← België

Arrest 139751 - - 25/01/2005

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 25 januari 2005 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.139.751 Rolnummer: A. 128591/XIV-12319 Zaak: Arrest 139751 - - 25/01/2005 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2005-02-15 Raadplegingen: 54 - laatst gezien 2026-07-02 07:02 Fiche Arrest nr 139.751 van 25 januari 2005 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 139.751 van 25 januari 2005 in de zaak A. 128.591/XIV-12.

  1. In zake : XXX, verblijvende te S. tegen : de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen. ---------------------------------------------------------------------------------------------------------------- -- DE VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX, van Libanese nationaliteit, op 14 oktober 2002 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van de beslissing van de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen van 11 september 2002 tot bevestiging van de beslissing van de Minister van Binnenlandse Zaken van 5 juli 2002 tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten; Gezien het verzoekschrift dat de verzoekende partij op dezelfde dag heeft ingediend om de schorsing van de tenuitvoerlegging te vorderen van dezelfde beslissing; Gelet op de beschikking van 30 oktober 2002 waarbij aan de verzoekende partij het voordeel van de kosteloze rechtspleging wordt verleend; Gelet op artikel 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; Gezien de nota van de verwerende partij; Gezien het verslag opgemaakt door Eerste Auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST, op grond van artikel 26 van voormeld koninklijk besluit; Gelet op de kennisgeving van dat verslag aan de partijen; Gelet op de beschikking van 12 oktober 2004 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 8 december 2004; Gehoord het verslag van Kamervoorzitter A. BEIRLAEN; XIV-12.319-1/6 Gehoord de opmerkingen van Advocaat A. HAEGEMAN die, loco Advocaat F. JACOBS verschijnt voor de verzoekende partij en van Adjunct-adviseur M. HUYGHE, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van Eerste Auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
  2. Over de gegevens van de zaak. Overwegende dat de gegevens van de zaak als volgt kunnen worden samengevat: 1.
  3. XXX heeft de Libanese nationaliteit en is op 28 mei 2002 in België binnengekomen waar zij zich op 29 mei 2002 vluchteling heeft verklaard. 1.
  4. Op 5 juli 2002 wordt aan verzoekster de beslissing van de Minister van Binnenlandse Zaken tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten betekend. 1.
  5. Op 11 september 2002 bevestigt de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen de beslissing van de Minister van Binnenlandse Zaken tot weigering van verblijf. Dit is de bestreden beslissing: “(...) Mijn beslissing is gebaseerd op de volgende motieven: U, een Palestijns vluchteling verklaart afkomstig te zijn uit het vluchtelingenkamp “Mia Mia” in Libanon. Op 25 mei 2002 hebt u Libanon verlaten, vergezeld van uw echtgenoot, M. H. S. (o.v. 5.227.866), en vier van jullie vijf kinderen en bent u via Tsjechië naar België gekomen. Op 28 mei 2002 bent u in België toegekomen, waar u op 29 mei 2002 asiel hebt aangevraagd aan de Belgische autoriteiten. U bent in het bezit van uw vluchtelingenkaart, die van uw kinderen en een “UNRWA”- registratiekaart. U vraagt asiel aan omwille van de problemen van uw echtgenoot. Hij werkte voor de “Fatah”-beweging in het vluchtelingenkamp “Mia-Mia” als wachter. In april 2002 werd hem gevraagd een militaire opleiding te volgen om als "Fatah" strijder te vechten. Uw echtgenoot weigerde dit omdat hij moest instaan voor u en uw kinderen. Hierdoor kwamen personen van “Fatah” meerdere keren per dag bij u thuis langs om uw echtgenoot onder druk te zetten. Omdat u en uw man schrik hadden van hun bedreigingen bent u bij familie in Saïda ingetrokken. Van daaruit bent u met uw man en uw vier jongste kinderen uit Libanon vertrokken. Uw oudste dochter is niet met jullie mee gereisd omdat u geen geld had om ook voor haar een paspoort te regelen. Uit uw verklaring blijkt dat uw asielaanvraag in hoofdorde steunt op de motieven aangebracht door uw man ter staving van zijn asielaanvraag. U verklaarde persoonlijk nooit problemen te hebben gekend en vooral gevlucht te zijn omwille van de problemen van uw man. Voorts blijkt dat er tussen uw verklaring en de verklaring van uw echtgenoot een opmerkelijke tegenstrijdigheid valt op te merken. Zo verklaarde u immers voor het XIV-12.319-2/6 Commissariaat-generaal dat er meerdere malen per dag mensen naar uw huis kwamen om uw echtgenoot te vragen om te gaan vechten in Zuid-Libanon (gehoorverslag CGVS, p. 8). Uw echtgenoot verklaarde daarentegen dat deze mensen ongeveer drie keer per week naar jullie huis kwamen (gehoorverslag CGVS, M. H. S., p. 16). Gezien er met betrekking tot uw echtgenoot een bevestigende beslissing van weigering van verblijf werd genomen, dient ook voor u een bevestigende beslissing te worden genomen. Uw asielaanvraag is onontvankelijk. (...).”.
  6. Over de gegrondheid van het beroep. 2.
  7. Overwegende dat verzoekster als enig middel aanvoert: “Schending van art. 2 par. 2 en 3 van de Wet van 29 juli 1991 betreffende de formele motiveringsplicht van administratieve akten en artikel 62 van de Wet van 15.12.1980 betreffende de toegang, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdeling. Dat echter de motivering moet betrekking hebben op de ingeroepen feiten, waarbij melding moet worden gemaakt van de toepasselijke juridische regels en waarbij dient gemeld te worden hoe en waarom deze juridische regels hebben aanleiding gegeven tot de genomen beslissing; Bovendien stelt de wet dat de motivering afdoende dient te zijn. Teneinde als afdoende kunnen beschouwd te worden dient de motivatie steun te vinden in het administratief dossier en alle elementen die ter kennis van de administratie werden gebracht in overweging te worden genomen. De aangevochten beslissing beperkt zich te verwijzen tot de beslissing die ivm met haar echtgenoot getroffen werd. De beslissing baseert zich uitsluitend op één tegenstrijdigheid die terug te vinden zou zijn in verklaringen van verzoeker en de verklaringen van zijn echtgenoot: verzoeker zou nl. verklaard hebben dat hij ongeveer drie keer per week bezoek kreeg van personen die erop aandrongen om de militaire training te volgen, daar waar Mevrouw echter verklaarde dat leden van de Fateh alle dagen, meer dan één keer per dag kwamen vragen om mee te vechten.
  8. Het CGVS levert geen enkel bewijsmateriaal van de beweerde tegenstrijdigheden: De loutere voorlegging van de nota's genomen tijdens het verhoor zijn niet tegenopstelbaar (arrest n/ 96.593 dd 19.06.01; arrest 109.172 dd. 08.08.2002)) Zij werden inderdaad niet herlezen noch goedgekeurd door c.v. die ze ook minstens deels betwist;
  9. De beweerde tegenstrijdigheid is, op zich en volledig geïsoleerd als zij is, helemaal niet zo opmerkelijk dat hierdoor aan de oprechtheid van de volledige verklaringen kan worden getwijfeld.
  10. Er dient bijkomstig te worden opgemerkt dat verzoeker niet altijd thuis was, en dat hem ook niet gevraagd werd of hij inderdaad wel altijd samen met zijn vrouw in huis was, of minstens of hij kennis had via mevrouw van andere bezoeken, in zijn afwezigheid.
  11. Het CGVS houdt geen enkel rekening met alle andere, eensluidende elementen die door het koppel werden medegedeeld ter ondersteuning van hun asielaanvraag: de contradictie die aangehaald werd, is trouwens de “enige” die kon worden aangehaald. Voor het overige steunt de beslissing uitsluitend op informatiemateriaal. samengebracht door het CGVS: Het betreft: Eén telefonisch gesprek met de heer Al Hussayni Jalal, dd. 13.09.2001 Eén telefonisch gesprek met de Heer Ayyed Khalid, dd. 05.09.2001 Eén verslag van Danish Immigration Service daterende van 1998 Eén UK Homeoffice: Report Lybanon dd 26.04.2001 Dat eerst en vooral dient te worden vastgesteld dat de problemen van verzoeker zich op een welbepaalde periode concentreren, nl de periode van de lente 2002; XIV-12.319-3/6 Alle informaties naar dewelke verwezen wordt hebben bijgevolg geen enkele betrekking tot de periode die voor verzoeker critisch werd, nl de lente 2002, mits alle informaties van 98, 04.2001 en 09.2001 dateren. Men kan onmogelijk beweren dat een antwoord op een vraag die in september 2001 gesteld wordt met betrekking tot een welbepaalde situatie, steeds geldig blijft in mei 2002, datum waarop verzoeker zijn situatie en problemen voorlegde. Destemin dat de intifada aanzienlijk toenam sedert 2001 tot op heden, en dat de weerklank van de gebeurtenissen van 11.09.2001 eveneens niet te onderschatten is. De problemen waarmee verzoeker geconfronteerd werd, werden bijgevolg niet met pertinent materiaal geconfronteerd; Bovendien dient eveneens te worden vastgesteld dat drie vragen dienden gesteld te worden aan de heer Al Hussayni Jalal, dd. 13.09.2001 en aan de Heer Ayyed Khalid, dd. 05.09.2001, dat hoe dan ook de Heer Ayyed Khalid slechts één vraag beantwoorde; Dat de vraag kan en moet worden gesteld van wie, op politiek vlak de ondervraagde mensen zijn en van waarom bepaalde vragen niet beantwoordt werden. De resultante blijft in alle gevallen dat geen vergelijkingspunt mogelijk wordt gemaakt. Dat eveneens dient te worden vastgesteld dat beweerd wordt in 09.2001 dat de invloed van de Fateh toeneemt, hetgeen uiteraard onvermijdelijk de vraag doet rijzen, van welk de stand was in april 2002! Bovendien dient te worden vastgesteld dat de verschillende informatiebronnen niet eens eensluidend zijn m.b.t. de nodige formaliteiten, nodig om zich elders te vestigen in Libanon, voor een Palestijn die zich in vluchtelingenkamp bevind: 2en informatiebron beweert dat toelating van de UNRWA niet nodig is, de andere integendeel, meent dat de procedure moeilijk is! In elk geval kunnen de informaties slechts de situatie weergeven van 2001, laat staan van 1998, daar waar de situatie en de intifada integendeel snel evolueren; De beslissing die op hierboven aangehaalde argumentatie steunt is niet ernstig en is niet wettig gemotiveerd”; 2.2.
  12. Overwegende dat uit de bestreden beslissing blijkt dat de Commissaris- generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen heeft besloten dat de asielaanvraag van verzoekster kennelijk ongegrond (verzoekster baseerde zich op de problemen van haar echtgenoot en ten aanzien van hem werd een bevestigende beslissing genomen) en bedrieglijk (opmerkelijke tegenstrijdigheid tussen de verklaringen van verzoekster en die van haar echtgenoot) is; 2.2.
  13. Overwegende dat, wat de kennelijke ongegrondheid betreft, verzoekster stelt dat de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen zich beperkt tot het verwijzen naar de beslissing die in verband met haar echtgenoot werd genomen; dat de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen besluit tot de kennelijke ongegrondheid van de asielaanvraag omdat verzoekster hoofdzakelijk steunt op de motieven aangebracht door haar man ter staving van zijn asielaanvraag; dat, aangezien ten aanzien van haar man een bevestigende beslissing van weigering van verblijf werd genomen, er voor haar ook een bevestigende beslissing dient genomen te worden; dat verzoekster niet betwist dat ze haar asielaanvraag baseert op dezelfde motieven als haar echtgenoot; dat de Commissaris- generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen in casu voor de motivering kon verwijzen naar de beslissing die genomen werd ten aanzien van de echtgenoot; dat de Commissaris- generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen bijgevolg in alle redelijkheid tot de kennelijke ongegrondheid van verzoekers asielaanvraag kon besluiten; XIV-12.319-4/6 2.2.
  14. Overwegende dat, wat de bedrieglijkheid betreft, verzoekster stelt dat de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen zich uitsluitend op één tegenstrijdigheid baseert zonder echter bewijsmateriaal te leveren; dat de loutere voorlegging van de aantekeningen, gemaakt tijdens het verhoor, niet tegenstelbaar zijn omdat zij door haar niet werden herlezen noch goedgekeurd; dat verzoekster meent dat de tegenstrijdigheid niet zó opmerkelijk is als de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen beweert; dat zij opmerkt dat haar echtgenoot niet alle dagen thuis was en dat hem ook niet gevraagd werd of hij wel altijd met zijn vrouw thuis was of minstens kennis had van andere bezoeken, tijdens zijn afwezigheid; dat ten slotte verzoekster er op wijst dat geen rekening werd gehouden met alle, andere, eensluidende elementen; dat verzoekster zonder het verhoorverslag formeel van valsheid te betichten, lijkt voor te houden dat de verklaringen, zoals zij werden opgenomen en weergegeven niet overeenstemmen met hetgeen zij gezegd heeft; dat er, tot bewijs van het tegendeel, een vermoeden bestaat dat in het verhoorverslag, zoals samengevat weergegeven in de bestreden beslissing, opgenomen werd wat de verzoekende partij werkelijk heeft verklaard; dat verzoekster het tegenbewijs niet levert; dat dient aangestipt dat de tegenstrijdigheid betrekking heeft op feiten die de directe aanleiding waren voor het vertrek uit het land van herkomst; dat, op basis van de tegenstrijdigheid omtrent een belangrijk element in verzoeksters relaas, de Commissaris- generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen dan ook redelijkerwijze de geloofwaardigheid van verzoeksters asielrelaas in twijfel kon trekken; dat dient opgemerkt dat kan verwacht worden dat zowel verzoekster als haar echtgenoot op de hoogte zijn van de feiten die mede de aanleiding gaven tot het vertrek uit het land van herkomst, alhoewel laatstgenoemde niet altijd zou aanwezig zijn geweest bij de bezoeken, en dat zij er minstens coherente verklaringen konden over afleggen; dat het feit dat hun verklaringen voor het overige eensluidend waren hieraan geen afbreuk doet; dat dient vastgesteld dat nergens uit blijkt dat de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen buiten alle redelijkheid tot de bestreden beslissing is gekomen; dat verzoekster niet van het tegendeel overtuigt; dat het enig middel niet gegrond is;
  15. Overwegende dat de verzoekende partij geen gegrond middel tot nietigverklaring heeft aangevoerd; dat er derhalve grond is om toepassing te maken van artikel 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; dat de vordering tot schorsing, als accessorium van de nietigverklaring, derhalve samen met het beroep tot nietigverklaring wordt verworpen, BESLUIT: Artikel
  16. XIV-12.319-5/6 De vordering tot schorsing en het beroep tot nietigverklaring worden verworpen. Artikel
  17. De kosten van het beroep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op vijfentwintig januari tweeduizend en vijf, door : de HH. A. BEIRLAEN, kamervoorzitter, C. VERHAERT, griffier. De griffier, De voorzitter, C. VERHAERT. A. BEIRLAEN. XIV-12.319-6/6 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.139.751 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.