id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 27 januari 2005 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.139.850 Rolnummer: A. 72808/XII-2355 Zaak: Arrest 139850 - - 27/01/2005 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2005-02-03 Raadplegingen: 74 - laatst gezien 2026-07-02 07:05 Fiche Arrest nr 139.850 van 27 januari 2005 - Beslissing : Vernietiging Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 139.850 van 27 januari 2005 in de zaak A. 72.808/XII-
- In zake :
- de BVBA VERVECKEN'S ARTIESTEN CLUB,
- Roland VAN DEN BERG, die woonplaats kiezen bij advocaat A. Vercraeye, kantoor houdende te Antwerpen, Jozef de Bomstraat 58 tegen : de GEMEENTE MEISE, die woonplaats kiest bij advocaat D. Lindemans, kantoor houdende te Brussel, Keizerslaan
- --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, XIIe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat BVBA Vervecken’s Artiesten Club en Roland Van Den Berg op 10 januari 1997 hebben ingediend om de nietigverklaring te vorderen van de beslissing van 3 september 1996 van het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Meise waarbij “de R. Rostelli- hypnose show van vrijdag 06 september 1996 te 20u30' in de Sint-Ceciliazaal te Wolvertem” verboden wordt; Gezien de memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgesteld door eerste auditeur-afdelingshoofd F. De Buel; Gelet op de beschikking van 20 december 1999 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen en gezien de laatste memories; XII-2355-1/9 Gelet op de beschikking van 17 juni 2004 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 21 september 2004 op welke datum de zaak in voortzetting is uitgesteld tot de terechtzitting van 5 oktober 2004; Gehoord het verslag van staatsraad J. Lust; Gehoord de opmerkingen van advocaat H. Defrenne, die loco advocaat A. Vercraeye verschijnt voor verzoekers, en van advocaat D. Lindemans, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur-afdelings- hoofd F. De Buel; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
- Overwegende dat de gemeente Meise op 3 september 1996 vanwege een zekere G.V. een brief ontvangt waarin wordt meegedeeld dat met betrekking tot een “R. Rostelli Hypnose Show” op vrijdag 6 september 1996 te Wolvertem “verschillende franstalige anonieme telefoontjes” zijn ontvangen voor de aanvraag van inkomkaarten, dat het duidelijk mensen “met slechte bedoelingen” betreft, die het optreden wilden verstoren, en dat “[o]ok [...] akties [werden] verwacht van de ‘Protestgroep der verdwenen kinderen.”; dat het college van burgemeester en schepenen nog dezelfde dag van de ontvangst van de brief besluit “de R. Rostelli-hypnose show van vrijdag 06 september 1996 te 20u30' in de Sint-Ceciliazaal te Wolvertem” te verbieden, teneinde de openbare rust te handhaven; dat de motivering van de beslissing luidt : “Gelet op het schrijven dd. 02/09/96 van dhr [V.G.], Lindenlaan 34 te 1861 Meise, waarin hij ons meedeelt dat er op vrijdag 06/09/96 om 20u30' een Rostelli-hypnose show doorgaat in de Sint Ceciliazaal te Wolvertem. Overwegende dat betrokkene in de loop van de week van 27 augustus reeds verschillende franstalige anonieme telefoontjes heeft gekregen voor de aanvraag van inkomkaarten met de bedoeling om de show bij te wonen en deze te verstoren. Overwegende dat eveneens akties verwacht worden van de 'Protestgroep der verdwenen kinderen'. Overwegende dat één van de vorige optredens van Rostelli geassocieerd wordt met de verdwijning van An en Eefje. Overwegende dat dit feit voor de nodige beroering zorgt bij de bevolking. Overwegende dat het past in het belang van de openbare orde en rust deze show te verbieden. XII-2355-2/9 Gelet op de wet van 30/05/1892 op het hypnotisme. Gelet op art. 130 van de Nieuwe Gemeentewet”; Overwegende dat eerste verzoekster als manager optreedt voor “Rasti Rostelli”, zijnde de artiestennaam van tweede verzoeker; 2.
- Overwegende dat, volgens een eerste exceptie van niet- ontvankelijkheid in de memorie van antwoord, het beroep “tardief” is; dat wordt toegelicht dat de bestreden beslissing verzoekers ter kennis is gebracht op 4 september 1996, dat weliswaar de beroepstermijn gestuit wordt ingeval de verzoeker aan de toezichthoudende overheid de vernietiging vraagt van de beslissing van de gemeentelijke overheid, dat de bevoegde overheid inzake bestuurlijk toezicht de gouverneur en de Vlaamse regering is, dat te dezen de verzoekers alleen een “‘hoger beroep’ gericht tot de Bestendige Deputatie van de Provincieraad van Vlaams Brabant” hebben ingediend en dat zij er niet mochten van uitgaan dat dit “hoger beroep” als een beroep bij de gouverneur als toezichthoudende overheid zou worden beschouwd; dat de verwerende partij de exceptie in de laatste memorie nog kracht bijzet met een verwijzing naar het arrest van de Raad van State inzake Scheire, nr. 29.290 van 8 februari 1988; 2.
- Overwegende dat de termijn om een annulatieberoep in te stellen wordt gestuit ten voordele van degene die een bezwaar indient bij de toezichthoudende overheid die bevoegd is om het algemeen toezicht uit te oefenen, op voorwaarde dat dit bezwaar wordt ingediend vóór het verstrijken van de beroepstermijn en vóór het verstrijken van de termijn waarover de toezichthoudende overheid voor de uitoefening van haar schorsings- en vernietigingsbevoegdheid beschikt; dat de stuiting voortduurt tot aan de mededeling van het gevolg aan het bezwaar; Overwegende dat verzoekers op 19 september 1996, dit is bínnen de genoemde termijnen, bij de bestendige deputatie “hoger beroep” hebben aangetekend tegen de beslissing van 3 september 1996 van het college van burgemeester en schepenen, “met het oog op de nietigverklaring ervan”; dat op 7 oktober 1996 namens de gouverneur wordt geantwoord dat de klacht tegen de beslissing van het schepencollege goed is ontvangen, dat op grond van artikel 30 van het decreet van 28 april 1993 houdende regeling, voor het Vlaamse Gewest, van het administratief toezicht op de gemeenten, de provinciegouverneur de uitvoering schorst van een besluit dat de wet schendt of het algemeen belang schaadt, en dat XII-2355-3/9 overeenkomstig dit decreet een onderzoek zal worden ingesteld “naar de wettigheid en de overeenstemming van het aangevochten besluit met de beginselen van behoorlijk bestuur”; Overwegende dat aldus blijkt dat de provinciegouverneur de klacht van verzoekers spontaan heeft begrepen en opgevat als een voor hem bedoeld bezwaar om gebruik te maken van zijn bevoegdheid inzake algemeen toezicht; dat dit niet ten onrechte is; dat, verre van de klacht van verzoekers tegen hun wil in tot zich te trekken, de gouverneur zodoende alleen maar recht heeft gedaan aan de klacht; dat, inhoudelijk, het appel van verzoekers aan de provinciale overheid om de collegebeslissing te vernietigen, uitsluitend in de bevoegdheid van de gouverneur inzake het algemeen toezicht kon worden ingepast; Overwegende dat de toedracht te dezen zich dan ook geenszins laat vergelijken met die in de zaak Scheire, beslecht door het arrest van de Raad van State nr. 29.290 van 8 februari 1988; dat in die zaak de verzoekster, met betrekking tot wat zij dacht de opheffing van haar betrekking te zijn, aan de bestendige deputatie een bezwaarschrift had gericht op grond van artikel 53 van de wet van 8 juli 1976 betreffende de openbare centra voor maatschappelijk welzijn, luidens hetwelk een personeelslid bij de bestendige deputatie bezwaar kan inbrengen tegen een besluit tot opheffing van zijn betrekking; dat het arrest weigert het bezwaarschrift tevens te zien als een bezwaar, op grond van de artikelen 111 en 112 van de wet van 8 juli 1976, bij de met het algemeen toezicht belaste provinciegouverneur, onder meer omdat het ingediende bezwaarschrift “ook inhoudelijk” alleen voor de bestendige deputatie bestemd is en omdat het “noch de provinciegouverneur noch de bevoegde diensten van het provinciebestuur toekomt, eigenmachtig het bezwaarschrift dat verzoekster uitdrukkelijk op grond van het wetsartikel 53 tot de bestendige deputatie heeft gericht, aan de kennisneming van dit college te onttrekken”; dat, zoals gezegd, het geval van verzoekers zich ten enen male anders voordoet; Overwegende dat de gouverneur met een schrijven van 26 november 1996 antwoordt op de brief van 19 september 1996 van verzoekers “waarbij u [de beslissing van het College van Burgemeester en Schepenen van Meise van 3 september 1996] aanvecht en mij verzoekt om deze te vernietigen”; dat hij niet op het verzoek ingaat; dat verzoekers het besproken beroep binnen zestig dagen nadien instellen; XII-2355-4/9 Overwegende dat de exceptie bijgevolg ongegrond is; 3.
- Overwegende dat verwerende partij in een tweede ontvankelijkheidsexceptie de rechtmatigheid van het belang van verzoekers betwist; dat zij in de memorie van antwoord uiteenzet dat de verboden show een “hypnose- show” betreft, dat artikel 1 van de wet van 30 mei 1892 op het hypnotisme verbiedt gehypnotiseerde personen ten tonele te voeren, en dat verzoekers dus hun belang putten “uit het niet hebben mogen stellen van bij wet verboden en strafbaar gestelde handelingen”; dat in de laatste memorie wordt benadrukt dat het belang niet wettig is “[n]u de vordering er toe strekt een beslissing te doen vernietigen die de uitvoering van een onwettige handeling heeft verboden”; 3.
- Overwegende dat de exceptie er van uitgaat dat tijdens de “hypnose”-shows van tweede verzoeker, gehypnotiseerde personen ten tonele worden gevoerd in strijd met artikel 1 van de wet van 30 mei 1892 op het hypnotisme; dat verwerende partij dit blijkbaar zodanig evident vindt dat ze geen reden ziet het nader toe te lichten en aannemelijk te maken; dat zulks ten onrechte is; dat voor soortgelijke shows tweede verzoeker tot twee keer toe blijkt vrijgesproken van de betichting een inbreuk op de wet van 30 mei 1892 te hebben gepleegd, namelijk bij arresten van 22 november 1991 en 3 januari 2002 van het hof van beroep te Antwerpen; dat in het laatste arrest onder meer wordt overwogen dat de shows deels berusten op goocheltrucs en andere elementen die een combinatie zouden zijn van trucs, suggestie en vrijwillige medewerking in een minutieus opgebouwde sfeer van verwachting, en dat de vermelding van het woord “hypnose” in de aankondigingsaffiches niet bewijst dat er ook effectief hypnose wordt toegepast, maar te verklaren is “als de opbouw van de show, deel van autosuggestie”; Overwegende dat de exceptie in de gegeven omstandigheden niet wordt onderschreven; 4.1.
- Overwegende dat verzoekers in een eerste middel onder meer doen gelden dat het bestreden vertoningsverbod artikel 130 van de nieuwe gemeentewet schendt; dat zij uiteenzetten dat een vertoningsverbod slechts mag worden uitgevaardigd op voorwaarde dat er buitengewone omstandigheden zijn, het verbod de handhaving of het herstel van de openbare orde en rust op het oog heeft, XII-2355-5/9 het verbod het enige middel daartoe is en het verbod tijdelijk is; dat zij voorts betogen dat enkele anonieme telefoontjes niet voldoende zijn om een bedreiging van de openbare rust te vormen en dat het ter voorkoming van eventuele protestacties had volstaan om enkele politieagenten aan de ingang van de Sint-Ceciliazaal te plaatsen; 4.1.
- Overwegende dat verwerende partij in de memorie van antwoord repliceert dat de organisator van de manifestatie zelf aan het gemeentebestuur meldde te vrezen voor verstoring van de openbare orde, dat verzoekers “niet nuttig” een schending van artikel 130 van de nieuwe gemeentewet kunnen aanvoeren omdat de manifestatie niet op hun eigen initiatief plaatsvond, “maar op verzoek van en tegen betaling door de organisator”, en dat het schepencollege naar recht en redelijkheid kon oordelen dat de buitengewone omstandigheden aanwezig waren aangezien het algemeen bekend is dat een van de vorige optredens van Rostelli geassocieerd wordt met de verdwijning van An en Eefje, aangezien hun lijken enkele dagen vóór het optreden ontdekt werden en de begrafenisplechtigheid gepland was de dag na het geplande optreden, aangezien de organisator zelf gemeld had te vrezen voor ernstige verstoring van de openbare rust en aangezien de show formeel was aangekondigd als een hypnose-show, “wat een strafbare daad uitmaakt”; Overwegende dat verwerende partij in de laatste memorie nog betoogt dat zij de aangekondigde hypnose-show als een wettelijk verboden activiteit mocht verbieden en dat dit element tezamen met “de commotie in die dagen rond de verdwijning van An en Eefje” voldoende buitengewone omstandigheden waren om te voldoen aan de eis van artikel 130 van de nieuwe gemeentewet; 4.
- Overwegende dat volgens artikel 130, eerste lid, van de nieuwe gemeentewet de politie over de vertoningen behoort aan het college van burgemeester en schepenen, en het college in buitengewone omstandigheden elke vertoning kan verbieden teneinde de openbare rust te handhaven; dat de omstandigheden, om het predikaat “buitengewoon” te verdienen, van die aard moeten zijn dat de openbare rust niet door andere middelen dan een vertoningsverbod gehandhaafd kan worden; dat het college de buitengewone omstandigheden op afdoende wijze in zijn beslissing dient aan te geven; XII-2355-6/9 Overwegende dat het vertoningsverbod te dezen wezenlijk blijkt ingegeven en verantwoord wordt door het schrijven van 2 september 1996 van G.V. aan het schepencollege, en meer bepaald door de vrees voor protest tegen een “hypnose-show” van tweede verzoeker, van wie een vorig optreden in verband wordt gebracht met de verdwijning van An en Eefje; dat het uitsluitend op grond hiervan is dat de beslissing overweegt “dat het past in het belang van de openbare orde en rust deze show te verbieden”; Overwegende dat verwerende partij dan ook niet wordt gevolgd waar zij op grond van de loutere, daaropvolgende, referte aan de wet van 30 mei 1892 op het hypnotisme, stelt dat ter ondersteuning van het vertoningsverbod op een voldoende begrijpelijke wijze ook zou zijn aangevoerd dat de hypnose-show een wettelijk verboden activiteit betreft; dat, getuige zijn antwoord van 26 november 1996 op de klacht van verzoekers, ook de gouverneur van de provincie Vlaams-Brabant in de beslissing van het college geen beroep heeft gelezen, ter verantwoording van de buitengewone omstandigheden, op een door de wet van 30 mei 1892 voorgeschreven verbod; Overwegende dat in de voormelde brief van 2 september 1996 G.V., door verwerende partij de organisator van het optreden op 6 september 1996 genoemd, hoofdzakelijk doet kennen dat uit telefoontjes is gebleken dat sommigen de hypnose-show wensen bij te wonen met de bedoeling hem te verstoren; dat hij in de brief tevens meedeelt, overigens zonder uit te leggen waar hij de informatie vandaan heeft, dat niet nader omschreven acties vanwege de “Protestgroep der verdwenen kinderen” worden verwacht; dat, louter op zich, de brief van 2 september 1996 geenszins geacht kan worden voldoende aanwijzingen in te houden dat de hypnose-show voor een zodanige beroering bij de bevolking dreigt te zorgen dat de openbare rust in de gemeente gevaar loopt en nog wel in die mate dat niet minder dan een verbod van de show zich als de meest aangepaste reactie opdringt; dat niettemin de verwerende partij kennelijk louter op de brief is voortgegaan en, zonder nadere verificatie of bijkomend onderzoek, nog de dag zelf van de ontvangst ervan het bestreden vertoningsverbod heeft uitgevaardigd; Overwegende dat in de memorie van antwoord en in de laatste memorie verwerende partij laat uitschijnen dat het aangevochten besluit mee hierdoor verantwoord wordt dat, wijl de shows van tweede verzoeker met de verdwijningen van An en Eefje worden geassocieerd, dezer stoffelijke overschotten XII-2355-7/9 pas enkele dagen voor het optreden werden teruggevonden en de begrafenisplechtigheden amper één dag na het geplande optreden zouden plaats hebben; dat dit in voorkomend geval in de formele motivering van de beslissing tot uitdrukking moest zijn gebracht; dat zulks niet het geval is; dat overigens moet worden betwijfeld of het streven naar kiesheid en piëteit zich laat inpassen in het enige doel met het oog waarop het college op grond van artikel 130 van de nieuwe gemeentewet bevoegd is gemaakt om vertoningen te verbieden, met name de handhaving van de openbare rust; Overwegende dat niet blijkt dat aan de voorwaarden is voldaan waaronder de gemeente het optreden van tweede verzoeker met toepassing van genoemd artikel 130 mocht verbieden; dat verzoekers gerechtigd zijn om deze onwettigheid, die de vernietiging van het voor hen grievend vertoningsverbod verantwoordt, te doen gelden; dat daar niets aan afdoet de omstandigheid dat ze niet zelf de organisator van het verboden optreden zouden zijn; dat het middel ontvankelijk en in de besproken mate gegrond is, BESLUIT: Artikel
- Vernietigd wordt de beslissing van 3 september 1996 van het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Meise waarbij “de R. Rostelli-hypnose show van vrijdag 06 september 1996 te 20u30' in de Sint-Ceciliazaal te Wolvertem” verboden wordt. Artikel
- De kosten van het beroep, bepaald op 198,32 euro, komen ten laste van de verwerende partij. XII-2355-8/9 Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op zevenentwintig januari 2005, door de XIIe kamer, die was samengesteld uit : de HH. D. VERBIEST, kamervoorzitter, J. LUST, staatsraad, G. VAN HAEGENDOREN, staatsraad, Mevr. S. DOMS, griffier. De griffier, De voorzitter, S. DOMS. D. VERBIEST. XII-2355-9/9 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.139.850 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.