beschikking van 19 februari 2003 waarbij aan de verzoekende partij het voordeel van de kosteloze rechtspleging wordt verleend; Gelet op het administratief dossier; Gezien de regelmatig gewisselde memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door Eerste Auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST, op grond van artikel 23 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan de partijen en gelet op het verzoek tot voortzetting teneinde te worden gehoord van de verzoekende partij; Gelet op de beschikking van 30 september 2004 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op woensdag 17 november 2004 om 14.00 uur; XIV-13.760 -1/7 Gehoord het verslag van Staatsraad D. MOONS; Gehoord de opmerkingen van Advocaat I. LAMOOT die, loco Advocaat R. BELDERBOSCH verschijnt voor de verzoekende partij, van Advocaat C. LEPINOIS, die eveneens verschijnt voor de verzoekende partij en van Adjunct-adviseur F. VEREEKEN, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van Eerste Auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
- Over de feitelijke gegevens van de zaak. 1.
- De verzoekende partij komt België binnen op 13 september 2002 en verklaart zich vluchteling op dezelfde datum. 1.
- Op 26 november 2002 neemt de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse Zaken een beslissing tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten. 1.
- Op 20 december 2002 bevestigt de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen deze beslissing. De bevestigende beslissing van de Commissaris-generaal, die de bestreden beslissing uitmaakt, is als volgt gemotiveerd : “(...) Op basis van de elementen uit uw dossier, bevestig ik de beslissing van de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse zaken waarbij u het verblijf op het grondgebied werd geweigerd. Steunend op artikel 52 van de vreemdelingenwet meen ik dat uw asielaanvraag bedrieglijk is. De motieven waarop ik mijn beslissing baseer, vindt u op de volgende pagina's. Ik meen bovendien dat u in de huidige omstandigheden mag worden teruggeleid naar de grens van het land dat u ontvlucht bent, en waar volgens uw verklaring, uw leven, uw fysieke integriteit of uw vrijheid in gevaar zou verkeren. (...) Mijn beslissing is gebaseerd op de volgende motieven: U, een Belarussisch staatsburger, verliet op 9 september 2002 samen met uw echtgenoot XXX (o.v. 5.262.808) en uw minderjarige dochter Belarus richting België. Op 13 september 2002 kwam u in België aan waar u dezelfde dag het statuut van vluchteling aanvroeg bij de Belgische autoriteiten. U bent niet in het bezit van een geldig Belarussisch paspoort. Volgens uw verklaringen op het Commissariaat-generaal (dd. 16 december 2002) verliet u Belarus omdat u er vervolgd werd omwille van uw politieke activiteiten. Op 21 juli 1999 nam u deel aan een meeting van de oppositie in Minsk. U leerde toen Tatiana Androntchik kennen die haar telefoonnummer gaf om af te spreken op één van de vergaderingen. U maakte later een afspraak met Tatiana en begin oktober 1999 nam u deel aan een vergadering. Op 10 oktober 2000 verspreidde u brochures. Een politiepatrouille pakte u op en u werd meegenomen naar het politiebureau. Daar werd u ondervraagd over de brochures die eveneens geconfisqueerd werden. 's Avonds werd u na het betalen van een boete van 20.000 roebel vrijgelaten. Op 17 oktober 1999 nam u deel aan de mars voor de vrijheid. Op 26 april 2000 was er een manifestatie voor de herdenking van de ramp in Tsjernobyl. U werd toen door de politie opgepakt en meegenomen naar een bus. Later werd u naar het politiebureau gebracht. Daar werd u op een XIV-13.760 -2/7 onbeschaafde wijze behandeld. De volgende ochtend werd u door de politie vrijgelaten. In mei 2000 kwam er op een avond een wijkagent met twee personen naar uw woning en ze voerden een huiszoeking bij u uit waarbij ze alles overhoop haalden. In de zomer van 2000 kreeg uw man problemen op het werk. Zijn chef zei hem dat u moest stoppen met uw politieke activiteiten. In de zomer van 2000 had u ook veel controles op uw werk. Op 1 oktober 2000 ging u met een groep mensen naar het stemlokaal om propaganda te maken zodat mensen niet zouden stemmen. Jullie mochten van de politie echter niet binnen in het stemlokaal. Op 25 maart 2001 nam u samen met uw man deel aan een mars voor de vrijheid. Tijdens deze manifestatie werd uw man zeer zwaar geslagen door personen van de OMON. De volgende ochtend gingen jullie naar de politie om klacht in te dienen maar de politie weigerde deze klacht te aanvaarden. Op 27 juli 2001 nam u deel aan een protestactie op de Pobedy-plaats. Ook op 9 augustus 2001 en op 22 augustus 2001 nam u aan een protestactie deel. Op 31 augustus 2001 voerde de politie opnieuw een huiszoeking uit bij u thuis waarbij ze uw dochter veel schrik aanjoegen. Daarna begon uw dochter te stotteren en ze had zeer veel schrik. Op 9 september 2001 won Lukashenko de presidentsverkiezingen. Begin oktober 2001 belde u naar Tatiana. Haar man zei dat Tatiana gearresteerd was. Eind oktober 2001, begin november 2001 kwam uw man naar uw werk en zei dat er bij hen thuis twee politieagenten waren geweest die naar u hadden gevraagd. Daarna gingen jullie bij de moeder van uw man wonen waar jullie ondergedoken bleven leven tot aan uw vertrek naar België. U verklaarde op het Commissariaat-generaal dat u op 17 oktober 1999 deelnam aan de mars voor de vrijheid in Minsk. U verklaarde dat de mensen voor de mars om 14 uur verzamelden op het Banghalorplein om van daar naar het Yakub Kolas plein te gaan (CGVS p.5-6). Uit de informatie waar het Commissariaat-generaal over beschikt en waarvan een kopie bij het administratief (dossier) is gevoegd, blijkt dat de mensen voor de mars op het Yakub Kolas plein verzamelden om 12 uur om van daar naar het Banghalorplein te gaan. Verder verklaarde u op het Commissariaat-generaal dat u op 26 april 2000 deelnam aan een meeting ter herdenking van de ramp in Tsjernobyl. U verklaarde hierover dat deze meeting om 14 uur begon op een plein waarvan u de naam niet weet. U weet wel zeker dat jullie niet verzamelden op het Yakub Kolas plein (CGVS p.6). Uit de informatie waar het Commissariaatgeneraal over beschikt en waarvan een kopie bij het administratief dossier is gevoegd, blijkt dat de mensen voor de meeting ’s avonds (rond 18.20) verzamelden op het Yakub Kolas plein. Vervolgens verklaarde u op het Commissariaat-generaal dat u op 25 maart 2001 deelnam aan de mars voor de vrijheid. U verklaarde hierover dat de samenkomstplaats het Banghalorplein was (CGVS p.9). Uit de informatie waar het Commissariaat-generaal over beschikt en waarvan een kopie bij het administratief dossier is gevoegd, blijkt dat de samenkomstplaats het Yubiljnajaplein was. Uit het voorgaande dient besloten te worden dat u niet aan die meetings heeft deelgenomen en dat er aldus geen geloof kan gehecht worden aan uw verklaring dat u politiek actief was in Belarus. Bijgevolg kan er geen geloof gehecht worden aan uw verklaring dat u vervolgd werd omwille van uw politieke activiteiten. Gezien het bovenstaande kan er in hoofde van u geen bestaan van een vermoeden van een gegronde vrees voor vervolging zoals voorzien in de Vluchtelingenconventie vastgesteld worden. De door u neergelegde documenten (geboorteakte van u, uw man en uw dochter; uw huwelijksakte; uw medisch dossier; militair boekje van uw man) wijzigen niets aan hetgeen hiervoor werd uiteengezet aangezien ze geen betrekking hebben op de door u aangehaalde problemen. (...)”.
- Over de gegrondheid van de zaak. Overwegende dat verzoekster in een enig middel de schending aanvoert van artikel 62 van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen (Vreemdelingenwet), en van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen; dat ze hieraan toevoegt dat er een manifeste appreciatiefout werd begaan en dat er sprake is van machtsoverschrijding; dat in de bestreden beslissing melding wordt gemaakt van onnauwkeurigheden betreffende verzoeksters deelname aan drie politieke manifestaties in Minsk; dat verzoekster aanvoert dat haar relaas coherent en volledig was; dat ze in verband met deze manifestaties zoveel mogelijk details heeft gegeven; dat het onterecht is dat de Commissaris-generaal steunt op XIV-13.760 -3/7 een paar onnauwkeurigheden om het volledige asielrelaas van verzoekster te verwerpen; dat de verklaringen van verzoekster steunen op wat ze persoonlijk heeft meegemaakt; dat dit persoonlijk wedervaren kan verschillen van het verslag van journalisten of van bepaalde organisaties; dat het mogelijk is dat op 26 april 2000 een groot aantal deelnemers aan de betoging samenkwam om 18u20 aan het Yakub Kolas-plein, maar dat dit niet wegneemt dat een groot aantal andere mensen, waaronder verzoekster, reeds betoogd had in andere wijken van de stad; dat hetzelfde geldt voor de betogingen van 17 oktober 1999 en 25 maart 2001; Overwegende dat de verwerende partij in de memorie van antwoord uiteenzet dat artikel 52 van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen (Vreemdelingenwet), aan de Commissaris-generaal de mogelijkheid biedt om een asielaanvraag onontvankelijk te verklaren op grond van een aantal criteria; dat één van die criteria de “bedrieglijkheid” is; dat in casu werd vastgesteld dat de verklaringen van verzoekster met betrekking tot de manifestaties waaraan zij zou hebben deelgenomen, niet stroken met de informatie waarover het Commissariaat-generaal beschikt; dat bijgevolg kan worden besloten dat verzoekster niet heeft deelgenomen aan deze meetings; dat dan ook geen geloof kan worden gehecht aan verzoeksters verklaring dat zij politiek actief was en dat zij omwille van deze politieke activiteiten werd vervolgd; dat de bestreden beslissing niet is aangetast door machtsoverschrijding; dat verzoekster in tegenstelling tot wat zij beweert, geen aannemelijke uiteenzetting van haar asielrelaas naar voor heeft gebracht; dat de vastgestelde discrepanties dermate fundamenteel zijn, dat de poging van verzoekster om de tegenstrijdigheid in verband met de meeting van 26 april 2000 te weerleggen, niet voldoet omdat uit het verhoorverslag blijkt dat zij heeft verklaard dat deze meeting begon om 14.00 uur en dat ze zeker was dat ze niet verzamelden op het Yakub Kolas-plein; dat ook de verklaringen die verzoekster heeft afgelegd in verband met de twee andere betogingen niet stroken met de informatie waarover het Commissariaat-generaal beschikt; dat de bestreden beslissing afdoende is gemotiveerd; Overwegende dat verzoekster in de memorie van wederantwoord uiteenzet dat de bijeenkomst van de mensen van haar wijk (de uurwerkfabriek) om 14.00 uur plaatsvond en dat dit niet wegneemt dat de algemene bijeenkomst van de meeste deelnemers om 18u20 plaatsvond; dat hetzelfde kan worden gezegd voor de andere manifestaties; dat wat de manifestatie van 25 maart 2001 betreft, verzoekster volhoudt dat een bijeenkomst plaatsvond op het Banghalorplein; dat dit niet uitsluit dat een andere manifestatie plaatsvond op het Yubilnjaja-plein; Overwegende dat, wat de ingeroepen schending van de motiveringsplicht betreft, de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen tot doel heeft betrokkene een zodanig inzicht in de motieven van de beslissing te verschaffen, dat zij in staat is te weten of het zin heeft zich tegen die XIV-13.760 -4/7 beslissing te verweren met de middelen die het recht haar verschaft; dat uit het verzoekschrift blijkt dat verzoekster de motieven van de bestreden beslissing kent, zodat het doel van de uitdrukkelijke motiveringsplicht in casu is bereikt; dat verzoekster bijgevolg de schending van de materiële motiveringsplicht aanvoert, zodat dit onderdeel van het middel vanuit dit oogpunt wordt onderzocht; Overwegende dat het Internationaal Verdrag betreffende de status van vluchtelingen, ondertekend te Genève op 28 juli 1951 (Vluchtelingenconventie) aan de verdragsluitende staten een ruime appreciatiebevoegdheid geeft, meer in het bijzonder voor wat betreft de organisatie van een procedure met betrekking tot het onderzoek naar de ontvankelijkheid van een asielaanvraag; dat van deze bevoegdheid door de Belgische wetgever werd gebruik gemaakt middels artikel 52 van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen (Vreemdelingenwet); dat voormeld artikel aan de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen de mogelijkheid biedt een asielaanvraag onontvankelijk te verklaren op grond van een aantal criteria en de verblijfsweigering genomen door de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse Zaken te bevestigen; dat de Commissaris-generaal een asielaanvraag onontvankelijk kan verklaren omdat zij bedrieglijk is; dat het gaat om aanvragen die valse inlichtingen bevatten, essentiële feiten verhelen of gegrond zijn op documenten die vals of vervalst zijn; dat volgens een groot deel van de rechtspraak van de Raad van State het bedrieglijk karakter onder meer kan worden vastgesteld wanneer tegenstrijdigheden worden aangetoond ten opzichte van gebeurtenissen van algemene bekendheid of tussen verschillende stukken en verklaringen van de asielzoeker geput uit het administratief dossier; dat, zoals blijkt uit de integrale weergave van de bestreden beslissing onder punt 1.
- van huidig arrest, de Commissaris-generaal in casu tot de bedrieglijkheid van verzoeksters asielaanvraag heeft besloten om volgende redenen: - op het Commissariaat-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen verklaarde verzoekster dat zij op 17 oktober 1999 deelnam aan de mars voor de vrijheid in Minsk en dat de mensen om 14.00 uur verzamelden op het Banghalorplein om van daaruit naar het Yakub Kolas-plein te gaan; dat uit de informatie waarover het Commissariaat-generaal beschikt blijkt dat de mensen voor de mars op het Yakub Kolas-plein verzamelden om 12.00 uur om van daaruit naar het Banghalorplein te gaan; - op het Commissariaat-generaal verklaarde verzoekster dat zij op 26 april 2000 deelnam aan een meeting ter herdenking van de ramp in Tsjernobyl; dat deze meeting om 14.00 uur begon op een plein waarvan ze de naam niet kent maar dat het niet het Yakub Kolas-plein was; dat uit de informatie waarover de Commissaris-generaal beschikt blijkt dat de mensen voor deze meeting ’s avonds verzamelden op het Yakub Kolas-plein; - op het Commissariaat-generaal verklaarde verzoekster dat zij op 25 maart 2001 deelnam aan de mars voor de vrijheid en dat de samenkomst het Banghalorplein was; dat uit de XIV-13.760 -5/7 informatie waarover het Commissariaat-generaal beschikt blijkt dat de plaats van samenkomst het Yubilnjajaplein was; - uit het voorgaande dient besloten te worden dat verzoekster niet deelgenomen heeft aan deze meetings en dat er aldus geen geloof kan worden gehecht aan haar verklaring dat zij politiek actief was in Belarus en dat zij werd vervolgd omwille van haar politieke activiteiten; - gezien het bovenstaande kan er in hoofde van verzoekster geen bestaan van een vermoeden van een gegronde vrees voor vervolging worden vastgesteld; - de door verzoekster ingediende documenten wijzigen niets aan hetgeen hiervoor werd uiteengezet aangezien ze geen betrekking hebben op de aangehaalde problemen; Overwegende dat verzoekster aanvoert dat haar asielaanvraag onterecht wordt verworpen omwille van details, met name onnauwkeurigheden over plaats en uur van de manifestaties waaraan ze heeft deelgenomen; dat ze uiteenzet dat de drie grote manifestaties telkens werden voorafgegaan door kleinere, lokale manifestaties, en dat zij verteld heeft over haar persoonlijk wedervaren in deze kleinere manifestaties; Overwegende dat verzoekster de door haar afgelegde verklaringen niet betwist; dat deze verklaringen zich bevinden in het administratief dossier; dat het bijgevolg vaststaat dat verzoekster in verband met de manifestaties verklaringen heeft afgelegd die niet stroken met de objectieve informatie waarover het Commissariaat-generaal beschikt; dat verzoekster deze informatie niet in twijfel trekt; dat de uitleg post factum van verzoekster dat zij vertelde over haar deelname aan kleinere voorafgaande manifestaties niet volstaat om afbreuk te doen aan de vaststelling van de Commissaris-generaal dat verzoekster verklaringen heeft afgelegd die niet stroken met de informatie van het Commissariaat-generaal over deze manifestaties; dat de Commissaris-generaal bijgevolg op goede gronden heeft beslist dat verzoekster niet aan deze meetings kan hebben deelgenomen; dat zij bijgevolg niet politiek actief was in Belarus en dat bijgevolg geen geloof kan worden gehecht aan een vervolging omwille van haar politieke activiteiten; dat de bestreden beslissing steunt op afdoende, ter zake dienende en pertinente motieven; Overwegende dat verzoekster niet uiteenzet waaruit de machtsoverschrijding en de manifeste appreciatiefout bestaat; Overwegende dat het enig middel ongegrond is; XIV-13.760 -6/7 BESLUIT: Artikel
- Het beroep wordt verworpen. Artikel
- De kosten van het beroep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. Aldus te Brussel, na beraad, uitgesproken in openbare terechtzitting, op vijfentwintig januari tweeduizend en vijf, door : de H. D. MOONS, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, Mevr. A. DE SMET, griffier. De griffier, De voorzitter, A. DE SMET. D. MOONS. XIV-13.760 -7/7 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.139.748 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.