← België

Arrest 139885 - - 27/01/2005

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 27 januari 2005 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.139.885 Rolnummer: A. 159159/XII-4352 Zaak: Arrest 139885 - - 27/01/2005 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2005-01-31 Raadplegingen: 51 - laatst gezien 2026-07-02 07:07 Fiche Arrest nr 139.885 van 27 januari 2005 - Beslissing : Bevolen Verwerping overige Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 139.885 van 27 januari 2005 in de zaak A. 159.159/XII-4352. In zake : de BVBA ALGEMENE ONDERNEMINGEN VERHEYE, die woonplaats kiest bij advocaat D. Van Heuven, kantoor houdende te Kortrijk, President Kennedypark 8B tegen : de naamloze vennootschap van publiek recht NV SCHEEPVAART, publiekrechtelijk vormgegeven extern verzelfstandigd agentschap, die woonplaats kiest bij advocaat K. Ronse, kantoor houdende te 1050 Brussel, Louizalaan 149, bus 20. tussenkomende partij : de NV HYE, die woonplaats kiest bij advocaat P. Flamey, kantoor houdende te 1050 Brussel, Aarlenstraat 25. --------------------------------------------------------------------------------------------------- DE VOORZITTER VAN DE XIIe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat de BVBA Algemene Ondernemingen Verheye op 14 januari 2005 heeft ingediend om bij uiterst dringende noodzakelijkheid de schorsing van de tenuitvoerlegging te vorderen van : “1. Beslissing dd. 23 december 2004, waarbij de offerte van Algemene Ondernemingen Verheye B.V.B.A. voor een overheidsopdracht -Albertkanaal- Stad Antwerpen : verdiepingswerken van de dokken van Merksem -derde fase- bestek nr. 16EJ/04/44 als niet regelmatig beschouwd wordt en verzoekster hiervan op de hoogte gebracht wordt. 2. Gemotiveerde gunningsbeslissing s.d. inzake de openbare aanbesteding voor aanneming van werken -Albertkanaal- Stad Antwerpen : verdiepingswerken van de dokken van Merksem -derde fase- bestek nr. 16 EJ/04/44, waarbij de offerte van Algemene Ondernemingen Verheye B.V.B.A. als onregelmatig beschouwd wordt en de goedkeuring gehecht wordt aan de offerte van Hye N.V. 3. Impliciete beslissing s.d. tot niet-gunning van de hogergenoemde opdracht aan Algemene Ondernemingen Verheye B.V.B.A.”; XII-4352-1/11 Gezien de nota van de verwerende partij; Gelet op de beschikking van 14 januari 2005 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 25 januari 2005, om 10.30 uur; Gezien het ter terechtzitting neergelegd verzoekschrift waarbij de NV Hye vraagt in het administratief kort geding te mogen tussenkomen; dat zij voordeel blijkt te halen uit de bestreden beslissing en erbij belang heeft dat de vordering wordt afgewezen; dat haar verzoek dienvolgens moet worden ingewilligd; Gehoord het verslag van kamervoorzitter D. Verbiest; Gehoord de opmerkingen van advocaat D. Van Heuven, die verschijnt voor de verzoekende partij, van advocaat K. Ronse, die verschijnt voor de verwerende partij, en van advocaten P. Flamey en S. Knaepen, die verschijnen voor de tussenkomende partij; Gehoord het eensluidend advies van auditeur L. Vermeire; Gelet op de artikelen 17 en 18 en titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; De gegevens van de zaak. Overwegende dat de gegevens van de zaak als volgt kunnen worden samengevat : 1.1. In het Bulletin der Aanbestedingen van 29 oktober 2004 wordt de betrokken overheidsopdracht voor de aanneming van werken bekendgemaakt. Het toepasselijke bestek 16 EJ/04-44 schrijft de procedure van de openbare aanbesteding voor. De opening van de offertes is bepaald op 30 november 2004 om 11 uur. 1.2. In het Bulletin der Aanbestedingen van 19 november 2004 wordt een rechtzettingsbericht gepubliceerd inzake een aantal onjuistheden in de technische bepalingen van de samenvattende opmetingsstaat. XII-4352-2/11 1.3. Blijkens het proces-verbaal van opening der inschrijvingen werden zes offertes ingediend waaronder deze van de verzoekende partij en deze van de tussenkomende partij, werden de inschrijvingen luidop voorgelezen en werd het bedrag hiervan onmiddellijk vastgesteld in de bijgevoegde tabel. Aldus bleek de verzoekende partij de laagste inschrijver met een prijs van 2.139.901 euro en de tussenkomende partij de tweede laagste met een prijs van 2.538.856,67 euro. Uit het administratief dossier blijkt dat de verzoekende partij in het offerteformulier zelf de totale inschrijvingsprijs niet op de voorziene plaats, op bladzijde 2, in cijfers of letters vermeldde. Wel was een ondertekende opmetingsstaat bijgevoegd met vermelding van de eenheidsprijzen in cijfers en letters en de totalen in cijfers, met als eindtotaal 2.139.901 euro, BTW inbegrepen. Volgens het voormelde proces-verbaal en ook volgens de nota werd dit bedrag voorgelezen. Volgens de nota zou de voorzitter op de openingszitting “in aanwezigheid van verschillende inschrijvers”, hebben opgemerkt dat bij de offerte van de verzoekende partij het inschrijvingsbedrag niet op de juiste plaats was vermeld”. Het voornoemde proces-verbaal bevat echter geen vermelding van enige opmerking. Op de opmetingsstaat in het administratief dossier werd het eindtotaal 2.139.901 euro blijkbaar door het bestuur in handschrift verbeterd naar 2.626.939 euro, BTW inbegrepen evenals de totalen voor posten 86 en 100, omdat in het rechtzettingsbericht de eenheid en hoeveelheid niet meer per stuk en 12 was maar kg en 1000. 1.4. Op 1 december 2004 vraagt het Ministerie van de Vlaamse Gemeenschap, Afdeling Maas en Albertkanaal, advies aan de Afdeling overheidsopdrachten over het feit dat twee inschrijvers, de verzoekende partij en Boskalis, in hun inschrijving blijkbaar geen rekening hebben gehouden met het voornoemde rechtzettingsbericht en voor posten 86 en 100 een eenheidsprijs opgeven voor VJ 12 stuks en niet zoals de andere inschrijvers voor VH 1000 kg. Op 3 december 2004 stelt de voormelde Afdeling een bijkomende vraag om een schriftelijk advies inzake het feit dat de verzoekende partij op de daartoe voorziene plaats in het ondertekend offerteformulier noch in cijfers noch in letterschrift enige prijs vermeldt en enkel een totale prijs opgeeft onderaan de XII-4352-3/11 ingevulde samenvattende opmetingsstaat waarbij offerteformulier en staat wel beide zijn ondertekend. 1.5. Op 14 december 2004 adviseert de afdeling overheidsopdrachten dat het verzuim om de prijs te vermelden op de daartoe voorziene plaats van het ingediende offerteformulier, ofschoon de samenvattende opmetingsstaat wel een totale prijs vermeldt, de onregelmatigheid van de offerte betekent. 1.6. In het gunningsverslag wordt vastgesteld dat alle inschrijvers voldoen aan de kwalitatieve selectiecriteria, wordt de offerte van de verzoekende partij als vormelijk onregelmatig beschouwd omwille van het niet vermelden van de offerteprijs op het offerteformulier en wordt voorgesteld de opdracht toe te wijzen aan de laagste regelmatige inschrijver, de NV Hye, voor een bedrag van 2.098.228,65 euro, exclusief BTW. 1.7. In de bestreden beslissing wordt vervolgens gesteld hetgeen volgt : “Gelet op de openbare aanbesteding [...]. Gelet op het feit dat op deze openbare aanbesteding de laagste offerte werd ingediend door Alg. Ondern. Verheye b.v.b.a., voor een bedrag van i 1.768.513,00, exclusief BTW; Gelet op het feit dat alle inschrijvers voldoen aan de door het bijzonder bestek vereiste kwalitatieve selectiecriteria en bijgevolg geselecteerd worden; Gelet op het feit dat op de daartoe voorziene plaats in het offerteformulier de inschrijvingsprijs niet wordt vermeld door Alg. Ondern. Verheye b.v.b.a.; Gelet op het advies dienaangaande van de afdeling Overheidsopdrachten, waarin gesteld wordt dat het niet vermelden van de prijs op de daartoe voorziene plaats in het offerteformulier, ondanks de vermelding van de prijs in de samenvattende opmetingsstaat, leidt tot de onregelmatigheid van de beschouwde offerte, gezien er door het ontbreken van de prijs op het offerteformulier geen (juridische zekerheid omtrent

  1. de)verbintenis is van de betrokken inschrijver op dat vlak; Gelet op het feit dat de offerte van Alg. Ondern. Verheye b.v.b.a. derhalve als vormelijk onregelmatig wordt beschouwd, en bijgevolg niet voor verdere beoordeling in aanmerking komt; Gelet op het feit dat alle overige offertes regelmatig zijn en voor verdere beoordeling in aanmerking komen; Gelet op het feit dat het bedrag van de offerte van de op één na laagste inschrijver, zijnde Hye n.v., ten bedrage van i 2.098.228, 65, excl. BTW, 9,21 % lager ligt dan het gemiddelde berekend volgens artikel 110 § 4 van het K.B. van 8 januari 1996; Gelet op het feit dat de offerte van Hye n.v. voldoet aan alle andere wettelijke en reglementaire vereisten; Gelet op het feit dat de offerte van Hye n.v. derhalve regelmatig is; Gelet op het feit dat deze offerte derhalve als laagste regelmatige offerte voor goedkeuring in aanmerking komt; XII-4352-4/11 [...] heb ik heden mijn goedkeuring gehecht aan de offerte van Hye n.v. voor een bedrag van i 2.098.228,65, exclusief BTW, voor de 3de fase van de verdiepingswerken van de Dokken van Merksem (Antwerpen) gelegen aan het Albertkanaal.”; 1.8. Met een brief van 23 december 2004 wordt de verzoekende partij meegedeeld dat haar offerte als niet regelmatig wordt beschouwd en wordt gewezen op de algemene beroepsmogelijkheid bij de Raad van State. Nadat de verzoekende partij, in een brief van 29 december 2004, stelt hiermee geenszins akkoord te gaan en de mededeling vraagt van de gemotiveerde redenen voor het standpunt van het bestuur, wordt met een brief van 4 januari 2005 de aangehaalde gemotiveerde toewijzingsbeslissing, genomen door de administrateur-generaal van de verwerende partij, medegedeeld alsook het gunningsverslag van 6 december 2004; De grondvoorwaarden voor schorsing. 2.0. Overwegende dat krachtens artikel 17, §§ 1 en 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State slechts tot schorsing van de tenuitvoer- legging bij uiterst dringende noodzakelijkheid kan worden besloten onder de drievoudige voorwaarde dat uiterst dringende noodzakelijkheid voorhanden is, dat ernstige middelen worden aangevoerd die de nietigverklaring van de aangevochten beslissing kunnen verantwoorden en dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen; 2.1. Overwegende, wat de eerste en de derde voorwaarde betreft, dat de verzoekende partij betreffende het nadeel betoogt dat het niet zelf kunnen uitvoeren van de in het geding zijnde opdracht haar een aanzienlijke opdracht doet mislopen, dat de “uitstraling” van de opdracht wordt aangetoond doordat zes “gerenommeerde” aannemers een inschrijving hebben ingediend, niettegenstaande strenge in het bestek opgenomen selectiecriteria, dat zij de laatste jaren minder actief was op het vlak van de baggerwerken en streeft naar behoud en/of verhoging van haar erkenning ter zake; dat de verzoekende partij het beroep op de procedure bij uiterst dringende noodzakelijkheid verantwoordt door te verwijzen naar het risico, dat de bestreden toewijzingsbeslissing aan de gekozen inschrijver zou worden betekend en aldus een overeenkomst tot stand zou komen; XII-4352-5/11 Overwegende dat de verzoekende partij zich in wezen beroept op de mogelijkheid om zelf de opdracht te kunnen uitvoeren, hetgeen zij door de gevraagde schorsing wil vrijwaren; dat door de betekening van de bestreden toewijzingsbeslissing, tussen de verwerende partij en de tussenkomende partij inderdaad een overeenkomst zou tot stand komen tengevolge waarvan, in de lijn van de rechtspraak van de Raad van State, gevestigd bij arrest nr. 87.983 van 15 juni 2000 van de Algemene vergadering van de afdeling administratie, een gewone vordering tot schorsing naar alle waarschijnlijkheid zou worden afgewezen; dat het bestaan van die overeenkomst de ambitie van de verzoekende partij om zelf de opdracht nog uit te voeren ernstig zou bemoeilijken en een mogelijk herstel in natura verderaf zou brengen; dat aldus moet worden aanvaard dat de verzoekende partij, mede gelet op de niet geringe omvang van de in het geding zijnde opdracht die door de verwerende en de tussenkomende partij ten onrechte wordt gerelativeerd, en de mogelijke impact op haar erkenning, door de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing het rechtens vereiste moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan ondergaan; dat voorts, wegens de dreigende betekening, kan worden aanvaard dat zij een beroep deed op de procedure tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid, die zij met bekwame spoed blijkt te hebben ingesteld; dat de verwerende partij en de tussenkomende partij het vervuld zijn van die schorsingsvoorwaarde op zich niet betwisten; dat aldus aan de eerste en aan de derde voorwaarde van het voormelde artikel 17 is voldaan; 2.2. Overwegende, wat de tweede voorwaarde betreft, dat de verzoekende partij een eerste middel afleidt uit onder meer de schending van artikel 110, § 2, van het koninklijk besluit van 8 januari 1996 betreffende de overheidsopdrachten voor aanneming van werken, leveringen en diensten en de concessies voor openbare werken en van artikel 15 van de wet van 24 december 1993 betreffende de overheidsopdrachten en sommige opdrachten voor aanneming van werken, leveringen en diensten, alsook de schending van de materiële motiveringsverplichting; dat zij daarbij erkent dat de prijs niet werd vermeld op het offerteformulier maar betwist dat dit een substantiële onregelmatigheid is nu er te deze hoogstens een schending is van artikel 96, § 3, van het voornoemde koninklijk besluit van 8 januari 1996, dus van een bepaling van titel VI; dat zulks volgens haar krachtens artikel 110, § 2, van dat besluit hoogstens kan leiden tot een relatieve onregelmatigheid zodat de overheid beschikte over een discretionaire bevoegdheid en de keuze voor het opleggen van de sanctie gemotiveerd moest worden, terwijl de verwerende partij zulks naliet zodat er ook sprake is van een motiveringsgebrek; dat XII-4352-6/11 zij nog nader betoogt, in verband met de verwijzing naar de juridische onzekerheid rond haar “verbintenis”, dat te dezen de verwerende partij op de hoogte was van de inschrijvingsprijs die is afgeroepen op de openingszitting en die nogmaals is vermeld in de toewijzingsbeslissing zodat een vergelijking van de offertes perfect mogelijk was, er evenmin van frauderisico sprake was en verzoekende partij zich onmiskenbaar heeft verbonden door de opmetingsstaat te ondertekenen; Overwegende dat de tussenkomende partij in een exceptie stelt dat de verzoekende partij geen belang heeft bij het middel nu zij hoe dan ook niet de laagste offerte had; dat een exceptie die ertoe strekt de Raad van State een rangorde van offertes in een openbare aanbesteding te doen vaststellen, in principe, wegens haar decisief karakter niet het soort exceptie is dat in een schorsingsprocedure bij uiterst dringende noodzakelijkheid moet worden onderzocht en afgedaan; dat zulks te dezen des te meer geldt, nu alvast hij de afroeping der inschrijvingen de offerte van de verzoekende partij de laagste bleek; dat aldus de exceptie de behandeling van het middel niet verhindert; Overwegende, wat het ernstig karakter van het middel betreft, dat de verwerende partij daarop antwoordt, waarbij zij in een van haar argumentaties onder meer ervan lijkt uit te gaan dat de offerte van de verzoekende partij absoluut nietig was wegens een substantiële onregelmatigheid, zodat het middel feitelijke grondslag mist; dat de verwerende partij voorts nog betoogt dat het niet invullen van de prijs in het offerteformulier wel degelijk een substantiële onregelmatigheid is aangezien krachtens artikel 110, § 2, van het voormelde besluit van 8 januari 1996 elke offerte wegens afwijking van de essentiële bestekbepalingen zoals deze opgesomd in artikel 89 van dat besluit absoluut nietig zijn en artikel 89 onder meer de prijzen, termijnen en technische specificaties beschouwt als essentiële bestekbepalingen, prijs die bij een aanbestedingsprocedure des te essentiëler is aangezien die prijs het enige gunningscriterium is, dat wanneer een inschrijver nalaat de prijs in te vullen op het offerteformulier de aanbestedende overheid in het ongewisse blijft over de exacte inschrijvingsprijs waardoor hij afwijkt van een essentiële bestekvoorwaarde, dat de prijsvermelding in de samenvattende opmetingsstaat geen ondubbelzinnige verbintenis is nu de gegevens van die staat overeenkomstig artikel 96, § 5, van het besluit van 8 januari 1996 alleen als eenvoudige aanwijzing gelden; dat daarna nog wordt betoogd dat de overheid te dezen geen uitspraak deed over het al dan niet substantieel onregelmatig karakter van de offerte maar enkel stelde dat deze vormelijk onregelmatig was, dat zelfs XII-4352-7/11 indien dit geen substantiële onregelmatigheid zou zijn die absolute nietigheid zou meebrengen, de offerte in ieder geval relatief nietig was in welk geval de overheid over een discretionaire bevoegdheid beschikte om de offerte te weren met een afdoende motivering die te dezen aanwezig is door de zinsnede dat er door het ontbreken van de prijs op het offerteformulier geen juridische zekerheid bestaat omtrent de verbintenis van de inschrijver op dit vlak; Overwegende dat de tussenkomende partij tegen het middel doet gelden dat in de bestreden beslissing niet is gesteld dat de offerte van de verzoekende partij door een substantiële onregelmatigheid zou zijn aangetast maar dat het een “formele onregelmatigheid” betreft waarbij gemotiveerd is om welke reden deze met een uitsluiting werd gesanctioneerd, dat het bestuur bij toepassing van artikel 110, § 2, van het meervermelde besluit daarbij over een discretionaire beoordelingsbevoegdheid beschikte; Overwegende dat de in het geding zijnde opdracht voor werken met de procedure van de openbare aanbesteding is uitgeschreven, waarop artikel 110, § 2, van het koninklijk besluit van 8 januari 1996 betreffende de overheids-opdrachten voor aanneming van werken, leveringen en diensten en de concessies voor openbare werken, van toepassing is; dat dit artikel bepaalt dat “onverminderd de nietigheid van elke offerte wegens afwijking van de essentiële bestekbepalingen zoals deze opgesomd in artikel 89, de aanbestedende overheid offertes als onregelmatig en derhalve als onbestaande [kan] beschouwen, indien zij niet overeenstemmen met de bepalingen van deze titel, enig voorbehoud inhouden, of bestanddelen bevatten die niet met de werkelijkheid overeenstemmen”; dat aldus deze bepaling een onderscheid maakt tussen de gevallen waarin de inschrijvingen nietig zijn -dit is de substantiële onregelmatigheid- omdat ze afwijken van de voornaamste bepalingen van het bestek, onder meer degene die betrekking hebben op de prijs, de termijnen en de technische voorwaarden, en de gevallen van betrekkelijke nietigheid- de relatieve onregelmatigheid, waarin het bestuur het recht heeft om de inschrijvingen als onregelmatig te beschouwen; dat de vraag of een bepaling van het bestek essentieel is, namelijk dermate belangrijk dat de afwijking ervan onvermijdelijk tot gevolg moet hebben dat met de betrokken offerte geen rekening mag worden gehouden, dan ook in concreto in elk geval afzonderlijk in het licht van het dossier moet worden beantwoord; dat, indien een offerte substantieel onregelmatig is, het bestuur die offerte buiten beschouwing moet laten; dat het ter zake niet over een discretionaire bevoegdheid beschikt; dat de vraag zelf of een XII-4352-8/11 afwijking substantieel is daarentegen wel tot diverse antwoorden kan leiden; dat het daarbij in de eerste plaats aan de aanbestedende overheid is om te bepalen of de afwijking al dan niet een essentiële bestekbepaling betreft; dat, indien de offerte enkel relatieve onregelmatigheden bevat, de aanbestedende overheid vrij is om de offerte om die reden al dan niet als onregelmatig te weren, zij het dat die beoordelingsbevoegdheid steeds in het licht van de concrete beschikbare gegevens moet worden uitgeoefend; dat in het ene en het andere geval de materiële motiveringsplicht daarbij oplegt dat bij die beoordeling is uitgegaan van aanvaardbare motieven die op zijn minst uit het administratief dossier moeten blijken; Overwegende dat te dezen dient te worden vastgesteld dat aan de verzoekende partij in de voormelde brief van 23 december 2004 enkel wordt meegedeeld dat haar offerte “als niet regelmatig werd beschouwd”; dat in de bestreden beslissing sprake is van de “onregelmatigheid” van de offerte en van haar “vormelijke” onregelmatigheid; dat het weren ervan blijkbaar steunt op het enige motief dat “door het ontbreken van de prijs op het offerteformulier geen (juridische zekerheid omtrent
  2. de)verbintenis is” van de verzoekende partij; dat inderdaad niet lijkt te worden betwist dat de offerte niet is opgesteld overeenkomstig artikel 96, § 3, van het meervermelde besluit van 8 januari 1996, volgens welke bepaling de inschrijver de samenvattende opmetingsstaat ondertekent, hem bij zijn offerte voegt “waarin hij het totale bedrag van de opmetingsstaat opgeeft”; dat, ongeacht het feit of de offerte nu geweerd werd wegens substantiële of relatieve onregelmatigheid, de ondertekende opmetingsstaat niet alleen de eenheidsprijs in cijfer- en letterschrift per post bevat, met een totaalprijs per post, maar ook een totaalprijs voor de opdracht, zonder doorhalingen, overschrijvingen, aanvullingen of wijzigingen, die blijkens het proces-verbaal van de opening der offertes werd voorgelezen zonder dat daarover een opmerking werd opgenomen in het proces-verbaal; dat alhoewel het verzuim, de inschrijvingsprijs op het offerteformulier zelf te vermelden, op zijn minst een relatieve onregelmatigheid lijkt te vormen wordt te dezen in de huidige stand van de procedure niet aangetoond waarom die omstandigheid toch een juridische onzekerheid meebrengt over de verbintenis van de verzoekende partij ter zake, de reden waarom deze onregelmatigheid blijkbaar geleid heeft tot het weren van haar offerte; dat de gegeven prijs immers ondubbelzinnig uit de ondertekende opmetingsstaat lijkt te kunnen worden afgeleid en werd voorgelezen; dat het argument dat de gegevens van de opmetingsstaat, blijkens artikel 96, § 5, van het meervermelde besluit alleen gelden als eenvoudige aanwijzingen en slechts kunnen XII-4352-9/11 worden ingeroepen als aanvulling, indien nodig, van onvolkomenheden van het bestek en van de goedgekeurde tekeningen, niet overtuigend lijkt, aangezien die bepaling veeleer de voorrangsregels voor de interpretatie sensu lato, door het bestuur, van de bestekdocumenten lijkt te betreffen; dat aldus de materiële motivering zoals vereist bij het uitoefenen van de in artikel 110, § 2, bepaalde bevoegdheden niet deugdelijk lijkt; dat de offerte van verzoekende partij dienvolgens met schending van dat beginsel en die bepaling lijkt te zijn geweerd; dat meteen ook de rechtmatigheid van de beslissing niet meer lijkt vast te staan in zoverre zij de opdracht toewijst, aangezien niet zeker lijkt dat overeenkomstig artikel 15 van de voormelde wet van 24 december 1993 is toegewezen aan de inschrijver die de laagste regelmatige offerte indiende; dat het middel in zoverre ernstig is; Overwegende dat aldus voldaan is aan de voorwaarden gesteld in artikel 17, §§ 1 en 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, die vervuld moeten zijn wil een vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid worden toegewezen; Voorwerp. 4. Overwegende dat de schorsing van de tenuitvoerlegging van de beslissing om de offerte van de verzoekende partij niet in aanmerking te nemen en de opdracht toe te wijzen aan de tussenkomende partij, de verplichting doet ontstaan in hoofde van de verwerende partij om zich te onthouden van de betekening ervan aan de gekozen inschrijver; dat daarmee volledig tegemoetgekomen wordt aan de verwachtingen die de verzoekende partij in haar uiteenzetting over het moeilijk te herstellen ernstig nadeel te berde brengt; dat alleszins om die reden de vordering tot schorsing van de impliciete weigering om de opdracht aan de verzoekende partij toe te wijzen wordt verworpen, BESLUIT: Artikel 1. Het verzoek tot tussenkomst van de NV Hye in het administratief kort geding wordt ingewilligd. XII-4352-10/11 Artikel 2. Bevolen wordt de schorsing van de tenuitvoerlegging bij uiterst dringende noodzakelijkheid van de niet gedateerde beslissing van de administrateur- generaal van de NV De Scheepvaart waarbij de offerte van de verzoekende partij als vormelijk onregelmatig wordt beschouwd en bijgevolg niet voor nadere beoordeling in aanmerking wordt genomen en waarbij goedkeuring wordt gehecht aan de offerte van NV Hye voor een bedrag van 2.098.228,65 euro, exclusief BTW, voor de derde fase van de verdiepingswerken van de Dokken van Merksem gelegen aan het Albertkanaal. Artikel 3. De vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid wordt voor het overige verworpen. Artikel 4. De uitspraak over de bijdrage in de betaling van de kosten van de vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid wordt uitgesteld. De kosten van de tussenkomst in de schorsingsprocedure bij uiterst dringende noodzakelijkheid, bepaald op 125 euro, komen ten laste van de tussenkomende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op zevenentwintig januari 2005, door : de H. D. VERBIEST, kamervoorzitter, Mevr. S. DOMS, griffier. De griffier, De voorzitter, S. DOMS. D. VERBIEST. XII-4352-11/11 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.139.885 Gerelateerde publicatie(
  3. s)gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.149.588 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.