id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 27 januari 2005 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.139.890 Rolnummer: Zaak: Arrêt / Arrest 139890 - / - 27/01/2005 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2005-02-10 Raadplegingen: 76 - laatst gezien 2026-07-02 07:38 Versie(s): Versie FR Fiche Arrest nr 139.890 van 27 januari 2005 - Beslissing : Verwerping heropening debatten Verwijzing naar alg.rol Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 139.890 van 27 januari 2005 A.97.384/V-1591 A.101.755/V-1602 In zake : MEULEMAN Jan, Hemerlijnlaan 4 1970 Wezenbeek-Oppem, tegen :
- Het Selectiebureau van de Federale Overheid (SELOR), Esplanadegebouw Oratoriënberg 20 1000 Brussel,
- De Belgische Staat, vertegenwoordigd door de Minister van Buitenlandse Zaken, die woonplaats kiest bij Mrs. Alain VERRIEST en Patrik DE MAEYER, advocaten, Louizalaan 390, bus 12 1050 Brussel. Tussenkomende partijen :
- CARTUYVELS Pierre,
- DE BAETS William, die beiden woonplaats kiezen bij Mr. Rika HEIJSE, advocaat, Henri Wafelaertsstraat 47-51 bus 1 1060 Brussel. --------------------------------------------------------------------------------------------------- DE RAAD VAN STATE, Ve KAMER, Gezien het verzoekschrift dat Jan MEULEMAN op 13 november 2000 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van: "
- de processen-verbaal tot afsluiting van de examenverrichtingen (...) bevattende de uitslag en rangschikking van de kandidaten geslaagd in het vergelijkend wervingsexamen (AG/99822) voor Nederlandstalige en V - 1590-1602 - 1/15 Franstalige ambtenaren van de vierde administratieve klasse van de carrière Buitenlandse Dienst (...) voor het Ministerie van Buitenlandse Zaken, Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking (...) zoals deze aldus door de eerste verweerster bij schrijven d.d. 30.08.2000 (diplomatiek examen AFG99822) en 20.09.2000 (diplomatiek examen ANG99822) aan tweede verweerster werden meegedeeld (...);
- de (niet nader gekende noch gedateerde) beslissing/besluit vanwege de Minister van Buitenlandse Zaken (...) waarbij de kandidaten, geslaagd in het vergelijkend wervingsexamen (AG/99822) (...) tot de stage van de carrière Buitenlandse Dienst worden toegelaten;
- de beslissing(en) van de Minister van Buitenlandse Zaken (...) houdende oproeping van de kandidaten uit de wervingsreserve (...) teneinde in dienst te treden als stagiair van de carrière Buitenlandse Dienst (...) zoals meegedeeld in de brieven d.d. 12.10.2000 en 17.10.2000 vanwege tweede verweerster;
- de akte dd. 20.09.2000 (...) waarbij het Selectiebureau van de Federale Overheid (...) aan verzoeker mededeelde dat verzoeker niet geslaagd is voor het vergelijkend examen (...) en waarbij werd meegedeeld dat verzoeker voor het gedeelte over de kennis van het Frans (minimumvereiste: 24 punten op 40) - 13 punten op 20 voor het computergestuurd gedeelte (minimumvereiste: 10 punten op 20) en 9 punten op 20 voor het mondeling gedeelte (minimumvereiste: 10 punten op 20) behaalde, alsmede, voor zover nodig, van de meegedeelde beslissing(en)" (A. 97.384/V-1591); Gezien het verzoekschrift dat Jan MEULEMAN voornoemd op 14 maart 2001 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van:
- het ministerieel besluit van 8 januari 2001 waarbij Luc TRUYENS, William ROELANTS de STAPPERS, Patrick DEBOECK, Emmanuelle DEFOY, Bart PENNEWAERT, Christophe PAYOT, Jürgen VAN MEIRVENNE, Roxane de BILDERLING, William DE BAETS, Pierre CARTUYVELS, Christian DOOMS, Karin DE KELVER, Antoine EVRARD, Dominique MINEUR, Didier VANDERHASSELT, Philippe DE MUELENAERE, Pascal GREGOIRE, Denis LEBEAU en Pierre DRESCIGH, laureaten van de vergelijkende wervingsexamens voor Nederlandstalige en voor Franstalige ambtenaren van de vierde administratieve klasse van de carrière Buitenlandse Dienst van het Ministerie van Buitenlandse Zaken, Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking op datum van 1 november 2000 worden toegelaten tot de proeftijd in de carrière Buitenlandse Dienst;
- het ministerieel besluit van eveneens 8 januari 2001 waarbij Geert DE PROOST en Bart DE GROOF, laureaten van het vergelijkend wervingsexamen voor Nederlandstalige ambtenaren van de vierde administratieve klasse van de carrière Buitenlandse Dienst van het Ministerie van Buitenlandse Zaken, Buitenlandse Handel en V - 1590-1602 - 2/15 Ontwikkelingssamenwerking op datum van 1 december 2000 worden toegelaten tot de proeftijd in de carrière Buitenlandse Dienst (A. 101.755/V- 1602); Gelet op het arrest nr. 101.713 van 10 december 2001 waarbij de zaken worden samengevoegd, de verzoeken tot tussenkomst van Pierre CARTUYVELS en William DE BAETS in de procedure in kort geding worden ingewilligd, en waarbij de vorderingen tot schorsing worden verworpen; Gelet op de kennisgeving van het arrest aan de partijen; Gezien de verzoeken tot voortzetting van de procedure ingediend door verzoeker; Gezien de op 27 maart 2002 ingediende verzoekschriften waarbij Pierre CARTUYVELS en William DE BAETS vragen om als tussenkomende partij te mogen optreden in de procedure tot nietigverklaring; Gelet op de beschikking van 21 november 2002, waarbij die tussenkomsten worden toegestaan; Gezien de regelmatig gewisselde memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien de memories van de tussenkomende partijen; Gezien het verslag opgesteld door de heer M. LEFEVER, eerste auditeur bij de Raad van State, op grond van artikel 12 van het algemeen procedurereglement; Gelet op de beschikking van 9 februari 2004, die de neerlegging ter griffie van het verslag en het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan de partijen en gezien de laatste memories van de partijen; V - 1590-1602 - 3/15 Gelet op de beschikking van 10 augustus 2004, waarvan aan de partijen kennis is gegeven en waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 16 september 2004 om 14.30 uur; Gehoord het verslag van de heer J. DE BRABANDERE, kamervoorzitter; Gehoord de opmerkingen van verzoeker, van Mevr. C. DE VRIES, adviseur, die voor de eerste verwerende partij verschijnt, van Mr. E. JACUBOWITZ, loco Mrs. P. DE MAEYER en A. VERRIEST, advocaat, die voor de tweede verwerende partij verschijnt, en van Mr. R. HEIJSE, advocaat, die voor de tussenkomende partijen verschijnt; Gehoord het advies van de heer M. LEFEVER, eerste auditeur; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
- De gegevens van de zaken. Overwegende dat de gegevens van de zaken kunnen worden samengevat als volgt: 1.
- Verzoeker neemt deel aan het vergelijkend wervingsexamen voor de samenstelling van een wervingsreserve van Nederlandstalige ambtenaren van de vierde administratieve klasse van de carrière Buitenlandse Dienst (rang 10) voor het Ministerie van Buitenlandse Zaken, Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking, dat werd aangekondigd in het Belgisch Staatsblad van 30 september 1999, tweede editie. Tezelfdertijd wordt er ook een examen georganiseerd voor Franstalige kandidaten. Verzoeker slaagt voor het schriftelijk en mondeling gedeelte van het examen en neemt als gevolg daarvan deel aan de proef over de kennis van het Engels, waarvoor hij ook slaagt. Hij neemt verder deel aan de proef over de kennis van het Frans die bestaat uit een computergestuurd gedeelte en een mondeling gedeelte. V - 1590-1602 - 4/15 1.
- Het Nederlandstalig examen wordt afgesloten met een proces-verbaal van 19 september
- Tien kandidaten slagen. Verzoeker mislukt omdat hij onvoldoende punten behaalt voor de taalproef Frans. Van het Franstalig examen zijn er elf laureaten. De namen van de laureaten van de beide examens worden aan de tweede verwerende partij meegedeeld met brieven van 30 augustus 2000 (Franstalig examen) en 20 september 2000 (Nederlandstalig examen). Deze examenresultaten vormen het eerste voorwerp van het eerste beroep. Met een brief van 20 september 2000 deelt de Vaste Wervingssecretaris aan verzoeker mee dat hij niet geslaagd is voor het voornoemde vergelijkend wervingsexamen omdat hij "voor het gedeelte over de kennis van het Frans (minimum vereiste: 24 punten op 40) - 13 punten op 20 voor het computergestuurd gedeelte (minimum vereiste: 10 punten op 20) en 9 punten op 20 voor het mondeling gedeelte (minimumvereiste : 10 punten op 20)" behaald heeft. Deze brief vormt het vierde voorwerp van het eerste beroep. 1.
- Met een brief van 21 september 2000 vraagt verzoeker aan SELOR om "in toepassing van de wet van 11 april 1994 betreffende de openbaarheid van bestuur, inzage, uitleg en mededeling in afschrift van de stukken die betrekking hebben op (zijn) deelname aan het diplomatiek examen en de Franse taalproef in het bijzonder" en "inzage, uitleg en afschrift m.b.t. de bestuursdocumenten die betrekking hebben op de organisatie zelf van de Franse en Nederlandse taalproef (o.a. namen van de leden van de examencommissie, eindverslag en elk administratief stuk terzake), alsmede op de beoordeling, de rangschikking en de behaalde punten van al de kandidaten (dus ook deze die niet slaagden) die werden toegelaten tot de Franse en de Nederlandse taalproef". 1.
- Met een brief van 5 oktober 2000 antwoordt de Vaste Wervingssecretaris hem wat volgt: " De examencommissie gaat bij haar beoordeling voort op wat geobserveerd wordt tijdens de mondelinge selectieproef. Zij doet geen algemene uitspraken over het feit of u al dan niet over een vaardigheid beschikt, maar oordeelt of V - 1590-1602 - 5/15 zij op basis van de waargenomen gedragingen voldoende elementen heeft die op aanwezigheid van de functievereisten wijzen. Tijdens het interview van het gedeelte "voldoende kennis van het Frans" stelden de juryleden vast dat u dikwijls een foutieve woordenschat en syntaxis gebruikte. Bijvoorbeeld : "j*étais intéressé au droit public", "je suis nommé là- bas", "dans la demande de la réfugié", "de remplacer quelqu*un sur la matière", "tout la réforme", "agence qui s*occupe avec l’exportation flamand", "tribunaux ordinaux", "la place devient dominant", "différentes groupes", "on peut faire pas beaucoup" en "quelque chose qui lui fait malade de temps en temps", ... De examencommissie voor het mondeling gedeelte van de "kennis van het Frans" bestond uit : Mej. DUPONT Claudine, adjunct-Vaste Wervingssecretaris bij Selor, voorzitter Mevr. MARKEY Dominique, professor aan de Katholieke Universiteit te Brussel Dhr. SCHOUTEETE de TERVARENT, stagemeester bij het Ministerie van Buitenlandse Zaken. Wat betreft uw overige vragen in uw brief, kan ik, na de beslissing van de juridische dienst, onmogelijk antwoorden, daar deze in strijd zijn met de wet tot bescherming van de persoonlijke levenssfeer. Bijgaand vindt u een Nederlandstalig en een Franstalig examenreglement. Dit oordeel houdt geenszins een definitief oordeel in over uw capaciteiten en uw bekwaamheid op professioneel vlak. Evenmin beïnvloedt deze beslissing uw kansen op slagen voor latere of andere examens, die nog zullen georganiseerd worden door onze diensten". 1.
- Op 10 oktober 2000 dient de verzoeker een verzoek tot heroverweging in bij SELOR en terzelfder tijd vraagt hij de Commissie voor de toegang tot bestuursdocumenten advies uit te brengen over de vraag tot inzage en toezending van documenten die hij tot SELOR had gericht. Als gevolg van dit verzoek deelt de voornoemde commissie op 19 oktober 2000 aan verzoeker mee dat zij van oordeel is dat "de aanvrager het vereiste belang heeft voor de inzage, het recht op uitleg en de mededeling in afschrift van alle bestuursdocumenten die betrekking hebben op het examen dat de aanvrager heeft afgelegd, d.w.z. de bestuursdocumenten die betrekking hebben op zijn eigen persoon en die van de andere kandidaten. Zij is evenwel van oordeel dat de aanvrager niet het vereiste belang heeft om inzage, uitleg en mededeling in afschrift te bekomen van de bestuursdocumenten die betrekking hebben op het examen van de deelnemers van de Nederlandse taalproef omdat hijzelf niet aan deze proef heeft deelgenomen". V - 1590-1602 - 6/15 1.
- Ingevolge een wervingsakkoord gaat de tweede verwerende partij over tot het oproepen van al de geslaagden uit de beide wervingsexamens. Bij brieven van 12 en 17 oktober 2000 roept zij de laureaten van de beide examens op om in dienst te treden op 1 november
- Deze handeling vormt het derde voorwerp van het eerste beroep. 1.
- Bij twee ministeriële besluiten van 8 januari 2001 worden al de in dienst geroepen kandidaten, op Veerle VERLINDEN na, tot stagiair aangesteld. Deze besluiten moeten worden beschouwd als het tweede voorwerp van het eerste beroep en vormen het voorwerp van het tweede beroep. 1.
- De stagiairs die de stage met vrucht hebben beëindigd werden intussen reeds benoemd tot ambtenaar van de vierde administratieve klasse van de carrière buitenlandse dienst. Verzoeker bestrijdt die benoemingen in de zaak A.138.637/V-
- De ontvankelijkheid. 2.1.
- Overwe ge n d e d a t d e B e l gi s che S t aat al s eers t e ontvankelijkheidsexceptie opwerpt dat er geen voldoende samenhang bestaat tussen de diverse aangevochten akten opdat deze op ontvankelijke wijze in één enkel verzoekschrift aangevochten zouden kunnen worden; dat volgens haar de verzoeker dit impliciet toegeeft vermits hij stelt dat de uitslag van het aanwervingsexamen en de op grond daarvan opgestelde rangschikking een akte is die op zichzelf rechtsgevolgen heeft, dat voorts de verzoeker de oproepingsbeslissing afzonderlijk heeft bestreden met een procedure van schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid en dat tevens er rekening mee gehouden moet worden dat de beslissingen in verband met het examen uitgaan van de eerste verwerende partij en de oproepingsbeslissingen van de tweede verwerende partij en dat aan beide beslissingen een ander en onderscheiden besluitvormingsproces voorafgaat; dat, ten slotte, volgens die partij de ingeroepen middelen uitsluitend betrekking hebben op de beslissingen in verband met het examen; dat zij concludeert dat enkel de eerste vermelde beslissing, zijnde de uitslag van het examen, ontvankelijk wordt bestreden; 2.1.
- Overwegende dat verzoeker daarop antwoordt in zijn memorie van wederantwoord dat al de aangevochten handelingen deel uitmaken van éénzelfde V - 1590-1602 - 7/15 wervingsprocedure en dus van een complexe verrichting, bestaande uit het wervingsexamen en de daaruit voortvloeiende wervingen, dat om die reden het ook niet terzake dienend is dat niet al de deelverrichtingen uitgaan van dezelfde overheid en steunen op een afzonderlijk besluitvormingsproces, dat de omstandigheid dat verzoeker enkel middelen aanvoert tegen het examen evenmin toelaat tot het gebrek aan samenhang te besluiten vermits de onregelmatigheden van de beslissingen van de eerste verwerende partij ook kunnen worden aangevoerd tegen die van de tweede verwerende partij; 2.1.
- Overwegende dat de ministeriële besluiten van 8 januari 2001, in zoverre daarbij de laureaten van het vergelijkend wervingsexamen waaraan verzoeker deel had genomen tot de stage in de carrière buitenlandse dienst werden toegelaten, hoewel zij nog niet bestonden op het ogenblik dat het beroep in de zaak A. 97.384/V-1591 werd ingediend maar die bestreden worden in de zaak A.101.755/V-1602, hun rechtsgrond ontlenen aan de uitslag van dat examen; dat de omstandigheid dat verzoeker niet geslaagd werd verklaard, waardoor hij definitief van toelating tot de stage werd uitgesloten, daaraan geen afbreuk doet; dat de toelating tot de stage van de geslaagde en batig gerangschikte kandidaten derhalve samen met dat examen kan worden bestreden; dat wat dat betreft de exceptie niet opgaat; 2.2.
- Overwegende dat de Bel gi s che S t aat als tweede ontvankelijkheidsexceptie aanvoert dat verzoeker geen belang heeft om de nietigverklaring te vragen van de beslissing tot oproeping van de resterende laureaten van de wervingsreserve van het examen AFG 98825, aan welk examen verzoeker niet heeft deelgenomen en waarvan het examenresultaat niet is bestreden; dat hij ook meent dat verzoeker geen belang heeft om de nietigverklaring te vorderen van de beslissing tot het oproepen van de elf laureaten van het Franstalig wervingsexamen AFG 99822 omdat hij aan dat examen niet heeft deelgenomen; dat ook de tussenkomende partijen aanvoeren dat verzoeker geen belang heeft om de nietigverklaring te vorderen van beslissingen die de laureaten van het Franstalig wervingsexamen betreffen; Overwegende dat de tussenkomende partijen verder nog opwerpen dat verzoeker geen belang heeft bij de vernietiging van de examenresultaten en de aanstelling tot stagiair van de laureaten van het Nederlandstalig examen omdat niet alle betrekkingen waarvoor er een wervingsmachtiging was (10 N en 14F) konden worden opgevuld vermits één laureate, Veerle VERLINDEN, de stage niet heeft V - 1590-1602 - 8/15 aangevat en er ondertussen reeds twee Nederlandstalige stagiairs, nl. Geert DE PROOST en Karin DE KELVER, ontslag hebben genomen; dat volgens hen bijgevolg de vernietiging van het examenresultaat van de Nederlandstalige laureaten en hun toelating tot de stage niet onontbeerlijk is opdat verzoeker binnen de werfreserve zou kunnen worden opgenomen en tot stagiair worden aangesteld; dat daarenboven de rangschikking louter een administratief gegeven is en de rangschikking voor de toelating tot de stage geenszins determinerend zou zijn voor het verdere verloop van de carrière, noch op het vlak van de vaste benoeming noch op het vlak van de wedde; dat of een stagiair vast benoemd wordt immers afhangt van de beoordeling die hij krijgt tijdens zijn stage en niet van zijn plaats op de rangschikking die hij behaalde voor de toelating tot de stage en dat voor hun vaste benoeming de stagiairs gerangschikt worden volgens het puntentotaal van de resultaten behaald bij het wervingsexamen en het einde stage-examen, zodat enkel de som van de punten en dus niet de rangschikking bij het wervingsexamen de rangschikking bij de vaste benoeming kunnen determineren; dat zij ook menen dat, gelet op de ingeroepen grieven, niet blijkt welk voordeel verzoeker kan halen uit de nietigverklaring van het examenresultaat van de andere laureaten: hij roept immers enkel een louter formeel argument in, nl. de onregelmatige samenstelling van de jury, hij beweert niet dat deze partijdig is geweest noch dat de beoordeling van de jury inhoudelijk onregelmatig zou zijn geweest; dat de tussenkomende partijen ten slotte stellen dat in de hypothese dat verzoeker zijn taalexamen Frans zou mogen overdoen, er een nieuwe rangschikkingsbeslissing zou worden genomen waarbij verzoeker op basis van het door hem behaalde resultaat wordt ingeschoven in de rangschikking; 2.2.
- Overwegende dat verzoeker repliceert dat slechts één laureaat van een vroeger examen tot de stage werd toegelaten samen met de laureaten van het bestreden examen, nl. LEBEAU maar dat, aangezien deze intussen ontslag heeft genomen als stagiair de opwerping van de tweede verwerende partij vervalt; dat hij voorts meent dat hij wel belang heeft om de resultaten van het Franstalig wervingsexamen aan te vechten omdat het volgens hem gaat om één en hetzelfde examen, bestaande uit twee taalversies en dat dit voortvloeit uit de artikelen 43 en 47 van de wetten op het gebruik der talen in bestuurszaken en meer bepaald uit het feit dat er voor de betrekkingen in de carrière buitenlandse dienst geen taalkaders zijn maar alleen een verdeling in gelijke mate over de taalrollen: elke betrekkingen kan dus bezet worden door een ambtenaar van de Nederlandse of de Franse taalrol voor zover globaal genomen de betrekkingen in gelijke mate zijn bezet door Nederlandstaligen en Franstaligen en, vermits het om één enkel examen gaat moet V - 1590-1602 - 9/15 men, wanneer men overgaat tot werving, vertrekken van één samengevoegde lijst die alle Nederlandstalige en Franstalige geslaagden bevat, gerangschikt volgens de punten die zij voor het examen behaalden; dat is zoals er tewerk gegaan is in de bestreden ministeriële besluiten van 8 januari 2001; dat verzoeker voor zijn stelling ook een a contrario-argument put uit de wet van 6 april 1962 betreffende de tijdelijke en uitzonderingsmaatregelen voor de opneming, ter bevordering van het taalevenwicht in de carrière Buitenlandse Dienst van het Ministerie van Buitenlandse Zaken en Buitenlandse Handel, van agenten van de 3e en 4e administratieve klasse; dat hij te dien aanzien stelt dat een apart wervingsexamen, alleen voor Nederlandstaligen, slechts mogelijk was door het grondwettigheidsbezwaar van de Raad van State, die dit strijdig achtte met het gelijkheidsbeginsel, te omzeilen langs de wetgever om; 2.2.3.
- Overwegende dat de geslaagde kandidate Veerle VERLINDEN met een brief van 2 februari 2001 definitief heeft afgezien van de mogelijkheid om in dienst te treden; dat aan de eveneens geslaagden Karin DE KELVER en Geert DE PROOST naderhand ontslag werd verleend als stagiair-diplomaat; dat verzoeker weliswaar in zijn laatste memorie aanvoert dat die personen zich in de toekomst altijd zullen kunnen beroepen op het gegeven dat zij geslaagd waren; dat daartegen echter staat, enerzijds dat de eventuele nietigverklaring van het examenresultaat van deze kandidaten voor verzoeker niet meebrengt dat hij zelf geslaagd moet worden verklaard, anderzijds dat bij de eventuele nietigverklaring van zijn niet-slagen zijn kansen op toelating tot de stage wegens het afhaken van die concurrenten verhogen; dat verzoeker dus geen belang meer heeft bij de nietigverklaring van het examenresultaat van de drie voornoemden noch van de toelating tot de stage van de laatste twee van hen; 2.2.3.
- Overwegende dat verzoeker ten onrechte stelt dat er maar één enkel wervingsexamen wordt georganiseerd voor Nederlands- en Franstalige kandidaten; dat niet ingezien wordt waarom uit het feit dat er geen taalkaders bestaan voor de diplomaten moet volgen dat de werving maar kan geschieden door één examen met twee taalversies; dat, immers, artikel 47, § 5, tweede lid, van de op 18 juli 1966 gecoördineerde wetten op het gebruik van de talen in bestuurszaken bepaalt dat de betrekkingen, die voor de gezamenlijke buitenlandse diensten aangewezen zijn, op alle trappen van de hiërarchie, in gelijke mate verdeeld worden over de Nederlandse en Franse taalrollen en dat de titularissen van die betrekkingen voor een examencommissie, samengesteld door de Vaste Wervingssecretaris, het bewijs moeten leveren dat zij een aan hun functie aangepaste kennis van de tweede taal - V - 1590-1602 - 10/15 het Frans of het Nederlands - bezitten; dat derhalve, mede doordat alle betrokken ambtenaren tweetalig moeten zijn, aan de hand van de wet zelf precies becijferde verhoudingen kunnen worden bepaald volgens welke de effectieven van het organiek kader over de personeelsleden van de beide taalrollen moeten worden verdeeld, wat het bij apart uitvoeringsbesluit instellen van taalkaders eigenlijk overbodig maakt; dat m.a.w. ofschoon er formeel geen taalkaders zijn, niettemin wettelijk is bepaald dat de betrekkingen op elke trap van de hiërarchie gelijk verdeeld moeten worden over de beide taalrollen, wat er in feite en in rechte op neerkomt dat de betrekkingen per trap van de hiërarchie gelijkelijk toegewezen moeten worden aan de beide taalrollen zodat bij de toekenning van een vacante betrekking nagegaan moet worden hoe de feitelijke verdeling tussen de taalrollen is om te kunnen beslissen aan welke taalrol ze moet worden toegewezen; dat elke kaderbetrekking inderdaad bezet wordt door een ambtenaar van de Nederlandse of van de Franse taalrol, maar dat dit ook zo is indien er taalkaders bestaan; dat immers, in dat geval zelfs een betrekking nooit vooraf toegewezen is aan een bepaald taalkader, terwijl het pas op het ogenblik van de benoeming in die betrekking is dat op basis van de bezetting van de taalkaders duidelijk zal zijn aan welke taalrol ze moet toekomen; dat wat dit betreft er geen verschil is met de hier beschouwde toestand: vermits de betrekkingen krachtens de taalwet zelf gelijkelijk moeten verdeeld worden over de beide taalrollen zal men bij benoeming in een betrekking op het kader, basisbetrekking zowel als bevorderingsbetrekking, maar kunnen benoemen voor zover men daardoor het evenwicht niet schendt; dat verzoeker overigens toegeeft dat wanneer er bij de instroom van de stagiairs geen rekening gehouden wordt met de taalverhouding van de reeds aanwezige diplomaten, dit tot gevolg zou hebben dat de gelijke bezetting van de betrekkingen over de beide taalrollen niet kan worden verwezenlijkt; dat er derhalve wel degelijk twee afzonderlijke examens, weliswaar gelijktijdig, werden georganiseerd die toegang geven tot dezelfde betrekkingen; dat de geslaagden voor het ene examen bij het toewijzen van de betrekkingen - waarvoor in de eerste plaats de taalrol determinerend is - echter op grond van hun uitslag niet in concurrentie treden met de geslaagden voor het andere examen; Overwegende dat ook het a contrario-argument dat verzoeker meent te vinden in de wet van 6 april 1962 betreffende de tijdelijke en uitzonderingsmaatregelen voor de opneming, ter bevordering van het taalevenwicht in de carrière Buitenlandse Dienst van het Ministerie van Buitenlandse Zaken en Buitenlandse Handel, van ambtenaren van de 3e en 4e administratieve klasse, niet opgaat; dat de Raad van State het ontwerp van koninklijk besluit niet strijdig bevond V - 1590-1602 - 11/15 met het gelijkheidsbeginsel omdat het in een werving voorzag alleen voor Nederlandstaligen, maar wel omdat die werving gebeurde onder voorwaarden die afweken van die waaraan de kandidaten bij een gewone werving moesten voldoen; dat zulks duidelijk blijkt uit het advies van de afdeling wetgeving van de Raad van State, waarin werd overwogen: "Dat alleen Nederlandssprekende kandidaten met het oog op taalevenwicht aan een buitengewoon vergelijkend wervingsexamen mogen deelnemen, is weliswaar niet in strijd met het beginsel dat de Belgen gelijkelijk benoembaar zijn tot de overheidsbedieningen; anders wordt het echter wanneer die maatregel samengaat met wervingsvoorwaarden die een discriminatie of voorrechten inhouden. En dit is juist de strekking van het ontwerp, dat, afgezien van de taalkwalificatie, die een objectief vereiste is voor het verwezenlijken van het taalevenwicht, alleen Nederlandssprekenden ontslaat van de algemene bekwaamheidsvoorwaarden waaraan alle kandidaten moeten voldoen"; Overwegende dat de beroepen derhalve ook niet ontvankelijk zijn voor zover ze gericht zijn tegen het examenresultaat van het Franstalig wervingsexamen en de toelating tot de stage van de Franstalige laureaten daarvan; 2.2.3.
- Overwegende, wat betreft de exceptie volgens welke verzoeker geen belang zou hebben om de examenresultaten van de laureaten van het Nederlandstalige examen aan te vechten, dat weliswaar noch het slagen van de andere Nederlandstalige kandidaten noch hun aanwijzing tot stagiair verzoeker verhindert om ook nog te slagen voor het examen en toegelaten te worden tot de stage; dat, immers, gesteld dat hij na de eventuele nietigverklaring van zijn niet- slagen het examen over zou doen en dan toch zou slagen, hij, in het geval er niet onmiddellijk een betrekking vacant is, opgenomen wordt in de werfreserve en hij bij de eerstvolgende vacature kan worden opgeroepen voor de stage, daar hij voorrang heeft op andere kandidaten die zich nog in de werfreserve zouden bevinden; dat de werfreserve echter maar twee jaar geldig is; dat indien verzoeker zich er toe zou beperken om de vernietiging van zijn eigen examenresultaat te vorderen, derhalve kan worden betwijfeld of zijn opneming in de reserve wel tijdig tot een effectieve toelating tot de stage zal kunnen leiden en of veeleer het voortbestaan van zijn belang niet zou kunnen worden betwist omdat hij de op grond van de examenrangschikking gedane aanstellingen, die alsdan onaantastbaar geworden zijn, niet heeft bestreden; dat hij er derhalve belang bij heeft om ook de resultaten van de laureaten van het Nederlandstalig examen te bestrijden alsmede hun aanstelling tot stagiair; dat de eventuele vernietiging daarvan, alsook van de latere vaste benoeming, betrekkingen zou vrijmaken en dus oproepingen tot de stage mogelijk V - 1590-1602 - 12/15 zou maken; dat verzoekers belang daarenboven niet kan worden betwist omdat hij, volgens de tussenkomende partijen, enkel een formeel argument, nl. de onregelmatige samenstelling van de jury inroept en niet beweert dat diens beoordeling van zijn examen onregelmatig zou zijn geweest; dat dit geen kwestie is van belang bij het beroep maar hoogstens van belang bij het aangevoerde middel; dat de exceptie moet worden verworpen; 2.2.3.
- Overwegende dat ambtshalve moet worden vastgesteld dat de derde bestreden beslissing in de zaak A.97.384/V-1591, zijnde de oproeping van de laureaten om in dienst te treden, louter een materiële handeling is die uit zichzelf geen rechtsgevolgen heeft; dat zij meer bepaald geen effectieve indiensttreding impliceert, wat blijkt uit het feit dat Veerle VERLINDEN, hoewel daarvoor opgeroepen, niet effectief in dienst is getreden; dat zij evenmin hun aanstelling tot stagiair inhoudt, waarvoor een ministerieel besluit vereist is; dat het eerste beroep derhalve niet ontvankelijk is wat zijn derde voorwerp betreft; 2.
- Overwegende dat uit de vaststelling dat de beroepen niet ontvankelijk zijn voor zover zij gericht zijn tegen de uitslag van het wervingsexamen georganiseerd voor Franstalige kandidaten zomede tegen de toelating tot de stage van de voor dat examen geslaagde kandidaten en wat dat betreft moeten worden verworpen, volgt dat de tussenkomende partij Pierre CARTUYVELS, die tot de Franse taalrol behoort, niet langer in het geding is; dat zodoende niet meer is voldaan aan artikel 61, 4/, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, hetwelk bepaalt dat naar de tweetalige kamer worden verwezen, de zaken bedoeld in artikel 60, wanneer de titularis wiens rechtstoestand geregeld wordt, op regelmatige wijze in de zaak tussenkomt, waardoor de toepassing in zijnen hoofde van de in de artikelen 54 tot 59 vermelde criteria het verplicht gebruik van een andere taal dan die waarin de zaak met toepassing van artikel 60 zou moeten behandeld worden tot gevolg heeft; dat wegens het niet meer in het geding zijn van de voornoemde tussenkomende partij, overeenkomstig de artikelen 54 en 60 van de voornoemde gecoördineerde wetten de taal van de procedure nog uitsluitend het Nederlands is; dat derhalve de beroepen verder door een Nederlandstalige kamer dienen te worden behandeld, BESLUIT: Artikel
- V - 1590-1602 - 13/15 De beroepen worden verworpen voor zover zij strekken tot de nietigverklaring van: - het proces-verbaal van 19 september 2000 tot afsluiting van en bevattende de uitslag en rangschikking van de kandidaten geslaagd voor het vergelijkend examen (AG/99822) met het oog op de werving en de samenstelling van een wervingsreserve van ambtenaren van de vierde administratieve klasse van de carrière Buitenlandse Dienst voor het Ministerie van Buitenlandse Zaken, Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking, doch enkel voor zover het slagen en de rangschikking wordt vastgesteld van Franstalige kandidaten, namelijk: William ROELANTS de STAPPERS, Patrick DEBOECK, Emmanuelle DEFOY, Christophe PAYOT, Roxane de BILDERLING, Pierre CARTUYVELS, Antoine EVRARD, Dominique MINEUR, Philippe DE MUELENAERE, Pascal GREGOIRE, Denis LEBEAU en Pierre DRESCIGH, en van de volgende Nederlandstalige kandidaten: Veerle VERLINDEN, Karin DE KELVER en Geert DE PROOST (eerste voorwerp in de zaak A.97.384); - de ministeriële besluiten van 8 januari 2001 in zoverre zij de voornoemde Franstalige laureaten van het wervingsexamen en de eveneens Franstalige laureaat van een ander vergelijkend wervingsexamen, Denis LEBEAU, alsook de eveneens hiervoor genoemde Nederlandstalige kandidaten Karin DE KELVER en Geert DE PROOST toelaten tot de stage in de vierde administratieve klasse van de carrière Buitenlandse Dienst (derde voorwerp in de zaak A.97.384 en eerste en tweede voorwerp in de zaak A. 101.755); - de zogenoemde beslissingen van de Minister van Buitenlandse Zaken vervat in zijn brieven van 12 en 17 oktober 2000, waarbij de kandidaten van de wervingsreserve opgeroepen worden om zich aan melden teneinde in dienst te treden als stagiair van de carrière Buitenlandse Dienst (derde voorwerp in de zaak A.97.384). Artikel
- De debatten in de aldus beperkte zaken worden heropend. Artikel
- De zaken worden verwezen naar de algemene rol om te worden toegewezen aan een Nederlandstalige kamer. V - 1590-1602 - 14/15 Artikel
- De kosten van de beroepen en van de tussenkomst van William DEBAEDTS worden in beraad gehouden. De kosten van de tussenkomst van Pierre CARTUYVELS, bepaald op 125 euro, komen ten laste van de voornoemde partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting van de Ve kamer, op zevenentwintig januari tweeduizend en vijf, door : de HH. J. DE BRABANDERE, kamervoorzitter, L. HELLIN, staatsraad, Mevr. S. GEHLEN, staatsraad, Mevr. M.-Chr. MALCORPS, griffier. De Griffier, De Voorzitter, M.-Chr. MALCORPS. J. DE BRABANDERE. V - 1590-1602 - 15/15 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.139.890 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div