id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 27 januari 2005 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.139.852 Rolnummer: A. 78318/VII-16610 Zaak: Arrest 139852 - - 27/01/2005 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2005-02-08 Raadplegingen: 52 - laatst gezien 2026-07-02 07:05 Fiche Arrest nr 139.852 van 27 januari 2005 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 139.852 van 27 januari 2005 in de zaak A. 78.318/VII-16.
- In zake : Franciscus VAN SANDE, die woonplaats kiest bij Advocaat A. NAVASARTIAN, kantoor houdende te BRUSSEL, Jenatzystraat 13 tegen : de bestendige deputatie van de provincieraad van ANTWERPEN. --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, VIIe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat Franciscus VAN SANDE op 17 april 1998 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van het besluit van de bestendige deputatie van de provincieraad van Antwerpen van 26 februari 1998 waarbij het beroep ingediend door verzoeker tegen het besluit van het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Brecht van 13 oktober 1997, houdende gedeeltelijke weigering aan verzoeker tot het veranderen van een rundveebedrijf te 2960 Brecht, Kloosterstraat 24, ongegrond wordt verklaard; Gezien de regelmatig gewisselde memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door Eerste Auditeur E. LANCKSWEERDT; Gelet op de beschikking van 1 juni 2004 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan de partijen en gezien het verzoek tot voortzetting van verzoeker; Gelet op de beschikking van 18 oktober 2004 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 25 november 2004; VII-16.610-1/7 Gehoord het verslag van Kamervoorzitter M.-R. BRACKE; Gehoord de opmerkingen van Advocaat A. HAEGEMAN die, loco Advocaat A. NAVASARTIAN verschijnt voor verzoeker, en van Bestuurs- secretaris S. TAVERNIER, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het andersluidend advies van Eerste Auditeur E. LANCKSWEERDT; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
- De feiten Overwegende dat de gegevens van de zaak als volgt kunnen worden samengevat : 1.
- Op 13 oktober 1997 verleent het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Brecht aan verzoeker een milieuvergunning voor de uitbreiding van zijn rundveebedrijf met de lozing van huishoudelijk afvalwater in de baangracht, twee mazouttanks van elk 1.000 liter bovengronds en één mazouttank van 2.000 liter bovengronds, gelegen te Brecht aan de Kloosterstraat nr.
- De vergunning wordt evenwel geweigerd voor het houden van 50 honden. 1.
- Verzoeker stelt tegen dit besluit een administratief beroep in. 1.
- In het kader van de beroepsprocedure wordt een reeks adviezen uitgebracht. De inhoud van die adviezen is terug te vinden in de aanhef van de bestreden beslissing. 1.
- Op 26 februari 1998 wordt de thans bestreden beslissing genomen. Het beroep wordt ongegrond verklaard en de beroepen beslissing wordt bevestigd; VII-16.610-2/7
- De gegrondheid van het beroep 2.
- Overwegende dat verzoeker als enig middel de schending aanvoert "van de motiveringsplicht zoals neergelegd in de wet van 29 juli 1991, artikel 17 van het Milieuvergunningsdecreet van 28 juni 1985 en artikel 50.3 van Vlarem I"; dat hij het middel als volgt adstrueert : "De verwerende partij verwerpt het beroep omdat uit de bezwaren zou zijn gebleken dat de omwonenden gehinderd worden tijdens de nacht door geblaf van honden en dat zij daardoor gezondheidsproblemen ondervinden. Volgens de verwerende partij is dit onverenigbaar met de basisaspecten inzake volksge- zondheid en woonhygiëne. De verwerende partij gaat echter aldus voorbij aan het advies van de Afdeling Milieuvergunningen dat stelt : De Provinciale Milieuvergunningscommissie stelde : De verwerende partij gaat aldus voorbij aan de adviezen van deskundige instanties, om zonder meer geloof te hechten aan de subjectieve beweringen van de omwonenden. De vergunningsverlenende overheid mag zo maar niet afwijken van het advies, met andere woorden doen alsof de diverse adviezen van de deskundige instanties niet zouden bestaan. Afwijken van deze adviezen is enkel mogelijk indien volgende voorwaarden vervuld zijn : - de vergunningverlenende overheid moet zelf een onderzoek doen naar de verenigbaarheid van de inrichtingen met de vereisten inzake leefmilieu; - de overheid moet wettige motieven hebben om van het advies af te wijken; - uit de formele motivering van het besluit moet blijken op grond van welke precieze, juiste en pertinente motieven de overheid afwijkt van de adviezen. De redenen waarom de overheid afwijkt van de adviezen moeten dus in de bestreden beslissingen zelf kenbaar gemaakt worden"; 2.
- Overwegende dat de verwerende partij in de memorie van antwoord doet gelden : "Verweerster wijst erop dat zowel de Afdeling Milieuvergunningen (AMV) als de Provinciale Milieuvergunningscommissie (PMVC) voorstelden om 1/ het aantal honden te beperken tot 30, 2/ te vergunnen voor een proeftermijn van 2 jaar teneinde binnen een relatief korte termijn te kunnen evalueren of de inrichting inderdaad geen overmatige hinder veroorzaakt en de uitbating conform de opgelegde voorwaarden gebeurt. VII-16.610-3/7 Uit bijkomende inlichtingen van de Afdeling ROHM van de Administratie voor Ruimtelijke Ordening, Huisvesting en Monumenten en Landschappen (AROHM) bleek dat een bouwvergunning moet worden aangevraagd voor de kennel en voor de verplaatsbare iglo's waarin de honden zouden worden gehuisvest. Een proefvergunning kon dan ook niet worden verleend. Uit voormeld dubbel voorstel van de AMV en de PMVC kon verweerster afleiden dat enig voorbehoud diende te worden gemaakt t.a.v. de beperking van de hinder tot de grenzen van het aanvaardbare. Bovendien wordt in de gunstige adviezen hoofdzakelijk de lawaaioverlast van het geblaf van de honden geëvalueerd. Over de voorkoming/beperking van de andere hinderaspecten waarvan sprake in het bestreden collegebesluit, m.n. onaangename geuren, overlast door insecten en hygiënische problemen met de verwijdering van de bederfelijke afvalproducten, wordt weinig of niets gezegd. Het houden van een beperkt aantal honden zou wellicht verenigbaar kunnen zijn met de basisaspecten inzake volksgezondheid en woonhygiëne indien de terzake toepasselijke Vlarem II-bepalingen door de exploitant worden nageleefd. Op dit moment is echter onvoldoende aangetoond dat de exploitatie gebeurt volgens de Vlarem II-normen. Dit waren voor verweerster afdoende redenen om het beroep ongegrond te verklaren en de vergunning te weigeren. Het enig middel is niet gegrond"; 2.
- Overwegende dat in de memorie van wederantwoord verzoeker nog betoogt dat het volkomen ten onrechte is dat de verwerende partij in de memorie van antwoord aankomt met andere hinderaspecten, zijnde onaangename geuren, overlast door insecten en hygiënische problemen met de verwijdering van afval- producten, daar over deze milieu-aspecten niet wordt gesproken in de bestreden beslissing; 2.4.
- Overwegende dat de afdeling Milieuvergunningen gunstig adviseerde voor 30 honden en indien mogelijk voor een proefperiode van twee jaar; dat ter zitting van de Provinciale Milieuvergunningscommissie de afdeling Preventieve en Sociale Gezondheidszorg stelde dat de inrichting inzake volksge- zondheid en woonhygiëne wel aanvaardbaar zou zijn, mocht ze volgens de Vlarem II-bepalingen worden uitgebaat; dat de Provinciale Milieuvergunningscommissie in haar advies en steunend op de diverse elementen die door de adviesverlenende overheidsorganen werden aangebracht, voorstelde om, indien er geen bouwvergun- ning is vereist, een proefvergunning te verlenen voor het houden van 30 volwassen honden voor een termijn van twee jaar zodat binnen een relatief korte termijn kan worden geëvalueerd of de inrichting inderdaad geen overmatige hinder veroorzaakt en de uitbating conform de opgelegde voorwaarden gebeurt en om, indien zou blijken dat er wel een bouwvergunning is vereist en alsdan het niet mogelijk is om een vergunning op proef te verlenen, de vergunning te verlenen voor twintig jaar VII-16.610-4/7 "voor een beperkt aantal, nl. 30 volwassen honden" ; dat in het bestreden besluit die elementen uit de adviezen worden weergegeven; 2.4.
- Overwegende dat in de aanhef van de bestreden beslissing het volgende wordt overwogen : "(...) Overwegende dat het provinciebestuur op 16 februari 1998 het gunstig schriftelijk standpunt van de AROHM ontving, waarbij het volgende werd gesteld : Het bedrijf is gelegen in een agrarisch gebied volgens het vastgestelde gewestplan. Ter plaatse geldt geen bijzonder plan van aanleg of verkavelings- vergunning. Het betreft een uitbreiding bij een bestaand en vergund rundveebe- drijf, dat hierdoor evolueert naar een gemengd agrarisch/para-agrarisch bedrijf. De bouwvergunning voor de kweek- en mestveestal dateert van 02.10.
- De bouwvergunning voor de kalverstal dateert van 07.02.
- Voor de nieuwe hondenkennel en de Overwegende dat uit dit schrijven blijkt dat er een bouwvergunning vereist is voor de hondenkennel en de Overwegende dat gesteld kan worden dat de verandering van de inrichting, die het voorwerp van de voormelde milieuvergunningsaanvraag uitmaakt, verenigbaar is met voormelde ruimtelijke en stedenbouwkundige voorschriften; Overwegende dat er tijdens het openbaar onderzoek 1 collectief bezwaarschrift (met 7 handtekeningen) en 1 individueel bezwaarschrift werd ingediend met betrekking tot het volgende : (nacht)lawaai door geblaf van de reeds aanwezige 10 honden, met als gevolg verstoring van de nachtrust en ermee gepaard gaande gezondheidsproblemen voor sommige buurtbewoners; Overwegende dat uit de voornoemde bezwaren is gebleken dat er omwonenden gehinderd worden tijdens de nacht door geblaf van honden en dat zij daardoor gezondheidsproblemen ondervinden; dat dit onverenigbaar is met de basisaspecten inzake volksgezondheid en woonhygiëne; Overwegende dat er door de exploitant blijkbaar momenteel onvoldoende maatregelen worden genomen om de lawaaihinder voor de buurt te beperken tot een aanvaardbaar niveau; Overwegende dat het houden van een beperkt aantal honden wellicht verenigbaar zou kunnen zijn met de basisaspecten inzake volksgezondheid en woonhygiëne indien de terzake toepasselijke Vlarem II-bepalingen door de exploitant worden nageleefd; Overwegende dat gesteld kan worden dat de risico's voor de externe veiligheid, de hinder, de effecten op het leefmilieu, op de wateren, op de natuur en op de mens buiten de inrichting veroorzaakt door de gevraagde verandering zelfs mits naleving van de gepaste milieuvergunningsvoorwaarden niet tot een aanvaardbaar niveau kunnen worden beperkt, behalve voor wat betreft de uitbreiding met de lozing van huishoudelijk afvalwater in de openbare riolering en de mazouttanks; Overwegende dat er bijgevolg aanleiding toe bestaat het beroep ongegrond te verklaren en het bestreden collegebesluit te bevestigen"; VII-16.610-5/7 2.4.
- Overwegende dat daaruit blijkt dat de gevraagde vergunning voor het houden van 50 honden wordt geweigerd om reden dat omwonenden nu reeds hinder ondervinden van nachtelijk hondengeblaf, wat tot gezondheidsproblemen voor omwonenden leidt, en dat door de exploitant onvoldoende maatregelen worden genomen om de lawaaihinder voor de buurt te beperken tot een aanvaardbaar niveau; dat daarbij nog wordt geopperd dat het houden van een beperkt aantal honden wel nog verenigbaar zou kunnen zijn met de basisaspecten inzake volksgezondheid en hygiëne indien de terzake toepasselijke Vlarem II-bepalingen door de exploitant worden nageleefd; dat uit de context van de aanhef duidelijk kan worden afgeleid dat de exploitant de Vlarem II-normen inzake geluidshinder niet naleeft voor wat betreft de reeds aanwezige 10 honden; dat uit het bestreden besluit ook duidelijk blijkt dat voor de hondenkennel en voor de "iglo's" een bouwvergunning is vereist, zodat verzoeker meteen ook weet dat volgens de uitgebrachte adviezen een proefvergunning niet mogelijk was; dat in de bestreden beslissing op summiere, doch voldoende duidelijke wijze wordt kenbaar gemaakt waarom geen definitieve vergunning wordt verleend voor het houden van 50 honden zoals gevraagd, noch voor 30 honden, zoals voorgesteld door AMINAL en de Provinciale Milieuvergun- ningscommissie, nl. de nachtelijke lawaaihinder die reeds voor de omwonenden aanwezig blijkt te zijn bij het houden van 10 honden wegens het onvoldoende nemen van maatregelen om de lawaaihinder te beperken; dat verzoeker de mogelijkheid had die motivering inhoudelijk te betwisten, hetgeen dan zaak is van materiële motivering; dat evenwel verzoeker heeft nagelaten dit te doen, nu hij in het enig middel zich tot de schending van de formele motiveringsplicht heeft beperkt; dat het enig middel niet gegrond is, BESLUIT: Artikel
- Het beroep wordt verworpen. Artikel
- De kosten van het beroep, bepaald op 173,53 euro, komen ten laste van verzoeker. VII-16.610-6/7 Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op zevenentwintig januari tweeduizend en vijf, door de VIIe kamer, die was samen- gesteld uit : Mevr. M.-R. BRACKE, kamervoorzitter, de HH. R. STEVENS, staatsraad, G. VAN HAEGENDOREN, staatsraad, Mevr. A. WIJNANTS, griffier. De griffier, De voorzitter, A. WIJNANTS. M.-R. BRACKE. VII-16.610-7/7 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.139.852 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.