id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 27 januari 2005 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.139.853 Rolnummer: A. 78800/VII-16734 Zaak: Arrest 139853 - - 27/01/2005 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2005-02-08 Raadplegingen: 51 - laatst gezien 2026-07-02 07:05 Fiche Arrest nr 139.853 van 27 januari 2005 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 139.853 van 27 januari 2005 in de zaak A. 78.800/VII-16.
- In zake :
- de gemeente MALLE,
- Jan MERTENS, die woonplaats kiezen bij Advocaat G. VAN DYCK, kantoor houdende te MALLE, Brechtsesteenweg 22 tegen : de bestendige deputatie van de provincieraad van ANTWERPEN. --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, VIIe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat de gemeente MALLE en Jan MERTENS op 29 mei 1998 hebben ingediend om de vernietiging te vragen van het besluit van de bestendige deputatie van de provincieraad van Antwerpen van 12 maart 1998, waarbij het beroep, ingediend door de Vlaamse Landmaatschappij tegen het besluit van het college van burgemeester en schepenen van de gemeente MALLE van 28 oktober 1997 waarbij aan Jan MERTENS de vergunning werd verleend tot het veranderen van een rundveebedrijf, gelegen te 2390 Malle, Kerkbeemdweg 4, gedeeltelijk gegrond wordt verklaard; Gezien de regelmatig gewisselde memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door Eerste Auditeur E. LANCKSWEERDT; Gelet op de beschikking van 15 juni 2004 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan de partijen en gezien de laatste memorie van de verzoekende partijen; VII-16.734-1/9 Gelet op de beschikking van 16 november 2004 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 16 december 2004; Gehoord het verslag van Kamervoorzitter M.-R. BRACKE; Gehoord de opmerkingen van Advocaat P. BRUYNS die, loco Advocaat G. VAN DYCK, verschijnt voor de verzoekende partijen en van Bestuurssecretaris M. MICHIELS, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van Eerste Auditeur E. LANCKSWEERDT; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
- De feiten Overwegende dat de gegevens van de zaak als volgt kunnen worden samengevat : 1.
- Tweede verzoeker baat een landbouwbedrijf uit. Het wordt niet betwist dat hij op twee locaties zijn bedrijvigheid voert, en dat hij daarvoor een aantal aktenames bekwam. S op het adres Vogelzang 11 te 2390 Malle, waar hij aktenames bekwam voor de uitbating van een landbouwbedrijf met stallingen voor 90 runderen en 10 varkens, en een aktename voor 100 runderen en de opslag van 225 m³ mest; S op het adres Kerkbeemdweg 4 te 2390 Malle, waar hij aktenames verkreeg voor een rundveebedrijf toegerust met stallen voor respectievelijk 66 runderen en 60 runderen, de opslag van 425 m³ mest en 508 m³ mest. 1.
- Op 16 juli 1997 dient tweede verzoeker bij het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Malle een milieuvergunningsaanvraag in voor uitbreiding door verplaatsing en nieuwbouw van een rundveebedrijf gelegen te Malle, Kerkbeemdweg
- In de bijlage 1 bij de vergunningsaanvraag wordt vermeld : "Het rundveebedrijf bestaat thans uit twee entiteiten, nl. in de Kerkbeemd- weg 4 en in de Vogelzang
- Deze laatste bevindt zich in het woongebied en VII-16.734-2/9 wordt gedeeltelijk verplaatst naar de entiteit Kerkbeemdweg. Het resterende deel wordt stopgezet. Er is geen verhoging van de mestproduktie, wel is de mestopslagcapaciteit verhoogd om te voldoen aan de Vlaremnormen". 1.
- Op 28 oktober 1997 verleent het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Malle aan tweede verzoeker een milieuvergunning om de inrichting gelegen aan de Kerkbeemdweg 4 te Malle onder meer uit te breiden van 68 tot 194 runderen, en de mestopslag te verhogen met 686 m³ tot 1.619 m³. 1.
- De Vlaamse Landmaatschappij (VLM) gaat tegen het voornoemd collegebesluit in beroep bij de bestendige deputatie van de provincieraad van Antwerpen. De VLM gaat er in essentie van uit dat voor de inrichting gelegen aan de Kerkbeemdweg 4 te Malle er een uitbreiding van de mestproductie is, hetgeen onverenigbaar is met het meststoffendecreet. De aanvraag kan evenmin beschouwd worden als de exploitatie van een nieuwe inrichting, gekoppeld aan de volledige stopzetting van een bestaande veeteeltinrichting horende bij een gezinsveeteeltbe- drijf, zodat de verwijzingen naar de stopzetting van de inrichting op het adres Vogelzang 11 te Malle niet relevant zijn voor deze aanvraag. 1.
- Nadat in het kader van de beroepsprocedure de adviesverlenende overheidsorganen hun advies hebben uitgebracht, wordt op 12 maart 1998 de thans bestreden beslissing genomen. Artikel 1 van het beschikkend gedeelte luidt als volgt : "§1 Het beroep, ingediend door de Vlaamse Landmaatschappij gevestigd te 2200 Herentals, Cardijnlaan 1 tegen het besluit van het college van burgemeester en schepenen van Malle van 28 oktober 1997 waarbij aan de heer Mertens Jan de vergunning werd verleend tot het veranderen van een rundveebedrijf te 2390 Malle, Kerkbeemdweg 4, is gedeeltelijk gegrond. Het besluit van het college van burgemeester en schepenen van Malle van 28 oktober 1997 wordt opgeheven. §2 Aan de heer Mertens Jan gevestigd Kerkbeemdweg 4 te 2390 Malle, wordt onder de voorwaarden bepaald in onderhavig besluit gedeeltelijk de vergunning verleend om een rundveebedrijf gelegen te Malle, Kerkbeemdweg 4, op het kadastraal perceel (afdeling-sectie-perceel- nummer) 02-C-196e, te veranderen door uitbreiding met : S het lozen van huishoudelijk afvalwater in oppervlaktewater (3.2.); S stalling voor 2 tractoren en 6 aanhangwagens (15.1.1.) S een melkkoelinstallatie met een vermogen van 5 kW (16.3.1.1.) S de opslag van 1.000 liter mazout in een bovengrondse houder (17.3.6.1.b.) derwijze dat deze omvat : S het lozen van huishoudelijk afvalwater in oppervlaktewater (3.2.) S stallen voor 126 runderen (9.4.3.c.1.) VII-16.734-3/9 S stalling voor 2 tractoren en 6 aanhangwagens (15.1.1.) S een melkkoelinstallatie met een vermogen van 5 kW (16.3.1.1.) S de opslag van 1.000 liter mazout in een bovengrondse houder (17.3.6.1.b.) S de opslag van 933 m³ dierlijke mest (28.2.c.1.) Vlarem-rubrieken : 3.
- - 15.1.
- - 16.3.1.
- - 17.3.6.1.B; § 3 De vergunning wordt geweigerd voor het volgende onderdeel van de aanvraag : uitbreiding met de bijkomende stal van 68 runderen en de opslag van 686 m³ dierlijke mest (Vlarem-rubrieken : 9.4.3.c.
- en 28.2.c.1.)";
- De ontvankelijkheid van het beroep Overwegende dat de eerste verzoekende partij, de gemeente Malle, niet de aanvraagster is van de milieuvergunning en ook niet de rechtsadres- saat van de bestreden beslissing; dat zij derhalve niet over de vereiste hoedanigheid beschikt om op ontvankelijke wijze een annulatieberoep in te dienen; dat alleen reeds om die reden het annulatieberoep in haar hoofde onontvankelijk is; dat in haar laatste memorie de eerste verzoekende partij diverse elementen aanhaalt waaruit zou moeten blijken dat zij belang heeft bij de vernietiging van de bestreden beslissing; dat evenwel de eerste verzoekende partij het begrip belang verwart met het begrip hoedanigheid;
- De gegrondheid van het beroep 3.1.
- Overwegende dat tweede verzoeker als eerste middel de schending aanvoert van artikel 34, §3, 5/, van het decreet van 23 januari 1991 inzake de bescherming van het leefmilieu tegen de verontreiniging door meststoffen (meststoffendecreet) en artikel 4, §2, 1/, van het besluit van de Vlaamse regering van 20 december 1995 tot uitvoering van de artikelen 33 en 34 van het meststoffende- creet (vergunningenbesluit); dat hij in essentie betoogt dat de aanvraag betrekking heeft op de verandering van een bestaande veeteeltinrichting zonder uitbreiding van de mestproductie, dat in zulk een geval de inrichting dient te voldoen aan de voorwaarden van artikel 4, §2, 1/, van het vergunningenbesluit, dat zijn veeteeltbe- drijf weliswaar bestaat uit twee entiteiten op verschillende locaties, doch dat het veeteeltbedrijf en derhalve tevens de vergunde en te vergunnen mestproductie tot hetzelfde veeteeltbedrijf behoren, dat de twee locaties immers vlak bij elkaar liggen en steeds gezamenlijk werden geëxploiteerd, inclusief de verwerking van de mestproductie, dat door de aanvraag noch in Vlaanderen, noch in Malle de mestproductie zal toenemen, dat, integendeel, zij zelfs zal dalen, dat het bestreden VII-16.734-4/9 besluit ten onrechte oordeelt dat de vergunde mestproductie zal stijgen, dat overigens de verwerende partij in het bestreden besluit zelf stelt dat de totale mestproductie daalt doordat er slechts 68 van de 100 runderen verplaatst worden, dat het bestreden besluit dan ook de bepalingen van artikel 34, §3, 5/, van het meststoffendecreet miskent door de vergunning te weigeren; 3.1.
- Overwegende dat de verwerende partij in de memorie van antwoord samengevat betoogt dat er voor de inrichting gelegen aan de Kerkbeemd- weg nr. 4 te Malle wél een stijging is van de mestproductie, dat deze inrichting geen technische eenheid vormt met de andere inrichting gelegen aan de Vogelzang, dat een verplaatsing niet mogelijk is omdat niet voldaan wordt aan een aantal voorwaarden van de artikelen 3 en 4 van het vergunningenbesluit : - de aanvraag heeft geen betrekking op de exploitatie van een nieuwe inrichting, maar wel op de uitbreiding van een bestaande inrichting, gekoppeld aan de stopzetting van een ander bedrijf van dezelfde exploitant; - de te verplaatsen veeteeltinrichting is vergund tot 1 september 2011 en is niet verboden in het gebied waarin zij gevestigd is; - na de verplaatsing zou de totale mestproductie 4.570 kg P2O5 bedragen wat meer is dan de mestproductie van de te verplaatsen grote zoogdieren; dat zij nog stelt dat indien men de vergunningsaanvraag louter bekijkt als een uitbreiding van het veebedrijf in de Kerkbeemdweg nr. 4 er een uitbreiding is van de mestproductie terwijl het vergunningenbesluit enkel nog een verandering toelaat indien er geen uitbreiding is van de mestproductie; 3.1.
- Overwegende dat tweede verzoeker in de memorie van wederantwoord in wezen herhaalt wat hij reeds betoogde in het verzoekschrift; 3.1.
- Overwegende dat tweede verzoeker in zijn laatste memorie in essentie nog betoogt dat de twee entiteiten van zijn familiaal bedrijf vanuit de optiek van verontreiniging door meststoffen een milieutechnische eenheid vormen, dat alzo in het verleden tot 1995 de aangifte bij de Mestbank voor beide entiteiten steeds gebeurde op één aangifte, dat een afstand van 500 meter tussen de twee entiteiten niet van aard is om deze niet als een milieutechnische eenheid te beschouwen; dat, tenslotte, tweede verzoeker nog benadrukt dat er wel degelijk een daling is van de mestproductie; 3.1.5.
- Overwegende dat de bestreden beslissing ertoe strekt dat de vergunningsaanvraag van tweede verzoeker voor bepaalde onderdelen wordt VII-16.734-5/9 ingewilligd, doch dat de vergunning wordt geweigerd voor de uitbreiding met een bijkomende stal van 68 runderen en de opslag van 686 m³ mest, voor de inrichting gelegen aan de Kerkbeemdweg nr. 4 te Malle; dat om tot die gedeeltelijke weigering van de vergunning te komen de verwerende partij blijkens de aanhef van de bestreden beslissing zich expliciet steunt op de adviezen van de afdeling Milieuvergunningen (AMV) en de Provinciale Milieuvergunningscommissie (PMVC); dat in het advies van de AMV, zoals weergegeven in de aanhef van de bestreden beslissing, onder meer wordt gesteld : "
- Art. 5.9.3.
- § 2 van Vlarem II bepaalt dat het verplaatsen van een rundveebedrijf naar een andere locatie enkel toegelaten is mits : S de bestaande inrichting gelegen is op een plaats waar ingevolge de op dat moment geldende regelgeving niet thuishoort of waar er strengere beperkingen worden opgelegd dan algemeen geldend. S de exploitant een verklaring bijvoegt dat hij akkoord gaat met het intrekken van de vergunning. De vergunning bevat dergelijke verklaring. Het Vergunningenbesluit laat de exploitatie van een nieuwe inrichting, gekoppeld aan de volledige stopzetting van de bestaande veeteeltinrichting behorende tot een gezinsveeteeltbedrijf slechts toe mits er aan een aantal voorwaarden voldaan wordt. Er wordt niet voldaan aan alle vereiste voorwaarden voor het verplaatsen van een veebedrijf : S de aanvraag heeft geen betrekking op de exploitatie van een nieuwe inrichting, maar wel op de uitbreiding van een bestaande inrichting, gekoppeld aan de stopzetting van een ander bedrijf van dezelfde exploitant. S de te verplaatsen veeteeltinrichting is in een woongebied gelegen en beschikt nog tot 01.09.2011 over een vergunning voor het houden van 100 grote zoogdieren (in praktijk runderen). Volgens de Vlarem-wetgeving is het houden van minder dan 200 grote zoogdieren in een woongebied niet verboden. Het Vergunningenbesluit laat eveneens een verplaatsing toe indien een uitbreiding tot het in art. 3 § 4 bepaalde max. onmogelijk is. Voor runderen bedraagt dit maximum 300 x 0,55 = 165 stuks en het houden van dit aantal runderen is volgens de Vlarem- bepalingen niet verboden in woongebied. S de te vergunnen mestproductie op de nieuwe inplantingsplaats mag niet meer bedragen dan de vergunde mestproductie van de bestaande, te verplaatsen veeteeltinrichting. Na de verplaatsing zou de totale mestproductie 4570 kg P2O5 bedragen wat meer is dan de mestproductie van de te verplaatsen grote zoogdieren. De inrichting voldoet bijgevolg niet aan de wettelijke criteria voor een bedrijfsverplaatsing.
- Indien men de vergunningsaanvraag louter bekijkt als een uitbreiding van het veebedrijf Kerkbeemdweg 4 is er een uitbreiding van de mestproductie van 3.249 kg P2O5 (66 melkkoeien en 60 runderen) tot 4.571 kg P2O5 (66 melkkoeien en 128 runderen). Het Vergunningenbesluit laat enkel nog een verandering toe indien er geen uitbreiding is van de mestproductie. In het beroepen besluit worden de 2 huidige locaties beschouwd als 1 bedrijf met 2 entiteiten en wordt de aanvraag beschouwd als de verandering van een bestaande veeteeltinrichting zonder uitbreiding van de mestproductie. Hierbij dient opgemerkt te worden dat de beiden entiteiten steeds als 2 aparte VII-16.734-6/9 inrichtingen vergund werden en dat de 2 locaties ca. 500 meter van elkaar verwijderd zijn zodat deze 2 entiteiten niet kunnen beschouwd worden als een milieutechnische eenheid. Het beoordelen van het nadeel dat deze bedrijven kunnen veroorzaken (geur- en geluidshinder, afstandsregels e.d.) dient in casu per bedrijfslocatie te gebeuren. Bij een eventuele verplaatsing zal de hinder voor de woonomgeving en de totale mestproductie kleiner zijn dan in de huidige situatie. Door de bouw van nieuwe woningen is de Vogelzangstraat geëvolueerd tot een woonstraat met nog een paar oudere landbouwbedrijfjes. De stallen van het rundveebedrijf in de Vogelzangstraat zijn verouderd en de mestopslag is onvoldoende voor een periode van 6 maanden. Het voorzien van bijkomende mestopslag of de vernieuwing van de verouderde stallen is bedrijfseconomisch niet verantwoord gelet op de ligging in een woongebied. Doordat er slechts 68 van de 100 vergunde runderen verplaatst worden vermindert de totale mestproductie. Het bedrijf heeft 34,76 ha cultuurgrond in gebruik wat ruim voldoende is voor de totale mestproductie na de verplaatsing (4571 kg P2O5)"; dat in het advies van de PMVC onder meer wordt gesteld : "
- De PMVC merkt op dat inzake verplaatsing het Vergunningenbesluit enkel de mogelijkheid voorziet tot exploitatie van een nieuwe inrichting gekoppeld aan de volledige stopzetting van een bestaande veeteeltinrichting (art. 3, §2, 2/ en art. 4, § 2, 2/). Het voorliggend aanvraagdossier beantwoordt hier niet aan. Zoals de AMV terecht opmerkt betreft het hier de uitbreiding van de bestaande veeteeltinrichting aan de Kerkbeemdweg
- Noch Vlarem II, noch het Vergunningenbesluit laten dergelijke uitbreiding toe. Door verplaatsingen enkel naar nieuwe inrichtingen toe te laten heeft het Vergunningenbesluit volgens de VLM willen vermijden dat kleinere veeteeltentiteiten zouden opgekocht worden met de uiteindelijke bedoeling ze samen te voegen tot grotere bedrijven.
- De PMVC volgt het advies van de AMV en adviseert ongunstig voor de uitbreiding met dieren en de mestopslag"; 3.1.5.
- Overwegende dat in bijlage 1 bij de vergunningsaanvraag staat vermeld : "Het rundveebedrijf bestaat thans uit twee entiteiten, nl. in de Kerkbeemdweg 4 en in de Vogelzang
- Deze laatste bevindt zich in het woongebied en wordt gedeeltelijk verplaatst naar de entiteit Kerkbeemdweg. Het resterende deel wordt stopgezet"; dat de inrichting die zich bevindt aan de Vogelzang 11 dus ten dele wordt stopgezet en voor het overige deel wordt verplaatst naar de Kerkbeemdweg, waar zich reeds een inrichting van tweede verzoeker bevindt; 3.1.5.
- Overwegende dat de inrichtingen aan de Vogelzang enerzijds en aan de Kerkbeemdweg anderzijds op circa 500 meter van elkaar gelegen zijn en dit in gebieden met een verschillend bestemmingsvoorschrift, te weten woongebied en VII-16.734-7/9 agrarisch gebied; dat deze inrichtingen telkens het voorwerp hebben uitgemaakt van afzonderlijke aktenames; dat tweede verzoeker dan ook niet kan worden gevolgd in zijn betoog dat beide inrichtingen een milieutechnische eenheid vormen; dat daaraan geen afbreuk doet het betoog van tweede verzoeker dat hij steeds tot 1995 voor beide inrichtingen één mestbankaangifte heeft ingediend; dat overigens uit het advies van de Vlaamse Landmaatschappij blijkt dat sedert 1995 er wel voor beide inrichtingen een afzonderlijke mestbankaangifte werd gedaan; dat dienvolgens de argumentatie van tweede verzoeker dat voor de toepassing van artikel 34, § 3, 5/, van het meststoffendecreet diende te worden uitgegaan van de mestproductie van beide entiteiten samengenomen, niet opgaat; dat het middel niet gegrond is; 3.2.
- Overwegende dat tweede verzoeker in een tweede middel aanvoert dat de bestreden beslissing is aangetast door een tegenstrijdigheid in de motieven; dat hij in essentie betoogt dat de verwerende partij enerzijds overweegt dat bij een eventuele verplaatsing de hinder voor de woonomgeving en de totale mestproductie kleiner zal zijn dan in de huidige situatie, en anderzijds overweegt dat de hinder en de risico’s niet tot een aanvaardbaar niveau kunnen worden beperkt wat de dieren en de mestopslag betreft; 3.2.
- Overwegende dat in de memorie van antwoord in essentie wordt betoogd dat, niettegenstaande het inwilligen van de aanvraag tot een milieutechnische verbetering zou leiden, er toch een onverenigbaarheid met het vergunningenbesluit is en dat de overweging in fine van de aanhef van de bestreden beslissing een algemene passage is die gebaseerd is op het model opgenomen in de bijlagen 9A en 9B van Vlarem I; 3.2.
- Overwegende dat in de memorie van wederantwoord tweede verzoeker in wezen herhaalt wat reeds in het verzoekschrift werd aangevoerd; 3.2.
- Overwegende dat in zijn laatste memorie tweede verzoeker doet gelden dat de onverenigbaarheid met de regelgeving niet bestaat wanneer de vergunningsaanvraag correct zou zijn gekwalificeerd als het veranderen van een bestaande veeteeltinrichting zonder verhoging van de vergunde mestproductie; 3.2.
- Overwegende dat bij het onderzoek van het eerste middel is gebleken dat tweede verzoeker niet heeft aangetoond dat het weigeringsmotief gestoeld op de onverenigbaarheid van zijn vergunningsaanvraag met de vigerende reglementering - hetgeen een decisief weigeringsmotief uitmaakt - onwettig is; dat VII-16.734-8/9 de vraag of de aanvraag vanuit milieutechnisch oogpunt aanvaardbaar is dan ook niet relevant is; dat dienvolgens de tegenstrijdigheid tussen enerzijds de in het bestreden besluit opgenomen stijlclausule dat de hinder en de risico's niet tot een aanvaardbaar niveau kunnen worden beperkt wat betreft de dieren en de mestopslag en anderzijds de overweging dat er een milieutechnische verbetering is alsook de overweging dat de aanvraag een voor beide inrichtingen samengenomen globale vermindering van de mestproductie inhoudt niet tot de vernietiging van het bestreden besluit kan leiden; dat het tweede middel niet ontvankelijk is, BESLUIT: Artikel
- Het beroep wordt verworpen. Artikel
- De kosten van het beroep, bepaald op 347,06 euro, komen ten laste van de verzoekende partijen, elk voor de helft. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op zevenentwintig januari tweeduizend en vijf, door de VIIe kamer, die was samengesteld uit : Mevr. M.-R. BRACKE, kamervoorzitter, de HH. R. STEVENS, staatsraad, E. BREWAEYS, staatsraad, Mevr. A. WIJNANTS, griffier. De griffier, De voorzitter, A. WIJNANTS. M.-R. BRACKE. VII-16.734-9/9 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.139.853 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.